vrijdag 10 mei 2013

Herberg op de Donck


De weergoden hebben ons dit voorjaar niet verwend. Laat in maart nog een dik pak sneeuw, en hoe vaak hebben we niet gehoord: "temperaturen te laag voor de tijd van het jaar"…
Nu, deze week wou ik u op dit blog meenemen naar het jaar 1902, en dat mocht er ook zijn op vlak van winters weer! Op 10 februari lag er bij het weerstation van Ukkel (bij Brussel) 35 centimeter sneeuw: de dikste sneeuwlaag die op die plaats in de loop van de twintigste eeuw zou worden waargenomen. Ja, goed, hoor ik u zeggen, dat is februari… Maar dit dan: op woensdag 14 mei 1902 trok een fikse sneeuwbui over onze streken, en heel de maand mei bleven de temperaturen… jawel, veel te laag voor de tijd van het jaar! Uiteindelijk bleek mei 1902 de koudste meimaand van de gehele twintigste eeuw: de in Ukkel gemeten temperatuur bedroeg gemiddeld slechts 8,5 °C (normaal 12,8 °C).
Die lente van 1902 was de eerste die mijn overgrootouders Aloïs Wollebrants (1858-1937) en Rosalia Huybrechts (1858-1933) in Boortmeerbeek doorbrachten.
Allicht was het in het najaar van 1901 dat ze verhuisd waren van het "klein brughuis" aan de Dijle in Rijmenam, naar de nieuwe woning die ze in Boortmeerbeek hadden laten bouwen. Aangezien het pachtrecht op de Rijmenamse Dijlebrug - waar het wonen in het brughuis aan verbonden was - negen jaar eerder was ingegaan per 1 oktober, vermoed ik dat ze anno 1901 het pand vóór die dag hadden moeten verlaten, en dus naar het einde van september toe met hun kinderen van Rijmenam naar Boortmeerbeek waren getrokken.
Het herbergieren stond mijn overgrootouders kennelijk nog niet tegen, want ook in hun nieuwe huis hadden ze een gelagzaal voorzien. Aloïs bleef als vanouds de kleermakersstiel beoefenen, terwijl Rosalia voor het café en de tuin zou zorgen. Tussen haakjes… België telde rond 1900 ongeveer één herberg per 32 inwoners. In veel gevallen was het uitbaten van het café een vorm van bijverdienste die de echtgenote voor haar rekening nam. Een aanzienlijk deel van het sociale leven speelde zich af in die grotere en kleinere "staminees" (zoals de herbergen in de volksmond werden genoemd).
De nieuwe woning van Aloïs en Rosalia stond op de noordelijke hoek van de Rijmenamsebaan en de Donckstraat (nu Molenbeekstraat geheten). De Rijmenamsebaan verbindt Rijmenam met het dorpscentrum van Boortmeerbeek: ongeveer halverwege kruist zij de Leibeek, die daar de grens tussen Rijmenam en Boortmeerbeek vormt. Zowat halverwege die grens en de Boortmeerbeekse dorpskom ligt het gehucht Donck (nu Donk gespeld).
De plaatsnaam donk komt veelvuldig voor, zowel afzonderlijk als in samenstellingen.  Veelal duidde hij op een "hoogterug in een moerassig terrein" (volgens het Nederlands Etymologisch Woordenboek van J. De Vries). Ook de Boortmeerbeekse Donck vormde een enigszins hoger gelegen plek in een laag gebied. Het voorkomen van laaggelegen gronden in de omgeving - vanaf de plaats waar de Rijmenamsebaan een eindje voorbij het Boortmeerbeekse spoorwegstation een bocht maakt, tot aan de Dijlebrug in Rijmenam - staat buiten kijf.
Volgens mijn vader, die in zijn jeugd de oude Rijmenamsebaan nog gekend had, stonden de weiden langs weerskanten van die weg in de wintermaanden bijna altijd blank (dat de kavels als weiden werden ingericht wijst er overigens op dat het laaggelegen, vochtige gronden waren). Af en toe liepen zelfs gedeelten van de steenweg onder water.
Aan de oostelijke zijde van de Rijmenamsebaan, waar het bos Het Broek zich uitstrekte, was de bodem moerasachtig en ontsproot er zelfs een bron. Broek is trouwens een oude benaming voor moeras. Langs “de kant van de Donck”, zo vertelde mijn vader, lag er wat akkerland: dat wijst er op dat de gronden daar inderdaad iets hoger lagen en zodoende geschikt voor landbouw.
In de tijd dat mijn overgrootouders er zich vestigden - en nog lang daarna - stonden er nauwelijks huizen langs de Rijmenamsebaan. Het was een lange, omzeggens rechte, eenzame weg tussen weiden, velden, en wat bos. Het ging, dixit mijn vader, om “een smal en hobbelig steenwegske”, “zo ongeveer, laat ons zeggen... voor veel te zijn... twee meter vijftig à drie meter breed”. Het was een gekasseide weg, dat wel, “met van die heel kleine kassei zo, heel hobbelig”. Het oppervlak lag “tamelijk rond”. De kasseistrook was afgeboord met “borduurs” (boordstenen).
Aan weerszijden van die steenweg lag er een aardeweg, in principe bestemd voor de voetgangers. Maar als twee karren uit tegenovergestelde richtingen kwamen, dan moesten de voerlieden "halve stie-e-weg geven", zo vertelde mij mijn vaders neef Cyriel Wollebrants: de kasseiweg voor de helft aan de tegenligger laten, en dus met één van de wielen uitwijken naar de zijstrook. Sommigen deden dat met tegenzin, en het leidde nog al eens tot woordenwisselingen, want men liep het risico dat men zich met één van de houten, met een ijzeren band omspannen karrewielen, in de modder vastreed. En ja, naast beschaafde weggebruikers, waren er toen ook al lompe egoïsten (voor mijn Nederlandse lezers: onhebbelijke aso's) in het verkeer.
Naast de aarden zijstroken liep op de meeste plaatsen nog een gracht, die voor de afwatering zorgde. Wat met name in de winter niet altijd ten volle lukte, waardoor de steenweg dan, zoals verteld, onder water  kwam te staan.
Mijn vaders oudere neef Cyriel Wollebrants (1912-2011) kwam als kind vaak in het café van zijn grootouders-langs-vaderskant. Hij heeft er mij ooit een gedetailleerd verbaal beeld van geschilderd.
Het nieuwe huis van Aloïs en Rosalia - allicht het eerste dat een Wollebrants ooit zelf liet bouwen - had een vierkante grondvorm. Op het gelijkvloers waren er twee ruime kamers. De grootste daarvan lag vooraan. Het was de gelagzaal, met twee ramen aan de kant van de Rijmenamsebaan en één raam dat uitkeek op de Donckstraat (de huidige Molenbeekstraat). Achter de gelagzaal lag "de keuken" - in feite de woonkamer - van waaruit men via een raam uitzicht had op de achter het huis gelegen boomgaard.
Aan het kruispunt van de Rijmenamsebaan met de Donckstraat had het huis een afgeplatte hoek, en daarin bevond zich de deur die toegang gaf tot "de staminee". Laten we in gedachten de deur openduwen en de voorvaderlijke herberg binnentreden!
In de achterwand van de grote gelagzaal was er helemaal links een deur waar het opschrift “koer” op stond: zij leidde via een smalle gang naar…"de koer", het buiten het huis gelegen toilet.  Dan was er, nog steeds aan de achterwand, eerst de schouw met de schouwmantel en de Leuvense stoof, en vervolgens de toog, met daarachter, tegen de muur, een "étagère" (een rekje) met wat “pinten” (glazen). Rechts van de toog was er de deur naar de achter de gelagzaal gelegen keuken alias woonkamer.
Op de vloer strooide Rosalia wit zand. Bij elke wekelijkse schoonmaak werd het vuile zand weggekeerd - daarna werd nieuw, "proper" (zuiver) zand uitgestrooid.
In de keuken achter het café werd gekookt op een "cuisinière" (fornuis). De Leuvense stoof in de gelagzaal zorgde voor de verwarming van het café, maar ook op deze kachel werd er al eens wat gekookt - melk bijvoorbeeld.
In het midden van de herberg zien we een grote ronde tafel. Voor het overige: kleinere cafétafels. Uiteraard telkens met de nodige stoelen.
In de hoek gevormd door de voorgevel (Rijmenamsebaan) en de rechter-zijgevel (richting Rijmenam) had mijn overgrootvader zijn kleermakerstafel geïnstalleerd. In feite een grote plank op twee schragen, die 's zondags, of "als er iet te doen was", probleemloos tijdelijk weggenomen kon worden. Zoals bij kleermakers gebruikelijk zat Aloïs bovenop deze tafel te werken. Naast zijn kleermakerstafel stond een naaimachine, onderaan voorzien van een gietijzeren gestel en wieltjes.
Boven Aloïs' kleermakerstafel hing een "lampe belge", een koperen petroleumlamp, waarvan de hoogte verstelbaar was (dankzij een bol die het tegengewicht vormde). In het midden van de gelagzaal was de zoldering van een vaste petroleumlamp voorzien. De brandstof voor al de huiselijke verlichting kon men kopen bij de wekelijks langskomende "petrolkar": een door een paard getrokken wagen voorzien van een petroleumtank. Om zijn in aantocht zijn te melden luidde de verkoper een bel. De mensen lieten hun "petrolstoop" - een speciale kan met een spitse hals - vullen (de spitse snuit van de kan diende om de petroleum vlot in het reservoir van de lamp te gieten). Ook winkeliers verkochten destijds "petrol": tussen de eetwaren hadden ze een vat met een kraantje staan waaruit ze de brandstof tapten.
De achter het huis, aan de Donckstraat gelegen boomgaard leverde elk jaar appelen, peren, pruimen en ander fruit. Hij was omgeven door een haag. Aan de kant van de Donckstraat was er een poortje dat uitgaf op de straat.  Kleindochter Agnes Mommens herinnerde zich dat Aloïs en Rosalia een geitje hielden.
De bieren die Rosalia en Aloïs in hun herberg verkochten werden geleverd door de Boortmeerbeekse brouwerij van Théophile Wouters, gevestigd in de Hanswijckstraat (nu Hanswijkstraat gespeld). Het ging om Meerbeeksen Bruine en Sterk-Op. De Meerbeeksen Bruine werd van 't vat getapt. Het was een vrij zwaar bier: voerlieden die er op een warme dag enkele "pinten" van gedronken hadden vervolgden soms al zingend hun weg! Sterk-Op werd in flesjes geleverd: zo'n flesje bier kostte destijds in het café 35 centiemen, maar bestelde men er drie tegelijk dan betaalde men slechts één frank!
Wie een nog stevigere opkikker wou, kon in de herberg ook "een kwakske" krijgen: een glaasje jenever! Wettelijk mochten de cafés geen jenever verkopen, maar zowat alle herbergiers hadden onder hun toog een stenen kruikje staan, een "stoopke", waaruit het hartige drankje in kleine glaasjes aan de klanten geschonken werd.  De ware jeneverdrinker had de gewoonte de gehele inhoud van zo'n glaasje in één teug naar binnen te "kwakken"!
Lege jeneverkruikjes werden in die tijd door de mensen gebruikt om op koude winternachten hun bed te verwarmen: daartoe werd zo'n "stoopke" gevuld met heet water en in bed gelegd.
Dat het drinken van jenever niet zonder risico was, bewijst het volgende voorval, dat zich in de herberg van Rosalia en Aloïs heeft afgespeeld. De anekdote werd door mijn grootvader, Frans Wollebrants, verteld aan mijn vader Oscar, die ze op zijn beurt doorgaf aan mij (een mooi voorbeeld van mondelinge overlevering). Op een winterse morgen kwam een vroege klant de gelagzaal binnen en bestelde als opwarmer een "kwakske". Rosalia  - Rozeke - die nog maar net uit de veren was, nam een jeneverkruik en schonk een glaasje uit. Zoals gebruikelijk kieperde de klant de borrel in één forse teug zijn keel in… en begon meteen te proesten en te spuwen...
Wat was er gebeurd? Rozeke, die het warmwaterkruikje dat die nacht in haar bed had gelegen mee naar beneden had gebracht, had zich van "stoopke" vergist!  In plaats van pittige jenever had ze de vroege klant van het lauwe, smakeloze water uit het bedkruikje te drinken gegeven!
Er werd in het café ook limonade verkocht, niet geleverd door de brouwerij Wouters, maar door een gespecialiseerd bedrijfje, in flessen die waren afgesloten met een in rubber gevatte "merrebol" - een knikker. Om zo'n fles te openen werd de knikker naar binnen geduwd, maar een versmalling in de flessehals belette hem in de drank te vallen. Kinderen durfden zo'n fles al eens opzettelijk breken, om de knikker te bemachtigen.
De herberg op de Donck trok heel wat klanten.  Mensen die in de zomermaanden op de omliggende velden en weiden aan het werk waren kwamen met een stenen kruik om bier: het verfrissende gerstenat werd getapt uit een vat in de kelder.
Aloïs en Rosalia deden ook goede zaken dankzij het doorgaand vrachtverkeer op de Rijmenamsebaan. Let wel: het ging hier om vervoer met paard en kar! De oorzaak van veel van deze transportdrukte dient gezocht in het feit dat Boortmeerbeek - in tegenstelling tot de meeste andere dorpen in de omgeving - een spoorwegstation bezat, gelegen aan het eind van de Rijmenamsebaan, bij het binnenkomen van het dorpscentrum.
Boeren en voerlui die met paard en kar over de Rijmenamsebaan dokkerden, hielden bij mijn overgrootouders halt om hun dorst te lessen. Boortmeerbeek telde destijds drie “marchans” (groothandelaars) in aardappelen: “Kwakkel” (Louis Olbrechts), “Pijp” (Pieter Victor Verstraeten) en “boer Tirjon” (Louis Thirion). Zij trokken veel vrachtvervoer aan. Zo reden er in het seizoen dat de vroege aardappelen geleverd werden - zo vanaf juni - op sommige dagen tientallen karren uit Putte, Waver en de Rijmenamse Mart, via Rijmenam-dorp en de Donck naar de magazijnen van de Boortmeerbeekse groothandelaars.
Uit de Keerbergse en Rijmenamse bossen werden dan weer veel dennenbomen aangevoerd. Dat gebeurde met "den euts" (de oets, heurts of mallejan), een specifiek transportmiddel voor bomen, getrokken door een koppel paarden. De Rijmenamse “eutser” (bomenvervoerder) Gust Smessaert (“Gust van de Raf”) was een bekend figuur. De dennenbomen werden in Boortmeerbeek, in de onmiddellijke omgeving van het station, op standaardformaten gezaagd, rechtop in treinwagons gezet en naar de steenkoolmijnen gevoerd, waar ze gebruikt werden om de schachten te stutten.
Met het oog op al dat doorgaand paarden-en-karren-verkeer hadden mijn overgrootouders aan de voorgevel van hun herberg een drinkbak laten plaatsen, en ook een soort "balustrade", een hekwerk om de paarden aan vast te maken: drie vertikale houten palen en een horizontale  ijzeren staaf. Het was echter verboden paarden en gespannen onbeheerd op de openbare weg achter te laten, en dus dronken veel voerlieden en boeren hun "pint" (glas) in "het deurgat" (de deuropening) van het café, om een oogje in het zeil te houden. Waren ze met een erg onrustig dier op pad, dan genoten ze zelfs zonder de teugel los te laten van hun verfrissing.
's Zondags kregen Aloïs en Rosalia veel wandelaars over de vloer. Tenslotte leverde ook de nabijheid van het (eveneens aan de Rijmenamsebaan gelegen) Boortmeerbeekse kerkhof klandizie op: mensen die na een begrafenis hun droefheid of somberheid kwamen doorspoelen.
Een naam schijnt de herberg op de Donck niet te hebben gehad. Documenten uit maart en april 1922 leerden mij dat zij toen het huisnummer 4 droeg. Mijn overgrootouders Aloïs en Rosalia Wollebrants-Huybrechts bleven op de Donck herbergieren tot 1924.
Het huis dat Aloïs en Rosalia rond de eeuwwisseling (19de-20ste eeuw) op de Donck hadden gebouwd staat er nog steeds. De vierkante vorm en de afgeplatte hoek zijn nog te herkennen, maar voor het overige blijft van het oorspronkelijke uitzicht niet veel over. Vóór de oude gevels werden nieuwe muren geplaatst, de toegangsdeur op de afgevlakte hoek werd een raam, en langs de Rijmenamse zijde van de woning werd een klein tankstation aangebouwd. 

Foto boven de tekst: twee houten bierkratten van de Boortmeerbeekse brouwerij Th. Wouters, eigen opname, 27 april 2013. Vóór de Eerste Wereldoorlog was de brouwerij Wouters een zeer bloeiende onderneming. In de loop van de jaren twintig ging ze geleidelijk teloor.

Tekst gebaseerd op de door mij geschreven Wollebrants-geschiedenis.
Voornaamste bronnen: gesprekken met drie kleinkinderen van Aloïs en Rosalia Wollebrants-Huybrechts: Cyriel Wollebrants (1912-2011), Agnes Mommens (1920-2012) en (mijn vader) Oscar Wollebrants (1921-1989).

Over mijn overgrootouders Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts, zie ook mijn blogteksten Jubileum (gepubliceerd 1 juli 2011), Klein brughuis (24 augustus 2012), Voor God en Vaderland (9 november 2012) en Jozef Huybrechts (22 maart 2013).

vrijdag 3 mei 2013

Nalatenschap


De beroemde zeventiende-eeuwse Franse kardinaal Mazarin - politieke rechterhand van de zogenaamde zonnekoning Lodewijk de XIVde - was zwaar ziek. Zijn longen en nieren lieten het afweten. Zijn einde naderde. Dat wist hij, en het was ook aan het Franse hof bekend. De Spaanse ambassadeur wou hem een laatste bezoek brengen. Mazarin had zich echter teruggetrokken in zijn bibliotheek, en wilde niemand ontvangen.
Verder dan een aanpalend vertrek kwam de Spaanse gezant niet. Daar hoorde hij, door de gesloten deuren heen, hoe de doodzieke Mazarin langs de rijen boeken strompelde die hij in de loop van zijn leven verzameld had, en wanhopig jammerde: "Verdomme! Verdomme toch! Dit allemaal te moeten achterlaten!".
Of de anekdote waar is, weet ik niet. Maar het smartelijke gevoel dat Mazarin in het verhaal toegeschreven wordt, kan ik maar al te goed begrijpen.
Trouwe lezers van dit blog weten met welk afgrijzen ik tegen de dood aankijk. Naast het onuitstaanbare vooruitzicht dat ik na de definitieve uitschakeling van mijn bewustzijn niet meer weten zal hoe het allemaal verder gaat, wordt mijn afkeer voor Magere Hein ook ingegeven door een - ik geef het toe - zéér materialistische gedachte. Kardinaal Mazarin besefte het: op je laatste reis neem je geen valies mee - zelfs geen handbagage. Je moet alles achterlaten, àlles - zelfs je dierbaarste bezittingen. En op het moment dat je er afscheid van moet nemen, heb je geen enkele zekerheid over wat er verder mee gebeuren zal.
Als een mens sterft, sterft een wereld. Niet enkel een universum van gedachten en herinneringen verdwijnt. Ook de stoffelijke omgeving die de persoon tijdens zijn leven heeft opgebouwd, valt uit elkaar. Ik heb het meermaals gezien: het interieur wordt onttakeld, het huis leegehaald. Een schat aan objecten, opgebouwd en gekoesterd, wordt naar het containerpark gevoerd.
Boven dit tekstje staat een foto van een vaasje. Het is een bloemenvaasje, in die zin dat het versierd is met kleurige bloemen op een zonnige gele achtergrond. Het is zo'n 17 centimeter hoog. Ik vind het een mooi vaasje. Het ziet er fris en vrolijk uit. De kleuren zijn uitbundig. Echt iets voor de lente, daarom ook heb ik gewacht op de maand mei om er hier op mijn blog mee uit te pakken.
Het vaasje staat nu op mijn werkkamer, maar het stamt uit mijn ouderlijk huis, uit het interieur van mijn ouders. De interieurs - meervoud - moet ik eigenlijk zeggen, want het kruikje heeft zowel in ons huis in de Beringstraat als in dat van de Bredepleinstraat gestaan. Het is een louter decoratief object, zelfs voor het schikken van snijbloemen heb ik het nooit weten gebruiken.
In het huis in de Beringstraat stond dit vaasje in de keuken - op de schoorsteenmantel boven het fornuis. Hetgeen er op wijst dat mijn moeder er niet al te veel waarde aan hechtte, want sierstukken die wél van importantie werden geacht stonden uiteraard in het salon of in de woonkamer.
Bij de verhuis van mijn ouders (en ik) naar ons nieuw huis in de Bredepleinstraat - in de zomer van '64 - ging de status van het vaasje er nog op achteruit, want nu belandde het in de bergplaats, op het marmeren blad van één van drie kleine vensterramen.
Overigens stond het fleurige kruikje aanvankelijk niet op zich, maar werd het omringd door twee kleinere vaasjes - ook voorzien van bloemen op een gele achtergrond - die er duidelijk een ensemble mee vormden. Na de verhuis naar de Bredepleinstraat raakte deze drievuldigheid echter grotendeels ontbonden: één van de kleine vaasjes belandde op een ander vensterraam, het tweede moet op een bepaald moment min of meer bij mij terecht zijn gekomen. Allemaal tekenen die er op wijzen dat mijn moeder - binnen het huwelijk van mijn ouders lag de verantwoordelijkheid voor het interieur en de decoratie onmiskenbaar bij haar - dit lieflijke lentevaasje en zijn kleinere gezellen niet hoog aansloeg. Beschouwde ze de aankoop ervan als een jeugdzonde? Had ze het niet zelf gekocht, maar ten geschenke gekregen? Was het misschien van bij mijn grootouders-langs-vaderskant gekomen?
Het zou kunnen dat ik de twee kleinere, encadrerende vaasjes - of één ervan - nog "ergens" bezit, ik moet er eens een speurtocht naar ondernemen, het zou plezierig zijn mocht ik het geheel in zijn oude glorie kunnen herstellen (dat is iets wat ik erg graag doe: dingen van vroeger restaureren, een nieuw leven geven, ik vind het altijd een beetje sensationeel als dat lukt - hetgeen meer niet dan wel het geval is natuurlijk).
Hoe fraai en opgewekt ik dit vaasje - zinnebeeld van de lente - ook vind, objectieve waarde heeft het niet. Als ik er mee naar het televisieprogramma Tussen Kunst & Kitsch zou trekken, zou ik er ongetwijfeld het scherm… niet mee halen! Als je het omkeert staat er niet één of ander beroemd handelsmerk in de bodem gestempeld (wel een cijfer: 61). Op de zijkant valt er wel een soort handtekening op aan te treffen. Ik vemoed dat het om de schilder van het boeket gaat, of misschien wel om de ontwerper van het vaasje in zijn geheel. De naam is onleesbaar.
Maar het feit dat dit bloemenvaasje jarenlang in de woning(en) van wijlen mijn ouders heeft gestaan, dat het - in alle bescheidenheid, volkomen op de achtergrond - de stille getuige van mijn kinder- en jeugdjaren is geweest, maakt dat ik er een bijzondere band mee heb, dat het voor mij een grote sentimentele waarde heeft.
Wat ik voor dit vaasje met zijn bonte ruiker bloemen voel, ervaar ik ook bij veel andere spullen die van bij mijn grootouders en mijn ouders tot bij mij zijn gekomen, of die uit mijn eigen verleden stammen.
Mijn vader was enig kind, en ook ik heb broers noch zussen. De culturele en materiële erfenissen van twee mij voorafgaande generaties zijn aldus uiteindelijk geheel bij mij beland. Ik draag er nu de verantwoordelijkheid voor.
En dan heb ik het niet over geld of goed in de gebruikelijke zin, ook niet over kostbaar antiek. Neen, dan heb ik het over familiefoto's, jeugd- en reissouvenirs, brieven, ansichtkaarten, boeken, siervoorwerpen… Zaken waar geen veilingmeester de hamer voor heft, maar die mijn (voor)ouders (en ik) met liefde of minstens met geduld bewaard hebben. Weerloze dingen, die gemakkelijk weggegooid of vernield of verwaarloosd kunnen worden. Maar waar ik ten zeerste aan gehecht ben.
Het bloemenvaasje is één van die overgeleverde oudheden die voor mij van grote emotionele waarde en betekenis zijn. Het staat hier als een pars pro toto. Het blikken Melachrino-doosje waar ik mijn weblog ooit mee ingezet heb, is een ander voorbeeld van het vrij omvangrijk familiaal en persoonlijk patrimonium waar ik op doel. De klarinet of het zware kleermakers-strijkijzer van mijn grootvader, het Boeren van Olen-boek van mijn vader, mijn koffergrammofoon en mijn fonoplaatjes… ik zou wel honderd dingen kunnen noemen.
Maar vandaag hou ik het dus bij dit vaasje, symbool van de lente, symbool van het vele dat geliefde doden mij hebben nagelaten, symbool ook van het gevoel dat kardinaal Mazarin vervulde toen hij door zijn boekenbezit dwaalde. Eens, als de dood mij treft, zal ik dit vaasje met zijn bloemen, en de vele andere, soortgelijke familiestukken en -documenten die mij dierbaar zijn, noodgedwongen, en met veel tegenzin, moeten achterhalen.
Wat zal er dan mee gebeuren? Welk lot zal ze beschoren zijn? Wie zal zich om deze financieel-onbelangrijke vorm van nalatenschap bekommeren? Wie zal na mij de hoeder van deze erfenis worden?
Zolang mijn vrouw me zal overleven zullen mijn archivalia in goede handen zijn, daar heb ik alle vertrouwen in. Maar daarna? Zal er dan nog een hoeder zijn?
Van mijn vier kinderen heeft er tot nu toe niet één ook maar enige ernstige belangstelling voor het familieverleden getoond, al hebben mijn echtgenote (hun moeder) en ik (hun vader) ons bij hun opvoeding ingezet om ze kennis van en liefde voor hun afstamming bij te brengen.
Ik weet het: het zijn jonge mensen. Zeker de jongste van hen verdient nog alle krediet. De interesse voor de roots komt in de regel pas op latere leeftijd. De genealogische bronnen-afdelingen van de archieven zitten - ik heb het zelf vaak kunnen constateren - vol met vijftig-, zestig- en meer-plussers. En wat niet is kan nog komen, ook dat weet ik. Soms ziet de zaaier zelf de oogst niet meer, maar staat die uiteindelijk toch te glanzen in de zomerzon. Soms. Bijwijlen echter komt er van het zaaigoed niets terecht. Voorlopig voel ik mij als erfgenaam en erflater van het niet-met-economische maar slechts-met-emotionele-waarde beladen familiebezit vrij eenzaam.
O ja, kardinaal  Mazarin overleed op 9 maart 1661. Hij was 58.

Foto boven de tekst: eigen opname, 27 april 2013.

vrijdag 26 april 2013

G.I. Blues


Filmervaringen uit mijn jeugd… vierde en laatste deel. Trouwe lezers weten dat ik thematisch te werk ga. Ik had het al over de tekenfilms, de religieuze films, de historische films, de avonturenfilms en de oorlogsfilms die ik in mijn kinder- en vroege tienerjaren (vóór 1966) heb gezien. Vandaag: de Vlaamse film en de muzikale film. 
In de jaren vijftig en de vroege jaren zestig was de Vlaamse film een populair genre (fictie "van eigen bodem" is altijd gegeerd geweest, tot op de dag van vandaag). Het ging om vrolijke ontspanningsfilms met acteurs en actrices als Charles Janssens en Co Flower, de Woodpeckers (Jef en Cois Cassiers), Romain Deconinck, Anny Andersen, Denise De Weerdt, Frieda Linzi...
Wat ik me vooral herinner is dat ik het argument "het is een Vlaamse film" gebruikte om met mijn ouders mee naar de cinema te mogen… Van de films zelf - ik moet er toch wel enkele van dit genre hebben gezien - is me, merkwaardig genoeg, weinig of niets bijgebleven.
De enige titel die ik me, vóór ik mij tot de naslagwerken wendde, kon herinneren, was: Wat doen we met de liefde? - een film van Jeroom Verten (scenario) en Jef Bruyninckx (regie) uit 1957.
Bij het grasduinen in de Vlaamse filmgeschiedenis komen titels als Min of meer (van Edith Kiel, 1955), Vuur, liefde en vitaminen (van Jeroom Verten en Jef Bruyninckx, 1956), Vrijgezel met 40 kinderen (van Ke Riema en Jef Bruyninckx, 1958) en Hoe zotter, hoe liever (van Edith Kiel, 1960) me in meerdere of mindere mate bekend voor.... Van de verhalen die ze vertelden schiet me niet alleen spontaan… niets te binnen, maar blijven zelfs bij het nalezen van de korte inhouden de Aha-erlebnissen uit.  Vreemd eigenlijk.
Een film waar ik ook nog het "eigen bodem"-argument kon bij uitspelen om mijn ouders op hun zondagse cinemabezoek in Mechelen te mogen vergezellen, was Zuster Luc (The Nun's Story) uit 1959, vervaardigd door Fred Zinneman naar de roman van Kathryn Hulme uit 1956.
Het ging dan wel om een Amerikaanse film - maar regisseur Zinneman had zijn locaties gezocht in Brugge, Antwerpen en Congo (de binnenopnamen waren gemaakt in de Cinécitta-studio's in Rome), én Zuster Luc vertelde het verhaal van een Vlaamse non - een rol vertolkt door de populaire Audrey Hepburn - die uitgezonden werd naar onze toenmalige kolonie Congo, om er in een missiepost als assistente van een chirurg te werken. Aan het eind van de film stapt ze uit het kloosterleven.
Toch wel interessant om weten dat de sister Luke uit de roman van Hulmes en de film van Zinneman écht bestaan heeft. Het ging om een zekere zuster Xaverine, alias Marie-Louise of "Malou" Habets (1905-1986), een meisje uit het West-Vlaamse Egem dat in 1926 was ingetreden bij de Zusters van Liefde in Gent (in de film heet ze Gabriëlle Van der Mal), en van 1933 tot 1939 in Congo als verpleegster had gewerkt.
Ook zij had het klooster vaarwel gezegd (in 1944). In de nasleep van de oorlog had ze in Beieren kennis gemaakt met de Amerikaanse Kathryn Hulme: die had het verhaal van haar tribulaties als non opgetekend, en was haar geliefde geworden. Na de oorlog leefde het lesbische paar in de Verenigde Staten. Vermogend geworden door het wereldwijde succes van Hulmes boek en Zinnemans verfilming, vestigde het zich tenslotte op Hawaï. Het doet allemaal een beetje denken aan het recentere (en ook verfilmde) leven van de Waalse Soeur Sourire, maar in dit geval met een happy-end.
Dat The Nun's Story geen fictie was, en zuster Luc een échte uitgetreden non, was destijds in België bekend De filmverdelers en zaaluitbaters speelden het trouwens publicitair uit: "Een waar gebeurd verhaal van A tot Z"! Of ook het lesbische Nachleben van de zuster tot de common knowledge behoorde, betwijfel ik. Zelf ben ik pas bij het schrijven van dit stukje op het échte levensverhaal van zuster Luc gestoten, maar ik herinner me wel dat de film in het bekrompen-katholieke Vlaanderen van destijds "erg moeilijk lag". Dat mijn ouders mij als adolescent meenamen naar deze (overigens kwaliteitsvolle) film, pleit voor hun ruimdenkendheid.
Als tiener ging ik me uiteraard interesseren voor de teenager-muziek van die dagen: de Rock 'n Roll en de ballads over verliefdheden en gebroken harten. En dus ook voor de muzikale films waarin de vertolkers van al dit moois - de sterren, de idolen - de hoofdrol(len) speelden. De films met Conny Fröboess en Peter Kraus, met Elvis Presley, Freddy Quinn, Cliff Richard, Fabian Forte.
Cornelia Froboess had het levenslicht gezien in 1943 in Wrietzen aan de Oder en bracht haar jeugd door in Berlijn. Ze was de dochter van de componist en muziekuitgever Gerhard Froboess, en dat zal haar in haar carrière wel een beetje geholpen hebben. Al in 1951 veroverde ze de harten van de Duitsers met het kinderliedje Pack die Badehose ein, bij ons vooral bekend in de Nederlandse versie Naar de speeltuin, gezongen door Heleentje Van Capelle.
Van 1958 af groeide Conny Froboess uit tot het populairste Duitse schlagerzangeresje van de late fifties en de vroege sixties. Haar mannelijke tegenhanger was Peter Kraus, "de Duitse Elvis Presley", geboren in München op 18 maart 1939. Hoewel ze aan verschillende platenfirma's waren verbonden, werd het "droom-duo" in 1958 toch samengebracht in de film Wenn die Conny mit dem Peter (regie Fritz Umgelter), waarin ze de legendarische hit Teenager Melody zongen.
In 1959 speelde Conny de hoofdrol in Ja, so ein Mädchen mit 16 (regie Hans Grimm), met daarin de liedjes Kleine Lucienne en Midi Midinette: de film en de deuntjes maakten haar vanaf eind 1959 en in 1960 ook in Vlaanderen bijzonder populair. Opgelet: Conny's mannelijke tegenspeler in Ja, so ein Mädchen was niet Peter Kraus, maar een andere populaire Duitse schlagerzanger, Rex Gildo!
In 1960 was Peter Kraus opnieuw aan de beurt, voor Conny und Peter machen Musik (regie Werner Jacobs). In deze film zong Peter Kraus het hitnummer Va bene.
Haar grootste muzikale succes boekte Conny Froboess in 1962 met Zwei kleine Italiener, waarmee ze in Baden-Baden het Duitse Schlagerfestival won, en op het Eurovisie-songfestival in Luxemburg een zesde plaats behaalde. Conny's laatste hit in Vlaanderen was Lady Sunshine und Mister Moon uit augustus 1962.  
Mijn groottante Emma was een fan van haar, maar naar mijn toenmalige smaak was ze toch wat al té lieflijk. Conny Froboess huwde in 1967, kreeg een dochter en een zoon, en werd een hoogst ernstige en gewaardeerde toneelactrice die, naar ik in mijn jaren bij de openbare omroep ooit van een collega - die haar had willen inhuren voor de presentatie van een televisiecursus Duits - vernam, liever niet meer aan haar verleden als zangeresje werd herinnerd.
Welke van de hier genoemde Conny- und Peter (oder Rex)-films ik destijds in de Mechelse bioscopen heb aanschouwd, kan ik me niet herinneren. Het enige wat ik in deze aangelegenheid met zekerheid kan stellen is dat ik Ja, so ein Mädchen mit 16 in de loop van 1965 met veel genoegen heb (terug)gezien op de televisie.
Wat het fan-zijn betreft… ik had het in mijn tendres années toch meer voor de Rock 'n Roll. En dus voor Elvis Presley, hoewel die toen ik mijn neus aan het venster van de tienermuziek kwam steken, zijn ruige periode al achter de rug had.
Naast Elvis Presley mocht ook (de in Europa veel minder bekende) Fabian mij tot zijn fans rekenen. Voluit heette hij Fabian Forte (°1943), maar veelal beperkte men zich tot zijn voornaam. Mijn bewondering voor Fabian was nagenoeg uitsluitend gebaseerd op één nummer: het opwindende Like a Tiger (overigens ook zijn enige grote hit).
Ik herinner me (vaag) dat ik ooit met mijn al genoemde groottante Emma naar een film met die Fabian ben gaan kijken, terwijl mijn ouders een andere, "meer serieuze" bioscoopvoorstelling bijwoonden. Want zeker voor de cinefiel die mijn moeder toch min of meer was, waren die teenager-films natuurlijk maar kinderachtige kost. Welke film met Fabian ik heb gezien? Hm, aan de hand van zijn filmografie op de Internet Movie Database gok ik op Hound Dog Man (uit 1959).
Elvis Presley (°8 januari 1935) - de grootste vertolker van populaire muziek aller tijden, laat dat vooraf gezegd zijn - heeft de hoofdrol gespeeld in een waslijst van muzikale amusementsfilms. Toch heb ik er daar in mijn jeugd slechts één van gezien: G.I. Blues, waarin Elvis de rol vertolkte van een Amerikaanse soldaat in Duitsland. De rol was Elvis op het lijf geschreven, want hij had zelf van oktober 1958 tot eind april 1960 als dienstplichtig militair in Duitsland verbleven. En Elvis in uniform… meisjes die daar niet voor smolten waren minstens van graniet. Het dient overigens gezegd dat het Amerikaanse leger toen - anders dan het Belgische - over zeer smaakvolle uniformen beschikte.
De film G.I. Blues ging in de Verenigde Staten in roulatie op 23 november 1960 - enkele maanden na het einde van Elvis' diensttijd. Het zal dus wel 1961 zijn geweest vóór hij in Mechelen werd vertoond, en ik er met mijn ouders naartoe trok.
De producties waarin Hollywood de nochtans ook op acteergebied talentvolle Elvis opvoerde worden artistiek gesproken niet hoog aangeslagen, en aan de hand van wat ik er in latere jaren fragmentair van aanschouwd heb kan ik dat niet tegenspreken, maar ach, het ging om ontspanning, en zeker G.I. Blues was een leuke, charmante prent - ik heb ze in de jaren zeventig nog eens teruggezien in een Leuvense bioscoop.
Ik herinner me een aandoenlijk tafereeltje waarin Elvis - alias de soldaat Tulsa (een naar mijn aanvoelen lichtjes belachelijke naam voor een stoere bink) - en zijn tegenspeelster Juliet Prowse - alias de nachtclubzangeres Lili - samen lekker toeristisch in een gondeltje van een kabelbaan zitten.
En natuurlijk was er ook de poppenkastscène - of: Elvis meets de Deutsche Volkskultur. Hij zingt het aloude Duitse volksliedje Muss I denn, deels in het Duits en deels in het Engels (Wooden Heart). Het originele 45-toeren-fonoplaatje met dat nummer beschouw ik als één van de kostbaarste schatten van mijn platenverzameling. Op de B-kant prijkt Tonight’s all right for Love - vreemd genoeg kwam dit liedje niet voor in de film, wél het sterk daarop lijkende Tonight is so right for Love (ik vermoed hier één of andere auteursrechten-aangelegenheid).
Andere songs die Elvis in de film ten gehore bracht waren onder meer: G.I. Blues (de titelsong), Frankfort Special, en de goddelijke slow Doin' the Best I Can. De film G.I. Blues was geregisseerd door Norman Taurog, naar een scenario van Edmund Beloin en Henry Garson.
Een andere muzikale film die ik in mijn tienerjaren zeker heb gezien:  Weit ist der Weg, met in de hoofdrol de Duitse zanger Freddy Quinn (°1931), de vertolker par excellence van alles wat met Heimweh- en Sehnsucht te maken had (vooral dan deze der zeelieden).
De film Weit ist der Weg dateert van 1960. Anno 2005 zag ik hem toevallig opnieuw, op de Duitse televisie. De verhaallijn was ik (ook in dit geval) geheel vergeten: de jonge zeeman die zich het lot aantrekt van het weesmeisje Janni en via haar in contact komt met de vrouwelijke arts Anita...
Bij sommige beelden had ik wel een déja-vu-ervaring, zoals het tafereel waarin Freddy gezeten op de laadbak van een camion Weit ist der Weg zingt - maar eigenlijk was alleen de laatste scène mij bijgebleven, met name dan het decor daarvan: de in de jaren vijftig geheel nieuw gebouwde en zeer moderne hoofdstad van Brazilië, Brasilia. De liedjes Weit ist der Weg en vooral La Guitara Brasiliana, die Freddy Quinn in de film ten gehore brengt, klonken mij bekend in de oren, maar die stonden ook weer op een fonoplaatje dat destijds tot mijn collectie behoorde (en nu nog, al is de hoes niet meer volledig). Overigens komen in het liedje Weit ist der Weg deze wijze woorden voor: "Tausend Meilen von zu Hause / Sieht die Welt ganz anders aus / Und dir wird auf einmal klar / Was die Heimat für dich war.."..
Waarschijnlijk was Weit ist der Weg niet de eerste en enige Freddy Quinn-film die mij in de Mechelse cinema's te beurt is gevallen. Allicht zat ik ook bij Freddy Unter Fremden Sternen en/of Freddy, die Gitarre und das Meer - twee films uit 1959 - in de zaal. In mijn platencollectie tref ik een singletje aan met de liedjes Unter fremden sternen en Du must alles vergessen.
Het Britse epigoon van Elvis Presley was Cliff Richard (°1940). Ook hij werd op het witte doek uitgespeeld. Summer Holiday, de film uit 1963, waarin Cliff en enkele kompanen met een dubbeldeksbus een avontuurlijke reis door Europa maakten, heb ik zeker gezien - maar ik weet niet meer of het in de bioscoop was, of op de televisie - of eerst in de bioscoop en later nog eens op televisie, dat zou ook kunnen… 
Het was een leuke, lichtvoetige film, met een happy-end, net als G.I. Blues, en de Conny- und Peter (oder Rex)-films (wat die heimwee-films van Freddy Quinn durf ik op het vlak van happy-end geen garantie geven…).
Fijne films uit een fijne tijd… Ik weet het: ze stelden de werkelijkheid mooier en onschuldiger voor dan ze was, en goede oude tijden bestaan enkel bij de gratie van een selectief geheugen. Maar toch…

Foto boven de tekst: mijn eigen Muss i denn/Wooden Heart-fonoplaatje...

Elvis muzikaal in actie in G.I. Blues: http://www.youtube.com/watch?v=PyKoDg3sb1c

Over mijn kinderlijke en jeugdige filmervaringen, zie ook mijn blogteksten Cinema Cinex van 23 maart 2012, Marcelino van 18 januari 2013 en Tarzan van 1 maart 2013.

Voornaamste geraadpleegde bronnen: P. GEENS en A. VANDENBUNDER, Naslagwerk over de Vlaamse film, Brussel, 1986; internet-encyclopedie Wikipedia (Engelstalige versie), en.wikipedia.org; internet-website The Internet Movie Database, www.imdb.com; artikel Vlaamse non stond model voor Audrey Hepburn, in krant Het Nieuwsblad, 3 mei 2008 (via internet, website Nieuwsblad.be, www.nieuwsblad.be).

vrijdag 19 april 2013

Suiker


De baan op!.. Het was (is) een prachtig boekje. Klein van formaat (10,5 op 13,5 cm.). Vrij dik: 32 bladzijden (ik heb ze geteld, want de pagina's zijn niet genummerd). Vol met ideeën en raadgevingen over het maken van trektochten en het kamperen. Bijzonder rijkelijk en kleurijk geïllustreerd met tot de verbeelding sprekende  tekeningen van Michel Tacq.
Even tussendoor. De Brusselse striptekenaar Michel Tacq (1927-1994) was - samen met scenarist Jean-Michel Charlier - de schepper van De beverpatroelje, een reeks tekenverhalen met in de hoofdrollen een groepje scouts. De eerste verhalen uit deze serie, Het geheim van Diepenbos (verschenen 1955) en De vermiste padvinder (1958), heb ik met veel genoegen gelezen. (Helaas bezit ik enkel van De vermiste padvinder nog het originele exemplaar uit mijn kindertijd).
Maar goed, ik wou het hier niet hebben over de avonturen van Veulen, Valk, Kat, Vlieg en Tapir (want zo heetten de protagonisten van De beverpatroelje, met hun totemnaam natuurlijk) - maar over het boekje De baan op!
Laat ik een stukje citeren uit de inleiding, dan is meteen de toon gezet: "Gegroet, Avonturenzoeker, die niet houdt van een mak leventje van alle dag, zonder durf, zonder spanning en zonder inspanning. (…). Gij weet het zeer goed dat ge op uw kamer geen avonturen kunt beleven en zeer graag zijt ge van de partij bij een tocht door een bos, bij een exploratie van een rivier of bij welke avontuurlijke trip dan ook. (…)".
Dat laatste was maar al te waar, want het moet in mijn vroege tienerjaren zijn geweest - ik schat zo rond 1963 à '64 - dat ik De baan op! in handen kreeg. Rond die tijd begon ik te dromen van reizen en zwerftochten allerhande. Allicht heeft het boekje dat gedroom helpen ontketenen, minstens speelde het er op in.
Via een massa praktische tips, komen alle mogelijke thema's van het trektochten-maken en het overnachten in de natuur aan bod: de tent (maar ook het bouwen van een hut), de rugzak en het kampeermateriaal, de slaapzak, het stappen, het zich oriënteren, het maken van kampvuren, het koken…
Maar ook de culturele aspecten van de trektocht worden niet vergeten. De jonge avonturier wordt aangemaand een "explorator" te zijn, en geen "toerist".  "Wees nieuwsgierig: stap zonder oogkleppen voorbij natuurwonderen. / Documenteer U: plan uw opzoekingen alvorens te vertrekken (kaarten, boeken, foto's). / Opmerkzaamheid: hou uw zinnen steeds wakker; bekijk, beluister: mensen (gesprekken, gewoonten, arbeid); de natuur en de dingen (zij verklaren de houding der mensen) (…)". En ook: "Neem contact: begin het gesprek met de mensen over wat hun interesseert, ge zult te weten komen wat u interesseert". Op een andere bladzijde leert de rugzakreiziger "een goede schets" maken, want die "vertelt meer dan een lang verslag".
Als de avond is gevallen kan men "een prettig overzicht van de verlopen dag" opvoeren, met "maskers en vermomming" - kan men zang en volksdans beoefenen - de fluit, de harmonica, de gitaar de mandolien of de banjo bovenhalen. Onaangenaam zijn echter: "de stomme moppen", "een kampvuur dat niet brandt (houtvoorraad…)", en "rook die de omzitters verveelt". Uitstekend daarentegen: de "aanwezigheid van de terreineigenaars, de dorpelingen, de herbergouders;  / een prettige atmosfeer, die langzaam rustiger wordt om de kalmte van de nacht voor te bereiden".
Goed, men kan argumenteren dat De baan op! een wat al te idyllisch beeld van het buitenleven oproept - er is nergens sprake van blaren op je voeten of van mieren die in je broekspijpen kruipen, en zelfs de bladzijden over regen- en winterweer zijn van romantische plaatjes voorzien - maar ach, de mooie kanten van het leven mogen al eens wat excessief in de verf worden gezet, ze kunnen dat best gebruiken.
Er is met het boekje De baan op! echter iets veel ergers aan de hand… Het begint al op bladzijde 4, waar een lijstje staat van wat je allemaal in je rugzak moet stoppen: "zeker de suiker niet vergeten" staat er! En op bladzijde 11, wordt, onder het kopje "voeding", zij het nog terloops, "suiker met water of thee" aanbevolen!
Bladzijde 15 is volledig gewijd aan dranken, en daar is het helemaal raak. Wat kan onze jonge, de natuur intrekkende vriend(in) het best drinken? Als het warm weer is: water met citroensap én suikerklontjes (er staan er vijf getekend, bij één glas water en één citroen). En als het koud is? Dat dient een heuse cocktail geshaked… "Appelsienen raspen met stukjes suiker; de suiker in een ketel doen met warm water; afdekken en lichtjes laten koken; evenveel warme wijn en warm water toevoegen; suiker naar wens; flink opwarmen, maar niet laten koken; het sinaasappelsap bijvoegen".  En wat "als ge uit vorm zijt"? Dan: "1/4 liter warme melk + 5 klontjes + 2 geklutste eieren"!
Begint het u te dagen? Op de volgende bladzijde wordt het nog gortiger. Daar krijgen we te lezen dat op vlak van voeding niet de hoeveelheid van belang is, maar het aantal calorieën, en dat 100 gram suiker evenveel calorieën bijbrengt als bijvoorbeeld 500 gram aardappelen, 850 gram wortelen of 2110 gram sla!
Het obesitas-probleem stond in die dagen duidelijk nog niet op de kaart, want op de bladzijden met dessert-recepten passeren de volgende caloriebommen de revue:  porridge ("200 gr. suiker bijvoegen"), vla ("een liter melk samen met 200 gr. suiker laten koken"), mokakreem ("200 gr. suiker toevoegen"), verloren brood ("met poedersuiker bedekken"), chocoladeschuim ("drie repen chocolade laten smelten"), karamelsaus ("12 klontjes suiker met een weinig water oplossen"), en zachte chocolade-karamellen ("500 gr. suiker in een halve liter room koken").
En ja, de jonge reiziger mocht geen toerist, maar moest een explorator zijn - weet u nog? Twee bladzijden lang wordt "een mogelijke exploratie" opgevoerd. Onderwerp: "van biet tot suiker"! Een gedetailleerd overzicht van de fabrieksfabricage van de "witte" suiker… Als klap op de vuurpijl was er dan nog pagina 24, een onverholen lofzang op de industriële suiker. "Van het kind tot de oude man, zowel de kampeerder als de sportman, allen vinden in de suiker kracht en gezondheid. (…). Elk voedsel brengt het calorieën bij…".
Het boekje De baan op! was "technisch verwezenlijkt" door de "B. P. Scouts van België" en uitgegeven "op initiatief van de Nationale Commissie voor Ekonomische Uitbreiding, Galliërslaan, 22, Brussel". Een overheidsinstelling neem ik aan, die zich - samen met de scouts - voor het marketing-karretje van de suikerproducenten liet spannen. Je kon het boekje De baan op! kosteloos krijgen. Je kon er zelfs à volonté exemplaren van bijbestellen - voor je vrienden en je klasgenoten.
Wat De baan op! niet vertelde: hoe desastreus suiker is voor het gebit. En hoe overmatig dit tandenverwoestende product al aanwezig was in de frisdranken en het snoepgoed waar ik - opgroeiend in de welvaart van de jaren vijftig en zestig - ruim mijn deel van kreeg: in de Coca-Cola, de Schweppes, de Fanta, de Sprite, de cakejes, de Leo's, de Cha-Cha's… Ik heb het geweten, toen het te laat was. Al vanaf mijn twintigste had ik problemen met mijn tanden, die een schaduw op heel mijn verdere leven hebben geworpen.
Ik moest de afgelopen week aan het mooie, maar eigenlijk dus geniepige en "smerige" boekje De baan op! terugdenken, toen de Vlaamse Beroepsvereniging van Voedingsdeskundigen en Diëtisten haar naam en haar reputatie te grabbel gooide aan een campagne ter promotie van… suiker! Tot (terechte) ontsteltenis van (eerst) het wetenschappelijke tijdschrift Eos, en vervolgens - en gelukkig maar - van zowat heel de Vlaamse (en Nederlandse) pers, en van iedereen die écht deskundig is op het vlak van de volksgezondheid (tot en met de Hoge Gezondheidsraad die in dit land blijkt te bestaan).
En neen, het ging in de boodschap der diëtisten echt niet enkel om de natuurlijke suikers die in fruit of honing zitten, maar wel degelijk ook om de kunstmatige, door de industrie uit bieten geraffineerde suiker. De belangenbehartigers van de beroepsdiëtisten onderschreven zowaar de boodschap dat deze artificiële suiker - "die wordt toegevoegd aan voedingsmiddelen en gezoete dranken" - perfect te combineren viel met een gezonde voeding!
De aap kwam uit de mouw toen bleek dat de campagne waaraan de diëtisten zo domweg hun medewerking hadden verleend, vervaardigd was door het reclamebureau Karott Health Media Partners - gespecialiseerd in "communicatie over voeding en gezondheid" (!) - en dat de van aantrekkelijke plaatjes (vrolijk vrouwtje en kindje) voorziene suikerreclame gefinancierd was door… de frisdrankengigant Coca-Cola! Die, zoals algemeen bekend, in zijn traditionele cola en andere junkfooddranken bijzonder gul met de fabriekssuiker omspringt.
Ja, omwille van het smeer likt… het bestuur van de traditionele diëtistenbond kennelijk dus de zoete kont van Coca-Cola! Het is alsof een vereniging van longartsen zich zou laten sponsoren door Marlboro, opperde voedingsdeskundige Patrick Mullie van de Vrije Universiteit Brussel (Marlboro is een sigarettenmerk dat berucht is om zijn briljant misleidende reclame). "Een campagne die groenten en fruit in de verf zet, was een beter idee geweest. Maar daar zit natuurlijk niet zoveel geld achter".
"Diëtisten hadden al geen al te beste reputatie", stelde lezer Marc Vrooman op de internetsite van het weekblad Knack. "Hun wetenschappelijke bagage is vrij zwak. Zich door een softdrinkmerk vol suiker laten sponsoren wijst op weinig verstand". Die meneer Vrooman zou wel eens gelijk kunnen hebben, dacht ik: in mijn decennialange interesse voor gezonde voeding heb ik de "gevestigde" diëtisten inderdaad nooit veel anders dan de economische giganten naar de mond weten praten. En wat krijgt men in de regel te eten op plaatsen waar professionele diëtisten het voor het zeggen hebben - zoals ziekenhuizen en verpleegtehuizen? Veel vettige sauzen en vlees, weinig groenten, nauwelijks rauwkost. Zoetigheden - zelden fruit - als dessert. Kaas en charcuterie bij de witte of lichtgrijze boterham. Echt volkorenbrood? Vleesvervangers? Natuurvoeding? Kennelijk nog nooit van gehoord.
Suggestie aan de in opspraak geraakte Vlaamse beroepsdiëtistenclub: laat uw jaarlijks etentje volgende keer eens sponsoren door, pakweg, Bio-Planet of Lima, in plaats van door de Coca-Cola Company. Organiseer het in een natuurvoedingsrestaurant. En mijd zoveel mogelijk de tandbederf bevorderende en dikmakende suikerdranken en snoep! En maak de mensen niet wijs dat die passen in een gezond voedingspatroon.

Voornaamste bronnen: brochure De baan op!.., uitgegeven door de Nationale Commissie voor Ekonomische Uitbreiding, Brussel, z.j. ; artikel D. DE CLEENE, 'Diëtistenvereniging promoot suiker', Coca-Cola financiert advertentie, 10 april 2013, via internet, website van het tijdschrift Eos, www.eoswetenschap.eu, geraadpleegd april 2013.

vrijdag 12 april 2013

Albert Anker


In 1869 werd mijn overgrootvader Pieter Aloïs Wollebrants elf jaar. In die tijd was het in katholieke landen de regel dat men in de loop van dat jaar zijn "eerste communie" deed (het onderscheid tussen de "eerste" en de "plechtige" communie, en de verplaatsing van de "eerste communie" naar een jongere leeftijd, kwam er pas in 1910). Verder was het in de negentiende eeuw gebruikelijk dat men - uitzonderingen buiten beschouwing gelaten - na zijn "eerste communie", de schoolbanken vaarwel zei. Er is dus veel kans dat het schooljaar 1868-1869 het laatste was dat mijn overgrootvader op de dorpsschool van Rijmenam doorbracht.
Dan moest er aan werken worden gedacht. Mijn overgrootvader maakte een verstandige keuze: in plaats van, zoals zijn vader "dagloner" (arbeider) te worden, toog hij - volgens de familie-overlevering - naar Testelt, een dorpje tussen Aarschot en Diest, om er het ambacht van kleermaker te leren.
Wanneer hij precies vertrok, hoe lang hij in Testelt verbleef, waarom hij uitgerekend voor dit Oost-Brabantse plaatsje opteerde… ik weet het niet. Bovendien ligt er tussen Mechelen en Willebroek ook nog het plaatsje Tisselt, zodat een kleine naamsverwarring Tisselt/Testelt ook nog tot de mogelijkheden behoort (denk ik dan).
Wat er ook van zij… met zijn keuze voor het kleermakersambacht nam Pieter Aloïs Wollebrants een zekere familietraditie weer op, want ook zijn overgrootvader Jacobus Rumoldus Wollebrants (overleden in 1824), zijn grootvader Cornelius (overleden 1833), twee oudere broers van die grootvader (overleden 1837 en 1846), en twee kinderen van één van die broers (overleden 1834 en 1845) hadden de stiel van kleermaker beoefend!
Of het heraanknopen met die traditie een bewuste keuze was, is echter de vraag, want voor zover mij bekend was de (voorlopig) laatste kleermaker in de familie toch reeds jaren voor de geboorte van Pieter Aloïs verdwenen. Mogelijk had mijn overgrootvader als kind zijn tante Maria Josepha (overleden 1868), die zelf naaister was, over zijn grootvader Cornelius en de andere kleermakers in de familie horen vertellen? Misschien had hij al wat met naald en draad leren omgaan bij zijn moeder, die op de geboorte-akte van haar jongste zoon (1870), eveneens als "naaister" aangemerkt staat?
Nu, in het gedenkwaardige jaar 1994 waarin mijn jongste zoon werd geboren, kaderde ik, "ter ere van alle Wollebrantsen die het beroep van kleermaker hebben uitgeoefend", een reproductie in van een schilderijtje van de Zwitserse schilder Albert Anker: Der Dorfschneider - de dorpskleermaker. Anker vervaardigde het origineel in 1894 - net honderd jaar vóór mijn inlijstingsarbeid.
Mijn vrouw en ik kochten de reproductie op donderdag 23 juli 1992 in Interlaken - één van mijn favoriete pleisterplaatsen in Zwitserland (wat zeg ik: in heel de kosmos).
Het schilderijtje hangt in het museum van Solothurn, is een olieverf-op-doek en meet 53 op 42 cm. - niet erg groot dus, en de reproductie die mijn vrouw en ik in Interlaken kochten was nog veel kleiner - prentkaartformaat eigenlijk. Bij het inlijsten heb ik dan ook nog een passe-partout - met een ovale opening - gebruikt. Maar wees gerust: de Dorfschneider is nog goed te zien, al is het geheel dan eerder een miniatuur-kleinood.
Mijn overgrootvader Pieter Aloïs Wollebrants (1858-1937) oefende heel zijn leven de kleermakersstiel uit. Het leverde hem een relatieve welstand op. Twee van zijn vier zonen namen het ambacht van hem over: Jozef Jan (1883-1968) en Frans Constant (1889-1948), mijn grootvader. Van beide laatsten bleef het zware kleermakersstrijkijzer, dat met houtskool werd verwarmd, bewaard. Jozef Jan, "nonkel Jef", heb ik als kind nog weten wonen in een huisje aan de dorpskerk van Rijmenam.
Zowel mijn overgrootvader als de twee genoemde zonen moeten hun kleermakerswerk in betrekkelijk comfortabele omstandigheden hebben verricht. Ze beschikten bijvoorbeeld over een naaimachine. Er zijn ook foto's van hen bewaard. Daarom denk ik bij de Dorfschneider van Albert Anker eigenlijk eerder aan de kleermakers "hogerop" in de Wollebrants-stamboom - die van langer geleden, van wie nooit een persoonlijke beeltenis is gemaakt, en die hun arbeid ongetwijfeld in meer schamele omstandigheden hebben uitgeoefend. Van hen zijn in de regel enkel de geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten van de Burgerlijke Stand overgebleven. De Dorfschneider van Anker geeft ze in zekere zin dan toch een gezicht, en draagt er zodoende toe bij dat ze niet geheel oplossen in de oceaan der vergetelheid.
Wat ik aan het schilderij zo prachtig vind is de concentratie, de mindfulness, die de afgebeelde figuur uitstraalt. En de precisie, en dus perfectie, die hij vanuit die geestesgesteldheid, met bescheiden middelen - naald en draad - tot stand brengt. Concentratie, zin voor precisie en perfectie… ze kenmerken de degelijke kleermaker, de deugdelijke vakman, de solide kunstenaar en schrijver. Wie deze eigenschappen niet bezit is een knoeier.
Albert Anker was een beminnelijk en arbeidzaam man, en een schitterend schilder en tekenaar. Kennismaken met zijn omvangrijke oeuvre is als het openen van een fascinerend prentenboek. Als thuiskomen in het dorp waarin onze negentiende-eeuwse voorouders leefden!
Albert Anker werd geboren op 1 april 1831 in het Zwitserse dorpje Ins (kanton Bern), in het huis dat zijn grootvader Rudolf Anker (1750-1817) - die dierenarts was - anno 1803 had gebouwd. Later werd het pand eigendom van Alberts vader Samuel Anker (1790-1860) - eveneens veearts - en tenslotte van Albert zelf. Nu is het een museum, een bedevaartsoord voor Anker-bewonderaars, in stand gehouden door de Stiftung Albert Anker-Haus, die daarvoor alle lof verdient.
Aanvankelijk studeerde Albert Anker theologie, maar eind 1853 - hij was 22 - besloot hij zijn toekomst over een geheel andere boeg te gooien en kunstschilder te worden. Na wat privé-onderwijs bij de Zwitserse schilder Charles Gleyre, van wie hij zou geleerd hebben zijn personages sehr lebhaft te conterfeiten, bezocht hij van 1855 tot 1860 de Ecole nationale supérieure des beaux-arts in Parijs. Weldra exposeerde hij op de befaamde Parijse Salons. En hij reisde ook heel wat af: Frankrijk, Duitsland, Italië… zelfs België kwam aan de beurt.
Wanneer eind 1860 zijn vader sterft, neemt Albert de zorg voor het ouderlijke huis in Ins op zich. Op 6 december 1864 huwt hij Anna Rüfli (°1835), een vriendin van zijn op jonge leeftijd overleden zuster Louise. Jarenlang zal het echtpaar de zomermaanden in het landelijke Ins, en de wintermaanden in het mondaine Parijs doorbrengen. Pas in 1890 gaf het zijn pied-à-terre in de Franse hoofdstad op.
Het huwelijk werd gezegend met zes kinderen, drie meisjes en drie jongens. Twee van de jongetjes leefden echter slechts kort. Het eerste zoontje, Rudolf, stierf in 1869 op driejarige leeftijd. Vader Albert schilderde een aandoenlijk portret van de kleine Rudolf op diens sterfbed: Ruedi Anker auf dem Totenbett. Het tweede zoontje, Emil, overleed, slechts één jaar oud, in Parijs in 1871, waarschijnlijk aan cholera. De dode Emil werd in een tekening vereeuwigd.
Eerder (1863) had Albert Anker al een Kinderbegräbnis in beeld gebracht, want hoewel hij veelal de mooie kanten van het landelijke leven schilderde - het absolute hoogtepunt van zijn oeuvre vind ik zijn Schulspaziergang uit 1872 - was hij niet blind voor de navrante kanten van het bestaan, zoals de kindersterfte, het alcoholisme (Der Trinker, 1868) en de armoede (Die Armensuppe, 1893).
In 1901 werd Albert Anker getroffen door een zware beroerte, die zijn rechterhand verlamde. Grote olieverfschilderijen vervaardigen was niet meer mogelijk, maar de onvermoeibare man zou nog zo'n 600 aquarellen tot stand brengen. Albert Anker overleed in zijn geboortehuis in Ins op 16 juli 1910. Zijn echtgenote stierf in 1917.
Mijn vrouw en ik kochten op die 23ste juli 1992 in Interlaken nog een tweede reproductie van een Albert Anker-schilderij: Der Ehekontrakt, uit 1887 - ook bekend onder de titel Ziviltrauung. In het Nederlands: het burgerlijk huwelijk.  
Opnieuw waren het het onderwerp, en natuurlijk ook de (realistische) wijze waarop het was uitgewerkt, die mijn interesse wekten. Bij het samenstellen van mijn stamboom waren al zoveel akten van de Burgerlijke Stand door mijn handen gegaan, dat het mij ten zeerste boeide om eens een visuele indruk te krijgen van hoe een huwelijksakte - steevast de meest omvangrijke van de in de regel drie documenten die de Burgerlijke Stand aan de levensloop van een mens spendeerde - op het gemeentehuis van een negentiende-eeuws plattelandsdorpje concreet tot stand kwam. We zien de bruid haar handtekening zetten, terwijl de bruidegom, de gemeentesecretaris (of de burgemeester), de getuigen, en enkele familieleden toekijken. Ankers Ehekontrakt zelf (olieverf op doek), en ook onze (door mij eveneens anno 1994 ingelijste) reproductie, zijn van een wat groter formaat dan de Dorfschneider. Het origineel meet 76,5 bij 127 cm. en hangt nu in het Kunsthaus in Zürich.
De dag dat we "onze twee Albert Ankers kochten" maakten mijn echtgenote en ik in de namiddag vanuit Interlaken een voettocht naar Unterseen, waar we het Touristik-Museum der Jungfrau-Region bezochten, en woonden we in de avondlijke (en deels nachtelijke) uren de Tell-Freilichtspiele in Matten bij - de opvoering in openlucht van het Zwitserse nationale Willem Tell-epos. Met de kinderen. Ik schoot wat dia's van het spektakel. Vroeg me nog af of het licht van mijn flitslamp ver genoeg reikte om de eed op de Rütli en de kruisboogexploten van Tell in al hun grandeur in mijn camera te vangen. Bij het verlaten van het theater merkte ik op één van de zijwanden de in zeer ruim bemeten letters gestelde mededeling dat fotograferen tijdens de voorstelling streng verboden was. Ik had niet de indruk dat één van de met mij naar buiten schuifelende medetoeschouwers me scheef bekeek, maar ik geef toe dat ik dat niet al te nauwgezet heb nagegaan. Er zijn momenten in het leven dat men er best aan doet recht en onbewogen voor zich uit te kijken. Mijn dia's van de Tell-Freilichtspiele bleken naderhand goed geslaagd.

Afbeelding: Der Dorfschneider, schilderij van Albert Anker, 1894, Kunstmuseum Solothurn, Zwitserland. Met dank aan Wikimedia Commons. 

Geraadpleegde bronnen in verband met Albert Anker: trefwoord Albert Anker in internet-encyclopedie Wikipedia (Duitstalige versie), de.wikipedia.org/, geraadpleegd april 2013; artikel S. CHRIST, Meister der ländlichen Idylle, in: krant Berner Zeitung, 2010 (via internet, website van de krant Berner Zeitung, www.bernerzeitung.ch/, geraadpleegd april 2013); artikel M. BREFIN, Albert Anker als Vater und Grossvater, Erinnerungen aus der Familie, in: Berner Zeitschrift für Geschichte (via internet, website van het Berner Zeitschrift für Geschichte, www.bezg.ch/, geraadpleegd april 2013).
Gegevens in verband met de Wollebrantsen komen uit de door mij samengestelde (onuitgegeven) familiekroniek.

vrijdag 5 april 2013

Maria Verstraeten


Eerder al vertelde ik op dit blog hoe ik in mijn kinder- en jeugdjaren graag journalist speelde en gazettekes, blaadjes en boekskes met eigen teksten, tekeningen en uitgeknipte en opgeplakte foto's samenstelde. En ook hoe ik er op een bepaald moment, samen met mijn vriend Etienne, op uit trok om, met het oog op weer zo'n handgemaakt magazine, interviews af te nemen van mensen uit de omgeving. Deze jonge reporters-activiteit - we waren in onze vroege tienertijd - resulteerde in twee teksten die bewaard zijn gebleven: ééntje over Fientje van Drukkerij Moderna (zie mijn blog Drukkerij Moderna van 10 augustus 2012), en ééntje over de Keerbergse kunstenares Maria Verstraeten, die ik deze keer bovenhaal.
Het interview met Maria Verstraeten moet zijn voortgesproten uit het feit dat tijdens mijn dagelijkse ritten op de schoolbus mijn aandacht was getrokken door een raadselachtig huisje aan de Keerbergse Mechelsebaan, ongeveer op de plaats waar de Duivebergen en de Emiel Opdebeecklaan op die vrij drukke verbindingsroute tussen Mechelen en Keerbergen uitlopen (maar aan de overzijde). Het sprookjesachtig karakter werd bewerkstelligd door de vele elementen in artistiek verantwoord kunstbeton die aan het huisje en vooral ook in de tuin waren aangebracht. Tijd van handeling: de vroege jaren zestig - waarschijnlijk 1962, hooguit 1963.
Titel van dit in mijn snotapen-tijdperk geschreven artikel: "Zij leeft voor de kunst. Maria Verstraeten bezochten wij in haar schilderachtig huisje te Keerbergen". Zie de afbeelding boven deze tekst - en let vooral ook (niet) op de originele wijze waarop ik de naam Verstraeten splitste!
Ik neem dit staaltje van jeugdjournalistiek hier integraal over… Het ontsluiert één en ander over de geschiedenis van het kunstbeton, dat overigens, zo leerde ik nu op het internet, officieel cement-rustiek schijnt te heten…
"Maria Verstraeten is een echte kunstenares. Wanneer men haar huisje te Keerbergen ziet kan men dit reeds denken en wanneer men haar zelf ziet wordt dit vermoeden bewaarheid. Tot haar 15 jaar liep zij school in het Koninklijk Atheneum te Keerbergen.
'Nog herinneringen aan die tijd?' vroeg ik haar.
'Zeker, ik herinner mij nog mijnheer De Booser, waarbij ik helemaal op geen wit blaadje stond. Ik had een hekel aan Nederlands en… aan de leraar. In Keerbergen woonde toen de uitvinder van het kunstbeton. Ik kwam dikwijls bij hem en ik besloot bij hem en zijn vrouw te gaan wonen. Ik zou er helpen in de kunst van het betonbewerken. Thans woont ook nog mijn zuster hier; ze verzorgt het huishouden'.
We wandelen door de mooie tuin van Maria. Stukken in kunstbeton als banken, vazen, regenputjes staan er tussen mos, gras en struiken.
'Wat een mooie tuin hebt U hier' merkt mijn collega op. 'Ja, dat doen we om onze stukken mooi te presenteren. Dat zet de mensen meer tot kopen aan'.
'Alles wat U maakt is dus om te verkopen?'.
'Zeker'.
'En… wat kost dat zoal? Zo bvb. deze regenput hier?'.
'Dat kost 375 F., maar een tuinbank kost minder'.
Achter in de tuin staan een heleboel hokken, met zeer mooie en vreemde vogels in. 'Hier is onze dierentuin'. Er waggelen inderdaad ook nog een vijftal eenden rond, twee pauwen pronken met hun opengezette staart, en in een zeer origineel maar mooi duivenhok vliegen de duifjes in en uit.
Nu wandelen we een serretje binnen achter in de tuin. Eerst banken vol planten en daarachter de werkplaats waar Maria ons toont hoe het beton gegoten wordt en gekleurd, dat gebeurt met een soort gesmolten metaal. Soms zweert men dat het een echte houten bank is en toch is het kunstbeton, zo mooi kan men het hout nabootsen. Alle voorwerpen worden met de hand gemaakt.
We komen weer buiten. Aan het pauwenhok ligt een enorme blaasbalg uit een smidse. 'In Duitsland moesten we onlangs een oude smidse nabootsen voor een tentoonstelling maar nergens vonden we een blaasbalg. We maakten hem dan na in kunstbeton. Enkele dagen later kregen we deze blaasbalg dan maar… te laat! Nu ligt die daar te liggen' verklaart onze gastvrouw die gekleed is in een pull met een lange broek.
'Een smidse inrichten? - Dat doet U dus ook al', merk ik op. 'Och ja, ik schilder ook graag en veel en thans volg ik ook nog avond- en zondagsschool voor schilderen en beeldhouwen'.
Ondertussen bewondert mijn vriend het huisje dat ook langs de zijkant beslagen is met doorgezaagde boomstammen uit kunstbeton in grote vierkanten. Plots valt zijn oog op de schouw. 'Is die ook niet uit kunstbeton?'. 'Zeker, ja men kan er heel wat mee doen en onze commerce gaat goed.
'En de concurrentie?' vragen we. 'U hebt er toch geen brevet op?'.
'Spijtig genoeg niet. Maar toch is die concurrentie niet zo groot. De firma J. uit Antwerpen maakt ook voorwerpen in kunstbeton maar die zijn niet gekleurd'.
'En de uitvinder, alias de oude heer des huizes, helpt die U ook nog?'.
'Niet zo veel meer, ik ben ingewijd in het vak. Hij reist veel rond om zijn uitvinding op tentoonstellingen te tonen want het kunstbeton is nog lang niet overal gekend'.
Na zo ruim een uur verteld te hebben wisten we wat we weten moesten en na Maria onze hartelijkste dank overgemaakt te hebben gingen we heen.
Wenst U misschien ook iets te kopen? Ga gerust eens kijken. Er is van alles: tuinbanken en tafeltjes, regenputjes, kapelletjes, duivenhokken, tuinvazen; alles precies in hout maar in kunstbeton, dat samen met het plastic één der grootste uitvindingen van onze tijd mag genoemd worden'.
Ik plaatste bij mijn artikel ook een foto, niet zelf genomen, maar uit één of ander tijdschrift - ik denk Het Rijk der Vrouw - geknipt. Onderschrift: "Maria aan het werk. Links ziet men één harer schilderijen. Zijzelf kleurt een tuinvaas in beton".
Tot zover mijn journalistiek product uit de vroege jaren zestig. Wie zou die oude heer, door Maria Verstraeten als uitvinder van het kunstbeton bestempeld, zijn geweest? Hoe zou het Maria Verstraeten verder vergaan zijn in het leven?
Dankzij Keerbergen-kenner Rik Wouters (°Tremelo, 1937) kwam ik aan de weet dat de oude heer in kwestie Everaert moet hebben geheten. Kennelijk beschouwde hij Maria als zijn opvolgster-in-zaken-van-kunstbeton: hij nam haar en haar zuster Jeanne bij hem in huis. Later - misschien na de dood van de oude heer en zijn echtgenote - moet ook de vader van de twee zussen in het villaatje hebben ingewoond. Maria trad in het huwelijk, werd haar roeping in het cement-rustiek kennelijk ontrouw, want richtte op de plaats van het schilderachtige huisje een gloednieuwe, fantasieloze speelgoedwinkel op. De zaak bestaat nog, maar Maria Verstraeten moet al een tijdje geleden overleden zijn. Of de oude heer Everaert inderdaad de uitvinder van het kunstbeton was heb ik niet kunnen uitvlooien. 

Met dank aan Rik Wouters. Rik was in de jaren zestig hoofdredacteur van het regionale weekblad De Haechtenaar, verzorgde vervolgens de reclame in het advertentieblad Ons Nieuws uit Putte, en zorgde na zijn pensionering voor een reeks prachtig geïllustreerde boeken over de geschiedenis van Tremelo en Keerbergen. Ook legde hij samen met zijn echtgenote een ecologische siertuin aan, waar hij wekelijks impressies over schrijft op zijn blog (www.tremelore.be). 

vrijdag 29 maart 2013

De Icarus-bus


Hier is ze dan… Hier komt ze aangereden… Ja, kijkt u maar eens goed naar het bovenstaande plaatje, en bewonder de gloednieuwe, stijlvolle, ultramoderne, supergesofisticeerde autocar van joggingclub Icarus uit Boortmeerbeek! Ja, wrijft u zich maar de ogen uit: met dit glimmend vervoermiddel zullen wij, runners en runsters van Icarus, ons voortaan gezamenlijk en in alle gerieflijkheid naar de wedstrijden verplaatsen!
Ere wie ere toekomt… Het idee van zo'n club-bus welde spontaan in mij op toen ik, als kersvers Icarus-lid, te horen kreeg dat de beste atleten van onze geliefde club geacht werden zo nu en dan deel te nemen aan joggings en stratenlopen allerhande, om zodoende bij te dragen tot de naambekendheid en de uitstraling van onze vereniging. Trouwe lezers van dit blog weten dat ik hier openhartig inkijk geef in de diepste motieven die mij drijven, en dus verklap ik eerlijk dat het idee van de club-bus mij vooral ingegeven werd door het feit dat ik niet graag met de auto rij, en op drukke locaties - zoals de startplaatsen van joggings - nooit een parkeerplaats vind die voldoende faciliteiten biedt aan mijn bescheiden stationeervaardigheden. 
Het toeval wou dat ik, enkele dagen nadat het idee van de club-bus mij als een soort eureka-Erlebnis te binnen was geschoten, vrij vroeg op de vrijdagavond-training arriveerde. De secretaris van de club stond, samen met één of twee anciens van het lopersgild, op de uitkijk.
"Daar komt het zonneke", zei de heer secretaris.
Ik dacht dat hij mij bedoelde, en verwonderde mij enigszins over de poëtische wijze waarop een bestuurder van onze club al meteen zijn onverholen sympathie voor mij - een nieuwbakken en nog weinig bekend clublid - liet blijken. Naderhand bleek evenwel dat, achter mijn rug en aan het eind van een donkere dag, plots toch nog een flauw avondzonnetje door de wolken kwam piepen. 
Maar goed, het spreekwoordelijke ijs was gebroken, de heer secretaris en ik vatten een conversatie aan, en natuurlijk maakte ik van de gelegenheid gebruik om met mijn club-bus-idee op de proppen te komen.
En ja, hoe gaat dat als twee grote en gelijkgestemde geesten elkaar ontmoeten en tot intellectuele communicatie overgaan? De ongelooflijk briljante ideeën spetterden weldra in het rond, klonken zich als magneten aan mekaar vast, clusterden samen tot een geniale gedachtengang…
"Zo'n luxe-bus met alle comfort erop en eraan, zoals de grote wielerploegen die hebben…", opperde ik. "Met douches…". 
"Ja, en met massagetafels, en enkele knappe masseuses erbij…", vulde de heer secretaris spontaan aan. 
"En ook zo'n potige Turkse masseur, ten behoeve van onze vrouwelijke leden…", voegde ik er in een vrouwvriendelijke bui aan toe.
"En natuurlijk met een ruime en rijk gestoffeerde ingebouwde bar" aldus nog de enthousiaste secretaris. 
We waren het volkomen eens. Ik besefte dat joggingclub Icarus het geluk had over een zeer verstandig secretaris te beschikken.  
Plots nam ons gesprek echter een onverwachte wending. Er verscheen een pijnlijke trek op het gelaat van de heer secretaris. "Ik denk ineens aan iets", zei hij. "Geld. De aankoop van zo'n club-bus ligt ver boven de budgettaire mogelijkheden van onze vereniging". 
"Misschien eens een begrotingscontrole proberen?" stelde ik voor, "daarbij worden meestal heel wat euro's gevonden…".
"Wat besparingen betreft zitten we in onze club aan het maximum haalbare", zei de heer secretaris. "Vorig jaar hebben we de zitpenningen van de bestuursleden nog met 0,001 percent verlaagd, en ons zelfs géén bonussen uitgekeerd", sprak hij mistroostig. "En dat hoewel het aantal leden gestegen was".
"En de notionele interest…?" probeerde ik, "valt daar niet wat mee te ritselen?".
"Al helemaal afgetrokken" schudde de heer secretaris het hoofd.
"Een forse verhoging van het lidgeld dan maar", opperde ik in een vlaag van moed en zelfopoffering.
"Vergeet niet dat het joggen de sport is van de Vlaamse middenklasse en dat die in dit land al alles betaalt", wedervoer de heer secretaris. "Je kan onze mensen niet vragen de ene helft van het jaar voor de staat te werken, en de andere helft voor joggingclub Icarus". En hij besloot: "Hoe opwindend het project van een eigen Icarus-bus ook is, ik vrees dat het in de huidige conjunctuur niet haalbaar is".
Van een koude douche gesproken, dat was er één. Zo'n geniaal plan, en daar zou dan niets van in huis komen wegens zoiets banaals als geld, dat kon toch niet.
Gelukkig is er ook nog het toeval. In de regel steekt het stokken in de wielen, maar heel uitzonderlijk helpt het een handje.
Enige tijd na mijn gedenkwaardig gesprek met de heer secretaris ontstond in dit land nogal wat ophef rond een rijke oude weduwe - een mevrouwtje van Spaanse origine dat vele jaren geleden in België in het huwelijk trad en sedertdien onafgebroken onder ons verblijft. Haar man was bij leven staatsambtenaar, en dus geniet ze een vrij degelijk overlevingspensioentje. Bovendien had ze recent wat meubeltjes en tableaukes die uit de erfenis van haar ouders stamden, van de hand gedaan. En dan int ze jaarlijks nog wat bescheiden auteursrechten, want lang geleden zijn enige sprookjes van haar hand verschenen.
Maar vooral: ze leeft zeer sober. Afgezien van het onderhouden van enkele gezelschapsdames, wat kapperskosten en de aankoop van een nieuw hoedje af en toe, geeft ze nauwelijks een euro uit. Zodoende heeft ze een bescheiden kapitaaltje bijeengespaard. Graag had ze deze zuurverdiende centjes na haar dood zien terechtkomen bij haar Spaanse neefjes en nichtjes, voor het geval deze door de aldaar zwaar toeslaande economische crisis hun baan - ze zijn werkzaam in de sinaasappelpluk - zouden kwijtraken. De schandalig hoge erfenisrechten in ons land kennende had ze haar fortuintje overgemaakt aan een zekere Fons Pereos, die er iets ging mee stichten, om het aldus uit de hebzuchtige klauwen van onze overheid te houden. Die het toch maar weer verbrast zou hebben, we kennen dat.
Zo heel precies herinner ik mij de hele zaak niet meer, maar wat mij wel nog levendig voor de geest staat is de heibel die in het hele land uitbrak toen dit, op zich toch zeer menselijke en beminnelijke plan, door enkele kniezerige journalisten aan de kaak werd gesteld. De schrik sloeg het oude menske om het hart, en ijlings nam ze het geld dat ze aan de stichtelijke heer Fons Pereos had gegeven, weer terug.   
Hebt u vervolgens in de media nog iets over de avonturen van dit vermogen vernomen? Neen! Weet u wat er na het afserveren van die Fons Pereos met de euro's van de oude weduwe is gebeurd? Neen! Ik wel, en als u mij belooft dat het onder ons blijft, zal ik een tipje van de sluier oplichten. 
Het toeval - ik had toch gezegd dat dat één keer in de honderd jaar eens aan de kant van de mensen van goede wil staat - wou dat een kennis van een vroegere klasgenoot van mij een vriendin heeft van wie het nichtje ooit eens, ter gelegenheid van een kerkelijke plechtigheid - iets charismatisch of zo - naast die oude rijke weduwe gezeten was - en, nadat verschillende vergeefse aanroepingen van de Heilige Geest hadden plaatsgehad, met haar in gesprek was geraakt. Ik overdrijf dus nauwelijks als ik zeg dat ik mij tot de inner circle mag rekenen van de gefortuneerde dame die ons hier aanbelangt. Het was dan ook een koud kunstje om haar geheime e-mail adres te bemachtigen (fabenboudrip@royals.com). 
Meer ga ik over deze aangelegenheid niet zeggen - ik wil niet de indruk wekken dat ik zit op te scheppen over mijn relaties - maar ik kan u verzekeren dat het kapitaal van de oude weduwe inmiddels op een volkomen 'witte' en moreel geheel verantwoorde wijze werd besteed. Meer nog: op een manier die tegemoet komt aan de sportieve noden en de gezondheid van onze bevolking. En die bovendien bijdraagt aan de bloei van het plaatselijk verenigingsleven, en aldus aan de versterking van het maatschappelijk zo belangrijke middenveld!
De vinnige geesten onder u hebben inmiddels al lang begrepen dat, eens ik mijn social networking had opgestart en de rijke doch gedesoriënteerde weduwe via een e-mailtje geheel kosteloos beleggingsadvies had verstrekt, de financiering van de Icarus-bus nog slechts een fluitje van een cent was. We konden ons zelfs het meest luxueuze exemplaar veroorloven dat in de autocars-world te vinden was - én full options hé: all directions-verstelbare seats, klassieke en walk-in douches, massageruimtes, infrarood-sauna, een relaxruimte met diverse computer- en televisie-screens, een bar met een uitgelezen assortiment drinks en cocktails, een speciale floor voor de gelijknamige shows…
Ja, de Heidejoggers van Zemst en de Jeneverjoggers van Haacht, en al de andere sportievelingen uit de omgeving, zullen nogal staan kijken als de Icarus-atleten van Boortmeerbeek aangereden komen in hun hoogtechnologisch vehikel! Weldra staan wij in het gehele joggersuniversum bekend als: Icarus, de club met de bus!
Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de belettering van onze autocar. "Elite Running Team Icarus Boortmeerbeek" komt er in sierlijke koeien van letters op te staan, en natuurlijk het logo van onze club, én foto's van de coryfeeën van ons genootschap. Wie dat precies zullen zijn is een goed bewaard geheim van het bestuur, maar dat men de drie bevallige Fransen die onze club rijk is, publicitair niet uitspelen zou, dàt zou me ten zeerste verbazen. 
Ongetwijfeld zijn al de Icarus- (en misschien zelfs de loopneutrale) lezers van dit blog inmiddels razend benieuwd om onze Icarus-bus in natura te aanschouwen… Welnu: dat kàn! Maandagavond 1 april a.s., om half acht, wordt de Icarus-bus in wereldpremière voorgesteld op de parking van de sporthal van Boortmeerbeek! Men kan ze bezoeken, de bar uittesten, en kennismaken met de masseuses die onze heer secretaris ondertussen op deskundige wijze heeft aangeworven!
(Dat onze Turkse masseur al present zal zijn kan ik niet beloven. Hij komt immers met de trein vanuit zijn woonplaats Şarkikaraağaç in Centraal-Turkije. Tot aan de Belgische grens zal dat geen pobleem zijn - maar vervolgens wordt zijn lot bepaald door de vakbondsacties, de wilde stakingen, de koperdiefstallen, de bevroren wissels, de afgeknapte bovenleidingen en de vele andere calamiteiten die onze vaderlandse spoorwegen kenmerken). 
Ik herhaal nog even, voor de goede orde: maandag eerstkomend, half acht 's avonds, parking van de sporthal. Beste Icarus-leden, supporters én belangstellenden: mis deze afspraak met de geschiedenis niet! 

Foto boven de tekst: de Royal VIP Bus van het evenementenbureau Locat uit Kasterlee. Men kan ze huren voor huwelijksfeesten, zakelijke bijeenkomsten, presentaties, enz. (meer info op www.locatevents.com). Met toestemming van en dank aan de firma Locat. 

vrijdag 22 maart 2013

Jozef Huybrechts


't En is van u hiernederwaard, geschilderd of geschreven (…), geen beeltenis, geen beeld van u gebleven. Geen tekening, geen lichtdrukmaal, geen beitelwerk van stene…
De versregels die de Vlaamse dichter Guido Gezelle aan zijn moeder wijdde, zijn ook van toepassing op Jozef Huybrechts (1828-1901), één van mijn betovergrootvaders. Ik heb geen foto van hem, kan me geen visueel beeld van hem vormen. Hij was overigens een tijdgenoot van Guido Gezelle (1830-1899).
Jozef Huybrechts heeft van het leven harde klappen gekregen. Hij was geboren in Keerbergen op 12 maart 1828. Toen hij net tien jaar was geworden overleed - op 20 maart 1838 - zijn moeder.
In 1857 huwde Jozef in Rijmenam met Isabella Catharina Janssens. In 1858 zag een dochter het levenslicht: mijn overgrootmoeder Rosalia Huybrechts. Op zondag 3 augustus 1862 werd een tweede kind geboren. Helaas… bij de bevalling kwamen zowel de 34-jarige moeder als het kind - een zoontje - om het leven. Jozef Huybrechts was weduwnaar…
Mijn overgrootmoeder Rosalia Huybrechts was toen drie jaar oud. Ze werd ondergebracht in het grote gezin van een tante, die haar, volgens de familie-overlevering, goed en op gelijke voet met de eigen kinderen behandelde.
Jozef Huybrechts kwam aan de kost als zandboer. Hij verkocht wit zand dat in die tijd op de lemen of roodstenen vloeren van de huizen gestrooid werd. Het zand moest de vloeren, nadat ze geschuurd waren, beschermen tegen vuil - met name tegen ronddwarrelend stof. Kunstzinnige huisvrouwen strooiden het in sierlijke lijnen en kringen, waardoor het een soort vloerdecoratie werd.
In de streek van Keerbergen en Rijmenam was het uitgraven, verwerken en verkopen van fijn wit zand een destijds veel beoefende broodwinning. Het zand werd gewassen en gedroogd, en dan met een kruiwagen of karretje naar de klanten gevoerd. Zo trok Jozef Huybrechts elke zaterdag met een kruiwagen wit zand naar Mechelen om het er aan de man (of de vrouw) te brengen. Zwaar werk, want de kruiwagens van toen waren veel logger dan die van nu.
In Keerbergen, waar er in 1895 niet minder dan elf dergelijke zandverkopers woonden, werd in 1986 een standbeeld voor de zandventers opgericht. Gezegden als "moet er geen zand zijn?" of "moet er nog zand zijn?" herinneren in de taal van vandaag nog aan de zandleurders van destijds. Het zullen door hen tot in den treure gestelde vragen zijn geweest.
Naast zand moet Jozef Huybrechts ook dennenbomenzaad verkocht hebben. In de zomer verzamelde hij dennenappels, die in de toen rijk met dennenbossen begiftigde streek van Rijmenam en Keerbergen voor het rapen lagen. Hij droogde deze vruchten van de dennenbomen in de zon en kon er vervolgens vrij gemakkelijk de zaden uit losmaken. Die ging hij dan verkopen in de Ardennen, waardoor hij soms weken van huis was.
We maken een sprong in de tijd. Naar medio maart 1901. Jozef Huybrechts is 73 geworden - naar de normen van die tijd is hij een bejaard man. Hij woont nu in bij zijn dochter Rosalia Huybrechts (mijn overgrootmoeder), die gehuwd is met Pieter Aloïs Wollebrants (mijn overgrootvader). Het echtpaar Wollebrants-Huybrechts heeft zes kinderen. Hun jongste zoontje, Alfons (eigenlijk Lodewijk Alfons), is geboren op 6 januari 1901 - ruim twee maanden eerder dus. Het is een nakomertje, want de beide ouders zijn al 42 jaar oud, en de andere kinderen 19, 17, 14, 11 en 8. Die elfjarige, dat is Frans ("Soehe"), mijn grootvader.
De twee oudste kinderen zijn reeds het huis uit. Ondanks dat woont het gezin toch in weinig riante omstandigheden, want men is gehuisvest in Rijmenam aan de Dijle, in het klein brughuis, en die woning doet haar naam alle eer aan door inderdaad allesbehalve ruim te zijn.
Het is donderdagavond 21 maart, rond kwart na zeven. De duisternis is al ingevallen. Voor hij slapen gaat, begeeft Jozef Huybrechts zich nog naar het toilet. Zoals vroeger gebruikelijk ligt dat in een apart gebouwtje, "het huiske" (huisje) genoemd. Bij het klein brughuis bevindt het zich naast de woning. Jozef moet langs de donkere Dijledijk. Die is erg smal. Als het regent ligt hij er modderig en glad bij. Bij droog weer maken de diepe karrensporen het paadje hobbelig en slecht begaanbaar.
Is Jozef Huybrechts gestruikeld? Uitgegleden? Hebben zijn oude ogen hem misleid? Wat er ook van zij: hij komt in het koude en snelstromende Dijlewater terecht!
In het verslag dat enkele dagen later in de krant Gazet van Mechelen verscheen, staat (ik citeer letterlijk): "Donderdag avond, rond 7 1/4 ure, was de ouderling naar het gemak gegaan, dat nabij de Dyle staat, en niet klaar ziende is hij in het water gesukkeld. De woning bevindt zich op omtrent drij meters van de rivier. De familie zag hunnen ouden vader 's avonds niet meer wederkeeren en deze hebben gansch den nacht in de grootste onrust doorgebracht. Daags nadien vreesden zij het ergste, doch zij bleven nog altijd hopen...".
Op vrijdag 22 maart 1901 werd het stoffelijk overschot van Jozef Huybrechts te Mechelen gevonden, "in de waters der Dijle ter plaatse Raghenoplaats", zoals in de overlijdensakte vermeld wordt. In het reeds genoemde artikel in Gazet van Mechelen lezen we: "Vrijdag middag, rond één uur, zagen eenige kinderen een lijk liggen in de Dyle, nabij het fabriek Roestenberg, en maakten dit kenbaar aan de voorbijgangers, die op dit oogenblik zeer talrijk waren, daar het juist het uur was van den terugkeer naar het Arsenaal en andere werkhuizen, gelegen in den omtrek. Eenige personen maakten een bootje los dat aan de sluis lag, en vaarden naar de plaats waar de drenkeling zich bevond en brachten het lijk aan wal. De policie werd verwittigd en men bracht den onbekende naar het doodenhuis".
Een uur later werd het lijk door een inwoner van Mechelen geïdentificeerd, waarna de familieleden in Rijmenam per telegram op de hoogte werden gebracht. "Men moet niet vragen hoe dit nieuws hun beving. Dit smartelijk ongeluk heeft in de gemeente Rymenam eene algemeene droefheid verwekt", aldus Gazet van Mechelen.
Later in het jaar 1901 verhuisden Pieter Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts met hun kinderen naar een nieuw huis dat ze hadden laten bouwen aan de Rijmenamsebaan in Boortmeerbeek. Deze woning was voor die tijd erg ruim. 

Foto boven deze tekst: het klein brughuis met (uiterst rechts) het "huiske" (toilet), de dijk (nu met hekwerk, toen niet), de Dijle - de plaats waar mijn betovergrootvader verdronk. Eigen opname, 19 maart 2013. 

Alle in dit artikel verwerkte informatie komt uit de door mij geschreven familiekroniek.

Over het wonen van mijn overgrootouders Pieter Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts in het klein brughuis in Rijmenam: zie mijn blogtekst Klein brughuis van 24 augustus 2012.