vrijdag 5 oktober 2012

Jos Wouters


Ik hou van afwisseling. Vorige week had ik het over de filosoof Friedrich Nietzsche, deze keer gaat het over de wielrenner Jokke Wouters, die overigens eerder al op dit blog aan bod kwam: zie mijn artikel Werchter van 17 augustus 2012.
Vandaag neem ik u mee naar zondag 8 oktober 1961 (en de dagen daarna), toen Jos Wouters het eerste internationale exploot van zijn korte carrière verwezenlijkte. Op die dag won hij, als 19-jarige, Parijs-Tours, de grote herfstklassieker (die inmiddels wel wat van zijn vroegere glans verloren heeft). Ik was twaalf jaar.
In feite was Wouters op dat moment nog niet eens beroepsrenner, maar kwam hij uit in de categorie van de "onafhankelijken", een (inmiddels verdwenen) geleding binnen het wielrennen net onder die van de professionals, maar waarvan de (veelal nog zeer jonge) leden al aan beroepsrennerswedstrijden mochten deelnemen. Enkele weken voor zijn zege in Parijs-Tours was Jos Wouters trouwens nog kampioen van België van de onafhankelijken geworden.
Jokke Wouters woonde in mijn streek en dus werd ik  - jeugdig wielerliefhebber in die tijd - supporter van hem. Eerlijkheidshalve dient gezegd dat dit supporterschap zich in de praktijk grotendeels beperkte tot het aanleggen van een plakboek. Mijn werk - met uit de pers geknipte artikels en foto's, en met ook eigen bijdragen - moet hoofdzakelijk anno 1962 tot stand zijn gekomen, maar natuurlijk besteedde ik ook ruime aandacht aan de gedenkwaardige Parijs-Tours van '61, "Jos Wouters' eerste overwinning in een klassieker".
Ik zorgde zelf voor het koersverslag. Kennelijk kwam de wedstrijd op gang door een ontsnapping van dertien renners. Dan "maakte Jos Wouters zich los uit de groep [het peloton] en voegde zich bij de 13. De regen hield op maar we kregen een hevige wind in het nadeel".
Wat later gingen twee renners uit de kopgroep aan de haal: Gilbert Desmet en de Fransman Anatole Novak... "Toen sprong Jos Wouters naar deze twee. Met een zeer geringe voorsprong op de rest van het groepje en nog slechts een halve minuut op het peloton, moest de sprint beginnen. R. Impanis voegde zich nog bij de drie. Nogmaals was het Jos Wouters dewelke in enkele forse pedaalslagen de laatste rivaal, namelijk Gilbert Desmet, kategoriek terugwees en als nieuwkomer een zo zeldzaam als briljant wapenfeit lukte met zich als onweerstaanbaar overwinnaar door de finish te werpen en de 55ste Parijs-Tours op zijn naam te schrijven".
Het regionale weekblad De Haechtenaar liet de zege van Jos Wouters allesbehalve onopgemerkt voorbijgaan: de Jokke was afkomstig van Wakkerzeel, een gehucht van Werchter, en Werchter was dan weer een (toen nog zelfstandige) buurgemeente van Haacht. In mijn plakboek trof ik drie stukken aan die De Haechtenaar rond de glansprestatie van de jonge Wouters publiceerde: een interview met de held van de dag, een reeks uittreksels uit de binnen- en buitenlandse pers (een soort persoverzicht dus), en ook een aantal Kanttekeningen bij Parijs-Tours. Het zijn stukjes journalistiek met een persoonlijke toets en een hoog aandoenlijkheidsgehalte.
Uit de Kanttekeningen... "We bevonden ons zondag te Haacht, in het café Vande Weyer, en luisterden naar de aankomst van Parijs-Tours. Na een eerste hoera-geroep toen de winnaar gekend was, werd het muisstil toen Jos zelf aan de mikro kwam en zijn koers vertelde.
Het mooiste ogenblik van de ganse reportage was, toen de radio-reporter vroeg of Jos geen groeten had over te brengen en deze prompt antwoordde: 'Ja, de groeten aan ons Peet en aan al de supporters'. We vonden geen woorden om ons gevoelen te beschrijven, het ging ons recht naar het hart, een jongen van 19 jaar die, vóór alles, aan zijn grootmoeder dacht.
En deze gedachte ging ongetwijfeld gepaard met een groot gevoel van dankbaarheid, want te Wakkerzeel, in het gezin Wouters, vervult Peet de taak van moeder voor 6 kinderen, wier moeder veel te vroeg is heengegaan".
Een andere Kanttekening... "Alle Belgische Franstalige bladen spraken in hun maandagnummer over 'Wackerzele'. Het Parijse blad L'Equipe schreef echter Wakkerzeel zoals het hoorde. Ere aan wie ere toekomt. Parijs kende Wakkerzeel beter dan Brussel".
Die Franse sportkrant L'équipe - in die tijd organisator van de Ronde van Frankrijk - "blokletterde maandagochtend op de eerste bladzijde: 'Het is teveel voor de Fransen: België bezit thans twee Van Looy's. Parijs-Tours maakt van Jos Wouters een superkampioen op 19 jaar". Met dit laatste citaat zijn we bij de Uittreksels uit [de] binnen en buitenlandse pers beland.
Uit die fragmenten blijkt dat ook de "grote" kranten in hun kolommen terloops met lokale en familiale details op de proppen kwamen. In Het Laatste Nieuws schreef Willy Van den Wijngaerd (over Jos Wouters): "De gewezen metsersknecht en helper-biersteker bij Leonard Heremans, in Wakkerzeel, heeft zijn verzorger Jakke Verhaegen met zijn sukses te Tours werkelijk het mooiste geschenk gegeven dat deze kon dromen".
"De poulain van Solo-Van Steenbergen, die Bob Naeye voor zijn eerste seizoen als sportbestuurder, de enorme vreugde van een eerste voorname internationale zege schonk, was overigens vast overtuigd van zijn overwinning. Hij had zijn vader, zijn broeder en een tiental trouwe supporters met de wagen naar Tours gestuurd. Vader Wouters wachtte hem op de eindstreep af. Omdat hij wist dat men hem daar, bij de huldiging van de winnaar, nodig zou hebben" - aldus Willem Van Wijnendaele in Het Nieuwsblad.
Over nu naar Ons vraaggesprek met de winnaar van Parijs-Tours. "Jos Wouters heeft het waarschijnlijk niet gemakkelijk gehad om Parijs-Tours te winnen, maar wij hebben het nog moeilijker gehad om deze week een interview af te nemen van de Jos", verzuchtte de Haechtenaar-journalist in zijn inleiding. "De sympathieke winnaar kwam pas maandagavond thuis, nadat hij een paar uur tevoren op de Vlaamse en de Waalse T.V. was verschenen. Die avond was verder voor de supporters bestemd, doch verschillende reporters hielden hem nog op. Doch dinsdag waren wij reeds vroeg op post te Wakkerzeel in het nu overbekende café. We konden echter niemand van het huisgezin interviewen, behalve Peet, en dat mens had reeds de handen vol - om 9 uur 's morgens a.u.b. - om de klanten te bedienen. Zij was maandag vroeg gaan slapen, vertelde zij ons, namelijk te half-twee 's nachts en al de anderen hadden in 't gareel gestaan tot in de vroege ochtend, behalve natuurlijk Jos, die elders de nacht doorbracht.
Een kwartier daarna kregen we echter Mon [de vader van de renner] te zien, die zijn dag begon met een flesje Spa. De man heeft ons in geuren en kleuren de koers beschreven - voor zover hij die had gezien - doch feitelijk was het onze bedoeling niet dat te vernemen. We hadden immers in 't Klokske [het advertentieblad van dezelfde uitgeverij] medegedeeld dat we Jos zelf gingen interviewen en dat we voor hem 10 pertinente vragen klaar hadden. We moesten dus de Jos zelf hebben".
Wat een reporter lijden kan! Uiteindelijk was het toch gelukt om "de Jos" te pakken te krijgen (op woensdagavond, en kennelijk maar heel kort). Met de aangekondigde pertinentheid viel het goed mee (of tegen, zoals u wil): de vragen hadden vooral betrekking op het wedstrijdverloop.
"Waart ge niet bang om te starten in deze eerste grote internationale klassieker?" vroeg De Haechtenaar. "Ik was wel zenuwachtig, maar het schrikte me niet af, alhoewel ik moet bekennen dat ik niet te best geslapen had. Maar omdat ik de forme had voelde ik me toch min of meer gerust gesteld. Ik was van geen enkele vedette bang, eenvoudig om de reden dat ik geen enkele 'grote' kende. Van iemand die ge niet kent, kunt ge toch geen schrik hebben!".
Viel te beschrijven wat de nieuwe wielervedette tijdens de sprint en in de laatste kilometers gedacht had? "Neen, dat kunt ge niet zeggen wat er dan in uw hoofd omgaat. Toen ik van Ludo [zijn ploegmaat Ludo Janssens] overnam ben ik 'au fond' gegaan tot aan de meet. Al zeg ik het zelf maar het ging vlot.
Maar ge denkt van alles, aan zotte dingen en aan serieuze dingen, maar aan zotte dingen toch eerst. Ge zegt in uw eigen 'ik ga demarreren', maar dan denkt ge weer 'neen, ik mag niet demarreren, want ik ben de rapste'. Het is een wervelwind van gedachten en ondertussen vliegt ge maar naar de meet. Als ge uw freins toetrekt zijt gij terug bij uw volle verstand en gij zijt er zelf over verwonderd dat het afgelopen is zoals ge het gewild hebt".
"Wat een gevoel geeft het, als ge in zulke daverende ontsnapping zit, en naast u bevindt zich uw gebuur Impanis, die echter voor een ander merk rijdt?", wou De Haechtenaar weten (Raymond Impanis was afkomstig uit het niet ver van Wakkerzeel gelegen dorpje Berg). Ha, dat was nu eens een (enigszins) pertinente vraag. Maar wat gebeurde er toen? Kennelijk schrok onze Haechtenaar-reporter van zijn eigen pertinentheid, want: "Deze vraag hebben we wel gesteld, maar er onmiddellijk aan toegevoegd dat hij [Jos Wouters dus] ze niet hoefde te beantwoorden, omdat we op dat ogenblik begrepen dat de vraag wel een beetje delikaat was. En om het Jos niet moeilijk te maken, zijn we onmiddellijk tot de 5e vraag overgegaan". Tja...
Tussen de journalist en de sportman kan een subtiel standsverschil van kracht zijn. Het zwaartepunt van het respect verschuift naarmate de prestaties van de sportman de hoogte ingaan. Dat komt treffend tot uiting in deze Kanttekening uit De Haechtenaar... "Kent de lezer het verschil tussen onze betrekkingen met Jos Wouters in 1958 en in 1961? Wel, dat verschil is heel eenvoudig. In 1958 vroeg vader Mon ons eens in de telefoon of we, a.u.b., de uitslagen van zijn zoon in De Haechtenaar wilden plaatsen. En in 1961 hebben wij de telefoon genomen en hebben we vader Mon gevraagd, of we, a.u.b., een interview van zijn zoon konden afnemen"… Bredero (1585-1618) wist het al: 't kan verkeren.


Foto boven de tekst: uit mijn plakboek... Jos Wouters aan, zijn vader Mon Wouters achter, de toog van hun café in Wakkerzeel, 1961. Ik moet de foto destijds uit een Frans tijdschrift hebben geknipt. De opname geeft een prachtige inkijk in een Vlaams dorpscafé in de prille jaren zestig. Oude foto's van café-interieurs zijn zeldzaam (er was immers extra kunstlicht voor nodig om ze te maken). Mijn grootouders-langs-moederskant baatten destijds een herberg uit langs de Haachtsesteenweg in Relst, maar een foto van het toenmalige interieur heb ik (helaas) niet. 
Niet lang na de overwinning van Jos in Parijs-Tours van 1961 verliet vader Mon Wouters met zijn gezin Wakkerzeel, en ging hij café houden in Werchter, langs de weg van Haacht naar Rotselaar, ter hoogte van de Werchterse Dijlebrug (zie mijn blogtekst Werchter van 17 augustus 2012). Natuurlijk kreeg die herberg de naam "Café Parijs-Tours". (Met dank aan Werchter-kenner Frans Verstraeten).

vrijdag 28 september 2012

Villa Silberblick


"Je wist toch dat Nietzsche hier zijn laatste jaren heeft doorgebracht en hier gestorven is?" vroeg mijn vrouw toen ze fris gedouched uit de badkamer kwam.
Ik wreef de slaap uit mijn ogen en realiseerde me geleidelijk dat ik in een hotelbed in Weimar lag. De hersenen zijn, zoals men weet, een complex geheel waarvan de onderdelen relatief autonoom functioneren - of niet functioneren. 's Morgens vroeg heb ik wat tijd nodig om ze allemaal in alerte toestand te brengen en op elkaar af te stemmen.
"Euh… euh… ja… ja…" - of iets van die strekking moet mijn antwoord zijn geweest. In feite was het nee. Op dat moment. Maar eigenlijk was het toch ja, want natuurlijk had ik ooit die foto's gezien van de zwaar zieke Nietzsche in een leunstoel, in een villa, liefdevol verpleegd door zijn zus Elisabeth… meermaals zelfs had ik die gezien, en ongetwijfeld had ik toen ook geweten dat die foto's, en die villa, en die zus… dat dat allemaal in Weimar was.
Maar vanaf mijn blijde intrede in Weimar was ik zo in de ban van Goethe - de grote Goethe, het huis waarin hij had gewoond, de straatjes en pleinen die hij had belopen, het park aan de Ilm, zijn Gartenhaus aldaar… en dan al die figuren die hem nabij waren geweest, Frau von Stein, en Johann Peter Eckermann, en Christiane Vulpius, en de hertog van Saksen-Weimar, en waar die hadden gewoond en rondgedwaald… Schiller was er helemaal bij ingeschoten, en Nietzsche, toch ook één mijner idolen… in de verste verte niet aan gedacht! Ik geef het toe: ik was ten prooi aan een compleet op Goethe gerichte tunnelvisie.
Gelukkig heeft mijn vrouw de voor mij geheel onbegrijpelijke gewoonte vroeg op te staan, en houdt ze zich dan in stilte bezig met het bijwerken van ons reisverslag en het consulteren van de reisgidsen. Dat reisverslag - vroeger op een blocnote, nu op de laptop - dat doet ze dus helemaal voor mij, want zelf heeft ze de beschikking over een geheugen dat minstens zo groot is als mijn vergeetachtigheid.
Ik heb graag zo'n reisdagboek om alle waars en wanneers van onze ondernemingen niet enkel voor mezelf, maar ook voor het nageslacht te bewaren. Dit laatste is een intentie die getuigt van enige ijdelheid, ik geef het toe, en die voortspruit uit een allicht ijdele hoop, want ik moet de eerste nazaat die zich voor mijn wederwaardigheden interesseert nog tegenkomen.
"Het huis waar Nietzsche door zijn zus werd verzorgd, en waar hij gestorven is, staat er nog. Het is in de Humboldtstrasse, even buiten het centrum, ik denk dat we er te voet naartoe kunnen", aldus mijn echtgenote. "Het heet Villa Silberblick en men kan het bezoeken".
Zoals steeds wanneer mijn vrouw iets opwindends suggereert, had ik aan haar halve woord genoeg om in actie te komen, te meer daar Friedrich Nietzsche (1844-1900), zoals al vermeld, toevallig ook nog één van mijn favoriete culturele monumenten is. Laat ik het zo zeggen: voor mij is der Friedrich de eerste filosoof die het denken van de hedendaagse westerse mens heeft gedacht - met al de intellectuele moed die daarvoor nodig was (en is), want wie de zaken van het zijn van de wereld en de mens onverschrokken, in the cold light of day bekijkt - niet langer gepamperd door dromen over goden en hiernamaalsen - die heeft moed nodig om niet aan de dan opduikende uitzichtloosheid en zinloosheid ten onder te gaan.
Wat mij in Nietzsche erg bevalt, is dat hij - in tegenstelling tot omzeggens alle andere filosofen, van Plato tot Kant - niet de pretentie had een systeembouwer te zijn: in geen van zijn boeken, en ook niet in zijn oeuvre als geheel, wordt een allesomvattende, totalitaire "waarheid" over de werkelijkheid uiteengezet.
Integendeel! Nietzsche was de grote ontmaskeraar van zulke "waarheidssystemen", hij ging er met de hamer tegenaan. Gelijk had hij. Want of het nu gaat om godsdiensten, ideologieën, of zelfs om de moderne wetenschap: allemaal pretenderen ze "dé waarheid" - de enige, echte, zaligmakende - in pacht te hebben (ze voeren er zelfs heilige oorlogen voor), terwijl hun "waarheden" de facto perspectivistisch en strategisch van aard zijn.
Perspectivistisch wil zeggen: dat het beeld dat ze van de werkelijkheid ophangen bepaald is door hun gezichtspunt, en daardoor gekenmerkt door selectie, vertekening en vervorming. De zaken worden bekeken vanuit een bepaalde hoek, in een bepaald perspectief. Strategisch betekent: dat ze uitgedacht zijn en verkondigd worden met bepaalde bedoelingen.
De eerste (en de nog meest eerbare) van die bedoelingen is, dat de zogezegde "waarheden" een geestelijk houvast bieden: ze helpen de mens zich te oriënteren, zich te handhaven, ja zich zelfs enigszins thuis te voelen in een werkelijkheid die in feite afschrikwekkend en onleefbaar is.
Godsdiensten, ideologieën, wetenschappen doorgronden de wereld niet écht, de waarheden en zekerheden die ze aanbieden zijn illusies. Maar kennelijk hebben (vele… de meeste…) mensen nood aan zulke begoochelingen. Zo kreeg in Nietzsches eigen tijd het atheisme wel een groeiend aantal aanhangers, die alle godsdiensten afzwoeren, maar blijkbaar toch een existentiële behoefte hadden aan een vervangend geloof, want het werden Marxisten, die geloofden in de klassenloze maatschappij als een soort toekomstig paradijs op aarde, of het werden scientisten, die geloofden dat de wetenschap op alle vragen een waar en zeker antwoord zou geven en alle problemen van de mensen zou oplossen. Zelf verkoos Nietzsche - en dat maakt hem tot een voor zijn tijd zeer bijzonder iemand - onverschrokken de ijzingwekkende waarheid onder ogen te zien dat er niets is dat de mens een werkelijk houvast kan bieden.
Wij dus (houvastloos) naar de Humboldtstrasse (die in Nietzsches tijd overigens Luisenstrasse heette), een laan die ons vanuit het stadscentrum naar een buitenwijk van Weimar voert. De omgeving roept een vermoeden van vroegere grandeur op, en tevens de veronderstelling dat deze chique buurt in de jaren van het DDR-communisme moet zijn verlept (maar eerlang allicht heropfleuren zal). Het is dinsdagnamiddag 28 september 2010. In de voormiddag hebben we Goethes Gartenhaus en Goethes Wohnhaus bezocht, en heb ik een (kleine) porceleinen buste van de grote man gekocht: hij heeft dus niet de minste reden zich verwaarloosd te voelen.
Opwaarts gaat de weg, want de Villa Silberblick - eigenlijk is het Zum Silberblick - ligt op een landschappelijke glooiing ten zuiden van Weimar. Haar naam heeft ze trouwens van die heuvel overgenomen. Het vrij imposante huis draagt nu het nummer 36. Het werd op 1 juli 1897 aangekocht door Meta von Salis-Marschlins, een bemiddelde Zwitserse Nietzsche-fan, waarna het Nietzsche-archief, Nietzsches twee jaar jongere zus Elisabeth (°1846) én de (zwaar zieke) filosoof zelf er werden in ondergebracht. Tot dan toe hadden Nietzsches in Naumburg wonende moeder en haar meid Alwine Freytag zich over hem ontfermd, maar moeder Nietzsche was op de 20ste april van dat jaar overleden.
Die zus van Nietzsche "geniet" in de geschiedenisboeken een nogal kwalijke reputatie. Ze staat bekend als Elisabeth Förster-Nietzsche, want ze was gehuwd geweest met Bernhard Förster, met wie ze enkele jaren in een Duitse nederzetting in Paraguay had doorgebracht (waar haar man zich anno 1889 van het leven had beroofd). Ze heeft er in niet geringe mate - en met volle overtuiging - toe bijgedragen dat de figuur en het werk van Nietzsche in de jaren twintig en dertig (ze heeft geleefd tot in 1935) verweven raakten met het nationaal-socialistische gedachtengoed, en aarzelde niet om in dat kader nogal "losjes" met het werk van haar broer om te springen. Adolf Hitler heeft de Villa Silberblick overigens verschillende keren met een bezoek vereerd.
Nietzsche Archiv staat in grote letters op de voorgevel van Villa Silberblick te lezen. Hoe vaak zijn de dingen niet anders dan er in grote of kleine letters op geschreven staat? In werkelijkheid bevindt het Nietzsche-archief zich al van in de jaren vijftig in het Goethe- und Schiller Archiv, dat - zoals zowat alle historische locaties in Weimar - heden ten dage beheerd wordt door de Klassik Stiftung Weimar en gelegen is in de Hans Wahl Strasse.
Zo druk bezocht het woonhuis van Goethe is, zo rustig is het in de Villa Silberblick. We zijn de enige bezoekers. Het is overigens pas sinds de Wende (de val van het Oost-Duitse communistische regime) dat het pand voor de toeristische bezoeker openstaat - en dan nog alleen maar het gelijkvloers, waar een klein museum is ingericht.
Als de conservatrice verneemt dat we uit Vlaanderen komen, gaat ze er van uit dat we het door de Antwerpse kunstenaar Henry Van de Velde (1863-1957) ontworpen Jugendstil-interieur en -meubilair komen bewonderen - kennelijk nog al eens de reden waarom volksgenoten van ons naar hier afzakken. Dat interieur dateert echter van na de dood van de filosoof, net als de grote vestibule die aan de voorgevel werd bijgebouwd.
Friedrich Nietzsche overleed in de Villa Silberblick op 25 augustus 1900 (een zaterdag), slechts 55 jaar oud. In 1902 werd het huis eigendom van zijn zus, die het door de Vlaming Van de Velde liet renoveren. Het binnenhuis is dus sterk van uitzicht veranderd sinds de dagen dat der Friedrich hier zijn zwanenzang zong. Hij sleet zijn dagelijks leven trouwens hoofdzakelijk op de bovenetage, die echter niet te bezoeken is - daar huist nu een filosofisch instituut, het Kolleg Friedrich Nietzsche. Maar het doet een mens toch iets om rond te waren op de plek waar ooit de grote filosoof heeft rondgesjokt, ook al was hij dan niet goed meer bij zijn verstand.
Die waanzin van Nietzsche, die hem in de tien laatste jaren van zijn leven teisterde, moet zowat de meest legendarische gekte van heel de cultuurgeschiedenis zijn. Vertellersgewijs gesproken ligt het voor de hand de geestelijke hoogten waarop hij zich had gewaagd - het achter zich laten van alle godsdienstige en ideologische houvasten, ja zelfs van de fröhliche Wissenschaft - als bron van zijn mentale instorting aan te wijzen. Een te gemakkelijke hypothese. Veelal wordt aangenomen dat lichamelijke oorzaken aan de basis van het tragische lot van de filosoof hebben gelegen, maar waarin die precies bestonden, dat blijft een omstreden en onopgehelderde aangelegenheid.
In het museum krijgen we vooral documenten te zien, het meest spectaculaire object - afgezien van Nietzsches dodenmasker, maar op dat soort luguberalia heb ik het niet zo begrepen - is zijn schrijfmachine, die overigens in niets gelijkt op de oude Remington-exemplaren die ik me herinner uit mijn kinderjaren of die men wel eens in oude films tegenkomt. Een vreemdsoortig toestel is dit, kort na 1860 vervaardigd voor blinden - en aldus verwijzend naar Nietzsches slechte ogen. Het koper ziet er glimmend nieuw uit - ofwel heeft de filosoof deze schrijfmachine niet al te veel gebruikt, ofwel werd ze zeer gründlich gerestaureerd (ook zou het best kunnen dat beide hypothesen van toepassing zijn).
Volgens Friedrich Nietzsche is de wereld één grote chaos, en dus niet in een systeem, in "een waarheid" te vatten. De werkelijkheid bestaat uit een bonte veelheid van fenomenen die alle gedreven worden door een "wil tot macht". Zij is een gigantische chaos van tegen elkaar opbotsende, met elkaar in een eindeloze strijd gewikkelde drijfveren. Elk organisme - zeker ook de mens - is uit op macht, in de eerste plaats de macht om zichzelf in stand te houden.
Méér dan dat zij een chaotische veelheid van "machtswillen" is, valt er volgens Nietzsche over de werkelijkheid niet te zeggen. De wereld vormt geen eenheid, geen geordend geheel, en kan dus nooit ten volle begrepen en uitgelegd worden (om het met een filosofische vakterm te zeggen: hij is niet intelligibel).
Het zijn ook "machtswillen" die kennis-, normen- en waardensystemen zoals godsdiensten, ideologieën en wetenschappen voortbrengen. Deze ideeënb(r)ouwsels kunnen dan wel pretenderen belangeloos te zijn en ons één of ander heil te bezorgen, maar worden in feite geconstrueerd, en aan de man en de vrouw gebracht, om de belangen te dienen van één of andere machtswil, al gebeurt dit veelal op zo'n listige wijze dat we het niet door hebben.
Wat ik, afgezien van die visie van Nietzsche op de wereld, ook fascinerend vind, is dat men de rond de Villa Silberblick gelegen tuin in mag, en zo om het huis heen kan lopen. Opkijkend naar de ramen van de bovenverdieping, naar kamers waarvan ik de aankleding en meubilering niet ken… ja… daar achter dat grote lege raam… daar zie ik 'm zitten, de afgetakelde filosoof, die al bijna niet meer van deze wereld is… in een zware, zwart-houten, met rood fluweel beklede zetel, zoals mijn grootmoeder er ook één bij het raam had staan (het kussentje dat er in lag heb ik nog). En warempel, hij ziet ons ook…  kijkt naar ons… steekt de hand op, een vermoeid wuifgebaar, met daarin heel de tragiek van de mens die ziek, machteloos, hulpeloos naar zijn levenseinde glijdt. 

Afbeelding boven de tekst: voorgevel van Villa Silberblick in Weimar, eigen foto, 28 september 2010.

vrijdag 21 september 2012

Geen excuses


En zo is hét sportevenement van dit jaar dan ook alweer voorbij. En nee, natuurlijk heb ik het dan niet over de Tour de France of de Olympische Spelen van Londen, maar over de 16de Herfstjogging van Boortmeerbeek, die plaatshad op zondag 16 september jongstleden.
Het zal u ongetwijfeld verwonderen, maar ik heb niet gewonnen. Neen, in tegenstelling tot wat algemeen, en zeker in kringen van kenners en ingewijden, werd verwacht, heb ik dus niet gewonnen.
Maar wees gerust: ik ga geen excuses zoeken voor mijn niet-overwinning (het woord nederlaag klinkt euh… zo niet-positief), dat is mijn genre niet. Als ik al eens ergens enigszins in tekortschiet, dan geef ik dat onomwonden toe, zo ben ik. Ja, ik kan hard zijn voor mezelf. Ongenadig de waarheid onder ogen zien, ook als ze een beetje pijnlijk is, ja zelfs als het om een niet-overwinning gaat. Zeggen waar het op staat, kort en krachtig, zo zit ik in mekaar.
Aan de voorbereiding heeft het niet gelegen. Enkele dagen voor de wedstrijd hebben we met de absolute beginners - de dit jaar gestarte runners van joggingclub Icarus - het parcours verkend. Onze coach heeft - op vraag van één van ons - geduldig uitgelegd dat men niet zelf voor startblokken diende te zorgen, aangezien het niet gebruikelijk is zulke hulpmiddelen op de lange afstand (3,5 kilometer!) aan te wenden. We hebben ook geoefend hoe men in de atletieksport op een waardige manier zegevierend over de eindstreep loopt (twee armen bescheiden de hoogte in, geen Bolt- of Sagan-achtige fantasietjes a.u.b.).
De twee dagen vóór de wedstrijd heb ik - zoals door onze coach aanbevolen - in volstrekte fysieke rust doorgebracht: niet in de tuin gewerkt, niet gaan wandelen, geen sex, niet aan mijn blog gewerkt. Zondagmorgen goed uitgeslapen, vroeg gegeten. Ja, wel niet zo best geslapen in de nacht van zaterdag op zondag, dat is waar. En misschien toch nog een beetje te laat gegeten, dat zou wel kunnen, want tijdens de wedstrijd voelde ik een zekere zwaarte in de maag. Maar let wel: ik vermeld deze zaken niet bij wijze van excuus.
En dat ik mij de dagen voor de wedstrijd wat ziekjes voelde - koude rillingen op de rug, warm voorhoofd, beetje misselijkheid, de indruk dat mijn lijf zich tegen een venijnige griepaanval aan het afzetten was - daar wil ik mijn niet-overwinning al evenmin aan toeschrijven. Het is een bekend fenomeen in de wereld van de topsport dat atleten, net wanneer ze hun hoogste conditiepeil bereiken, ook het meest ziektegevoelig zijn. Logisch dus dat ik gezondheidsmatig gesproken enigszins ondermijnd aan de start kwam - echter niet de moeite waard om te vermelden, laat staan mij er op te beroepen om de bittere pil van mijn niet-overwinning te vergulden.
En het weer? Ik heb al meermaals gemerkt dat het lopen mij het best afgaat bij regen, wind, en ontij. Hoe stormachtiger de weersomstandigheden, hoe flukser mijn looppas. Maar ja, het weer is het weer, het gaat zijn eigen gang. De dagen vóór de wedstrijd: eerder frisjes - ideaal loopweer. De dagen na de wedstrijd: vrij koel - ideaal loopweer. De dag van de wedstrijd: een plaatselijke climate change: zonnig en warm in Boortmeerbeek.
Goed voor de club, het zuiders weertje lokte veel deelnemers en toeschouwers. Mijn loopvermogen echter smolt als sneeuw voor de loden zon. Ga ik zeuren over deze tropische, verstikkende hitte? Neen. Ze als verontschuldiging inroepen? No way. Geen zucht, geen klacht komt over mijn lippen.
Ook het tijdstip van de wedstrijd was me niet op het lijf geschreven, zo pal in de namiddag. Ik ben een avondmens, functioneer in alles beter tijdens de avondlijke en nachtelijke uren. Na de middag voel ik me loom en geneigd tot siesta. Hé, geachte bestuursleden van Icarus, waarom volgend jaar van de Herfstjogging eens niet Boortmeerbeeks Autumn Runners Night gemaakt? Met sfeerverlichting en een orkestje enzo. In afwachting van deze merkelijke verbetering wens ik het ongunstige aanvangsuur van dit jaar evenwel niet - ik herhaal: niet - bij het bespreken van mijn niet-overwinning te betrekken, laat daar geen misverstand over bestaan. Zoals gezegd: no excuses!
"Ja maar Frans", hoor ik u tactvol opmerken, "je bent pas in april van dit jaar met runnen begonnen, en ja, je bent nu eenmaal ook niet zo heel erg jong meer…". Neen, neen, zelfs deze argumenten, hoe goedgemeend en wetenschappelijk-onderbouwd ook, wens ik geheel buiten beschouwing te laten - en over mijn leeftijd wil ik so-wie-so niets horen!
Aan mijn team heeft het evenmin gelegen, dat bestaat in hoofdzaak uit knappe, jonge, intelligente vrouwen, en bovendien is het aantal mannen in het los-vaste gezelschap waar ik elke dinsdag- en vrijdagavond mee de baan op ga sinds enkele weken zowaar met één derde gestegen, dankzij de transfer van een sympathieke runner uit Mechelen, die (ook) Frans heet, waardoor het aantal Fransen in onze kring - ik bedoel dragers van de naam Frans en niet dat volkje met hun verachtelijke péages - in één klap verdubbeld werd. Op psycho-sociaal en socio-psychologisch vlak zat alles perfect.
Overigens vormt ons groepje de nieuwe, jonge, talentvolle, veelbelovende generatie van joggingclub Icarus, dat vinden wij, en wij zijn daar heel open en eerlijk in. Van gebrek aan zelfvertrouwen was hoegenaamd geen sprake (denk ik).
Tenzij een heel klein beetje misschien, nadat één van ons - ik meen dat het Ann was - tijdens de opwarming argeloos de vraag opwierp of onze in het verschiet liggende prestaties wel van aard gingen zijn om Juul, onze toegewijde coach, die ons maandenlang met gedrevenheid en onderlegdheid heeft bijgestaan, voldoening te schenken. Ik zeg nu wel: de vraag opwierp, maar uiteraard begreep ieder van ons dat hier in bedekte termen de angstige vrees werd uitgedrukt dat we onze geliefde coach misschien gingen teleurstellen…
En ja, kampioenen in topconditie zijn ook op psychisch vlak uiterst frêle wezens, dat is in sportmiddens eveneens genoegzaam bekend. Hun ego's en hun emo's zijn zeer fragiel, er is bijzonder weinig nodig om hun geestelijk evenwicht aan het wankelen te brengen: als zich zelfs maar één klein scheurtje in hun vertrouwen aftekent (drie keer niks vergeleken met het gescheur in de kerncentrales van Doel en Tihange)… als hun rotsvaste geloof en hun vurige hoop ook maar door de geringste vertwijfeling worden bevangen… dan heeft dat onmiddelijk repercussies op hun lichamelijk functioneren, dat is het principe van de psychomotorische wisselwerking of zoiets (heeft Freud dat al niet bedacht?).
En inderdaad, toen ik halfweg de wedstrijd nog altijd niet afgescheiden aan de kop liep, besloop mij - langzaam, maar onweerstaanbaar - een lichtjes de benen afsnijdend schuldgevoel: ik ga de verwachtingen van onze sportlicher Leiter hier niet tenvolle kunnen inlossen, fluisterde een stem diep in mij… Een verlammende gedachte, maar maak u geen zorgen, ik weet maar al te goed dat les excuses sont faites pour s'en servir, en dus nogmaals neen, ik ga mijn uiteindelijke niet-overwinning ook niet op het conto schrijven van de dieptepsychologisch-emotionele processen waar wij als runners constant aan blootgesteld staan.
Mijn teamgenote Magali treft evenmin een verwijt. Ze had zich grootmoedig aangeboden om haas te spelen. "Een haas in de sport is een persoon die tijdens een wedstrijd vooropgaat om het tempo te bepalen", zo kan men in de Wikipedia lezen. Maar kennelijk zat Magali een beetje te veel met het biologische begrip haas in haar hoofd, want ze ging er als een pijl uit een boog - of laten we zeggen: als een haas die een pijl uit een boog probeert te ontlopen - vandoor, zodat ik in een poging om in haar spoor te blijven op mijn adem trapte, en zodoende zowel haar spoor als mijn adem kwijtraakte.
En dat terwijl men ons nog zo gewaarschuwd had voor een te snelle start! Vertrek vooral niet te vlug, had onze coach ons op het hart gedrukt, kom langzaam in je ritme, je zal zien hoeveel van die overhaastige starters je in de loop van de wedstrijd gaat inhalen en ter plaatse laten. Inziende dat ik die wijze woorden in de wind had geslagen, zette ik mij ijlings aan het temporiseren, maar dat had enkel tot gevolg dat ik door een aantal andere deelnemers - gelukkig waren het leden van ons team - weer werd bijgebeend. En die onbesuisde, veel te voortvarende starters, die waren inmiddels al helemaal uit het zicht verdwenen, onderling bekvechtend om de eerste plaats…
Overigens heb ik in de loop van de wedstrijd inderdaad een deelnemer weten in te halen. Die heeft zich in mijn spoor genesteld en is mij (en twee van mijn clubgenotes) in de laatste rechte lijn genadeloos voorbijgerend. Maar ach, wat maken een paar plaatsen in de uitslag uit, echte kampioenen willen winnen - de triomf, dààr gaan ze voor, het is alles of niets, een ereplaats interesseert ze niet. Deze bizarre geestesgesteldheid wordt de winnaarsmentaliteit genoemd. Ze verklaart waarom u mij in de einduitslag niet op de tweede of derde plaats moet gaan zoeken.
Aan mijn supporters kan het feit van mijn niet-overwinning zeker niet toegeschreven worden. Mijn vrouw en mijn jongste, bijna-universitaire zoon hadden postgevat aan de aankomst, het fototoestel in de aanslag om mijn zegepraal voor de eeuwigheid en het familie-album vast te leggen. En enkele clubleden die als seingevers fungeerden vielen zowaar zelfs even uit hun strikt neutrale rol en riepen mij onderweg een aanmoedigend woordje toe. Hartverwarmend!
Wel dient opgemerkt (en betreurd) dat de media-aandacht voor de grote Herfstjogging van Boortmeerbeek aan de matige kant was. Dat de buitenlandse pers op het appèl ontbrak, daar kan ik tot op zekere hoogte nog begrip voor opbrengen, die was op dat moment druk in de weer met de blote boobies van de toekomstige koningin van Engeland, en wij in joggingclub Icarus houden het altijd deftig en dan zie je dat paparazzivolk natuurlijk niet. Maar waar zaten Het Laatste Nieuws, het Nieuwsblad-Sportwereld, het Belang van Limburg, de Dag Allemaal, de Kerk en Leven, de VTM, de Sporza, en al hun soortgenoten? 
Maar neen, zelfs dit schrijnend gebrek aan persbelangstelling wil ik niet als excuus inroepen, al voelt u ongetwijfeld op uw kousenvoeten aan dat het toch een beetje een de-motiverend effect op mijn ontembare zegedrift heeft uitgeoefend (en, zoals al aangehaald: sportlui in topconditie zijn uiterst onderhevig aan zulke mentale factoren). Zand erover. Aangezien ik toch niet gewonnen heb, heeft de pers ook geen scoop gemist. 
Het zal u inmiddels geheel en overvloedig duidelijk zijn: ik geef mijn niet-overwinning in de 16de Herfstjogging van Boortmeerbeek ruiterlijk toe. Als een echte sportman. Geen excuses, geen uitvluchten, geen drogredenen. Quod erat demonstrandum. 

Afbeelding boven de tekst: uw blogschrijver bij zijn niet-overwinning in de 16de Herfstjogging van Boortmeerbeek, foto Ewald Wollebrants, 16 september 2012.

Over mijn avonturen in de wereld van de topsport, zie ook mijn blog Apetrots van 22 juni 2012.

En voor de volledigheid: ik eindigde 46ste op 63 deelnemers en legde de 3,5 kilometer af in 19 minuten 48 seconden. Het was niet echt vlot gegaan, ik baalde een beetje aan de aankomst. "Er zijn er nog veel na u binnengekomen", zei onze coach. Voilà, daarom vind ik Juul dus zo'n fantastische coach: hij weet op het juiste moment de juiste dingen te zeggen. 

vrijdag 14 september 2012

Herfstzon


"Kom met ons in het zonnig woud"…
De herfstzon is de mooiste van alle zonnen. Ze is fris en helder. Ze houdt een beetje weemoed in (de grote zomer is voorbij, is er misschien nooit geweest), maar toch ook de belofte van hergeboorte (na de winter komt een nieuwe lente). Ik heb het natuurlijk over de vroege herfst, over september en oktober, niet over de sombere novembermaand.
In zo'n jonge, zonnige herfst ben ik - anno 1966 - voor het eerst verliefd geweest, op een meisje met dromerige ogen (eigenlijk was ze een beetje bijziend, maar heeft verliefdheid niet altijd met bijziendheid te maken?).
De vroege herfst is een tijd om buiten te zijn, het bos in te trekken. "Kom met ons in het zonnig woud"… er is geen ander seizoen waarop deze prachtige zin zo van toepassing is dan op de jonge, frisse herfst.
Hij - die schitterende zin - komt uit het boek Faunaflor II, een album "te versieren met de gekleurde foto's uitgegeven door Côte d'Or de goede Belgische chocolade". Ik moet het ooit, in mijn kinderjaren, van mijn vader hebben gekregen. Het zal hem (vermoed ik) door de chocoladefabrikant als relatie- of promotiegeschenk - hij was onderwijzer - zijn toegestuurd. Al de plaatjes die er in gekleefd moeten worden, zaten er ook bij, maar verder dan bladzijde zeven ben ik met het inplakken niet gekomen.
Wat mij vooral aansprak was de meeslepend geschreven inleiding, met daarin dus die legendarische zin die me altijd bijgebleven is: kom met ons in het zonnig woud...
"Kom met ons in het zonnig woud. Ieder jaargetijde bezit zijn schatten, kom en ontdek ze. Zelfs in de winter heeft het slapend en stille woud zijn bekoring, het heeft de ernst van een kathedraal en de rijm of de sneeuw verandert het soms in een toverlandschap.
Wat dan gezegd van de lente, wanneer leven, frisheid en vreugde weerkomen; wanneer de vogels en hun gezang terugkeren, wanneer de eerste knop openbarst en het jong blad laat ontrollen, wanneer de eerste bloem verschijnt en het bos komt opvrolijken?
In de zomer zijn de insecten er de koningen: hun leven is bedrijvig omdat het kort zal zijn; zij zijn nuttig of schadelijk, maar allen hebben zij hun rol in de natuur. (…). Eindelijk komt de herfst en nooit kende het woud warmere kleuren, de bladeren worden, vóór zij vallen, met de meest vlammende tinten bedekt, gelijk de vlam een laatste schijnsel werpt vooraleer uit te doven.
Ieder ontloken bloem is een uiting van vreugde, maar welke droefheid schuilt in de verwelkte bloem, op de rand van de weg achtergelaten of vertrapt, zij die geen enkele haard nog zal opvrolijken en nutteloos werd afgesneden, alleen slechts uit vernielzucht.
Iedere vogel ziet er vrolijk uit, wanneer hij met zijn snavel vol naar zijn nest vliegt, om een piepend en steeds verhongerd kroost te verzadigen; maar hoe droevig ziet het ledig, geplunderd, neergeworpen nest er uit, wanneer in de omtrek noodkreten weerklinken.
Kom met ons in het zonnig woud, kom gadeslaan, bewonderen en liefhebben".
De inleiding was geschreven door een zekere B.W., maar nergens in het boek valt te bekennen wie dat in 's hemelsnaam geweest is. Vaak waren de teksten in dergelijke Belgische albums oorspronkelijk in het Frans geschreven en vervolgens in krikkemikkig Nederlands vertaald. Ik vermoed dat ook in dit geval een Franstalig auteur aan het werk was geweest - maar zijn ontboezemingen hadden deze keer wel een behoorlijke vertaling gekregen. Achteraan in het boek kom ik te weten dat het werd gedrukt in 1954, maar het zal toch een aantal jaren later zijn geweest dat het tot mij kwam.
Jammer genoeg trekken ook domme lieden het zonnige woud in - B.W. was er niet blind voor: ze laten een spoor van afgerukte bloemen en vernielde vogelnesten achter… Hij vergat nog de meest verfoeilijke soort van deze vernielzuchtigen te vermelden: de jagers. Helaas luidt de herfstzon ook het jachtseizoen in. Wat voor verwrongen verbindingen moet men toch in zijn hersenen zitten hebben om opzettelijk, als liefhebberij, voor het plezier… een levend wezen - het grootste wonder van de kosmos - koudweg dood te schieten? Om het dan nog niet te hebben over de gevaren die de argeloze wandelaar of jogger, de natuurliefhebber, het spelende kind… door de verdwaalde kogels van deze rücksichtlose randdebielen lopen.
Ik ben op velerlei punten een variabel mens, maar mijn afkeer van jagers is (bij wijze van spreken) al eeuwenoud. Grote schrijvers mogen al eens zichzelf citeren, kleine dus ook: in de herfst van 1974 - ik was 25 - schreef ik...
"Zaterdagmorgen. Ik maak een fietstochtje langs de kleine stukjes natuur die in mijn buurt nog overgebleven zijn. Wat stukjes bos met hoge Canadese populieren, waarin de wind duizenden blaadjes doet trillen, een beek, struiken, weiden… Voor mijn wiel springt een konijntje over de hobbelige bosweg. Hoe heerlijk is het terug te keren in de natuur, de grote heelmeester, bron van geluk en levensvreugde. Wat verder is de landman aan het werk, bezig met het optassen van een mij onbekend gewas op zijn kar. (…).
Op het bospad naar de Donk toe staan twee auto's. Je hebt al een vermoeden, en inderdaad, even later kom je ze tegen, een groepje jagers, ongure gefrustreerde gezichten, laffe ogen gapen je aan. (…). Opgejaagd rent het konijn dat hier zijn woongebied heeft over de weg het veld in, nooit zal de kwabbige man het kunnen inhalen, maar uit de stalen loop vertrekt de kogel en op vele tientallen meters gilt het dier van pijn en angst, wanhopig probeert het te ontkomen, maar zelfs als het ontkomt is het veroordeeld, want een kogel in het lijf betekent een langzame dood. Een tweede schot, een derde, nog meer schoten uit drie verschillende geweren. Het prachtige dier, opgejaagd, getroffen, blijft liggen, een bloederige klomp met grote glazige ogen.
Jagers. In de familie van mijn moeder is er ook zo'n hardvochtigaard (…). Het enige plezier dat ik ooit aan dit trieste heerschap beleefd heb was toen hij met z'n jachtgeweer in z'n bloedeigen arm schoot. Dokters - die hun tijd nuttiger hadden kunnen besteden - hebben uren gewerkt om al de loodjes er uit te halen. (…).
Hazen, konijnen, watersnippen, fazanten. Even later weerklinken in de lucht opnieuw de doffe schoten van de dierenmoordenaars en de schelle schreeuw van het getroffen wild" (einde citaat).
Het zal u inmiddels duidelijk zijn dat jagers niet mijn vrienden zijn - overigens heeft de hardvochtige jager uit mijn moeders familie in 1981 zelf het loodje gelegd, hij zal de natuur geen kwaad meer berokkenen.
Een sprong in de tijd, en terug naar de frisse herfstzon… In september 2010 kon ik haar bijzondere licht in alle rust en met volle teugen inademen toen mijn vrouw en ik - na ons Goethe-bezoek aan Ilmenau en vóór ons Goethe-bezoek aan Weimar - een midweekje onze intrek namen in het Landferienhaus Linde, bij Ciska en Gert, in het onooglijke Duitse dorpje Langenbach, en van daaruit prachtige tochten ondernamen in het zonnige Thüringer Woud.  
We stapten naar Steinbach, lunchten er in de Gaststätte Waldklause, en namen een kijk in het midden in de bossen gelegen openluchttheater - een indrukwekkende erfenis uit de DDR-tijd. We volgden de Quellenweg Langenbachtal, met de bron van de Langenbach, het riviertje dat het plaatsje Langenbach van zijn naam voorzag. En we liepen langs bergen en dalen via Lichtenau naar Biberau (met zijn uit 1663 daterende kerkje), en terug. Heerlijke dagen waren dat. Voor de toekomst wens ik mij: een goede gezondheid en nog vele zonnige wouden (zonder jagers uiteraard).

Afbeelding: herfstzon in het Thüringer Wald, eigen foto, 23 september 2010.

vrijdag 7 september 2012

Catechismus

Tijdens de vier jaren dat ik schoolliep in de lagere jongensschool van Boortmeerbeek (van het schooljaar 1955-1956 tot en met dat van 1958-1959) ben ik - als mijn geheugen me niet bedriegt: elke schooldag, het eerste half uur van de voormiddag - onderwezen in de katholieke godsdienst. Hoewel het om een gemeentelijke instelling ging, was het telkenjare de "gewone" onderwijzer(es) van onze klas die deze taak op zich nam (en dus niet een aparte godsdienstleerkracht). In theorie zullen de ouders de mogelijkheid hebben gehad om voor hun kinderen "niet-confessionele zedenleer" te kiezen, maar ik heb het in die jaren nooit anders geweten dan dat al mijn makkers "godsdienst volgden".
Hét instrument bij uitstek dat bij dit godsdienstonderwijs in de lagere school werd aangewend was de catechismus. "Ten gebruike van al de bisdommen van België" staat er op (en ook nog in) het kleine boekje dat ik deze week na (zeer) lange tijd weer eens in de hand nam.
Het was niet het exemplaar uit mijn lagere schooltijd: de catechismus waar ik mij over boog was keurig (in het blauw) gekaft en voorzien van een etiket, en dat leerde mij dat het boekje dateerde uit de tijd dat ik in de zesde Latijnse zat (opgelet: dat was toen het eerste jaar van het secundair onderwijs). Verrassend (voor mij): de catechismus werd dus ook nog in de lessen godsdienst van het middelbaar onderwijs gebruikt.
Het ging om een boekje uitgegeven in 1959, dat mij niet de indruk gaf veel te verschillen van de editie die ik in het lager onderwijs had meegemaakt. Wel zocht ik tevergeefs naar de blijde en de droevige mysteriën, die ons later in de hemel geopenbaard gingen worden, en die - als ik het me goed herinner - wél in mijn lagere school-uitgave ter sprake kwamen (en kennelijk enige indruk op mij maakten, aangezien ik er nog weet van heb).
Laten we de dingen bij hun naam noemen: die dagelijkse godsdienstlessen in het lager onderwijs, dat catechismusboekje… natuurlijk was het een vorm van indoctrinatie. "Vier eeuwen terug dan was de kerk, om goed te zijn nog veel te sterk…", zong ooit Wannes Van de Velde in een liedje over de 16de-eeuwse inquisitie: een fraaie zin en een correcte inschatting die ook nog gelden kan voor de jaren vijftig van de 20ste eeuw. Veel mensen hebben in het Vlaanderen van die tijd nog geleden onder de maatschappelijke macht van de katholieke kerk, veel van mijn leeftijdsgenoten als kind nog onder haar geestesdwang gezucht.
Ik niet. Ik had het geluk verstandige en ruimdenkende ouders te hebben die mij op levensbeschouwelijk vlak niets - en zeker geen hele godsdienst - opdrongen. Ik vermoed dat ze zelf niet al te sterk overtuigd waren van de katholieke dogma's, en zeker waren ze niet blind voor de zelfingenomenheid, de benepenheid en de schijnheiligheid van sommigen die deze "waarheden" in pacht hadden. De religieuze indoctrinatie op school, en deze van de onderpastoor bij de voorbereiding op de Plechtige Communie, vonden in mijn familiale omgeving nauwelijks een verlengstuk.
Dat ze bij mij weinig effect sorteerden had misschien ook te maken met de eerder nuchtere, intellectualistische instelling die ik er als kind op nahield. Zo was ik op kermissen of in speeltuinen - tot verdriet van mijn ouders en suikertante - met geen stokken op een draaimolen te krijgen. Ik vond dat ronduit belachelijk: rondjes draaien om aan te komen op de plaats van waar je vertrokken was, daar wou ik mij niet toe lenen.
Ander voorbeeld... In het eerste leerjaar bezwoer de onderwijzeres ons dat bij de communie, in de hostie, het lichaam en het bloed van Jezus werkelijk aanwezig waren. Om die reden mocht je zeker niet op de hostie bijten (bleef ze ongewild aan je gehemelte plakken, dan voorzichtig losmaken met de tong!). Om dit geloofspunt in te peperen werd ons het schrikkelijke verhaal verteld van een eigenwijs jongetje dat toch in de hostie had gebeten… O wee! Stante pede was zijn mond vol bloed geschoten, en dat bloed - van Jezus! - was maar blijven stromen en stromen… zonder ophouden… (Hoe men de bloedstroom uiteindelijk had weten te stelpen werd ons niet onthuld, of ben ik vergeten).  
Nu, zo'n eigenwijs jongetje was ik ook - mijn vader noemde me wel eens Piet Wijsneus, naar het personage uit het destijds zeer bekende gedicht van Jan Van Droogenbroeck (1835-1902): "Piet Wijsneus zag een bietje vliegen. / Hij sprak: hé! wel gij aardig dier! / Mijn vader zegt, dat gij kunt steken; / Daarvan geloof ik niet een zier!"… En dat verhaal van die hostie en dat bloed, hm… bij de eerste de beste communiegelegenheid deed ik de test. Niet uit kwaadwilligheid of anti-godsdienstigheid, gewoon uit nieuwsgierigheid, bij wijze van "vrij onderzoek". Helemaal gerust was ik er niet in, ik hield mijn zakdoek in de hand, voor het geval dat… Wat denkt u? Inderdaad, er gebeurde niets. Geen mond vol bloed. Zelfs geen spatje.
Ik draag dus niet de stigmata van een verstikkende godsdienstige opvoeding en kijk bijgevolg onbevangen, ongefrustreerd en ongecomplexeerd op de catechismus terug. Met vertedering en bewondering. Die vertedering ligt voor de hand: het boekje herinnert aan mijn (relatief) onbezorgde kinderjaren. Mijn bewondering heeft in de eerste plaats te maken met de geniale didactische formule die de catechismus eigen is: door middel van 447 korte vragen en antwoorden wordt een abstracte, complexe en (dus) niet al te makkelijke doctrine op een bevattelijke, studeerbare wijze aangeboden.
Mijn bewondering heeft ook te maken met die leer zelf: dat uitgebreide geheel van samenhangende opvattingen, dat alle fundamentele thema's in verband met de kosmos, de mens, het leven en de dood behandelt - dat op alle diepe vragen een antwoord geeft, voor alle grote problemen een oplossing biedt, en zich eigenlijk met alles en nog wat bemoeit (tot en met het "vrijwillig behagen in onkuise gedachten", om maar iets te noemen). Ik ben niet blind voor de gevaren die aan zo'n totalitair denksysteem verbonden zijn… in handen van simpele geesten kan het snel leiden tot obscurantisme, fanatisme, dwingelandij… maar ondanks dat blijft het produceren ervan op zich een intellectuele prestatie om u tegen te zeggen (vind ik).
Vooraan in het catechismusboekje staat een gebruiksaanwijzing die - anders dan de handleidingen bij onze hedendaagse elektronische apparaten - kort, duidelijk en voor iedereen verstaanbaar is… "Ten einde het godsdienstonderwijs in de scholen zo gemakkelijk, doelmatig en vruchtbaar mogelijk te maken, is de catechismustekst ingedeeld in twee reeksen van vragen. De eerste reeks bevat de vragen die letterlijk, met geijkte formules, door de leerlingen moeten gekend zijn; deze vragen zijn gedrukt in groter drukletters. De tweede reeks bevat de vragen waarvan de rijke inhoud grondig dient verklaard, zodat de leerlingen hem bezitten en bij ondervraging kunnen weergeven, zonder nochtans letterlijk de geijkte formules te gebruiken: deze vragen zijn gedrukt in kleiner drukletters. De vragen die moeten aangeleerd worden in het 1e leerjaar, zijn aangeduid door 1; in het 2e leerjaar, door 2; in het 3e leerjaar…". Enzovoort, tot en met het zesde leerjaar. Uiteraard hing die spreiding over de leerjaren samen met een oplopende moeilijkheidsgraad. Zei ik het niet: didactisch geniaal…? De vragen voor het zevende en het achtste leerjaar (want die bestonden in mijn kinderjaren nog, zij het in dun bevolkte vorm) waren aangegeven met een asterisk. 
Voorafgaand aan de vragen en antwoorden bevatte de catechismus ook de "gewone gebeden van de christenmens". Het Onze Vader, het Weesgegroet, de Tien geboden van God… die kan u, als u van een zekere leeftijd bent, misschien nog wel enigszins meeprevelen - ongetwijfeld op dezelfde krachtdadige, gloedvolle, zij het soms wat aarzelende, wijze als deze waarop de Rode Duivels vóór aanvang van weer eens een uitschakeling onze vaderlandse Brabançonne ten beste geven… Maar kent u de Twaalf artikelen van het geloof, of de Vijf geboden van de heilige Kerk nog? En de aktes… de Akte van geloof, die van hoop, van liefde, en van berouw, hoe zit het daar mee? En het Morgengebed, en het Avondgebed, en het Gebed vóór het eten, en het Gebed na het eten?
In het Morgengebed valt mijn oog op deze mooie zin: "Mijn Heer en mijn God, ik aanbid uw opperste Majesteit en ik bedank U voor al uw weldaden, bijzonder omdat Gij mij deze nacht bewaard hebt". Een mooie combinatie van gevlei én welbegrepen eigenbelang, zoals zo vaak in gebeden. Menschliches, allzumenschliches… En dus zeer begrijpelijk… ik zie de nachtelijke slaap ook als risicovol, ben altijd weer blij als ik 's morgens "goed bewaard" wakker wordt, want dat is niet vanzelfsprekend, voor niemand van ons.
Wat het Avondgebed betreft… de opsteller daarvan heeft naar mijn bescheiden mening de vrome gelovigen toch wel euh… bedenkt u zelf maar een gepaste zegswijze. Midden in dat gebed komt deze aanroeping voor: "Kom, o heilige Geest, verlicht mijn verstand om mijn zonden te kennen, en geef mij de genade om een oprecht berouw te verwekken". So far, so good - maar dan komt het: "Hier moet men overdenken hoe men de dag doorgebracht heeft, de tien geboden van God en de vijf geboden van de heilige Kerk, langzaam opzeggen om te zien of men daartegen niet gezondigd heeft, en dan zeggen: akte van geloof, akte van hoop, akte van liefde, akte van berouw". Het zal toch niet waar zijn zeker: hier worden warempel zes (zes!) andere gebeden het Avondgebed binnen gesmokkeld! Zo fopt men de katholieke Frederik!
Met dit alles ben ik nog niet ingegaan op de inhoud van de eigenlijke catechismus (de vragen en antwoorden): op de prachtige definities van God, de mens, de ziel… op zulke fascinerende zaken - ik méén het, dit is geen ironie - als de heiligmakende en de dadelijke genade, het lijden van de verdoemden in de hel, de genietingen van de gelukzaligen in de hemel, en - wat mij nog het meest interesseert - de verrijzenis van ons lichaam op de dag van het laatste oordeel, het eeuwig leven… Dit catechismus-blogje krijgt zeker een vervolg.

Afbeelding: mijn catechismusboekje uit de zesde Latijnse, voor de gelegenheid even ontdaan van zijn blauwe kaft.

vrijdag 31 augustus 2012

Boek der natuer


In zijn Boek der natuer beschrijft Hendrik Conscience nauwgezet hoe - "op zekeren dag dat de zon helder scheen" - in zijn tuin een kruisspin kunstig haar net weeft. Dan laat hij een zorgeloze bij verschijnen, die zich te goed doet aan de nectar in de bloemen van een fuchsia. Maar vervolgens in het net van de spin belandt…
"Het bieken vloog erin en geraekte vast; dan veranderde zyn weeldezang in een klagtlied, en bevende zag het de vervaerlyke spin met hare lange schraegpoten komen aengeloopen. Zoo moedig als onbezonnen was het bieken: het zou zich niet zonder stryden overgeven, en wilde zyn leven duer verkoopen; ook begon het met zynen angel naer de spin te steken, maer deze kende de spreuk list overwint magt. Zy wierp van verre het bieken eene menigte draden over het lyf en wentelde het eindelyk zoo zeer in menigvuldige banden, dat het zich niet meer verroeren kon en eene akelige dood te gemoet zag".
Op dat moment strijkt een sluipwest op een seringstruik in de omgeving neer... "Zy begon hare vleugelen te stryken, en stuerde vlammende oogen op de spin, die welhaest hare prooi zou worden. De spin zag eensklaps het verschrikkelyk beeld van haren vyand in twee harer acht oogen schynen. Zy meende te vlugten en zich langs eenen draed tot op den grond af te laten; maer de sluipwesp verliet het syringablad en viel, met open klauw, als een bliksem op de bevende spin, wier twee voorste pooten zy met den eersten slag afrukte. Zy maekte zich bereid om met haer slagtoffer naer haren moordkuil te vliegen, doch op dit oogenblik schoot er eene zwaluw door het net, en nam bie, spin en sluipwesp mede in de lucht. De vreeselyke stryd was beslist: eene groote ging dry kleinen eten!".
De natuur is een zaak van eten en gegeten worden, een onophoudelijke struggle for life - en dan moest Darwins On the Origin of Species… nog verschijnen! Dat zou pas in 1859 gebeuren, en de eerste uitgave van Consciences Boek der natuer - de volledige titel luidt Eenige bladzyden uit het boek der natuer - dateert van 1846. Zelf bezit ik een exemplaar van de vierde editie, uit 1857. Ik ben geen gedreven verzamelaar van oude, laat staan van eerste drukken (het gaat mij om het lezen, niet om de investering), maar het plezierige van zo'n tamelijk oorspronkelijke versie is wel dat ze nog niet aangepast, bewerkt, gemoderniseerd werd, dat er met andere woorden nog niet aan de taal - dat beminnelijke negentiende-eeuwse Conscienciaans Vlaams-Nederlands - werd geprutst (laat staan dat de misdaad der hertaling zou zijn bedreven).
Om de zaken nog even verder in Darwiniaans perspectief te bekijken: hoewel Conscience geregeld de goddelijke schepper laat opdraven, brengt hij de mens toch onder in het Dierenryk, zij het als een afzonderlijke categorie binnen de klasse der zoogdieren, de tweehandigen (bimana): "Van voren handen, van achter voeten; gaan regt; hebben alleen onder alle schepselen eene eigentlyke spraak en vernuft. Borstmammen. De Mensch alleen". Over een ziel rept hij niet. De apen zitten in een volgende groep, deze der vierhandigen (quadrumana).
Hendrik Conscience was 33 jaar toen de eerste uitgave van zijn Boek der natuer op de markt kwam - we kunnen het dus nog min of meer als een jeugdwerk beschouwen (schrijvers wordt een langdurige jeugd gegund). Onze man had natuurlijk al naam en faam verworven met zijn Leeuw van Vlaanderen (verschenen 1838), maar De Loteling en Baas Gansendonck moesten nog het levenslicht zien.
Het Boek der natuer heeft in de Conscience-historiografie nooit veel aandacht gekregen. Allicht was het voor de literatuurhistorici te wetenschappelijk en voor de wetenschappers te literair, te bevlogen. Het is nochtans een merkwaardig werk, dat om verschillende redenen van historische betekenis is.
Het toont ons Conscience als natuurliefhebber en als wetenschapsman - of minstens toch als iemand met grote wetenschappelijke interesse en als talentvol popularisator van wetenschappelijke kennis. Dat hij een pionier was van de Vlaamse literatuur (de man die "zijn volk leerde lezen"), en van de Vlaamse Beweging (met zijn Leeuw van Vlaanderen) is genoegzaam bekend. Dat hij met zijn Boek der natuer ook een wegbereider is geweest op het vlak van het gebruik van het Nederlands in Vlaanderen voor didactisch-wetenschappelijke doeleinden wordt nauwelijks beseft. 
Dit taalkundig aspect was voor hem overigens een expliciet motief bij het schrijven van zijn natuurboek, zo leren we uit het Voorwoord der eerste uitgave, daterend van 1846: "Onze vaderlandsche letterkunde heeft, sedert eenige jaren, eene spoedige uitbreiding verkregen; haer bestaen is nu onwedersprekelyk erkend, zelfs door diegenen welke nog aen het vreemde verslaefd blijven.
Dat in de eerste tyden onzer poogingen al onze voortbrengsels enkel verhalen en gedichten of geschiedkundige schetsen waren, dit laet zich gemakkelyk verklaren en verregtveerdigen. Men moest alsdan aenvangen met den sluimerenden leeslust onder de burgers op te wekken door treffende en belangryke tooneelen, en de vaderlandsliefde aenvuren door het verhaal der groote daden des voorgeslachts. Ny wy reeds een gedeelte dezer taek met geluk hebben afgedaen, nu de stryd tegen de vyanden van het Nederduitschdom al onze krachten niet meer uitsluitelyk vordert, (…) wordt het toch ook hooge tyd dat wy den nauwen kring, waertbinnen onze letterkunde zich beweegt, uitzetten en verbreeden, en allengskens eenige stappen op den grond der nuttige kennissen wagen. Zoo zal het Nederduitsche volk in onze schriften niet slechts het aengename der dichterlyke inbeelding, maer tevens het nuttige der stellige wetenschappen aentreffen". 
Zoals hij dat met sommige van zijn romans deed, gaf Conscience ook zijn Boek der natuer een auto-biografische inkleding mee - een persoonlijke toets die het betoog verlevendigt en de schrijver in dit geval bovendien als een didactisch pluspunt mag worden aangerekend... "Over eenige jaren woonde ik nog in de liefelyke velden, waer ik myne kinderdagen heb gesleten. Alhoewel zeer jong, was ik toch niet ongevoelig voor al het schoone dat de natuer my aenbood. Ik beminde de lachende bloemen, het schaduwryk geboomte en de onpeilbare blauwe lucht. Ik was de vriend van den zilveren waterspiegel, het zangerig gevogelte en de dartele vlinders (…). Ik, de vlinders en de bloemen, wy waren allen kinderen der weelderige natuer; wy leefden zorgeloos te samen van zonnestralen, zuivere lucht en frisschen dauw…".
Prachtig gezegd, maar er moet natuurlijk ook wetenschap op de plank komen. Met het oog daarop voert Conscience een wijze grijsaard ten tonele, "eenen zonderlingen gebuer, die myne nieuwsgierigheid lang gaende maekte, eer ik weten mogt wie hy was. Hy woonde niet verre van myns vaders huis, op een klein buitengoed, dat met eenen hoogen muer omsloten was, en leefde er zeer afgezonderd. Ongetwyfeld arbeidde hy zelf in den hof, en bereidde hy, zonder iemands hulp, zyn dagelyksch voedsel; want er woonde noch knecht noch dienstmaegd met hem, en zoo zeer vreesde hy iemand binnen zyne grensmuren te laten komen, dat hy wekelyks den slagter en den bakker vóór de deur van den hof betaelde en zynen voorraed aennam, zonder hun toe te laten eenen nieuwsgierigen blik in zyne wooning te slaen". U hebt het al geraden: deze wereldvreemde oude man is een intellectueel, die net heel veel van de wereld afweet, en de jonge Conscience zal inwijden in de geheimen der natuur… Op een plaatje in het Boek der natuer - in de editie die ik bezit is het de enige illustratie - staan de twee dramatis personae afgebeeld. 
Er zijn verschillende passages in het boek waar ik schrijvenderwijs iets had mee willen aanvangen. Grappig bijvoorbeeld om zien hoe Conscience het vraagstuk aansnijdt waar ik zelf als occasioneel en zéér amateuristisch tuinier mij al het hoofd over gebroken heb: "hoe komt het dat het onkruid zoo weelderig groeit, terwyl myne bloemen altyd myne bewaking behoeven om te worden behouden?".
Maar ik moet me beperken (want mensen lezen niet graag lange teksten, zeker niet op het internet). En dus kies ik voor de verwondering van Conscience over groot en klein in het heelal - een fascinatie en een onvoorstelbaarheid die ook mij al door de geest hebben gespookt... "De aerdbol is een groot lichaam in de schepping, maer de dwaelstar Saturnus is meer dan zevenhonderdmael grooter, terwyl de dwaelstar Jupiter onze aerde boven de veertien honderdmael in grootte voorbystreeft", aldus Consciences oude wijze man. "En wat is dit alles in vergelyking der zonne, die byna anderhalf millioen malen grooter is dan de aerde? Dan, denk niet dat de zon, in de opklimming der onmeetbare lichamen, het laatste woord van Gods almagt zy! Reeds hebben sommige hemelmeters gemeend te kunnen bewyzen dat zekere vaste starren onze zon twaalf duizend millioen malen in grootte overtreffen.
De onmagtige mensch moet voorwaer zeer vermetel zyn om zulke dingen te durven bepalen. Eventwel, indien de zigtbare starren ons aen zulke oneindige grootheid doen denken, wat gedacht moeten wy ons dan vormen over de ontelbare myriaden starren, die, door hunnen afstand en menigvuldigheid, ons als een mengsel van witte punten toeschynen, en, zelfs voor het sterkst gewapend oog, als een nevelachtig spinneweb in den kolk der hemelen schynen te hangen? (…).
Even onmogelyk is het, in de schepping, de laegste sport der natuerladder te vinden. Eene vlieg is klein, maar zy dient tot wereld aen een ander dier dat op haer lichaam geboren wordt, er leeft en sterft; dit diertje verstrekt waerschynlyk weder tot aerdbol aen andere dieren die zich voeden met zyne haren, zyn zweet en zyn vleesch. Reeds hebben de natueronderzoekers de zon gedwongen een verblindend licht op hunne vergrootglazen te storten, en zy zyn ertoe gekomen de onzigtbare wezens millioenmalen te vergrooten; en toch vinden zy er nog altyd die, zelfs door dit middel, nauwelyks kunnen ontwaerd worden. Gy gelooft dat een olifant oneindig grooter is dan eene mugge, eventwel er is meer afstand van grootte tusschen het kleinste wemeldier en de mugge dan tusschen de mugge en den olifant. - Myn kind, de woorden grootte en kleinheid beteekenen niets in de natuer: een duim, een voet en honderd duizend voet zyn immers gelyke deelen der oneindigheid?... ".
Consciences belangstelling voor de natuur én voor de wetenschap doen natuurlijk (andermaal) denken aan die andere culturele grootheid die ik in het hart draag… ja, Conscience als "de Vlaamse Goethe", er is echt wel wat voor te zeggen! 
Bij het lezen flitsen me nog diverse andere auteurs door het hoofd. Een literaire benadering van de natuur vinden we later bij de in het Frans schrijvende Gentenaar Maurice Maeterlinck (La vie des abeilles, 1901; L'intelligence des fleurs, 1907; La vie des termites, 1926).
De nauwkeurigheid en gedetailleerdheid waarmee Conscience de zaken der natuur beschrijft doen me denken aan die waarmee Marcel Proust in de jaren 1909-1922 zijn temps perdu zal reconstrueren. Ik ben zeer gesteld op zulk een acribie. Ze is een uiting van fijnzinnigheid, van een scherpe en diepe (en avontuurlijke) kijk op de dingen. Zoals ik die bijvoorbeeld ook aantrof in Het leven van Frank Rozelaar (1911) van de Nederlander Lodewijk Van Deyssel (enkele jaren geleden gelezen).
In de na-negentiende-eeuwse Vlaamse literatuur ontbreekt deze zin voor de haarfijne toets nog al eens: te veel auteurs schilderen met de grove, miserabilistische borstel, in plaats van met het precieuze penseel. En wat dan gezegd van ons hedendaags medialandschap, met zijn eindeloze kwis- en kletsprogramma's, zijn schreeuwerige formats, zijn vooringenomen infotainment… tja, oppervlakkigheid en stompzinnigheid troef natuurlijk. En dat terwijl de wetenschap doordringt tot de meest elementaire deeltjes en krachten van de natuur, en tot steeds verder verwijderde horizonten van de kosmos. Er is nood aan onderlegde, enthousiaste en stijlrijke popularisatoren van kennis. Ze kunnen Conscience als patroonheilige nemen.

H. CONSCIENCE, Eenige bladzyden uit het boek der natuer, vierde uitgave, uitgeverij J. P. Van Dieren en Comp., Antwerpen, 1857.

Op zondag 9 september a.s. om 15 uur wordt, als herinnering aan het Conscience-jaar 2012, in Schilde een levensgroot bronzen beeld van de schrijver onthuld, vervaardigd door de bekende beeldhouwer Wilfried Pas. Jean-Pierre Rondas houdt de feestrede. Meer info op: http://www.cultuurraadschilde.be/?page_id=3768

vrijdag 24 augustus 2012

Klein brughuis


Voor het bescheiden dorpje Rijmenam moet het een opzienbarende gebeurtenis zijn geweest toen, in augustus 1896, de brug over de Dijle zowaar - met behulp van twee schepen - enkele tientallen meters werd verlegd! Mijn overgrootouders Pieter Aloïs Wollebrants (1858-1937) en Rosalia Huybrechts (1858-1933) zullen ongetwijfeld van dit evenement getuige zijn geweest, want zij baatten toen de pal aan de Dijlebrug gelegen herberg Het klein brughuis uit.
Het voor Rijmenam historische moment werd op de gevoelige plaat vastgelegd (zie de foto boven deze tekst). Zo bleef ook een beeld bewaard van hoe het klein brughuis er uitzag in de tijd dat mijn overgrootouders het bewoonden (zie links op de foto). Het zal een warme dag zijn geweest, want verschillende ramen van het huis staan wagenwijd open.
Op de foto lijkt het klein brughuis - met de links en rechts aangebouwde vleugels, en naar de normen van de tijd - nu ook weer niet zo heel klein, maar dat moet het toch wel geweest zijn, want op gevorderde leeftijd vertelde mijn overgrootvader nog aan mijn vader dat het maar "een heel klein huizeke was" en dat men het om die reden na verloop van tijd verlaten had.
Zou de stoere bink helemaal links op de brug niet mijn ten tijde van de brugverplaatsing 37-, bijna 38-jarige overgrootvader zijn geweest? Alleszins is de kans groot dat hij, zijn echtgenote en één of meer van hun kinderen op de brug en dus op de foto staan.
Hoe waren mijn overgrootouders in het Rijmenamse klein brughuis beland? Vier jaar eerder, in het jaar 1892, had mijn overgrootvader Pieter Aloïs Wollebrants het tolrecht op de Rijmenamse Dijlebrug gepacht. Wie meent dat de hedendaagse Fransen de péage hebben uitgevonden vergist zich schromelijk: eigenaars van bruggen en wegen achtten het al van in de Middeleeuwen gepast de gebruikers ervan te laten bijdragen in de kosten van aanleg en onderhoud. De Rijmenamse Dijlebrug was voor 2/3 eigendom van de gemeente en voor 1/3 van de heer van Hollaken - naar aloude geplogenheid lieten zij iedereen die te voet, per fiets of met kar en paard de brug overstak daar enige centen voor betalen. Beter gezegd: zij deden dit niet zelf, maar verpachtten het recht om die tol te innen aan de meestbiedende en dit telkens voor een periode van negen jaar. Mijn overgrootvader sleepte het anno 1892 in de wacht tegen een jaarlijkse betaling van 1600 frank.
De pachter van het tolrecht mocht, zolang zijn pachtrecht liep - dus gedurende negen jaar - kosteloos in het klein brughuis wonen. Het gebouw dateerde uit de late achttiende eeuw, toen de eerste Rijmenamse brug over de Dijle was gelegd en het daar als tolhuis was aan toegevoegd.
De pacht van het tolrecht ging in op 1 oktober 1892 en op of omtrent die datum zullen Aloïs en Rosalia dus, met hun vijf kinderen - onder wie hun jongste dochtertje, de zes maanden oude Ida Carolina - hun intrek in het klein brughuis genomen hebben. Net als de vorige bewoners, hielden ze er ook café. Het zal vooral Rosalia zijn geweest die zich om de herbergklanten bekommerde, want Aloïs oefende als voorheen zijn ambacht van kleermaker uit. Ook het innen van de tolgelden was in de regel Rosalia's werk. Dat was lang niet altijd een dankbare taak, want, hoewel het om zeer bescheiden bedragen ging - 6 centiemen voor een voetganger die heen en weer ging, de helft slechts als het een inwoner van Rijmenam betrof - waren er toch passanten die zich lieten kennen en probeerden aan het betalen ervan te  ontsnappen.
Het open- en dichtdraaien van de brug was dan weer een karwei voor Aloïs. Zijn oudste zoon Jozef Wollebrants (1883-1968) vertelde in 1966: "ik was wel maar tien jaar toen we er gingen wonen, maar toch mocht ik - als oudste zoon - de brug opendraaien als vader er niet was. De boten kwamen meest 's zondags en 's woensdags voorbij. Op een zondag heb ik er eens zes geteld, die van Aarschot naar Mechelen vaarden. In die tijd kende ik een schipper van Rumst, die had een boot van vijftig ton en vaarde jaar in jaar uit van Antwerpen naar Aarschot. Hij leverde tarwe aan de bloemmolens van Aarschot en toen hij terug kwam was zijn boot geladen met hout voor de bakkersovens van Mechelen en de steenbakkerijen van Rumst. De boten werden meestal door twee paarden getrokken, van Aarschot tot aan onze brug trokken ze langs de linkeroever, vanaf Rijmenam namen ze de rechteroever".
Volgens Rijmenammer Jan Van Moer (°1888) brachten de boottrekkers van Muizen de schepen tot aan de Rijmenamse Dijlebrug. Ze gingen zelf op de rechteroever van de rivier (de dijk waarop het brughuisje stond), terwijl hun paarden, die de boten aan touwen over het water voortsleepten en in feite dus de échte scheepstrekkers waren, op de linkeroever (de dijk langs de zijde van het dorp) stapten. Aan de Rijmenamse Dijlebrug namen de boottrekkers van de Keerbergse Hansbrug het werk over: zij stapten op de linkeroever, hun paarden op de rechteroever. Met de schepen werden voor wat Rijmenam zelf betrof vooral bouwmaterialen voor de firma’s Gillemot en Op De Beeck aangevoerd.
Niet lang nadat Aloïs en Rosalia in 1892 hun intrek in het klein brughuis hadden genomen, deden zich ernstige problemen met de Rijmenamse Dijlebrug voor. Vreemd, want in 1889 was ze nog vernieuwd… maar daar zat 'm nu net de wortel van het kwaad. Men had bij die gelegenheid de houten oeververbinding vervangen door een gloednieuw ijzeren brugdek… maar dit op de oude bruggenhoofden gelegd. Die bleken het veel zwaardere gevaarte niet te kunnen dragen, en zakten langzaam weg… De hele constructie raakte van de wijs en het mechanisme om de brug open te draaien liet het afweten!
“Niet meer kunnende draaien”, vormde de brug uiteraard een belemmering voor de scheepvaart - terwijl het mogelijk instorten ervan Rijmenams verbinding met “de spoorwegstatie van Boortmeerbeek” zou afsnijden en ook rampzalig zou zijn voor de vele boeren die “hun land langs den anderen oever der rivier” hadden. Zoveel was duidelijk: doortastende maatregelen - liefst een geheel nieuwe constructie - waren nodig.
Het kasteel van Hollaken - zoals gezegd mede-eigenaar van de brug - zag de dure bui hangen en toonde zich maar al te bereid zijn aandeel in de oeververbinding zo snel mogelijk - maar graag met wat profijt - aan de gemeente te verkopen. Dat lukte - zeer goed zelfs…
Op 4 mei 1895 besloot de gemeenteraad van Rijmenam het aandeel van Hollaken in de brug over te nemen - voor de som van 3.500 frank - en tevens een nieuwe brug te bouwen, waarbij men echter “alles wat van de tegenwoordige nog kan dienen” zou hergebruiken! Dit laatste zou er op neerkomen dat men, wat meer stroomopwaarts, nieuwe pijlers en bruggenhoofden zou bouwen en vervolgens de bestaande ijzeren brug zou verplaatsten en op het nieuwe metselwerk leggen!
Een goeie maand later, op 11 juni 1895, nam de Rijmenamse gemeenteraad een voor mijn overgrootouders verstrekkend besluit: in zijn ijver om voor de bouw van de nieuwe brug een milde toelage van de hogere overheid af te pingelen, schafte de raad de “overtochtrechten” op de brug af, “omdat ze grootelijks den handel, de nijverheid en bijzonder den landbouw bezwaren”.
Aloïs Wollebrants en zijn echtgenote Rosalia Huybrechts mochten/moesten dus niet langer tol heffen op de brug - iets waar ze vermoedelijk niet rouwig om waren. Uiteraard viel ook het pachtgeld weg dat ze jaarlijks voor het tolrecht moesten betalen. In ruil voor het eenzijdig verbreken van de pachtovereenkomst door de gemeente Rijmenam mochten zij bovendien de resterende zes jaar van hun negenjarige termijn - dus tot in 1901 - kosteloos in het klein brughuis blijven wonen, en kregen ze een vergoeding van 200 frank per jaar voor het onderhoud van de brug en het opendraaien ervan wanneer een schip voorbijkwam.
De openbare aanbesteding van de werken aan de Rijmenamse Dijlebrug had plaats op de zetel van het Antwerpse provinciebestuur, op 23 september 1895. Het was ook een ondernemer uit Antwerpen die het klaren van de klus binnenrijfde. Hij zorgde in de zomer van 1896 voor de spectaculaire werkzaamheden waar ik dit artikel mee begonnen ben.
Op 1 september 1896 werd de (deels) nieuwe oeververbinding officieel in gebruik genomen. Door de stroomopwaartse verplaatsing lag het klein brughuis van dan af een eindje van de brug verwijderd.
Mijn overgrootouders Aloïs en Rosalia Wollebrants-Huybrechts zijn tot in 1901 in het klein brughuis blijven wonen en café houden. Toen verhuisden ze naar een nieuw, eigen huis dat ze in Boortmeerbeek hadden gebouwd. Het klein brughuis kreeg andere bewoners, die huur moesten betalen.
In 1987 wou de Dienst der Zeeschelde het historische gebouwtje afbreken, maar door toedoen van de Rijmenamse heemkundige kring 't Hoefijser en de gemeente Bonheiden kon die daad van barbarij verhinderd worden. De heemkring kreeg het brughuisje in pacht, en restaureerde het. Al sinds tien jaar wordt er nu, tijdens de zomermaanden, op zondag, als vanouds weer herberg gehouden. Het is er aangenaam toeven, vraag dat maar aan de vele fietsers en wandelaars die er graag even - en soms wat langer dan even - halt houden. Ook worden er kleine tentoonstellingen gehouden. En men kan er de hendel bekijken, waar de brugdraaier destijds zijn werk mee verrichtte…

Bronnen: artikel PH. D. W. (Philomena De Winter), De overzet van de rivier, van de Middeleeuwen tot op heden, in: Rijmenam, brochure uitgegeven door heemkring Het Hoefyser, Rijmenam, 1969; M. DE WINTER-VANDEKERCKHOVE en L. VANGEEL, Dorpsgenoten of 10 Jaar "ten Huize van..." 1964-1974,  Tielt, 1974; gesprek met Pauline Van den Breen (weduwe van Jozef Wollebrants), 1977; gesprek met Agnes Mommens, 1987; gesprek met (mijn vader) Oscar Wollebrants, 2 oktober 1988; inlichtingen mij mondeling en schriftelijk verstrekt door heemkundige Alice De Winter uit Rijmenam, 1990; tentoonstelling De Dijle en de brug te Rijmenam, georganiseerd door de Rijmenamse heemkring Het Hoefyser tijdens de maanden juli en augustus 1995 in het heemmuseum 't Smiske te Rijmenam; brochure Rijmenam, de Dijle en haar brug, uitgegeven door de Rijmenamse heemkring Het Hoefyser, Rijmenam, 2002 (de op blz. 136 vermelde jaartallen in verband met het in het klein brughuis wonen van Aloïs Wollebrants zijn echter niet correct); brochure Over staminees en bier en andere toestanden, uitgegeven door de Rijmenamse heemkring Het Hoefyser, Rijmenam, 2002/2004; internet, website van de Rijmenamse heemkundige kring 't Hoefijser, www.bloggen.be/hoefijser/, geraadpleegd augustus 2012; informatie verstrekt door Luc Vangeel, voorzitter van de Rijmenamse heemkring Het Hoefyser, augustus 2012.