vrijdag 27 december 2013

Witte muizen


Op oudejaarsdag gingen we "koeken zingen" - ik spreek over mijn kinderjaren, de late fifties, de vroege sixties. Dat de officiële term eigenlijk "nieuwjaarszingen" was, en dat dit folkloristisch gebruik niet enkel in mijn dorp (Boortmeerbeek) maar ook elders werd beoefend, daar had ik in dat tijdperk van zalige argeloosheid geen benul van, en het had ook geen enkel belang.
Al van kort na mijn eigen koeken-zingen-jaren hoorde ik her en der verkondigen dat het met de aloude traditie bergaf ging, dat er jaar-na-jaar minder nieuwjaarszangers opdaagden, en dat dit heel begrijpelijk was, want ach, met al die welvaart die er gekomen was… wat zouden kinderen in godsnaam nog malen om enkele koeken. Het moet nu zo stilaan een kleine halve eeuw geleden zijn dat ik dit klaaglied om de teleurgang van het koeken-zingen voor het eerst hoorde aanheffen… ik heb er in recente tijden zelf (ik beken het ruiterlijk) op deze plaats aan meegedaan (zie mijn blogtekst Winterfeesten van 16 december 2011)… en toch wordt er in ons dorp nog steeds aan "koeken zingen" gedaan!
Wel moet ik vaststellen dat de regels van het traditionele koeken-zingen door de hedendaagse jeugd niet tot in al hun volkskundige finesses worden nageleefd. Dus lijkt het me geen overbodige zaak hier nog eens uiteen te zetten hoe wij het destijds deden, en hoe het dus hoort.
In de regel trekt men in het gezelschap van één of twee leeftijdgenoten langs de deuren. Een jonger broertje of zusje dat door de ouders wordt "meegegeven" dient getolereerd - het is tenslotte net Kerstmis geweest, dus moet men nog wat van goede wil zijn. Zo zeker als wat begint het ding al na enkele straten te zeuren over "moe", "kou" of "zere voeten": geef het, indien de gelegenheid zich voordoet, bij een toevallig op de route wonend familielid in bewaring. Anders zit er niets anders op dan het persoonlijk naar huis te brengen, hetgeen uiteraard met kostbaar tijdverlies gepaard gaat.
Het liedje dat wij aan de deuren zongen was - en is nog steeds, zo stel ik telkenjare met heimelijk genoegen vast: "Oud jaar, nieuw jaar / Twee koeken is een paar / 'k Wens gelukkig Nieuwejaar". Zeer af en toe hoorde men wel eens een langer en wat gecompliceerder wijsje: "Nieuwejaarke zoete / Ons varken heeft vier voeten / Vier voeten en ne staart / Is dat genen appel waard?".
In tegenstelling tot wat dat varken in het vers zou doen geloven, waren het geenszins boerenzonen en -dochters die dit alternatieve zangstuk ten gehore brachten, maar eerder kinderen van wie de ouders in het Davidsfonds of de parochiale werken of iets daaromtrent actief waren, en die meenden origineel uit de hoek te moeten komen, en het koekenpaar beneden hun stand vonden. Dat was tenminste mijn indruk, toen. Wij hielden het bij de "twee koeken is een paar", kort en goed en democratisch, en het schoot op.
De beloning bestond in de regel uit twee koeken. Om de traditie voor de volle honderd percent getrouw te zijn moeten het, meen ik ooit eens ergens gehoord te hebben, eigenlijk petits beurres zijn, maar daar ga ik nu niet moeilijk over doen, al dient gezegd dat sommige mensen ons met wel zéér goedkope en zéér gesuikerde en gifkleurige rommel opzadelden.
Bij "bekenden" - buren, familie, kennissen - kreeg je een extra, bovenop de koeken: meestal één of twee mandarijntjes, soms "ne cent" (een muntstuk), heel soms dit alles tegelijk. Gelet op deze "ons-kent-ons"-geplogenheid verdiende het aanbeveling om er met z'n tweeën - hooguit z'n drieën - op uit te trekken, want met een gering aantal kinderen voor de deur maakte de "gever" veelal geen onderscheid tussen degene die hij supplementair wou begunstigen en zijn compagnon. Met een invasie van vijf of zes zangers, bracht je de "bekende" echter in een lastig parket, want de voorkeursbehandeling was uiteraard slechts berekend op kleine aantallen. In zo'n geval kon het gebeuren dat de "bekende" je niet kende.
Belangrijke tussenopmerking: in Boortmeerbeek werden en worden uitsluitend koeken (in de ruime zin des woords) gegeven - géén geld (behalve, zoals uitgelegd, in uitzonderlijke gevallen, als extraatje voor eigen volk).
De koeken werden door de "gever" in de grote witte linnen zak gestopt die je - met een lint rond je hals - op je buik droeg. Je hielp de weldoener een handje door je buidel lichtjes - behulpzaam, niet hebberig - te openen.
Met deze linnen koeken-zingen-buideltassen zijn we op een wat pijnlijke plek in ons verhaal beland. Mijn kinderen, ja, die hadden er nog, toen ze in de eighties en de nineties het pad van het koeken-zingen opgingen - dankzij het historisch bewustzijn, de zin voor traditie en de naaivaardigheid van hun moeder. Maar zij behoorden tot de uitzonderingen, want het moet ook al van kort na mijn eigen koeken-zingen-jaren zijn, dat de authentieke linnen zakken uit het oudejaarsdag-straatbeeld verdwenen, en uit gemakzucht vervangen werden door van die zielige plastic winkeltassen uit de supermarkt - je kan ze niet eens parmantig op je buik hangen, maar moet ze in de hand houden ("Annie, hou jij me tassie effe vast…"). Kijk, ik zeg niet dat vroeger alles beter was, maar op vlak van stijl zijn we er de afgelopen halve eeuw wis en waarachtig toch niet op vooruitgegaan - en wie daar een voorbeeld van wil, wel hier hebt u er één!
Hedendaagse kinderen bellen eerst aan, wachten tot de deur opengaat, en zingen dan hun liedje. In mijn kinderjaren liepen er zoveel zangertjes langs de straat dat de deuren nooit dicht gingen: aanbellen hoefde niet, wij dreunden meteen ons "oud jaar, nieuw jaar…" af. Stond je toch voor een gesloten deur, dan kon je er donder op zeggen dat die dicht zou blijven. Pro forma belden we dan aan - zodat men ons geen procedurefout in de schoenen kon schuiven - maar al snel hieven we ongenadig en luidkeels het speciaal op deze omstandigheden afgestemde schimplied aan: "Hoog huis, laag huis / Er zit een gierige pin in huis"! Bijna altijd ging het om een onbewoond pand.
Belangrijke slotopmerking: het koeken-zingen was en is strikt beperkt tot de voormiddag.  Om 13 uur is het onherroepelijk afgelopen, dan gaat geen deur meer open, al kweelt men een complete cantatejaargang van Johann Sebastian Bach op de stoep. Mechelse Marokkaantjes, die het koeken-zingen pas ontdekt hadden, hebben enkele jaren geleden wel beproefd om in de voormiddag in dorp A en in de namiddag in het aangrenzende dorp B te gaan kwinkeleren, maar die vlieger is niet opgegaan, en ik heb de indruk dat ze de traditie van het koeken-zingen inmiddels geheel uit hun inburgeringstraject hebben geschrapt.
Oudejaarsavond vierden mijn ouders met enkele bevriende echtparen. Ik moest op logement bij mijn groottante Emma in Mechelen - die mij verwende, hetgeen echter niet in het minst belette dat zwaar heimwee mij overviel. (Omdat ik over deze logeerpartijen zoveel misbaar maakte, werd ik bij soortgelijke ouderlijke afwezigheden ook wel eens thuis onder de hoede van mijn grootmoeder-langs-vaderskant gesteld).
Slechts één materiële bron herinnert nog aan die oudejaarsavondfeestjes van mijn ouders en hun vrienden: een fonoplaat, speciaal voor de gelegenheid gekocht in ik-weet-niet-welk-jaar - in elk geval hadden wij thuis nog geen platenspeler, het moet dus vóór mei 1961 zijn geweest - met daarop De Grote Feestpotpourri, uitgevoerd door het orkest van Tony Vess. Een langspeelplaat.
Een foto van de hoes heb ik boven deze tekst gezet. Men kan zien dat de maker van de cover zich ruimschoots heeft geïnspireerd op het schilderij De bruiloftsdans van Pieter Bruegel (de Oude) uit 1566. Pittig detail: dit werk hangt in het Institute of Arts van Detroit. Detroit…? Ja, de stad in Michigan, in het Noord-Oosten van de Verenigde Staten, ooit het hart van de Amerikaanse auto-industrie, tevens bakermat van het legendarische fonoplatenmerk Motown… En inderdaad: ook de stad die onlangs failliet is gegaan! Om de schuld van achttien miljard dollar te delgen wordt momenteel overwogen om Bruegels Bruiloftsdans - en andere kunstwerken, destijds met geld van de stad aangekocht - van de hand te doen…
In zekere zin kan De Grote Feestpotpourri als een voorloper van het karaoke-fenomeen worden beschouwd. De twee instrumentale medley's van het Tony Vess-orkest - één aan beide kanten van de plaat - bestaan uit volkse, in die tijd in het Vlaamse land zeer gekende deuntjes. Het waren schlagers uit de jaren vijftig die zich uitstekend leenden tot meezingen (en tot het dansen van de polonaise).
Zulke potpourri's van vrolijke wijsjes - aaneenrijgingen, waarin de liedjes nooit in hun geheel maar slechts gedeeltelijk werden uitgevoerd - waren in die tijd zeer populair en werden door orkesten (en orkestjes) veelvuldig uitgevoerd op kermissen en feesten.
Afgaande op de vage echo's die mij achteraf bereikten, moet er op die oudejaarsavondfeesten van mijn ouders en hun vrienden veel plezier zijn gemaakt. Eén van de hoogtepunten was de verloting van "de pakjes". Iedereen had er één meegebracht en kreeg door het lot dat van een ander toegewezen, het is een bekend recept. De inhoud moest verrassend, mocht vooral niet ernstig zijn. Eén keer staken bij het openen van zo'n pakje twee levende palingen de kop op… Het krijsen der dames moet tot in de zeer wijde omtrek te horen zijn geweest. 
Natuurlijk geeft het gebruik van dieren voor zulke grappen geen pas, laat ik daar glashelder over zijn - ik ben een fan van Gaia, al jarenlang is Michel Vandenbosch steevast mijn man van het jaar, hij komt op voor de levende wezens die op aarde het meest verdrukt, mishandeld en vermoord worden: de dieren. Maar goed, laten we zeggen dat de sensibiliteit op dit vlak in de jaren vijftig bij veel mensen niet of weinig ontwikkeld was - en daar meteen aan toevoegen dat het jammer genoeg ook in onze tijd velen ontbreekt aan inlevingsvermogen ten opzichte van het dierenleven en -leed.
En ja, ik moet toegeven, één keer heeft die ruwheid van zeden mij destijds ook wel in de kaart gespeeld. Kwam het pakje van dezelfde persoon? Had het succes van zijn palingen hem ertoe aangezet het opnieuw op de toer van de levende dieren te gooien? Wat er ook van zij: op één van die oudejaarsavondfeesten lootte mijn moeder een pakje met… een paar witte muizen! Zou het eind 1959 zijn geweest? Of eind 1960?
In elk geval verscheen in de loop van het schooljaar 1960-1961 - ik zat in het laatste jaar van de lagere school - in het leerlingentijdschrift van het Keerbergse atheneum een opstel van mijn hand, met als titel Mijn muizenpaartje. Samen met mijn relaas over onze schooluitstap naar de General Motors-fabriek in Antwerpen op 20 december 1960 (zie mijn blogstuk General Motors van 14 december 2012) behoort dit Muizen-opstel tot mijn eerste publicaties! 
Helaas kan ik niet meer achterhalen of Mijn muizenpaartje chronologisch vóór dan wel na mijn General Motors-reportage te situeren valt. Voor een goed begrip: ik besliste niet zelf om die geschriften aan de redactie van de schoolkrant te bezorgen, dat deed mijn onderwijzer. 
Met permissie gezegd: heden ten dage vind ik mijn Muizenpaartje toch een ietwat melige uiteenzetting. Maar ik zal u zelf laten oordelen. Eerst het verhaal over hoe de muizen mij via mijn moeder ten deel waren gevallen…
"In een klein glazen aquarium heb ik thuis twee witte muisjes. Hoe die bij ons zijn gekomen? Wel, gans onverwachts! Mijn ouders waren Nieuwjaar gaan vieren en volgens gewoonte werden er pakjes verloot. Toen mijn moeder koortsachtig en nieuwsgierig haar pakje opende, liet ze plots een gil van verrassing en angst! Twee witte muisjes waren uit het doosje gewipt!".
Volgens mijn opstel had ik mijn muizen de namen "Tonny (sic) en Teddy" gegeven, maar daar geloof ik niet veel van, ik denk dat het hier een louter literaire (naar mijn huidige smaak: gekunstelde) opleuking der zaak betrof! 
Na een beschrijving van de diertjes ("… een spits snuitje dat voortdurend in beweging is") en hun eetgewoonten ("iedere morgen geef ik ze te eten, melk of wat brood") volgde dan het relaas van enkele (waarachtig beleefde) muizen-avonturen …   
"Op een avond, wij zaten allen rustig te lezen, was er plots groot alarm in mijn vogelkooitje. Wat was er aan de hand? Mijn kanarie zat op zijn bovenste stokje, de bek wijdopen en riep maar steeds: "Piet! Piet!". Hij was woedend! Groot was mijn verbazing toen ik een der muizen in mijn vogelkooitje zag rondtrippelen. Hij had een nieuwe lekkernij ontdekt: vogelzaad! Sedertdien gaan mijn muisjes bijna dagelijks op bezoek. Soms breken er dan in mijn dierentuin hevige gevechten los.
Op een morgen sloeg mijn vader alarm: er was een muis verdwenen! Overal gezocht… nergens te vinden! Toen ik mijn schoenen aandeed om naar school te gaan, vond ik de oplossing. Daar zat mietje muis zowaar verscholen in mijn schoen.
Op een mooie lentedag was er weer een drukte van belang in het muizennest.  Wat was er nu weer aan de hand? Enkele dagen later slaakte ik een kreet van verbazing. In een klein nestje, verborgen achter het zaagmeel, ontdekte ik niet minder dan acht kleine pasgeboren muisjes! Ze hadden een zacht roos velletje, net kleine biggetjes.  Ze deden "Piep, piep!" toen ik ze zachtjes met mijn vinger aanraakte. Later kregen zij stilaan een witte vacht. Deze muisjes heb ik ten geschenke gegeven aan familie en vrienden".
Ik hoop dat ze er goed voor gezorgd hebben, maar ik heb zo mijn twijfels.

vrijdag 20 december 2013

Tweedracht


Laat ik de etappe in de Boortmeerbeekse dorpsgeschiedenis die ik vandaag wil afleggen aanvatten in de achter de dorpskerk gelegen herberg Het Brouwershuis. Op de foto boven deze tekst is dit het imposante gebouw in het midden. Rechts zien we het oude gemeentehuis van Boortmeerbeek: neen, niet het huidige politiekantoor dat van 1923 tot 1987 ons raadhuis was, en dat de Boortmeerbekenaren nu als "het oud gemeentehuis" bestempelen, maar de voorganger daarvan, die in de vreselijke zomer van 1914 tijdens de Duitse inval werd verwoest. Dat dit "oudste" gemeentehuis - waarin ook de gemeentelijke jongensschool huisde - op de foto voorkomt, bewijst dat deze van vóór de Eerste Wereldoorlog dateert.
Het Brouwershuis bestaat nog steeds, maar is - zoals zoveel in ons dorp - niet meer wat het geweest is. Het moet dateren van rond 1875, het jaar waarin  - misschien binnen zijn muren - de eerste Boortmeerbeekse fanfare - "Onder Ons" - werd gesticht. Alleszins heeft die er gedurende haar hele bestaan een warme thuishaven gevonden.
Het Brouwershuis werd gebouwd door Adolf De Keyser. Om een zelfs vroeger al vergeten reden werd die man "de notoor" genoemd - wat dialect is voor notaris, hetgeen hij echter geenszins was.
Naast het café omvatte Het Brouwershuis op het gelijkvloers ook een zaal, kennelijk bedoeld voor feesten (want geflankeerd door een ruime achterliggende keuken), maar jarenlang ook in gebruik als biljartzaal - én een winkel (in mijn kinderjaren: van ijzerwaren, ik ben er ooit nog nagels wezen kopen).
De gehele eerste verdieping van het Brouwershuis werd ingenomen door een pracht van een balzaal, waar orgels en orkesten en vedetten voor ambiance en plezier hebben gezorgd… waar hossende kadrils, wervelende walsen, zwoele tango's, opwindende swings en Rock and Rolls zijn gedanst… waar harten verliefd en gebroken zijn geworden… nu helaas buiten gebruik - ik heb het over de zaal - naar verluidt om reden van brandveiligheid. Ooit waren Pit Storms en zijn Zwervers er het huisorkest (in de fifties) en gingen pubermeisjes er sentimenteel onderuit voor Clark Richard and his Tropical Stars (in de sixties). Het Brouwershuis: een eeuw Boortmeerbeeks uitgaansleven.
In datzelfde Brouwershuis moet het geweest zijn dat - in het laatste decennium van de negentiende eeuw - de nog vrij jonge dokter Eugène Van Gorp (geboren 1863, arts geworden aan de Leuvense universiteit in 1889) en zijn neef en boezemvriend Jules Wouters (geboren 1867) hun Java-plan smeedden. Dat ze vaak in Het Brouwershuis kwamen lag voor de hand: eigenaar en uitbater Adolf De Keyser, "de notaris", was hun oom (hij was een broer van hun moeders). 
De dit jaar overleden Boortmeerbeekse (Heverse) heemkundige Georges Wouters (°1925) had in eigen familiekring nog een echo opgevangen van de "maandenlange en minutieuze" voorbereidingen die dokter Van Gorp en Jules Wouters zich hadden getroost… "Als knaap heb ik dat tientallen keren door mijn tante Aline (dochter van 'de notaris'), die het allemaal meemaakte, horen vertellen", schreef hij (in 1988). "Als kind kon ik geïnteresseerd en zwijgend (ze merkten mijn aandacht zelfs niet op) naar grote mensen luisteren. Thans schijnt dat niet meer te kunnen".
Het Java-plan was groots en vermetel: Jules Wouters zou met een kapitaaltje van de families Wouters en Van Gorp naar het Zuid-Oost-Aziatische eiland Java trekken, en het daar, door olie-winning, verveelvoudigen: zie mijn blogtekst Java van vorige week (13 december 2013).
Eugène Van Gorp en Jules Wouters waren opgegroeid in een bevoorrechte familiale situatie: Eugène als oudste nakomeling van de bemiddelde boer Edouard Van Gorp, Juul als oudste zoon van de op zakelijk vlak zeer geslaagde brouwerijbaas Theofiel (Théophile) Wouters (zie mijn blogstukje Theofiel Wouters van 24 mei 2013). 
Dokter Eugène Van Gorp - in familiekring "onze Jeun" genoemd - was schrander van geest en wist van aanpakken. Jules Wouters was avontuurlijk aangelegd en zo mogelijk uit nog harder hout gesneden. Ook aan de vriendschap en de onverschrokkenheid van de beide mannen bewaarde geschiedschrijver Georges Wouters een herinnering uit de eerste hand. Georges (anno 1989): "Omdat hij als verwende zoon van zeer welstellende ouders thuis vermoedelijk niet veel uit te richten had, vergezelde hij (Jules Wouters) de jonge dokter (Eugène Van Gorp) op bijna al diens ziekenbezoeken per koets. Hij oefende niet alleen de functie van koetsier uit maar was nog veel nuttiger. In die tijd verrichtte een bekwaam dokter immers zelf vele kleine operaties in de woningen van de patiënten. Dat gebeurde allemaal zonder veel verdoving en de harde en sterke Juul moest de patiënten dan stevig vasthouden zodat ze niet konden verroeren en de dokter niet hinderen bij zijn delicaat precisiewerk. Dat gebeurde ondermeer bij mijn grootouders Felix Van Eersel - Maria Van der Seypen. Hun in 1888 geboren oudste zoontje kreeg op 3-jarige leeftijd de kroep. De er in alle haast, doch veel te laat (dat gebeurde toen courant) nog bijgeroepen dokter Van Gorp probeerde het door Juul vastgehouden kleintje nog te redden door een operatie ter plaatse. Het kon niet meer baten en het knaapje bleef er in. (…). Die ultieme reddingspoging moet werkelijk zielig en hartroerend geweest zijn want minstens honderdmaal heb ik grootmoeder al wenend het verhaal horen vertellen en dan nog zoveel jaren later. Tijdens haar laatste levensnacht, dat was 67 jaar na het gebeurde, heeft ze onafgebroken de naam van het knaapje geroepen".
Het Java-plan liep faliekant af. Jules Wouters schoot er al het uit Boortmeerbeek meegenomen geld én zijn leven bij in. In juli 1898 werd de Indische Oceaan hem tot laatste rustplaats.
Het belang, de betekenis van een historisch feit wordt in de regel bepaald, niet door het gebeuren zelf, maar door zijn gevolgen. Hoe tragisch ook, Jules' onzalige Java-wedervaren had een fait-divers kunnen zijn en blijven. Het verhaal van een mislukking, punt. Ware het niet dat het - onverwacht eigenlijk - zware en verstrekkende gevolgen had. Die het tot échte geschiedenis maakten. Op Boortmeerbeeks niveau natuurlijk, alles is relatief.
Vader Wouters - "den brouwer" - werd uiteraard door de dood van zijn zoon bijzonder zwaar getroffen. Hij had zijn bedenkingen bij de rol die zijn neef Eugène Van Gorp in het Java-debacle had gespeeld. Was de dokter misschien de inspirator van het project geweest? In elk geval had hij het met de volle inzet van zijn verstand, zijn energie én zijn geldelijke middelen gesteund - terwijl vader Wouters zijn harde best had gedaan om zoon Jules de veel te riskante zaak uit het onbezonnen hoofd te praten. Pas na veel aandringen was hij, tegen heug en meug, met kapitaal over de brug gekomen.
Mogelijk speelde in vader Wouters' ressentiment tegenover dokter Van Gorp nog een oudere pijn mee: het feit dat de dokter de vier huwbare dochters van de brouwerijbaas was voorbijgelopen, en in juli 1895 zijn beloftevolle toekomst had geschonken aan de dochter van een Kampenhoutse notarisklerk (weliswaar ook nog verwant met "den brouwer", maar van ver).
De wrok van brouwer - en bewoner van het landgoed Audenhoven - Theofiel Wouters tegenover dokter Van Gorp vond weldra haar gelijke in deze van de Van Gorpen tegenover de Woutersen.
Had de familie Van Gorp haar twijfels over de wijze waarop Jules Wouters op Java met haar geld was omgesprongen? In elk geval vond boer Edouard Van Gorp dat brouwerijbaas Wouters het kapitaal dat de Van Gorpen met Jules Wouters hadden meegegeven, moest terugbetalen. (Ik heb dat altijd een vreemde redenering gevonden - wie geld belegt loopt nu eenmaal het risico het kwijt te raken - maar heb bij twee nazaten van vader Van Gorp moeten vaststellen dat die de vraag van hun grootvader toch als zeer redelijk beschouwden).
Brouwer Wouters dacht er niet aan met geld over de brug te komen. Ook toen vader Van Gorp zijn vordering milderde en niet meer zijn eigen investering maar nog enkel die van "onze Jeun" terugvroeg, bleef Wouters onvermurwbaar.
Van het één kwam het ander - wat is er allemaal gebeurd, wie zal het zeggen? - en dat ander was in dit geval een diepe vete tussen de Van Gorpen en de Woutersen. De haat ging zo ver dat dokter Van Gorp besloot de oude brouwerijbaas te bekampen op diens eigen terrein: dat van het bier brouwen! "Gij zijt te oud om dokter te worden, maar ik kan nog brouwer worden" zou een driftige Eugène Van Gorp volgens de overlevering zijn oom naar het hoofd hebben geslingerd. Ook dat zou gebeurd zijn in het Brouwershuis.
Het bleken geen ijdele woorden. Eugène Van Gorp voegde er de nodige daden aan toe, en reeds op 4 oktober 1900 werd bij een notaris te Laken de oprichtingsakte van de nieuwe brouwerij, met als naam "L'Ecluse", verleden (later werd het "L'Ecluse / Het Sas"). Dokter Van Gorp was voorzitter van de raad van bestuur, zijn jongere broer Ernest werd de directeur.
Boortmeerbeek moest partij kiezen: Wouters of Van Gorp? De muzikanten van de fanfare "Onder Ons" - waar brouwer Wouters nochtans de voorzitter van was - kozen in meerderheid voor dokter Van Gorp.
De Boortmeerbeekse burgemeester Frans (François)  Brancart koos voor… dokter Van Gorp. Hij was één van de vijf leden van de raad van bestuur van de nieuwe brouwerij. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1903 stond Eugène Van Gorp op zijn kandidatenlijst.
Adolf De Keyser, "de notaris", waard van Het Brouwershuis, schoonbroer van zowel Theofiel Wouters als Edouard Van Gorp - de beide patriarchen waren met een zuster van hem gehuwd - koos voor… dokter Van Gorp.
Merkwaardig toch dat "de gevestigde macht" (brouwer Wouters) het in zo'n sterke mate moest afleggen tegen "de uitdagers" (de Van Gorpen). Uiteraard behield Theofiel Wouters een deel van zijn aanhang - te beginnen met die Boortmeerbekenaren die in zijn brouwerij hun brood verdienden - en zo raakte het dorp verdeeld in twee vijandige "clans", twee gemeentelijke "zuilen" die elkaar het licht in de ogen niet gunden.
Theofiel Wouters overleed op 19 mei 1904. Zijn rol als leider van de Wouters-clan werd overgenomen door de aannemer van timmerwerken Jan Victor Mommens (°1868), in de volksmond "Pinneke Moemmes" genoemd - zo goed als een generatiegenoot van dokter Van Gorp. De "Onder Ons"-muzikanten die niet mee waren gestapt in de keuze voor de Van Gorpen, richtten na de Eerste Wereldoorlog de fanfare "De Moedige Vrienden" op. Op dat moment bezat elke "clan" zijn eigen brouwerij, zijn eigen politieke partij en zijn eigen fanfare. Anders gezegd: elke "zuil" bestond uit een economisch-financiële, een politieke en een sociaal-culturele component. 

Afbeelding: achter de kerk gelegen deel van het Boortmeerbeekse dorpscentrum (met de herberg en danszaal Het Brouwershuis en het gemeentehuis) vóór de Eerste Wereldoorlog, foto op prentbriefkaart, bewerkt.

Voornaamste bronnen: artikel G. WOUTERS, Vervolgreeks: De Boortmeerbeekse herbergen rond de eeuwwisseling, II. Van Freeke (of Vreke) tot bij Suske Perremans, in: Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 2 (1988), nr. 1, blz. 12-37, met name blz. 20-23; artikel F. WOLLEBRANTS, De familie Van Gorp en Boortmeerbeek, in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 2 (1988), nr. 2, blz. 48-67, en in HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 4, nr. 1 (februari 1989), blz. 6-15 en blz. 54-62; artikel G. WOUTERS, Geboorteperikelen van de vroegere brouwerij "Het Sas", in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 3 (1989), nr. 2, blz. 94-98; artikel F. WOLLEBRANTS, De geschiedenis van de Boortmeerbeekse brouwerij "Het Sas", 1900-1967, in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 3 (1989), nr. 3, blz. 122-138, en in HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 4, nr. 3/4 (november 1989), blz. 188-200; artikel J. PEETERS en G. WOUTERS, De samenhang van enkele eertijds belangrijke families te Boortmeerbeek en hun verwezenlijkingen op professioneel vlak, in Heemkring Ravensteyn v.z.w. Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 6 (1992), nr. 2, blz. 84-105.
De artikels die ik in 1988-1989 publiceerde waren hoofdzakelijk gebaseerd op gesprekken met (mijn vader) Oscar Wollebrants (1921-1989), met Adrienne Van Gorp (1903-2003, dochter van dokter Eugène Van Gorp) en met Georges Van Gorp (1904-2003, neef van dokter Van Gorp, zoon van brouwerijdirecteur Ernest Van Gorp).

vrijdag 13 december 2013

Java


Op 12 juli 1898 werd de 30-jarige Boortmeerbekenaar Jules Wouters levenloos aangetroffen aan boord van de pakketboot Sydney. Die bevond zich op dat moment op 5,58 graden noorderbreedte en 81,15 graden oosterlengte. Ik heb het even opgezocht: dat moet in de Indische Oceaan, een eindje ten zuiden van het eiland Sri Lanka (voorheen Ceylon geheten) zijn geweest. Kijkt u het veiligheidshalve maar eens na op een kaart, want aardrijkskunde is nooit mijn sterkste vak geweest, en met name dat gedoe met die lengtes en die breedtes kan ik niet meteen één van de meest genoeglijke ervaringen uit mijn secundair onderwijstijd noemen.
Was Jules Wouters een Boortmeerbeekse jongen die er voor gekozen had als zeeman aan de kost te komen? Geenszins. Hij reisde als eerste klasse-passagier!
Jules was op de Sydney ingescheept in de Engelse kolonie Singapore - maar was middels het kleinere schip La Seyne "aangevoerd" vanuit Batavia, en dat was in die dagen de hoofdstad van het uitgestrekte Nederlandse koloniale rijk in Zuid-Oost-Azië ("Nederlands Indië", Batavia heet nu Jakarta).
Het overlijden van Jules werd officieel vastgesteld om kwart na vier in de namiddag, door de kapitein van de Sydney, Jules Aubert. We kunnen vermoeden dat medepassagiers korte tijd eerder de dode - of misschien nog zieltogende - Boortmeerbekenaar aangetroffen hadden en de kapitein inderhaast naar de plek des onheils was geroepen.
Maar laten we liever niet al te veel vermoeden (alleszins nog niet op dit moment), want het aardige van de gegevens die ik tot nog toe heb opgedist, is nu juist dat ze, geschiedwetenschappelijk gesproken, een hoog zekerheidsgehalte vertonen. En dat in een affaire die aanleiding heeft gegeven tot talloze gissingen, veronderstellingen, ware en onware beweringen - en zodoende tot uren vertel-, gespreks- en roddelplezier bij huiskamerkachels en in cafés. (Even bekroop mij de lust om de dood van Jules Wouters te vergelijken met die van Kennedy of prinses Diana, maar laat ik er geen potje van maken - al zouden er op vlak van legendevorming beslist parallellen te trekken vallen).
De gegevens over de dood-op-zee van Jules Wouters komen uit zijn overlijdensakte, die een aantal jaren geleden spreekwoordelijk boven water werd gehaald door de heemkundigen Jan Peeters en Georges Wouters: geen geringe verdienste, want tot nader order is dit het enige schriftelijke document met betrekking tot de fatale reis van Jules Wouters. En in de geschiedeniswetenschap wordt het betrouwbaarheidsgehalte van geschreven en gedrukte bronnen nu eenmaal hoger ingeschat dan dat van mondelinge getuigenissen - net als aan de cafétoog, waar "het staat in de krant" ook méér indruk maakt dan "die van ons heeft dat horen vertellen bij het kraam van de groentenboer". Overigens staan er ook in kranten en andere schriftelijke bronnen véél misvattingen en abuizen, maak u daar geen illusies over.
Maar goed, in de zaak Jules Wouters lijkt de overlijdensakte - het inhoudelijk meest relevante fragment ervan heb ik als illustratie boven deze tekst gezet - toch een rots in de branding. Voor een goed begrip: wat u ziet is de tekst die in het jaar 1900 - betrekkelijk laat na de feiten dus - in de Boortmeerbeekse registers van de Burgerlijke Stand werd ingeschreven. Door de toenmalige burgemeester Brancart - of om héél accuraat te zijn: die zette er zijn handtekening onder.
In feite deed men op het Boortmeerbeekse gemeentehuis niets meer of minder dan een afschrift maken van de overlijdensakte  die was opgemaakt door de kapitein van de Sydney, en mede-ondertekend door twee van zijn bemanningsleden (de boordcommissaris en de scheepsluitenant). Een kapitein kon in bepaalde omstandigheden aan boord van zijn schip als ambtenaar van de Burgerlijke Stand fungeren en dus een officiële akte opstellen.
Jules had zijn laatste reis aangevat in Batavia. Dat blijkt uit de overlijdensakte en staat redelijkerwijs gesproken dus vast. Batavia lag op Java, destijds het voornaamste en dichtstbevolkte eiland van Nederlands Indië (nu van de staat Indonesië). Op dit punt van mijn verhaal gekomen moet ik ons geschreven document met zijn aura van betrouwbaarheid loslaten, en mij baseren op wat - onder andere ook door mij - over de Jules Wouters-zaak geschreven werd op basis van mondelinge overlevering.
Wat was onze Boortmeerbeekse Jules Wouters zo naar het einde van de negentiende eeuw toe in 's hemelsnaam in het verre Nederlandse Java gaan zoeken?  Hij was geen zeeman, dat weten we al. Een ontdekkings- of plezier-reiziger was hij evenmin. Of misschien ten dele wel, want hij had de reputatie avontuurlijk aangelegd te zijn, en dat moest je ook wel zijn om in die luchtvaartloze tijd naar zo'n afgelegen gebied te reizen. Bovendien is er een variante van zijn verhaal die hem meerdere keren naar Java laat reizen, en in dat geval is het mogelijk dat hij dat een eerste keer als toerist deed. Maar toen hij écht naar Java trok, deed hij dat om er geld te verdienen. Jules was zakenman, ondernemer - of dacht dat hij dat was. Jules ging naar Java om rijk te worden.
Om héél rijk te worden, want gewoon rijk was hij eigenlijk al. Jules Wouters was immers een zoon van de succesvolle Boortmeerbeekse brouwerijbaas Theofiel (Théophile) Wouters, in de Boortmeerbeekse volksmond "den brouwer" genoemd, die door hard werken en naarstig ondernemerschap zulke goede zaken had gedaan dat hij zich een landgoed met kasteel had kunnen kopen - zie mijn blogstukje Theofiel Wouters van 24 mei 2013.
Je zou dan verwachten dat zoon Jules Wouters zich naarmate de negentiende eeuw vorderde en zijn vader ouder werd, geleidelijk in de florerende brouwerijzaken inwerkte, om ten gepasten tijde het leiderschap over te nemen, maar neen, zulk een evolutionaire gang van zaken scheen niet aan de orde te zijn. Kwamen vader en zoon niet al te best overeen? Wou Jules bewijzen dat hij ook zelf fortuin kon vergaren?
In elk geval: Jules vatte het plan op om in Java aan olie-winning te gaan doen. Aardolie en daarvan afgeleide producten als petroleum en benzine werden door doortastende zakenlui in de late negentiende eeuw gezien als de grondstoffen van de toekomst (niet ten onrechte, zoals inmiddels gebleken is). Olie leek het nieuwe goud.
Ik heb me bij het Java-verhaal van Jules Wouters wel eens afgevraagd of het aan het eind van de negentiende eeuw een realistische optie was om met de combinatie Java-en-olie rijk te worden. Het antwoord is onomwonden: ja. Het concrete bewijs trof ik onlangs aan in de korte biografie van de Nederlandse sportman en kunsthistoricus Johann Heinrich Hermann Kessler (1891-1943), zoals die in de Wikipedia wordt geschetst. Ik citeer: "Kessler groeide op in een rijke familie. Zijn vader had met handel in olie op Java zoveel geld verdiend, dat hij en zijn kinderen niet hoefden te werken".
Als Jules Wouters inderdaad de aspiratie koesterde zijn vader in het zaken-doen naar de kroon te steken, dan begon hij toch maar minnetjes: door bij die zelfde vader een kapitaaltje - misschien een voorschot op zijn erfenis - los te pingelen. Vader Wouters zag het Java-avontuur niet zitten - of het nu zijn zoon dan wel zijn centen waren die hij niet graag zag vertrekken laat ik in het midden. Tenslotte kwam hij toch met geld over de brug.
Jules Wouters' boezemvriend én neef - hun moeders waren zussen - dokter Eugène Van Gorp investeerde stevig in de Java-onderneming, en trok bovendien zijn vader, de grote en rijke boer Edouard Van Gorp, over de streep.
Jules Wouters moet uiteindelijk met een flink pak duiten naar Java vertrokken zijn. Wat hij daar uitgericht heeft, wat er hem is overkomen, daar hebben we het raden naar. Hebben malafide figuren hem - zoals hij op zijn terugreis aan medepassagiers zou hebben verteld - opgelicht?  Wat er ook van zij: Jules moest volkomen berooid naar Europa terugkeren, hij was op Java al het geld dat zijn beleggers hem hadden toevertrouwd, kwijtgespeeld. Dàt in Boortmeerbeek te moeten gaan opbiechten, was een te zware opgave. Op dinsdag 12 juli 1898, aan boord van de Sydney, op weg naar huis, stapte Jules uit het leven. 

Afbeelding: fragment van de overlijdensakte van Jules (Julius Hubertus Prosper) Wouters (1867-1898), 1900. Met dank aan Jan Peeters.

Voornaamste bronnen: artikel F. WOLLEBRANTS, De familie Van Gorp en Boortmeerbeek, in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 2 (1988), nr. 2, blz. 48-67, en in HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 4, nr. 1 (februari 1989), blz. 6-15 en blz. 54-62; artikel G. WOUTERS, Geboorteperikelen van de vroegere brouwerij "Het Sas", in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 3 (1989), nr. 2, blz. 94-98; artikel F. WOLLEBRANTS, De geschiedenis van de Boortmeerbeekse brouwerij "Het Sas", 1900-1967, in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 3 (1989), nr. 3, blz. 122-138, en in HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 4, nr. 3/4 (november 1989), blz. 188-200; artikel J. PEETERS en G. WOUTERS, De samenhang van enkele eertijds belangrijke families te Boortmeerbeek en hun verwezenlijkingen op professioneel vlak, in Heemkring,Ravensteyn v.z.w. Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 6 (1992), nr. 2, blz. 84-105.
De artikels die ik in 1988-1989 publiceerde waren hoofdzakelijk gebaseerd op gesprekken met (mijn vader) Oscar Wollebrants (1921-1989), Adrienne Van Gorp (1903-2003, dochter van dokter Eugène Van Gorp) en Georges Van Gorp (1904-2003, neef van dokter Van Gorp).

vrijdag 6 december 2013

Cruise


Altijd te vinden voor nieuwe en ongewone ervaringen… zag ik een reisje naar Midden-Europa in de (voorbije) novembermaand best zitten.
De Donau bevaren in het desolate, bijna-niemandsland tussen Slowakije en Hongarije,  de vergane glorie van Wenen, Boedapest en Bratislava aanschouwen… het kon haast niet anders of de in literaire middens vaak genoemde droefgeestigheid van Midden-Europa zou prachtig matchen met het sombere novemberweer, en vice versa. Stof voor een blogstukje over het oude Centraal-Europa in a dark and grey november - een tekst vol weemoed, zwaarmoedigheid en mistroostigheid. Dacht ik.
Maar zie, de schrijver wikt, het weer beschikt, en de werkelijkheid dient zich altijd weerbarstig en verrassend aan. Op de eerste dag van onze reis doorkruisen we Duitsland, van het westelijke Keulen tot het zuidoostelijke Passau (op de grens van Beieren en Oostenrijk)… bij stralende zonneschijn!
Net voor Regensburg zien we in de verte een oude vriend liggen: het Walhalla, de indrukwekkende tempel die de Beierse koning Ludwig I liet bouwen en waar hij alle goden van de Europese cultuurgeschiedenis in borstbeeld-vorm in opnam (we bezochten dit pantheon in 2009). Net na Regensburg, het weerzien met een andere oude vriend: de Donau.
De volgende dag: opnieuw mooi, zonnig weer, 's morgens nog vermengd met nevelslierten en laaghangende wolken op de hellingen en in de valleien van Oberösterreich. Via Linz naar Wenen. In de verte: de abdij van Melk. "Wist je dat de verfilming van De naam van de roos daar (deels) haar beslag heeft gekregen?", vraagt mijn vrouw. "Onder andere de bibliotheekscène". Wist ik niet. Je hebt die film toch gezien? Zeker. Het boek van Eco gelezen? Neen, too many words.
We rijden door het Wienerwald: de bomen in bruine, goudgele en warm-rode kleuren - zonbeschenen, Ein goldener Herbst, we beleven een prachtige nazomer in november.
Tegen de middag zijn we in Wenen, bij wijze van introductie maken we een ritje langs de ringweg die de Innere Stadt omspant. Het is 10 november 2013. Wat kan het toeval toch grappig uit de hoek komen: toen de jonge Ludwig Van Beethoven anno 1792 van zijn geboortestad Bonn naar Wenen verhuisde, arriveerde hij daar op… 10 november. Wenen was in die dagen de hoofdstad van een uitgestrekt keizerrijk, de 10de november was een zaterdag en "een grauwe herfstdag". Nu is Wenen de hoofdstad van de kleine republiek Oostenrijk, en de 10de november 2013 een zonnige zondag. Een hele week lang zullen we geen druppel regen krijgen, geen spatje.
Na het middageten gaan we te voet de stad in: de Hofburg, de Heldenplatz, de Stephansdom… De zon trekt zich nu wel snel terug, eerst achter de pompeuze gebouwen, dan helemaal. Het wordt wat killig, al gauw valt de duisternis, rond half vijf al bedekt ze de stad met een mantel van geheimenis. Maar somberheid, niet in het minst, want Wenen ontsteekt zijn lampen: op straat, in de etalages, in Café Mozart en Hotel Sacher… neen, hier kan ik geen depressieve literatuur mee aanmaken. Ik zou de woorden feeëriek en romantisch moeten gebruiken. En dan is de kerstverlichting nog in prille aanbouw.
We schepen in. De boot blijkt eigendom van een rederij uit Straatsburg, de "officiële" talen aan boord zijn Frans en Engels. Heel even doet dat een beetje vreemd aan, de Donau bevaren in het Frans en het Engels - ik had mij op van dat slepende Oostenrijks-Duits ingesteld - maar who cares, zolang we bij tijd en wijle maar wat internationaal taalgebruik tegen ons aan horen klotsen voelen we ons voldoende ontheemd en op reis. Overigens is ons cruise-gezelschap een aantal Antwerpenaren rijk, zodat er de facto drie wereldtalen op het schip zullen weerklinken. En, nog eens overigens: het personeel bestaat grotendeels uit Hongaren. Zij zullen voor de Straatburgse rederij het goedkoopst zijn geweest (vermoed ik).
Onze kajuit valt ruim uit. De verwarming ervan reageert snel en krachtig, geheel naar mijn tevredenheid (en dat wil wat zeggen, want er zijn niet veel verwarmingen in de wereld die dat doen). Prima douche (ook dat is zeldzaam).
Net als de verwarming en de douche functioneert het personeel geheel naar wens. Het kan toeval zijn geweest - te maken hebben met gehad met de ligging van onze kajuit en het parcours van hun werkzaamheden - maar elke morgen slaagden de kamermeisjes er in onze privé-vertrekken op orde te brengen in de tijdspanne waarin wij ons in het restaurant aan het uitgebreide ontbijtbuffet te goed deden. Dus: zonder dat wij ook maar het minst in onze ochtendlijke activiteiten werden gehinderd, noch bij deze die ik vóór het ontbijt uitvoer - douchen en scheren - noch bij deze die ik graag voor na het ontbijt houd - tanden poetsen. Een vorm van tact die ik zeer waardeer - want wat is er nu storender dan een personeelsklop op je deur op het moment dat je je toilet aan het maken bent (wie mij kent weet dat de ochtend in globo het slechtst denkbare moment is om mij te storen).
Ik sla één en ander over. We vaarden (deels tijdens de nachtelijke uren) naar Boedapest, daarna naar Bratislava en weer terug naar Wenen. Onderweg bezochten we Boedapest en Bratislava, nu ja, stadsbezoeken zijn niet mijn ding, ik loop liever door wouden dan door straten (die dan veelal ook nog opengebroken liggen. Waarom toch altijd overal die werken? In Boedapest was het ook weer van dat. Raken die steden nooit eens àf?).
Maar goed, ze hoorden bij het reisprogramma, die stadsbezoeken, mijn vrouw is er dol op, dus ik stiefelde maar mee, fotografeerde hier en daar het standbeeld van een dichter of een voorvechtster voor het meisjesonderwijs. Ik beken: in Boedapest heb ik mij beperkt tot Pest - Boeda heb ik gebrost, mijn vrouw is er met andere leden van ons gezelschap op uitgetrokken, ik ben prinsheerlijk op mijn bed in onze kajuit blijven liggen. 
Een prima formule van reizen, zo'n cruise, bedacht ik. Geen gezeul met valiezen, niet dat Sisyphus-ige steeds weer in- en uitpakken van bagage, je hotelkamer reist gewoon met je mee. Van op je bed zie je (als het schip varende is natuurlijk) de oevers zacht aan je voorbijglijden, als het leven zelf.
Het verblijf aan boord beviel mij uitstekend. Eén en al gezelligheid. Het glimmende koperwerk van de trapleuningen, de spiegeltegeltjes op de plafonds van de bar en het restaurant, en natuurlijk ook de flessen wijn die gul op tafel kwamen… ze hulden je in een sfeer van weldadige luxe. Er was ook een bibliotheek en daarin was zowaar zelfs een Nederlandstalig boek aanwezig - en neen, geen stationsromannetje, maar een lezenswaardig werk over de Donau.
Kort voor het middageten, in de namiddag, en 's avonds liet onze hofmuzikant - euh, ik bedoel scheepsmuzikant - Laszlo Fabian lekker nostalgische muziek uit zijn synthesizer opwellen. Zingen deed hij ook. Mijn echtgenote is jammer genoeg geen danstype, maar op één scheepse dansavond lukte het mij toch haar tot enkele slows en zowaar zelfs tot een paar Rock 'n Rolls te verleiden.
Om bij het scheepspersoneel te blijven… ook in het restaurant en de bar was de service impeccable, zoals ik na afloop op mijn evaluatieformulier heb aangetekend, met toch nog extra félicitations voor de eerder genoemde meisjes van het kameronderhoud.
Wie ik bij mijn beoordeling daarentegen, in m'n beste Frans, en volkomen terecht, onderuit heb gehaald was de kok, die duidelijk geen weet had van de nieuwste gezonde ontwikkelingen in de gastronomie: "menus démodés, trop de viande, trop de matières grasses, de sauces et de sucreries - trop peu de légumes et de crudités". Ja, dat heb ik geschreven, zo ongenadig kan ik zijn. 
Als klap op de vuurpijl was die culinaire onverlaat trouwens ook nog aan komen zetten met foie gras (ganzenlever)!  En dat tijdens het gala-diner, op onze laatste avond aan boord, nét voor het invullen van het genoemde evaluatieformulier - hoe dom kan een mens toch zijn!  "Foie gras = torture des animaux = nourriture barbare" heb ik als uitsmijter aan mijn evaluatieverdict toegevoegd. Voilà, dat zullen ze geweten hebben. Heerlijk, zo eens je gedacht kunnen zeggen.
Later leerde ik dat ik niet de enige cruiser was die aanstoot had genomen aan dat misselijk makende gerecht en het onaangeroerd naar de keuken teruggestuurd had. Tussen haakjes (en met de feestdagen in het verschiet): ganzenlever of foie gras wordt niet enkel bekomen door dierenmishandeling, maar is ook nog eens bijzonder ongezond - de lever is immers het orgaan dat het bloed zuivert van afvalstoffen: hij zit dus, zelfs bij gezonde dieren, vol gif. Bovendien kan de foie gras perfect vervangen worden door het vegetatieve en gezonde product faux gras - te verkrijgen in de bio-shop!
Terug in Wenen. Onze reisorganisatie geeft ons een half dagje vrij, andermaal baadt de stad in de zon, maar mijn vrouw en ik gaan in het Kunsthistorisches Museum live naar Pieter Bruegel kijken. Nergens ter wereld tref je zoveel topstukken van de meester zo dicht bij elkaar: de Nestenrover, de Boerenbruiloft, de Boerendans, de Kinderspelen, de Jagers in de sneeuw, de Sombere dag, het Gevecht tussen Vasten en Vastenavond… Natuurlijk ben ik met die werken van de door mij zeer geliefde Bruegel vertrouwd, maar het is toch heel bijzonder om ze in het echt te zien.
Het wordt middag en we besluiten in het restaurant van het museum een lichte lunch tot ons te nemen. We bestellen elk een broodje met zalm, tien euro per stuk. Ja, voor die prijs verwacht je toch een stevige homp stokbrood met ietwat rijkelijk beleg. De ober - ik kan niet zeggen dat hij vriendelijk is, ook niet dat hij onvriendelijk is, het is gewoonweg een Mann ohne Eigenschaften - brengt ieder van ons een bordje met twee kleine, dunne sneetjes wit brood, waar de korstjes keurig van afgesneden zijn, en een zuinig plakje zalm en enkele kruidensnippers werden ingevoegd. De duurste boterham uit ons leven! Bruegeliaans allesbehalve, Pieterig zeker en vast. Met de drankjes erbij moeten we 28 euro betalen. Mijn vrouw geeft dertig euro, de Mann ohne Eigenschaften vraagt of ze de twee euro wisselgeld wil hebben. Hij blijkt dus toch een karaktertrek te vertonen: een zielige bedelaarsmentaliteit.
In de namiddag bezoeken we - in groepsverband - de abdij van Heiligenkreuz. Ik zie de kans schoon om in ultimo inspiratie op te doen voor een in-triest blogstukje over november in Midden-Europa, want in de Wikipedia heb ik gelezen dat Maria Vetsera (officieel: Marie von Vetsera), de jonge vrouw die - samen met haar minnaar, de Oostenrijkse kroonprins Rudolf - anno 1889 tragisch ten onder ging in het befaamde drama van Mayerling, haar laatste rustplaats vond op het "kloosterkerkhof van Heiligenkreuz". Ik instrueer mijn vrouw niet te vergeten mij bij het graf te fotograferen, en neem mij voor zeer somber in de lens te kijken.
Ter plaatse gekomen blijkt het kerkhof van de abdij echter uitsluitend Cisterciënzermonniken te bevatten. Kennelijk heeft men hun eeuwige rust niet op het spel willen zetten door de mooie Maria Vetsera in hun midden ter aarde te bestellen: haar graf bevindt zich, volgens onze gids, op het dorpskerkhof van Heiligenkreuz - dat ligt zeker een kilometer verderop, en ja, daar hebben we nu geen tijd meer voor… 
Terug thuis. Eind november, op de weegschaal: lieve deugd, drie kilo bijgekomen! De schuld van die scheepskok natuurlijk. Ik zal weken moeten leven als een pater en mogen joggen dat mijn oren er af vliegen, voor ik die kilo's weer kwijt ben! Diepe droefgeestigheid overvalt mij.

Foto: "ons schip", de MS Vivaldi, op de Donau in Boedapest, 12 november 2013, eigen opname.

vrijdag 29 november 2013

Safety first!

Jawel, beste blogvrienden, ik heb mij weer eens ter scheepvaart begeven! Dat moet geleden zijn van mijn Legendarische Zeeziekte in de nabijheid van het Eiland Malta in het Jaar Onzes Heeren 1999 (waar ik overigens niet verder wens op in te gaan, zij behoort tot mijn privéleven).
Maar... ik ben van de jeugd en van de mode, dein mee op alle hypes en vibes, en dus, bij het deze keer ter varen gaan: Safety first!
Dat populaire VTM-programma beleeft u deze week ook hier, op dit blog, want u kan er u op onderstaande onthullende foto's van vergewissen hoe ik - de recente rampen met de Titanic (1912), de Herald of Free Enterprise (1987) en de Costa Concordia (2012) nog vers in het geheugen - mijn Maritieme Avontuur dankzij het aan boord leggen (woordspeling!) van de meest strikte discipline, in volkomen veiligheid heb laten verlopen…


Reeds bij het ochtendlijke douchen in onze kajuit had ik mij ruimschoots voorzien van het door het internationale zeerecht voorgeschreven reddingsvest!


Scheepsrampen hebben de eigenaardige gewoonte zich voor te doen wanneer men ze het minst verwacht: daarom zal men zeker bij het tanden-poetsen het life-jacket nooit achterwege laten!


Lezen aan boord, in kommerloze rust en veiligheid! "Grootva, waarom hebt u zulke grote ogen?". "Dat is om beter te zien, lief kind, en ook omdat ik hier met mijn leesbril op de foto sta natuurlijk. En bovendien omdat ik mijn ogen toevallig nogal wijd opensper. Niet zelden, lief kind, wordt een bepaald verschijnsel door verschillende oorzaken teweeggebracht".


Zelfs het produceren van eigen literatuur kan tijdens een cruise in perfect safety gebeuren! Onmiddellijk na zijn ontstaan wordt het hoogwaardige letterkundige product overgeheveld naar een waterbestendige usb-stick. Het auteursrecht blijft op elk moment gegarandeerd, zelfs bij het varen in internationale wateren. Mocht de bedrade apparatuur op de achtergrond u de indruk geven dat ik tijdelijk het command over het ship overgenomen had: wat u ziet is de legaal tot het interieur van onze kajuit behorende haardroger.


En ja, ook de uitvoering van een lichtvoetig show-bizz-nummertje ten behoeve van het programma So you think you can sing with a life-jacket on van TV-Bratislava: het kàn, zonder de veiligheid ook maar één moment in het gedrang te brengen! 


Bij het avondlijke douchen... jawel!


All's well that ends well. Na een heerlijk veilige dag... onder de wol met een vrolijk boek, én adequaat beschermd tegen nachtmerries waarin zich schipbreuken zouden kunnen voordoen. 


Idee en foto's: Lieve Wollebrants-Van Rompaey, november 2013.

vrijdag 22 november 2013

'Toinke' Budts


Oude foto's… ik vind ze fascinerend en mysterieus! Fascinerend omdat ze ons, meer nog dan geschreven documenten, een rechtstreekse kijk geven op een tijd en een wereld die voorgoed verdwenen zijn. En mysterieus, omdat we er zelden alles over weten wat we zouden willen weten: wanneer ze precies gemaakt zijn, waar, door wie, om welke reden, bij welke gelegenheid… soms hebben we zelfs het raden naar wie of wat er precies te zien is.
Wat de bovenstaande foto betreft, die ik aantrof in een album van wijlen mijn ouders, valt het beantwoorden van dit soort vragen nog best mee. De mensen die ons hier vanuit het verleden aankijken zijn mijn grootouders-langs-moederskant "Toinke" Budts (°Kampenhout, 18 november 1895) en "Lies" Schoeters (°Boortmeerbeek, 24 september 1895), en twee van hun drie kinderen : dochter Angèle (°1925) en zoon Georges (°1927). Hun oudste dochter, Maria Budts (°1922) - mijn moeder - ontbreekt.
De roepnaam "Toinke" doet veronderstellen dat mijn grootvader-langs-moederskant - die ook mijn peter was - Antoine Budts heette. Niets is minder waar: zijn naam was Jan Alfons Budts! Hoe zich uit die officiële Alfons dat volkse "Toinke" heeft ontwikkeld, ben ik nooit te weten gekomen. Logischerwijs zou Alfons naar "Foinke" hebben geleid: is dat oorspronkelijk het geval geweest en is dat "Foinke" vervolgens door één of ander verkeerd-verstaan omgeslagen in "Toinke"? De volksmond heeft zo zijn geheimen…
De foto is behoorlijk scherp, de compositie ervan op het eerste gezicht niet zo geslaagd: te veel achtergrond boven en naast de personages - zoals zo vaak bij amateur-opnamen. Maar zie: "elk nadeel heb ze voordeel", want door dat te ruime kader krijgen we een prachtig beeld van het huis - de herberg én de fietsenwinkel - van mijn grootouders!
Zou het - zo zit ik me af te vragen - de bedoeling van de fotograaf - of van de gefotografeerden - zijn geweest om, naast de personages, ook dit hele decor te vereeuwigen? Zelfs de toevallige man helemaal rechts werd mee op de gevoelige plaat vastgelegd, allicht zonder dat hij het zelf besefte. Wie zou het geweest zijn?
Toinke Budts en Lies Schoeters woonden in Relst (gemeente Kampenhout), aan het begin van de Haachtsesteenweg. Het huis staat er nog steeds, het is nog altijd een café, At George's heet het nu, en aan de buitenzijde is het niet eens zo sterk veranderd. In het interieur vind ik echter niets meer terug van de gelagzaal die ik als kind in de fifties heb gekend (en die in mijn herinnering veel ruimer was dan de huidige). Het ligt natuurlijk voor de hand dat er in de loop der tijden "gemoderniseerd" werd.
Zo vaak gingen mijn ouders en ik in mijn kinderjaren niet "naar Relst" - hooguit twee à drie keer per jaar schat ik - telkens op een avond, als ik niet te veel "schoolwerk" had. Voor mij was het een belevenis om in het café op de met planken verhoogde vloer achter de toog te staan. De woonruimte lag achter de gelagzaal. Men bereikte die via een gangetje en een deur aan de linkerzijde daarvan. Aan de rechterkant was er een "kellekamer" (kelderkamer). Via een luik kon men naar de daaronder gelegen kelder, waar de dranken lagen opgeslagen.
Naast de herberg bevonden zich de fietsenwinkel en (daarachter) het werkhuis van mijn grootvader, van elkaar gescheiden door een hoog aan de zoldering opgehangen gordijn. Boven de fietsenzaak moet er een appartementje geweest zijn en ernaast allicht ook nog een huisje: beide werden door mijn grootouders verhuurd en één van de huurders was een zekere "Warreke", die slachter was, en zich soms in werkkledij vertoonde, met een schort voorgebonden en een riem rond het middel, waaraan vervaarlijke messen bengelden...  Achter het huis was er een tuin, maar omdat we, zoals gezegd, veelal 's avonds bij mijn grootouders in Relst op bezoek gingen, heb ik daar maar weinig in gespeeld.
Wanneer zou de foto van "Toinke" Budts en zijn gezin gemaakt zijn? Ik weet het niet.  Aan het raam van de herberg zien we (helemaal links in beeld) een affiche hangen met reclame voor (cinemavoorstellingen van) de Franse speelfilm L'homme du niger. Deze film kwam in de Franse bioscopen in roulatie in januari 1940 (zo leert mij The Internet Movie Database). Ik vermoed dat het wel 1941 zal zijn geweest voor hij op het Vlaamse platteland te zien was. Zullen we het er op houden dat de foto in, of alleszins omstreeks, 1941 werd gemaakt? Dochter Angèle en zoon Georges waren geboren in 1925 en 1927: in 1941 werden ze dus 16 en 14 jaar. Op de foto lijken ze inderdaad van zulk een leeftijd te zijn.
In mijn kinderjaren waren (mijn tante) Angèle en (mijn oom) Georges al volwassen mensen. Zowel de echtgenoot van Angèle, Egied (Egide) Van Zaelen, als Georges speelden accordeon in een orkestje - zie voor nadere herinneringen hieromtrent mijn blogartikel Accordeon van 10 juni 2011.
Egied, de echtgenoot van Angèle Budts, was een muzikaal natuurtalent: hij was - via zijn moeder Martha Michiels - een kleinzoon van de legendarische rasmuzikant "Suske Muziek" (Frans Michiels, 1889-1960) uit Muizen, en heel zijn familie had de muziek in het bloed. Georges Budts was meer een studax, die zich nauwgezet aan de noten hield.  Tussen haakjes: de hier vermelde "Suske Muziek" was op zijn beurt een kleinzoon van de al even legendarische "Suske Muziek" van de Haachtse Wilde Heide (1837- 1912).
Overigens werd (mijn oom) Georges Budts door niemand Georges Budts genoemd, maar altijd en door iedereen: "Ronsse". Ook in familiekring heb ik nooit anders geweten dan dat men het over "onze Ronsse" had. Die roepnaam had hij te danken aan de bekende wielrenner Georges Ronsse (1906-1969), "onze meest begaafde klassieke wegrenner tussen de twee oorlogen": wereldkampioen op de weg in 1928 en 1929, winnaar van een aantal klassiekers in de jaren 1925-1930 (waaronder drie keer Bordeaux-Parijs), vanaf 1934 vooral nog actief op de wielerbaan, waar hij zich toelegde op het stayeren (het rijden achter zware motoren).
Aangezien mijn in 1927 geboren oom Georges Budts nog erg jong was toen wielerheld Georges Ronsse zijn glorietijd beleefde, vermoed ik dat hij al van in zijn vroege jaren met de bijnaam "Ronsse" was bedacht. Ik acht de kans groot dat mijn grootvader Toinke Budts zijn zoon bij de geboorte wetens en willens met de voornaam van de Antwerpse wielerkampioen had bedacht - als een eerbetoon aan deze laatste. 
Toinke was alleszins een wielerliefhebber. Niet voor niks zien we op één van de twee ramen van de gelagzaal (rechts in beeld) Café du Sport geschilderd staan. In het Frans, tja… kennelijk is de verfransing van Vlaams-Brabant geen louter hedendaags probleem (nihil nove sub sole!). Ook op het raam van de fietsenwinkel stond trouwens een opschrift in het Frans: Vélos Motos / Réparations. Gelukkig prijkt boven de deur van het café het prachtige, oer-Vlaamse woord herberg! En wat hoger op de gevel vernemen we via een uithangbord van welke brouwer Lies en Toinke hun dranken betrokken: Bieren van Haecht! Op de ramen kunnen we ook reclame voor de aperitieven Rossi, Martini en (waarschijnlijk, en ontsluierd via digitale vergroting) Byrrh ontwaren.
In het herberginterieur hingen - herinner ik me vaag - één of een paar (grote) foto's van wielrenners aan de muur, en ook "palmen" (bloemstukken waarmee zegevierende coureurs destijds werden bedacht). Mogelijk was één van de wielrenners op die foto's mijn grootvader zelf, want die moet "in zijn jonge tijd" nog gekoerst hebben - nadere aanduidingen daarover heb ik echter nooit kunnen vinden. Ook als fietsenmaker ("vlomaker" heette dat in het dialect) en als cafébaas bleef Toinke sterk in het wielrennen geïnteresseerd.
Kennelijk bracht mijn grootvader in de jaren twintig zijn eigen fietsenmerk op de markt en trad hij toen ook als wielersponsor op. In het regionale weekblad De Haechtenaar van 1 mei 1927 trof ik een advertentie aan met de tekst : “De VELOS T.A.B. / Alf. Budts, Sas, Campenhout / zijn de BESTE !”. Ik vermoed dat de letters "T.A.B." stonden voor "Touring Alfons Budts", en dat het "produceren" van fietsen onder een eigen merknaam begrepen moet worden als: het zelf assembleren ervan.
Onder zijn reclameboodschap publiceerde mijn grootvader de uitslagen van een Kampenhoutse wielrenner die op één van zijn fietsen koerste, een zekere Henri Heymbeeck. In De Haechtenaar van 1 mei ging het om twee overwinningen: “Baankoers van Zondag 24 April te Nederockerzeel, Balkestraat, 60 kilomt., 40 deelnemers: 1e Heymbeeck Henri, Campenhout, 4 minuten voorsprong, op rijwiel T.A.B. / Baankoers van Maandag 25 April, te Aerschot, 70 kilometers, 35 deelnemers: 1e Heymbeeck Henri, Campenhout, 10 minuten voorsprong, op rijwiel T.A.B.”.
Henri Heymbeeck, zo vertelde Kampenhoutenaar Gaston Gellaerts (1922-2005) mij ooit, werd "de Koille" genoemd en was "ne goeie coureur". Hij was een zoon van "Charel Koilles" (Karel Heymbeeck) die op de Aarschotsebaan, aan "de Vierstraten", een herberg uitbaatte. Kennelijk had mijn grootvader er geen probleem mee de zoon van een concurrerende cafébaas te steunen.  
In de volgende nummers van De Haechtenaar werd het lijstje met prestaties van "de Koille" voortdurend aangevuld - waarbij ook ereplaatsen vermeld werden. Het palmares van Henri Heymbeeck, en zodoende ook de advertentieruimte die mijn grootvader in De Haechtenaar in beslag nam, werden van week tot week groter… Zo werden in het nummer van zondag 5 juni al niet minder dan tien wedstrijden opgesomd - waarvan Heymbeeck er vijf gewonnen had! Bij elke prestatie stond steevast vermeld “... op rijwiel T.A.B.”! En elke advertentie werd besloten met de slogan: “Wielrijders, aarzelt niet, koopt een Velo T.A.B.”! 
Wie waren in die dagen zoal de concurrenten van mijn grootvader Alfons Budts als fietsenconstructeurs? In De Haechtenaar van dezelfde tijd trof ik reclame aan voor de “gekende velos Witte Wolf” van de gebroeders Wolfs uit de Statiestraat in Haacht, en voor de “rijwielen J.B.C.” van Jan Beullens, “Rijmenamschen steenweg 13, Boortmeerbeek”. Op het Boortmeerbeekse gehucht Laar had zich in 1926 Alfons Ottevaere gevestigd: hij was “Agent der beroemde rijwielen merk Julia”. J. Francis aan de “Statie” in Wespelaar verkocht “rijwielen” (en overigens ook “naaimachienen”) van het merk “Safé”.
Onverstoorbaar ging mijn grootvader week-in week-uit door met reclame maken voor zijn “Velos T.A.B.” en zijn poulain Henri Heymbeeck. Juni en juli waren de maanden van de zomerkermissen. Op donderdag 16 juni 1927 werd in het Kampenhoutse gehucht Ruysbeek, ter gelegenheid van Ruysbeek-Kermis, een “Groote Baankoers” voor beginnelingen gereden, “met medewerking van Alf. Budts, velomaker”!  Had mijn grootvader een bijdrage geleverd aan de “350 frank prijzen” die er voor de renners te verdienen vielen? Had hij misschien (ook) voor de aankondiging in De Haechtenaar van 12 juni gezorgd? Net er onder stond in elk geval één van zijn eigen advertenties (“Nieuwe zegepralen van H. Heymbeeck”).
De wedstrijd in Ruisbeek liep over 65 kilometer. “De inschrijving, 3 fr. per deelnemer, geschiedt bij Jozef Paeps, Ruysbeek. - Vertrek om 2,30 ure. Uitdeeling der prijzen bij Jan De Laet, 1 uur na de koers”.
De koers werd, met anderhalve minuut voorsprong, gewonnen door niemand minder dan... Henri Heymbeeck... “op rijwiel T.A.B.”! Op de vierde plaats eindigde een zekere Jozef Scherens uit Werchter - jawel, de latere superkampioen “Poeske” Scherens! Het was die dag in het Kampenhoutse Ruisbeek overigens ook “Bal in al de danslokalen”. Want het was kermis.
Alfons Budts' publicitaire campagne (die steeds uitgebreidere proporties aannam) bleef doorlopen tot en met De Haechtenaar van 25 maart 1928.
Daarna was het wachten tot het jaar 1950 om opnieuw reclame voor mijn grootvaders fietsenzaak in De Haechtenaar aan te treffen. Toen bracht Toinke fietsen van het merk "Julia" aan de man (en de vrouw). Op zondag 12 maart 1950 organiseerde "het huis Alfons Budts-Schoeters" zelfs een "Grote Rijwiel- en Radio-Tentoonstelling in de ruime zaal bij J. Tobback, te Relst": "Reklaamvelo's aan lage prijzen - Kindervelo's in alle maten - Gemak van betaling - 10 jaar waarborg"! Toen ik in 1957 mijn eerste communie deed kreeg ik van mijn peter natuurlijk een nieuwe fiets cadeau!
Om zijn herberg te doen draaien organiseerde mijn grootvader - zoals menige cafébaas in de jaren vijftig - kaartwedstrijden. Ook hierbij deed hij een beroep op De Haechtenaar, zoals deze aankondiging uit april 1952 leert: "Gemeente KAMPENHOUT-RELST / Op Zondag 6 April 1952 / Grote Whistprijskamp / bij Alfons Budts, velomaker, Relst. / Te verspelen: 1 pond biefstuk per tafel ; kramiek en taarten. / Begin te 1 uur. - Gift van den baas. - Gewone voorwaarden".
Toinke Budts overleed thuis op zondag 22 februari 1959, op 63-jarige leeftijd. Dat was echter niet meer in de herberg in Relst: die had hij korte tijd eerder (waarschijnlijk eind 1958) verlaten om, samen met zijn Lies, te gaan wonen in de Kampenhoutse Langestraat.
De begrafenis had plaats op 25 februari in de Onze-Lieve-Vrouw-parochiekerk van Kampenhout. "Gelukkig was de duurbare overledene het uur van afscheiden van verre te zien naderen, want alzo heeft hij zich bereid om heilig te sterven", lezen we op het bidprentje. Ik vermoed dat mijn peter aan kanker leed. Mijn grootmoeder-langs-moederskant, Lies (Elisa) Schoeters, overleefde haar man nagenoeg tien jaar: ze stierf in juli 1968. Ook de kinderen van het echtpaar zijn inmiddels alle drie overleden: Georges ("onze Ronsse") in november 1993, Angèle in augustus 2004, Maria (mijn moeder) in juni 2009. Oude foto's geven ons ook een kijk op mensen die helaas voorgoed verdwenen zijn…

Deze tekst verscheen eerder in licht variante vorm in het tijdschrift van de heemkring van Haacht: artikel F. WOLLEBRANTS, Een stukje familiegeschiedenis... 'Toinke' Budts van Relst, in : HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 25, nr. 2 (augustus 2010), blz. 152-158.
Voornaamste bronnen: gesprekken met wijlen mijn moeder Maria Budts (1922-2009); weekblad De Haechtenaar, jaargangen 1926-1959; bidprentje Jan Alfons Budts, 1959; eigen kennis en herinnering.

vrijdag 15 november 2013

Het cacaomeisje


Ik ontmoette haar voor het eerst op vrijdag 24 september 2010 in een hotel in de Oost-Duitse stad Jena. Ze hing er aan de muur, vrij onopvallend. Ik vond ze bevallig, maakte een foto van haar. Enkele dagen later zagen mijn vrouw en ik haar op de markt in Weimar, deze keer afgedrukt op een metalen plaat, zoals dat vroeger bij reclameprenten gebruikelijk was. Meteen gekocht.
We wisten toen nog niets van dit meisje af. Maar toen we later terug thuis waren zette mijn echtgenote zich meteen aan het speuren - iets waar zij zeer bedreven in is - en al heel snel wist ze mij te vertellen dat dit het chocolademeisje was: Das Schokoladenmädchen, The Chocolate Girl, La belle chocolatière… een pasteltekening van de Zwitserse schilder Jean-Etienne Liotard uit het midden van de 18de eeuw.
De naam "chocolademeisje" kan echter misleidend zijn: het meisje serveert geen plak of reep chocola, maar chocolademelk, een drank die in mijn kinderjaren bekend stond als cacao. Laat ik haar daarom het cacaomeisje noemen.
Liotards cacaomeisje is een relatief bekend werk: op het internet bleek de afbeelding van ons meisje veelvuldig aanwezig. Ik hou het hier bij mijn eigen (digitale) foto, gemaakt zonder flitslamp (om reflecties te vermijden), bij het eerder bescheiden kunstlicht van de hotelgang, waardoor de opname in een geel-bruine kleurensfeer baadt, een coloriet dat naar mijn aanvoelen ouderwetse warmte, rust en degelijkheid uitstraalt - zaken waar ik van hou.
Dat we het cacaomeisje in het verre Jena aantroffen was geen toeval. Het originele kunstwerk wordt immers bewaard in de Gemäldergalerie Alte Meister in het nabijgelegen Dresden, een museum dat eigendom is van de Duitse deelstaat Saksen. De tekening is 82,5 cm. hoog en 52,5 cm. breed - dat is niet heel groot, maar toch ook niet klein.
Tekenaar, schilder en kunsthandelaar Jean-Etienne Liotard was een Zwitser. Nu ja, geboren in Genève - op 22 december 1702 - maar als zoon van een vader die een aantal jaren eerder omwille van zijn protestantse geloofsovertuiging Frankrijk had moeten ontvluchten. Liotard bracht ook zijn jeugd nog in Genève door, waar hij zich bekwaamde in het aanbrengen van artistieke versieringen op horloges, snuifdozen en soortgelijke kleinoden.
In 1723 trok hij naar Parijs: het begin van een rijkgevuld leven en talloze omzwervingen. Een succesvol leven ook, want tot in de allerhoogste kringen was men tuk op de portretten die hij tekende. Veelal met pastelkrijt, "een zacht soort krijtstift waarmee op een zeer schilderachtige wijze getekend kan worden", zo lees ik in de Wikipedia. "Kunstenaars die met pastelkrijt werken zien hun werk dan ook vaak eerder als een schilderij dan als een tekening".
In 1735 vervaardigde Liotard in Rome portretten van paus Clemens XII en van verschillende kardinalen. Vervolgens reisde hij met Engelse vrienden via de Griekse eilanden naar het Turkse Istanboel.
Van in 1742 tot begin 1745 verbleef Liotard een eerste keer in Wenen, waar hij in 1743 de pasteltekening van de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia maakte die zich nu in het Museum Mayer van den Bergh in Antwerpen bevindt.
Ook het cacaomeisje moet - kunsthistorisch gesproken - tijdens dat eerste Weense verblijf geboren zijn: vandaar dat het ook wel bekend staat als Das Wiener Schokoladenmädchen of La Belle Chocolatière de Vienne. Volgens deskundigen was het waarschijnlijk in december 1744 dat de jongedame voor de eeuwigheid op velijn werd vastgelegd.
Wie was zij? Een dienstmeisje blijkbaar, met een dienblad in de hand, waarop een glas water en een porceleinen mok met chocolademelk staan. Maar - denk ik dan - voor een kamermeid is de juffrouw wel zeer smaakvol gekleed. Dus misschien toch de dochter des huizes die haar gefortuneerde moeder of vader liefdevol van een ochtendlijke of avondlijke versterking komt voorzien? Wat haar uiteraard zeer sieren zou.
Naar mijn smaak ligt de charme van het cacaomeisje niet zozeer in haar gelaat - bij nader toezien vind ik dat eerder uitdrukkingsloos, wat afwezig, zelfs een beetje stuurs - maar meer in haar figuur, die - zo mogen we geredelijk aannemen - in sterke mate gemodelleerd wordt door de garderobe die ze droeg.  De snit van het lijfje lijkt er op gericht (als een push-up-beha avant-la-lettre) haar borsten in een hoge en voorwaarts-gerichte positie te schragen, en de platte buik en de wespentaille te accentueren. De lange rok bolt fraai op - een soort aanloop naar de latere crinoline-rage. Het cacaomeisje droeg schoenen met vrij hoge hakken - al krijgen we slechts één ervan te zien. Het dragen van versierde hoofdkapjes behoorde tot de mode van die tijd.
Kunnen we een identiteit plakken op ons cacaomeisje? Neen. Alleszins niet met zekerheid, zelfs niet met waarschijnlijk- of vermoedelijkheid! Een catalogus uit 1864 - dat is dus al meer dan honderd jaar na de feiten - suggereert dat het zou gaan om een zekere, rond 1730 in Wenen geboren Anna Baldauf, in haar beste tijd schöne Nannerl (of Nandl) genoemd. Dit om haar bevalligheid geroemde wicht zou de dochter van een koetsier zijn geweest.
Een andere mogelijkheid is echter dat het om Charlotte Baldauf ging, de dochter van de bankier bij wie Liotard in Wenen verbleef. Maar het kan ook gewoonweg een leuk serveerstertje in één van de betere Weense koffiehuizen van die tijd zijn geweest. Of een opvallend knap dienstmeisje aan het Weense hof, misschien wel stammend uit de lagere adel? Laten we er ons hoofd niet over breken. Een zweem van mysterie rond een jong meisje… dat draagt alleen maar bij tot haar aantrekkingskracht.
Liotard verpatste zijn pastelcreatie op 3 februari 1745 in Venetië aan de Italiaanse graaf Algarotti, die fungeerde als inkoper van schilderijen voor de verzameling van de keurvorst van Saksen (toen Friedrich August II, 1696-1763). Zo belandde ons cacaomeisje dus in Dresden.
Haar artistieke vader Jean-Etienne Liotard zette inmiddels zijn hectische bestaan voort. Zet u schrap, hier komt een zo bondig mogelijk overzicht… Na een oponthoud in Parijs (1747-1753) reisde hij naar Engeland, streek in 1755 neer bij een neef in het Nederlandse Delft, en trouwde als 53-jarige in 1756 in Amsterdam met de 28-jarige Marie Fargues.
Het huwelijk bracht hem niet tot rust: in de daaropvolgende jaren kan men Liotards sporen traceren in zijn geboortestad Genève (1757), in Wenen (1762, tijdens dit tweede verblijf portretteerde hij enkele van de zestien kinderen van keizerin Maria Theresia), in Turijn (1766), in Parijs (1770-1772), in Nederland, in Engeland (1773-1777), in het Zwitserse Nyon (waar zijn dochter woonde - hij had ook een zoon in Nederland), om uiteindelijk op 12 juni 1789 zijn levensreis te beëindigen in Genève, de stad waar hij ze zo'n 87 jaren eerder begonnen was.
Ik vind het merkwaardig dat een man die - in de achttiende eeuw! - zo'n druk en ingewikkeld leven leidde een tekening maakte die zo mooi is door haar eenvoud.

Foto: kopie van de pasteltekening Das Schokoladenmädchen van Jean-Etienne Liotard in Hotel Papiermühle in Jena, eigen opname, 24 september 2010. Origineel in de Gemäldergalerie Alte Meister in Dresden.

Voornaamste geraadpleegde bronnen: internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige, Duitstalige en Engelstalige versies), nl.wikipedia.org/, de.wikipedia.org/, en.wikipedia.org/, geraadpleegd februari 2013.