vrijdag 2 augustus 2013

Roger Moens


Zoals ik eerder op dit weblog vertelde begonnen mijn jeugdvriend Etienne en ik op 18 augustus 1962 met het verzamelen van handtekeningen van bekende wielrenners (zie mijn blogstukje Werchter van 17 augustus 2012). We bekwamen die door op wedstrijden coureurs aan de mouw te trekken (figuurlijk dan, want koerstruitjes hebben slechts korte mouwtjes), of door ze een vriendelijk briefje te sturen.
Al snel breidden we ons jachtterrein uit tot de vedetten van andere sporttakken en van de show-business. Later voegde ik er - daarin echter niet meer gevolgd door mijn vriend - ook nog Vlaamse en Nederlandse schrijvers aan toe.
Al die handtekeningen kleefde ik in albums: stond de handtekening niet op een foto, dan voegde ik in de regel zelf een beeltenis van de signeerder toe (tenminste indien ik daarover beschikte). Ik kwam tot twee albums met wielrenners-autogrammen (in totaal 119 handtekeningen - toch wel een indrukwekkende collectie stel ik nu met enige verbazing vast), één album met signaturen van "andere sporters", één album met sterren van de amusementsmuziek en één album met (inmiddels allemaal overleden) literatoren.
Over de wielrenners en de zangers en zangeresjes in mijn collectie, en over de auteurs, zal ik het later (misschien) nog eens hebben, vandaag wil ik me verdiepen in het album van de "andere sporttakken", de niet-fietsende sportsterren dus.
Het opent met een handtekening van de grote Nederlandse judoka Anton Geesink, die in 1964 op de Olympische Spelen goud won (in Tokio, tegen een Japanner - en dat terwijl het judo nota bene een van oorsprong puur Japanse aangelegenheid was). Dat ik rond dezelfde tijd in een club in mijn dorp de judo-sport beoefende zal aan mijn bewondering voor de grote Geesink allicht niet vreemd zijn geweest.
Op de volgende bladzijde van mijn "andere sporten"-album prijken drie autogrammen van motorcrossers: ik verwierf ze in situ toen ik tijdens de Paasvakantie van 1965 een motorcrosswedstrijd op de Kesselse Bergen in Leuven bijwoonde. Bij mijn speurtocht naar de chronologische situering van deze gebeurtenis, ontdekte ik zowaar zelfs een klein verslagje dat ik er destijds (ik vermoed aan het eind van '65) over schreef. Ik citeer... "Motorcross Kesselse Bergen (Leuven). Ik ben hier naartoe geweest met Michel, bij wie er ter gelegenheid daarvan een feestje was. Ik kon er handtekeningen bemachtigen van Smith, Robert, Baeten en Baeke. Er waren ook wedstrijden voor tweespannen, maar de hoofdbrok was natuurlijk de 500 cc, schitterend gewonnen door Joël Robert. Dit was mijn eerste kennismaking met de motosport en deze is mij erg meegevallen". Gelukkig is het bij die eerste kennismaking gebleven - denk ik nu. De Michel van wie sprake, was overigens andermaal een jeugdvriend (Michel Van Espen), hij woonde in Wilsele (bij Leuven).
Van de handtekeningen die ik op de Kesselse Bergen binnenrijfde zijn er drie in mijn album terechtgekomen (weliswaar zonder foto): deze van Jeffrey Smith, Joël Robert en Walter Baeten. De signatuur van Willy Baeke heb ik niet in mijn album opgenomen (ze is wel in losse vorm bewaard): kennelijk had hij (nog) niet de prestaties geleverd die een opname in mijn walk-of-fame-in-albumvorm konden verantwoorden.
De Brit Jeffrey of Jeff Smith was wereldkampioen in de 500cc-klasse in 1964 en 1965, de Waal Joël Robert wereldkampioen in de 250cc-categorie in 1964 (en later - van 1968 tot 1972 - nog vijf keer), Walter Baeten was in het midden van de sixties een bekend Vlaams crosser (broer van de in 1960 verongelukte René Baeten).
Na deze drie lawaai- en uitlaatgassen-sporters (ik zou motorcross nu zelfs niet meer als een echte sport beschouwen, idem voor het autorennen dat ik in mijn prille kinderjaren nochtans aantrekkelijk vond) komen we bij de zwemmers Herman Verbauwen ("met al mijn sympathie aan François") en François Simons, dan volgen biljarter Raymond Ceulemans (uiteindelijk een eindeloos aantal keren wereld-, Europees en Belgisch kampioen), en basketter Willy Steveniers. 
Vervolgens twee voetballers: Martin Lippens en Gerard, alias "Pummy", Bergholtz. Laatstgenoemde had me kennelijk nogal lang op een reactie laten wachten, want hij voegde een briefje van verontschuldigende strekking toe.
Martin Lippens was van het midden van de fifties tot het midden van de sixties één van de boegbeelden van de Brusselse voetbalclub Anderlecht. De Nederlander Bergholtz was in de zomer van 1965 door datzelfde Anderlecht overgekocht van Feyenoord en zou met zijn Belgische club drie opeenvolgende jaren (1966, 1967, 1968) landskampioen worden.
Ter vervollediging van mijn overzicht moet ik nog melden dat ik bij de niet ingekleefde handtekeningen deze aantrof van twee (ook in de jaren zestig al) oude voetbalgloriën: Raymond Braine en "Torreke" (Victor) Lemberechts. In tegenstelling tot de casus Willy Baeke (zie eerder) mag de niet-ingeplakte-status van deze handtekeningen evenwel niet uitgelegd worden als zou ik de zetters ervan te onbenullige figuren hebben gevonden - zeker niet. Waarschijnlijk was ik nog op zoek naar een foto van deze historische voetbalhelden, of misschien zijn ze gewoonweg het slachtoffer geworden van het feit dat bij nogal wat van door mij aan de dag gelegde activiteiten de finishing touch gewoontegetrouw tot het terrein der nooit uitgevoerde goede bedoelingen behoort. Ik durf er een rondje op verwedden dat ik bij mijn dood een aantal onafgewerkte zaken zal achterlaten. Tot mijn verdediging zal ik dan aanvoeren dat ik altijd (soms noodgedwongen) met zoveel verschillende zaken tegelijk bezig ben geweest.
Aha, na het voetbalhoofdstuk(je) komen we eindelijk waar we wezen moeten, en waar het mij bij het schrijven van dit stukje eigenlijk om begonnen was. Hoe zit het met de hardlopers in mijn autogrammencollectie? Gelet op de passie voor het runnen die ik de afgelopen tijd - helaas veel te laat - ontwikkeld heb, zal het u niet verbazen dat ik thans opklim naar een staat van verhoogde belangstelling - naar een soort schrijvend runners high… 
Hm, ik stel met veel genoegen en diepe voldoening vast ik de drie Belgische grootsten van het hardlopen (en van de atletiek tout court) van vóór en tijdens "mijn tijd" in mijn album heb zitten! Van vóór mijn tijd: Gaston Reiff (zonder foto - maar ik heb nog plaats voor zijn portret uitgespaard). Van uit mijn kinderjaren (de fifties): Roger Moens. Van uit mijn jeugd (de sixties, de tijd waarin ik mijn handtekeningenverzameling aanlegde): Gaston Roelants.
Gaston Reiff (°1921 - een leeftijdsgenoot van mijn vader) had op de Olympische Spelen van Londen in 1948 goud behaald op de 5000 meter (en daarbij de vermaarde Tsjechische "locomotief" Emil Zatopek achter zich gelaten).
Roger Moens (°1930) had in augustus 1955 het zestien jaar oude wereldrecord op de 800 meter - één van de meest prestigieuze "nummers" van de atletieksport - verbeterd. Door een dom ongeval had hij het jaar daarop de Olympische Spelen - en een levensgrote kans op een gouden medaille - aan zich moeten laten voorbijgaan.
Hij was echter nog steeds wereldrecordhouder toen hij, in 1960, als grote favoriet naar de Olympische Spelen van Rome trok. Om er in de laatste meters verrast te worden door de Nieuw-Zeelander Peter Snell, en dus "slechts" zilver op zijn palmares te kunnen schrijven.
Gaston Roelants (°1937) won op de Olympische Spelen van 1964 in Tokio de gouden medaille op de 3000 meter steeplechase. Hij was ook een bijzonder succesvol crosscountry-loper.
Gaston Reiff was (is) voor mij niet veel meer dan een legendarisch klinkende naam. De Leuvenaar Gaston Roelants heb ik altijd een wat gladde figuur gevonden. Maar Roger Moens, beste lezers en lezeressen, die behoort cum laude tot het Walhalla van door mij bewonderde figuren. Aan de basis van deze adoratie ligt zonder twijfel de wijze waarop de heer Moens destijds mijn per brief gestelde vraag naar een handtekening beantwoordde.
In de categorie "andere sporters" (niet-wielrenners dus) - en ook bij de schrijvers trouwens - voegde ik aan mijn autogrammen-verzoekschriften altijd een kaartje toe waarop de gegadigden hun handtekening konden plaatsen, omdat deze mensen (de actieve voetballers uitgezonderd) veelal niet baadden in de commerciële luxe die de coureurs van glanzende - en van reclame voorziene - portretten voorzag.
Gaston Reiff maakte gebruik van dat kaartje. Gaston Roelants stuurde een foto met sluikreclame. Officieel was hij - zoals elke beoefenaar van een Olympische sport in die dagen - een niet-professioneel en dus niet-vergoed sporter. Men ziet hem in actie tijdens een veldloop. Maar kijk, de opname werd gemaakt nét op het ogenblik dat hij een reclamebord "Aperitivo Gancia" voorbijliep. Bekijkt men de compositie van het geheel dan merkt men dat het reclamebord pal in het midden van het beeld en dus centraal in het gezichtsveld staat. Links de lopende Roelants. Dat kan geen toeval zijn, denk ik dan.
Wat deed Roger Moens? Hij stuurde mij een grote foto (18 cm. hoog en 13 cm. breed) - het moet de grootste uit heel mijn collectie zijn. Geen spatje openlijke of verdoken reclame te bekennen. Zijn handtekening keurig - en ongetwijfeld eigenhandig - met blauwe balpen op het glanzende beeld gezet. Op de rugzijde, in handschrift: "Oslo 3-8-1955 / 1'45"7 W.R.". Met andere woorden: de plaats en de datum waarop de foto was gemaakt, en de historische gebeurtenis die hij vastlegde! Trouwe lezers van dit blog weten hoe tuk ik ben op de accurate situeringen van gebeurtenissen - wel, dit was er een schoolvoorbeeld van. Zonder dat hij - of ik - dat toen beseften had Roger Moens, door het plaatsen van die aantekening op de keerzijde, mijn hart gestolen (ik ben mij immers pas later bewust geworden van mijn liefde voor nauwkeurige dateringen en voor zorgvuldigheid in het algemeen).
Jammer genoeg zijn, door het inkleven van de foto in mijn album, Roger Moens' notities niet meer zichtbaar (ik was een kind, hoe kon ik weten dat men zaken van historische betekenis best zo onbewerkt en ongeschonden mogelijk laat...). Gelukkig (en wat dat betreft ben ik dan toch weer tevreden van mezelf) noteerde ik vóór het inplakken heel nauwgezet wat Roger op de achterkant geschreven had.
De afmetingen van de foto, de afwezigheid van elke commercie-smet, het aanbrengen van de precieze gegevens met betrekking tot plaats, tijd en betekenis... en ja, ook het feit dat het hier niet ging om een portret maar om een actiefoto (waardoor het accent dus niet lag op het vedetterige, maar op de daad)... uit dat alles spraken een authentieke gedrevenheid - een aandacht en liefde voor, en een gepaste, niet-opschepperige, trots op, waar deze man, deze Roger Moens, mee bezig was. Ik voelde dat aan, toen. Ik zou een vergelijking durven maken met Ronde-van-Frankrijk-winnaar Chris Froome: ook hij lijkt me iemand bij wie sportieve met menselijke kwaliteiten - intelligentie, beschaving en écht sportsmanship - samengaan.
Misschien droeg het feit dat Roger Moens inspecteur was bij de gerechtelijke politie (wat ik "ergens" - vaag dus - moet geweten hebben) bij tot de degelijkheid die ik hem toeschreef. Later zou hij het tot commissaris-generaal in zijn branche schoppen: en zie, in dit geval ben ik zelfs geneigd te geloven dat dit deels met capaciteiten te maken had, terwijl alle Belgen natuurlijk weten dat het in hun land via de ("juiste") partijkaart is dat in overheidsdienst carrière wordt gemaakt.
Terug naar de foto die Roger Moens - het moet zo rond het midden van de jaren zestig zijn geweest - mij stuurde, en die ik uiteraard boven deze blogtekst heb gezet. Hij toont ons Roger op het toppunt van zijn hardloperskunnen: hoe hij op die gedenkwaardige woensdag 3 augustus 1955 in het Bislett-Stadion in de Noorse hoofdstad Oslo een nieuw wereldrecord op de 800 meter vestigde.
De tweede atleet op de foto, die net na Moens finishte en het record dus op een haar na miste, is de Noor Audun Boysen. Eigenlijk was de wedstrijd in Oslo bedoeld om Boysen de gelegenheid te geven het uit 1939 daterende wereldrecord van de Duitser Rudolf Harbig te verbeteren - men had zelfs gezorgd voor een "haas" die voor een snelle eerste wedstrijdhelft moest zorgen. 
Ik was ten tijde van dat wereldrecord zes jaar jong, kan mij het nieuwsfeit niet "uit eigen geheugen" herinneren, maar mijn vader zal er in zijn krant zeker over gelezen hebben.
Wat me nog wel - zelfs levendig - voor de geest staat is de grote ontgoocheling van Roger Moens na zijn nederlaag in de 800 meter-finale op de Olympische Spelen van Rome in 1960, waar de toen onbekende Nieuw-Zeelander Snell hem in de ultieme meters voorbijstak. Na de desastreuze afloop van de race bleef Roger minutenlang op zijn knieën in het gras naast de piste zitten, het hoofd in de handen.  
De foto van het ereschavotje van die 800 meter-finale van 1960, met winnaar Peter Snell (°1938), Roger Moens (tweede) en de Jamaicaan George Kerr (°1937, derde) is mij sterk bijgebleven. Roger Moens staat er met gebogen hoofd bij. Hij draagt een donkere bril om zijn door tranen getekende ogen te verbergen. Zelden werd sportieve teleurstelling zo pakkend in beeld gebracht. En toch, de tranen van Roger maakten hem niet kleiner, noch als atleet, noch als mens. Integendeel. Een man mag huilen. 

Foto: Roger Moens verbetert het wereldrecord op de 800 meter, Oslo, 3 augustus 1955.

Voornaamste geraadpleegde bronnen: internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige versie), nl.wikipedia.org/, geraadpleegd juli 2013; artikel Moens is snelste, in: Kroniek van de 20ste eeuw, Amsterdam-Brussel, 1985, blz. 675; fragment uit het televisieprogramma Belga Sport: Roger Moens, een gouden glans, op website YouTube, www.youtube.com, geraadpleegd juli 2013.

vrijdag 26 juli 2013

De berenfamilie


Het gezicht van de zomer. Niet de werkelijke zomer, de zomer waarin we leefden of die we nu beleven. Maar de zomer zoals we die voorgesteld zien op schilderijen of op plaatjes in boeken. De zomer die mooier is dan de echte. 
Er is veel kans dat ik dàt gezicht van de zomer - de verbeelde zomer - voor het eerst heb gezien in De Beren Familie (sic). Een boek uit mijn prilste kinderjaren. Eén van mijn eerste boeken. Een boek uit de vroege fifties.
Het is, vreemd genoeg, een boek zonder kaft. Ja, die zal in de loop der tijden in de vernieling zijn geraakt, hoor ik u denken. Dat zou kunnen, maar zo zeker ben ik daar nog niet van. In elk geval kan ik me niet herinneren dat het boek er ooit anders heeft uitgezien dan nu. Dat de titel in grote letters bovenaan op de voorpagina prijkt, maakt aannemelijk dat er van een eigenlijke kaft nooit sprake is geweest. Het ontbreken van elke aanduiding inzake tekenaar, auteur of zelfs uitgeverij, wijst dan weer eerder in de richting van een verdwenen kaft, dat moet ik toegeven.
Mijn berenboek is een echt zomerboek. Het begint al op de bladzijden 2 en 3, waar een berengezin op picknick gaat: "Heel de dag naar bos en hei / Met een mand vol lekkernij"! Voor jonge lezertjes: in de goede oude tijd, toen die vreselijke barbecues met hun salmonella- en E. Coli-bacteriën en hun weeë rookpluimen nog niet uitgevonden waren (lees: uit Amerika overgewaaid), trokken de mensen soms met een korf vol voedsel en drank voor een dagje de natuur in (die toen ook in onze streken nog bestond). Dat heette dan een picknick. 
Het berengezin beleeft een leuke dag: vader, moeder en de drie berenkindjes spelen met de bal, en dat "geeft hen reuzepret". Maar... "Op de mand wordt niet gelet"!
En ja, zelfs in die goede oude tijd kon men zijn zaken maar beter niet onbeheerd achter laten, want wat zien we op het volgende plaatje? Alle mogelijke dieren uit het bos storten zich op het proviand van onze beren-vrienden. En of ze smikkelen en smullen! U raadt het vervolg: als de beren zich te goed willen doen aan het lekkers dat ze hebben meegebracht, wacht hen een bittere teleurstelling: "Ach wat schrikken onze beren / Hong'rig gaan zij huiswaarts keren". 
"Van dit boek met al die beren, / Kun je vast nog heel veel leren" staat er op de eerste pagina van mijn berenboek, en inderdaad: uit het picknick-verhaal had ik als kind kunnen opsteken dat men zijn spullen niet uit het oog mag verliezen, zijn medeschepselen niet mag vertrouwen, en er nooit mag van uitgaan dat een leuke dag een happy-end zal kennen. Of ik dat destijds inderdaad geleerd heb betwijfel ik.
Bladzijden 4 en 5 - de nummering komt van mij, want in het boek zelf staan geen paginanummers - worden gevuld met één grote, bijzonder tot de verbeelding sprekende prent. De familie Beer - vader, moeder en nu al vijf kleine beertjes - heeft zich teruggetrokken ergens aan een meer, en beleeft al de geneugten van een dagje aan het water. Eentje laat zich drijven op een boomstam, een ander doet dit op een luchtkussentje en leest er zowaar een boek bij...
Vader Beer, die kennelijk Mopsie heet (hetgeen ik een wat rare naam vind voor een achtenswaardige vader), heeft zich in een houten kuip te water begeven - echter niet nadat hij deze op handige wijze heeft voorzien van een mast en een zeil... "Mopsie Beer die rare snaak, / Nam de tobbe en in een wip / Maakte hij een prachtig schip".
Moeder Beer komt met een bal onder de arm in badpak het water uitgestapt. Helemaal rechts zien we een emmertje en een schopje. Ik heb geaarzeld of ik dit beeld van de zomer niet boven mijn tekst zou zetten, want het heeft mijn kinderlijk zomerbeeld zeker in aanzienlijke mate vorm gegeven, maar zoals u ziet is mijn keuze uiteindelijk op twee andere, kleinere plaatjes gevallen (ook al omdat hun formaat zich leende tot inscannen, hetgeen met de grote prent niet het geval was).
Op bladzijden 6 en 7 staat weer een grote prent, een "trouwpartij" deze keer - niet echt iets voor de zomer, meer voor de lente eigenlijk, dus dit berenpaar dat opgedirkt en op een rode loper de kerk uit komt gestapt, slaan we maar even over. Als kind had ik overigens geen enkele belangstelling voor het huwelijk.
We gaan naar de bladzijden 8 en 9, waar de belofte dat we heel veel gingen leren, weer helemaal waar wordt gemaakt, want twaalf plaatjes geven ons een verrukkelijk beeld van de maanden van het jaar. Uit deze visuele kalender pluk ik de prentjes voor juli en augustus, en deze zet ik boven dit stukje, want dit zijn toch echt wel de oer-beelden die ik als kind van de zomer-zoals-voorgesteld-op-plaatjes heb opgeslagen (en in de diepste regionen van mijn hersenen bewaard). Het zijn zeer eenvoudige taferelen - eenvoud hoort bij het wezenlijke (dat heeft Einstein ooit al eens gezegd, dacht ik). 
Ja, de zomer, de vakantie... dat zijn gouden korenschoven op het veld in juli... en dat is een zandkasteel met een vlag, aan de blauwe zee, in augustus. En een reiskoffer in het zand. Heb ik in mijn kinderjaren (en later) ooit korenschoven op velden zien staan? Geenszins. Verbleef ik in mijn jongste jaren ooit in augustus aan zee? Neen, in juli, en dat was later pas. Zetten vakantiegangers hun valiezen op het strand? Natuurlijk niet. Maar, zoals gezegd: het gaat hier niet om de échte, maar om de getekende, de ingekleurde, de gedroomde, de verlangde zomer.
Op de volgende bladzijde van mijn berenboek (als ik goed tel zijn we aan bladzijde 10), krijgen we de kleuren aangeleerd. "Rood is de auto, die rijdt hier met spoed / Maar 't beertje dat stuurt, hij kan het heel goed". Hm, denk ik nu, als kind kreeg je hier onbewust de boodschap mee dat wie in de waan verkeert een goed chauffeur te zijn, best snel mocht rijden. Zelfoverschatting en verkeers(on)veiligheid...
Overigens: achter àlle onschuldig ogende plaatjes en praatjes - zeker ook die van de hedendaagse media - zitten hidden messages die we ongeweten en ongewild ingelepeld krijgen, en die ons denken en doen beïnvloeden. De demagogie zit overal, we zijn gemanipuleerde wezens, het is niet anders.
Op bladzijde 11 wordt de leer der kleuren gecombineerd met het onderwijzen van enig eenvoudig rekenwerk, van het genre: "Eén beertje is bruin, twee anderen geel / Tesaam zijn 't er? zeg jij maar hoeveel". Of: "Twee rode blokken onderaan, 4 groene er dan opgedaan / Dan zie je bij elkaar zes mooie blokken staan". Leuke rijmpjes dat wel, maar als men met zulk vermoeiend rekenwerk aan komt zetten, dan is het duidelijk dat de schoolplicht weer in aantocht is. En inderdaad: op de laatste bladzijde zitten de beertjes rond hun meester geschaard, want: "Net als jullie gaan de beren / Ook naar school, om veel te leren". De zomer, die gaat altijd (te) snel voorbij.

zaterdag 20 juli 2013

Engelberg


Rond het jaar 1372 tekenden monniken van de abdij van het Zwitserse Engelberg allerlei gezangen op waar in hun tijd en streek de godsdienstige plechtigheden mee opgeluisterd werden. Rond 1400 zette abt Walter Mirer dit werk voort. De verzameling teksten en partituren die de kloosterlingen van Engelberg in de laatste decennia van de 14de en de eerste jaren van de 15de eeuw aanlegden staat in de muziekgeschiedenis bekend als Codex 314.
Het manuscript is om verschillende redenen merkwaardig. Niet in het minst omdat het naast Latijnse ook Duitse teksten bevat, en aldus één van de oudste bronnen van liederen in het Duits vormt. Maar ook omdat het gezangen bevat die kennelijk al een lange mondelinge overlevering achter zich hadden, maar - waarschijnlijk omwille van hun monofone of nog zeer eenvoudige polyfone karakter - niet eerder opgetekend waren. Vergeleken met hun Franse of Italiaanse equivalenten waren ze in hun eigen tijd al lekker ouderwets.
In 1991 verscheen een compact-disc met een selectie van liederen uit de Codex 314, uitgevoerd door het gereputeerde Zwitserse koor Schola Cantorum Basiliensis, onder de leiding van Dominique Vellard (de opnamen gebeurden - zo lees ik in het boekje bij de cd - in de kerk van Ottmarsheim, in maart 1986). Ik heb de indruk dat het inmiddels één van de bekendste middeleeuwse-muziek-cd's is geworden.
Ik luister bij voorkeur in de duisternis van de nacht naar deze (en andere) middeleeuwse muziek: dan is het alsof je stemmen hoort uit een andere wereld. Er gaat ook een diepe rust uit van deze liederen. Wie zich nooit aan de middeleeuwse muziek begeeft, mist een bijzondere ervaring in het leven (maar dat kan natuurlijk ook gezegd worden van het hardlopen en een aantal andere bezigheden).
Engelberg is een beminnelijk plaatsje midden in Zwitserland, zo'n 25 kilometer ten zuiden van het Vierwoudstedenmeer. Het wordt omgeven door bergen, met de Hahnen (2600 meter) in het oosten en de Titlis (3238 meter) in het zuiden als hoogste toppen. De enige natuurlijke toegang tot Engelberg wordt gevormd door het in het noorden gelegen dal van het riviertje de Aa.
Ik was in Engelberg in de zomers van 1990 en 1991. Ik was er met vrouw en kinderen, dit wil zeggen: de drie oudsten, want de jongste moest nog geboren worden. Het waren gezinsvakanties. Onze kinderen waren nog klein, talent- en beloftevol - zoals nakomelingen dat in hun prille jaren en in de ogen van hun ouders altijd zijn. Ik had ze graag bij me, wou ze in de vakantie niet uitbesteden, maar als ouders wilden we toch ook wat tijd voor onszelf: daarom namen we - en we hebben dat enkele jaren na mekaar gedaan - onze intrek in een Zwitsers hotel van (of uitgebaat door) de in Vlaanderen zeer bekende reisorganisatie Intersoc.
Die zorgde ter plaatse voor "clubs", waarin de meegereisde kinderen in de voor- en namiddag onder de leiding van Nederlandstalige monitoren en monitrices, en in het gezelschap van leeftijdsgenootjes, allerlei aan hun leeftijd en interesses aangepaste activiteiten ontplooiden. Voor de ouders werden bergtochten georganiseerd, onder de leiding van ervaren gidsen.
Uiteraard gold het devies "vrijheid, blijheid": wou je er eens een dagje zelf met je kinderen op uit trekken, of op eigen houtje de bergen intrekken… geen probleem. Intersoc werkt overigens nog altijd volgens deze succesformule.
Anno 1990 waren onze jongste kinderen enthousiaste leden van de "mini-club" (de "mini's" !), in 1991 trokken ze alle drie stoer op met de "maxi-club" (de "maxi's" !).
Goedkoop was het niet (Zwitserland was en is nu eenmaal een duur land), maar je kreeg wel value for money, want de hotels - en zeker ook de maaltijden die er geserveerd werden - waren van uitstekende kwaliteit. Zo logeerden we in 1990 en 1991 in Hotel Terrace, één van die chique grand hotels uit de Belle Epoque-jaren van het toerisme: gebouwd in 1903 in Jugendstil, aangevuld met het nodige hedendaagse comfort, gelegen vrij hoog tegen de berghelling aan, met schitterend uitzicht op de Titlis. Vanuit het centrum van Engelberg liep een klein rood bergtreintje steil omhoog naar het hotel (dat overigens ook met de auto bereikbaar was).
Het zou me geenszins verwonderd hebben mocht ik op het zonneterras of in het restaurant van dit hotel Hans Castorp of zowaar zelfs de mysterieuze en voor haar tijd zeer vrijgevochten mevrouw Chauchat tegen het lijf zijn gelopen - personages uit Thomas Manns beroemde roman De Toverberg (al weet ik als Mann-fan natuurlijk dat daarvoor een sanatorium in Davos model heeft gestaan, een zelfde imposant gebouw, waar Manns echtgenote Katia in 1912 verbleef).
Dankzij de reisnotities die mijn vrouw destijds maakte, kan ik nu nog aanstippen dat we in 1990 de kamers 509 (de ouders) en 507 (de kinderen) en in 1991 de kamers 321 (de ouders) en 326 (de kinderen) betrokken.
We ondernamen de - voor "de klein mannen" natuurlijk erg lange - autoreizen naar Engelberg tijdens de nacht. Dat betekende rust op de achterbank en op de snelweg. En eindelijk kwam het feit dat ik een geboren nachtmens ben mij eens goed uit.
In 1990 vertrokken we rond zeven uur en arriveerden in Engelberg heel vroeg in de nog zeer frisse ochtend - gelukkig vonden we het Café Désiré al geopend en vielen daar niet enkel warme drankjes maar ook croissants te verkrijgen.
In 1991 namen we een valse start - de toiletartikelen vergeten! - en waren we pas rond tien uur definitief op weg (later bleken onze "vakantiekaarten" - de Intersoc-inschrijvingsbewijzen - nog thuis te liggen, maar daar zijn we niet voor teruggekeerd, en dat heeft ook geen problemen opgeleverd).
Ik rij naar Zwitserland altijd via de Duitse autobahnen (Kerpen, Koblenz, Karslruhe, Freiburg…), niet enkel om de péage-uitbuiting op de Franse snelwegen te ontwijken, maar vooral omdat ik, mocht er onverhoopt toch wat mislopen, mij en de mijnen met meer vertrouwen aan de Duitse hulpdiensten en ziekenhuizen uitlever dan aan de Franse.
Het waren heerlijke dagen in Engelberg. Mijn vrouw en ik maakten stevige voettochten in de omgeving. De oudste kinderen gingen met de maxi-club "op tweedaagse", waarbij ze bleven overnachten in de berghut van Brünni. Soms trokken we met heel het gezin de bergen in, naar End der Welt (15 juli 1990) of Bergli (18 juli 1991).
Een mooi excursie-doel was de hooggelegen Trübsee: in '90 ging ik er met mijn vrouw via de kabelbaan naar toe, en maakte ik er in een artistieke bui een potloodschets van het landschap (we keerden te voet terug), in '91 stapte ik er met mijn (toen) jongste zoon naar toe (we kwamen met de kabelbaan terug).
We namen deel aan de door Intersoc georganiseerde "boerenbuffetten" op het terras van het bergrestaurant Ristis en aan de "Zwitserse avond" in ons hotel.
We bezochten (in 1990) de Benedictijnenabdij van Engelberg, waar een Nederlandstalige pater ons rondleidde. 's Zondags (15 juli 1990, 21 juli 1991) woonden we de Gregoriaanse mis bij in de abdijkerk. Het kloostergebouw zelf doet, met zijn witte muren, aan de buitenzijde koel en strak aan (wit is altijd kil). Binnen zorgt het hout van de lambriseringen aan de deuren en het invallende zonlicht voor warmte en behaaglijkheid. In het interieur van de abdijkerk: een soortgelijk contrast tussen witte muren en barokke decoratie. Zoals ik het mijn studenten altijd leerde: de Barok zocht het effect (en de emotie) - net als de hedendaagse populaire media.
Maar de (voor mij) mooiste Engelberg-momenten waren toch die waarop we in het zonovergoten park van het Kurhaus van de openluchtconcerten genoten. Het trio van il professore Vittorio Cacciatori bracht er salonmuziek uit de Belle Epoque (en daaromtrent) ten gehore.
Ook dit waren klanken die een andere wereld opriepen, deze van de (door mij zo geliefde) burgerlijke late negentiende en vroege twintigste eeuw - een aangename wereld (wat ik van de middeleeuwse niet zou willen zeggen).
De wit-gele en wit-rode stoeltjes, het beschaafde publiek, de rust en de ongedwongenheid van de vakantie… het droeg allemaal bij tot het gevoel dat la recherche du temps perdu voor even was uitgemond in le temps retrouvé (met dank aan Marcel Proust voor het bedenken van deze titels - de fraaiste uit de wereldliteratuur). Of dat we de dimanche après-midi à l'Ile de la Grande Jatte van Georges Seurat waren binnengestapt… - al waren het de voormiddag-concerten die we bijwoonden, waardoor deze momenten ook nog eens de belofte inhielden van een verrukkelijk inspannende bergtocht later op de dag.
Violist Vittorio Cacciatori was in die dagen een vaste en graaggeziene gast in Engelberg: hij trad er met zijn trio in de zomermaanden van 1990 en 1991 dagelijks (ausser montags) op in het Kurpark (of bij slecht weer in het kursaal zelf), telkens van half elf tot twaalf en van drie tot vijf uur.
Voor de aardigheid ben ik op het internet eens gaan kijken of de goede oude professore Vittorio Cacciatori nog leeft. Na een moeizame zoektocht vond ik een summiere (en eerder krakkemikkige) biografie, op het net gezet door de Noord-Italiaanse gemeente Daverio, naar aanleiding van een concert dat daar anno 2007 plaatshad.  Toen moet de maestro dus nog alive (en misschien well) zijn geweest, want hij zou bij die gelegenheid het Kamerorkest van Engelberg leiden, dat hij - naar ik inmiddels op een andere website al had geleerd - in 1987 zelf had opgericht. En dat overigens nog bestaat, maar waarvan de leiding nu in andere handen is overgegaan. Logisch, want Cacciatori was geboren in het Italiaanse Padua in 1930 en moet nu dus zo'n 83 jaar oud zijn. Gesteld dat hij zich nog onder ons bevindt, iets waarover het internet mij in het ongewisse laat. Laten we het beste verhopen.
Vittorio Cacciatori was niet zomaar een muzikant: hij speelde eerste viool bij diverse orkesten (onder andere dat van de Berlijnse opera) en stond als solist op de meest prestigieuze podia van de vijf continenten (hij maakte wereldtournees in 1977 en 1978). Eén van zijn succesnummers was - het zal u niet verbazen - de Quattro Stagioni van Vivaldi. Een muzikaal hoogstandje was zijn vertolking van Paganini's Concerto in D groot op het festival van Luzern in 1982. 
Wie alleszins nog leeft (al blijkt ook hij slechts in beperkte mate op het internet aanwezig), is Willy Verheyde. Deze onderwijzer (geboren in 1957 in Oostende, later wonend in Heist-op-den-Berg) verwierf een zekere bekendheid dankzij zijn "Wiebe-project": kinderboeken, liedjes, theater… rond het personage Wiebe. Hij was ook in Engelberg in 1990 en 1991, samen met zijn hond, zorgde er ('s avonds) voor extra animatie voor de kinderen, en deed dat met kundigheid en goede smaak. Ons dochtertje was fan van hem, en van zijn hond Nora: op dia's is te zien hoe ze met Willy op het podium de show staat te maken en hoe ze in de tuin van het hotel zijn hond koestert. 

Foto: vrouw en kinderen in Engelberg, eigen dia (nummer 90/10/33), 15 juli 1990.

vrijdag 12 juli 2013

Eddy Pauwels 2


Het was op woensdag 12 juli 1961. In de Ronde van Frankrijk werd de 17de rit gereden, van Luchon naar Pau. De grote Pyreneeënrit, de zwaarste etappe uit de Tour van dat jaar… Het 197 kilometer lange parcours voerde de renners over niet minder dan vijf legendarische cols: de Peyresourde, de Aspin, de Tourmalet, de Soulor en de Aubisque.
Jacques Anquetil droeg de gele trui, als leider in de algemene rangschikking. Hij had die al op de eerste dag van de wedstrijd veroverd, en nog niet uit handen gegeven. Men verwachtte dat zijn rechtstreekse concurrenten - in de eerste plaats de sterke klimmer Charly Gaul - hem gingen aanvallen.
De Franse televisie bracht en direct verslag uit van het gebeuren, en de Vlaamse televisie nam die rechtstreekse reportage over, via de Eurovisie. Ik ging kijken bij mijn groottante Irma, één van de weinige vroege tv-toestel-bezitters in onze familie. Ik was twaalf jaar. Rechtstreekse uitzendingen van wielerwedstrijden waren toen nog een zeldzaamheid - misschien was dit wel de eerste keer dat ik er één "volgde".
Drie renners waren ontsnapt: twee Fransen en een Belg. De twee Fransen maakten deel uit van één van de regionale ploegen waar het uit landenteams bestaande deelnemersveld in die tijd mee aangevuld werd (en waardoor de Fransen uiteraard oververtegenwoordigd waren, maar ja, het was dan ook hun Ronde). Die twee Fransen waren André Foucher en Marcel Queheille: het waren niet enkel landgenoten, ze behoorden ook nog eens tot dezelfde regionale ploeg, Ouest/Sud-Ouest. Zoals gezegd verkeerden ze in het gezelschap van een Belg. En dat was… Eddy Pauwels!
Op de Aubisque, de laatste col van de dag, was Eddy afgescheiden als eerste boven gekomen! Ik vermoed dat de rechtstreekse televisie-reportage toen al begonnen was, maar kan mij die beklimming toch niet concreet voor de geest halen. Wat ik me van de uitzending wél herinner is hoe Pauwels met de twee Fransen (die hem in de afdaling van de Aubisque hadden vervoegd) onderweg was (zie de foto boven deze tekst), en hoe die twee snoodaards - zoals in dergelijke koerssituaties overigens geheel gebruikelijk - in de finale om beurt gingen demarreren, waarbij de ander dan in het wiel van de Belg bleef zitten. Eddy Pauwels beantwoordde echter hun aanvallen en versloeg ze uiteindelijk - op de autorenbaan van Pau - in de sprint! Los van elk supporterschap: een sterke prestatie! Het peloton arriveerde pas vier minuten na de drie vluchters.
De rechtstreekse rivalen van Anquetil in de rangschikking hadden de leider niet kunnen of durven aanvallen. Tourbaas Jacques Goddet veegde ze de volgende dag in zijn krant L'Equipe ongemeen hard de mantel uit: "Les coureurs modernes, les concurrents de ce Tour, Anquetil excepté, sont des nains. Oui, d'affreux nains, ou bien impuissants, comme l'est devenu Gaul, ou bien résignés, satisfaits de leur médiocrité, très heureux de décrocher un accessit. Des petits hommes qui ont réussi à s'épargner, à éviter de se donner du mal, des pleutres qui, surtout, ont peur de souffrir". Dwergen, lafaards… gemakkelijk gezegd en geschreven, vanuit de volgwagen.
Voor Eddy Pauwels was zijn zege in Pyreneeën al de tweede ritoverwinning in die Ronde van 1961: hij had enkele dagen eerder - op 9 juli - ook de 14de etappe, Montpellier-Perpignan, op zijn naam geschreven. Toen had hij zich aan de aankomst sterker getoond dan vier medevluchters.
Jacques Anquetil won de Tour van 1961 (hij had ook in 1957 al gezegevierd en zal in totaal vijf Touroverwinningen op zijn palmares schrijven). Eddy Pauwels eindigde op een mooie negende plaats en als eerste Belg, net vóór Jan Adriaensens en Jos Hoevenaers. Het was de hoogste notering die hij tijdens zijn carrière in de eindrangschikking van de Ronde van Frankrijk zou behalen.
Overigens won Pauwels in 1961 ook het criterium van zijn geboorte- en woonplaats Bornem (op 19 juni), en de eerste editie van het criterium van mijn voorvaderlijk dorp Rijmenam (op 25 juli). Ondanks zijn knappe prestaties in de Tour was er voor hem geen plaatsje weggelegd in de Belgische ploeg voor het wereldkampioenschap: een zware teleurstelling.
De Tour van 1962 werd niet meer met landen- maar met merkenteams gereden (zie mijn blogstukje De Tour van '62 van 6 juli 2012).  Eddy Pauwels kwam aan de start met de Wiel's-Groene Leeuw ploeg. Alle ogen waren echter gericht op Rik Van Looy, "de keizer van Herentals", die dat jaar voor het eerst naar de Tour kwam - de trui van wereldkampioen om de lenden.
In de elfde rit, Bayonne-Pau, op 4 juli, ging Eddy Pauwels al na 27 kilometer aan de haal, samen met de Fransman Marcel Rohrbach. Toen, aan kilometer 78, gebeurde het drama: Rik Van Looy werd aangereden door een moto, en gedwongen de strijd te staken. Groot nieuws - alle ogen gericht op de helicopter die Van Looy naar het ziekenhuis bracht - en nog nauwelijks belangstelling voor het verdere verloop van de rit…
Jammer voor Eddy Pauwels, die zijn medevluchter in de steek liet, en voor het tweede opeenvolgende jaar op de autorenbaan van Pau als eerste over de streep reed, deze keer met ruim vier minuten voorsprong op al de anderen.
De Tour van '62 werd gewonnen door Anquetil, vóór de Vlaming Jef Planckaert. Eddy Pauwels kwam uit op de tiende plaats. Hij werd bovendien uitgeroepen tot de meest strijdlustige renner van de Ronde.
Aan die Prix de la Combativité was een auto verbonden. Dat zal Eddy niet slecht uitgekomen zijn, want "de gele Opel Record die hij in 1959 van het Bornemse gemeentebestuur voor zijn gele trui in de Tour cadeau had gekregen, begon sommige van zijn dorpsgenoten inmiddels op de zenuwen te werken", aldus mijn uit Bornem afkomstige vriend Arthur Borms.
Hoezo, Arthur? Was Eddy naast zijn schoenen gaan lopen? Was het succes hem naar het hoofd gestegen?. "Nee, dat niet, hij was zeker geen 'dikke nek', maar hij was nogal introvert en afstandelijk, geen joviale volksfiguur. Ik denk dat de mensen het op de heupen kregen toen ze hem zagen rijden in zijn gekregen auto, gekocht met het geld van de gemeente, zonder dat er een goeiendag of een blijk van erkenning van hem uitging".
In 1963 waren we aan de vijftigste editie van de Ronde van Frankrijk toe. Voor de gelegenheid werd er - op 23 juni - in Parijs gestart. Vier renners gingen in de finale van de eerste etappe aan de haal. In Epernay won Eddy Pauwels de sprint vóór zijn medevluchters Sorgeloos, Ramsbottom en Bahamontes. Eddy mocht - voor de derde keer in zijn carrière - de leiderstrui aantrekken.
De volgende dag reed hij in het geel België binnen, want de aankomstlijn lag in Jambes bij Namen, waar Van Looy de massasprint won, en in de namiddag nog een ploegentijdrit werd afgewerkt. Toch kon Pauwels ook deze keer zijn gele trui niet lang behouden, want de daaropvolgende dag, toen de Ronde in Roubaix arriveerde, moest hij de leiding in het algemeen klassement afstaan aan de Ier Seamus Elliott.
Op 14 juli was de Tour terug in Parijs en mocht Jacques Anquetil zich voor de vierde keer de eindwinnaar noemen - op dat moment een record. Pauwels behaalde dat jaar de 13de plaats.
Het jaar 1964… "Ik werd aangezocht om voor de ploeg van Bahamontes te rijden", aldus Eddy Pauwels (in een gesprek met de krant Het Laatste Nieuws in 1971). "Ik kreeg goede condities en een heel stel beloften: Bahamontes zou in de Tour zijn prijs afstaan, Bahamontes zou, als we goed werkten, zorgen voor criteria in Spanje en in Frankrijk. Ik heb me werkelijk afgesloofd voor die meneer Bahamontes. Die grote klimmer hing toen dikwijls vijf kilometer lang aan mijn trui. (…). Bahamontes werd derde, maar zijn prijs hield hij. Die criteria waarvoor wij uitgenodigd werden moeten misschien nog altijd gereden worden. En ik had met dat alles zelf een minder resultaat gehaald, geen rit gewonnen, zodat ik ook in België niet aan bod kwam als er over contracten gesproken werd".
Als knecht van Bahamontes behaalde Pauwels - in de zesde opeenvolgende Tour die hij reed én uitreed - in de eindrangschikking toch nog een twintigste plaats.
Na zijn onzalige avontuur bij de Margnat-ploeg van Bahamontes, keerde Eddy in 1965 terug in het kamp van Wiel's-Groene Leeuw. Op 22 juni stond hij voor de zevende keer aan de start van de Ronde. Hij schitterde niet, maar viel ook niet uit de toon. In de klimtijdrit op de Mont Revard (bij Aix-les-Bains) waarin de jonge Italiaan Felice Gimondi - op zaterdag 10 juli - zijn grote rivaal Poulidor versloeg en zich aldus van de eindzege verzekerde, eindigde Pauwels nog 37ste (op 99 renners). Daarna stonden er nog maar vier niet al te zware ritten op het programma.
En toch… In Het Laatste Nieuws van maandag 12 juli 1965 las ik het volgende berichtje… "Lyon, zondagavond - Eddy Pauwels die drie weken geleden te Keulen nog met de hoop vertrok ditmaal als eerste Belg de Tour te kunnen uitrijden, vertrok te Aix-les-Bains niet meer voor de rit naar Lyon. Hij onderging de wet zoals zovelen die tot de getrouwen van de Ronde behoorden: de jeugd heeft het ritme zodanig doorgedreven dat de oudere spieren en de oudere organen er door ontredderd worden. Eddy Pauwels was gewoonweg algemeen ondermijnd, zodanig dat een verder deelnemen al te gek zou geweest zijn". De man uit Bornem was uit het Ronde-circus gestapt, om er nooit meer in terug te keren...
In 1966 was Eddy Pauwels nog enkele maanden coureur. Hij werd opgenomen in de Wiel's-Groene Leeuw-ploeg voor de Ronde van Spanje, die toen nog in het voorjaar werd betwist. Pauwels (in Het Laatste Nieuws van 21 juli 1971): "Ik zat in de Ronde van Spanje, 2 mei was mijn verjaardag, ik dacht bij mezelf: nu moet ik toch nog eens iets laten zien. Het was wat moois. Ik heb moeten scharrelen om op tijd binnen te komen. Toen heb ik gezegd: nu is het gedaan. En om niet in de verleiding te komen na veertien dagen toch te herbeginnen, heb ik ineens, in Spanje, al mijn materiaal verkocht".
Pauwels werd metaalarbeider, terwijl zijn echtgenote de schoenwinkel uitbaatte waarin hij zijn met wielrennen verdiende geld had geïnvesteerd. In de zaak hing een grote foto: Eddy Pauwels op de flanken van de Aubisque tijdens de gedenkwaardige Tour-etappe Luchon-Pau van 1961. In zijn huis hing een kleurenfoto: Eddy Pauwels in de gele trui. In een vitrinekast bewaarde hij zijn wielertrofeeën.
Toch keek Pauwels niet zonder verbittering op zijn wielerjaren terug: "Ik heb mij altijd op de kop laten zitten als het op poen aankwam. Ik heb zeker nog zoveel te trekken als ik ooit verdiend heb", verklaarde hij in 1971. Of nog: "…ik kreeg een inzinking die mij 20 minuten kostte. Ik had de schade kunnen beperken, indien de ploegmaats mij geholpen hadden, maar ze reden mij allemaal voorbij". Ach ja, worden we allemaal niet af en toe beduveld en bedonderd door de profiteurs en de egoïsten onder onze medemensen? Ik kan er van meespreken.
Eddy's zoon Gino werd geen wielrenner. De "ietwat afgelegen" schoenwinkel is inmiddels al lang opgedoekt. Eddy Pauwels is op 2 mei van dit jaar 78 geworden. 

Ongelooflijk maar waar: op het internet is een tien minuten durende samenvatting van de door Eddy Pauwels gewonnen Pyreneeënrit van 12 juli 1961 te vinden: http://www.ina.fr/video/CAF97505349

Voornaamste geraadpleegde bronnen: internet, website La Grande Boucle, Le Tour de France de 1903 à nos jours, www.lagrandeboucle.com, geraadpleegd juni 2013; F. LODEWIJCKX, De grote rondes van Marc Sleen, uitgeverij Reinaert-Het Volk, Gent, 1992; internet, website de Wielersite, www.dewielersite.net, geraadpleegd juni 2013; internet, website le Dico du Tour, ledicodutour.perso.fr, geraadpleegd juni 2013; internet-encyclopedie Wiképedia (Franstalige versie), fr.wikipedia.org, geraadpleegd juni 2013; e-mails van Arthur Borms, 21 en 23 juni 2013; artikel (knipsel), R. JANSSENS, In de Rupelstreek spreekt nu nog iedereen over grote bergrit van Eddy Pauwels (met bijhorende kaderstukjes), in krant Het Laatste Nieuws, 21 juli 1971; bericht F. DAMAN, Eddy Pauwels: niet meer vertrokken, in krant Het Laatste Nieuws, 12 juli 1965; artikel (knipsel), Eddy Pauwels: "De mensen denken dat wij miljonairs zijn!", in een magazine (vermoedelijk Ons Volk), ca. 1971.

vrijdag 5 juli 2013

Eddy Pauwels 1


Terwijl de honderdste Ronde van Frankrijk over de Franse wegen zoeft, pak ik deze en volgende week op dit blog uit met de Eddy Pauwels-saga.
Eddy Pauwels? Aan het eind van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig was hij de meest talent- en beloftevolle Belgische Tour de France-renner. Hij kon - en dat was en is een zeldzaamheid bij coureurs uit de Lage Landen - zijn mannetje staan in het hooggebergte. Misschien ging hij wel zorgen voor de eerste Belgische Tour-zege sinds die van Sylveer Maes in 1939?
Maar vooral: Eddy Pauwels was in mijn prille beginjaren als wielerliefhebber "mijn favoriet". Ik vermoed dat hij die status verworven had in 1959, toen hij zich in de Ronde van Frankrijk tot twee keer toe in de gele trui reed (weliswaar telkens slechts voor zeer korte tijd: zie verder). Ik was toen tien jaar jong.
De motieven die aan mijn supporterschap ten grondslag lagen waren - ik geef het ruiterlijk toe - kinderlijk eenvoudig en erg subjectief (maar kan dit niet van elk supporterschap worden gezegd?). Geel was mijn lievelingskleur, dus die gele trui dat was al een mooie voorzet. Daarenboven had ik in een krantenartikel gelezen dat Eddy Pauwels geregeld last had van keelpijn - een kwaal die mij ook al eens teisterde. Bij Pauwels viel - volgens de dagbladtekst - de oorzaak te zoeken in de snelle temperatuurswisselingen tijdens de Tour: het contrast tussen de hete valleien en de killige bergtoppen. Daar kon het bij mij niet aan liggen natuurlijk, ik woonde in het bergenloze Boortmeerbeek, waar het ook met de hitte best meeviel. Maar toch, Eddy's keelpijn weekte empathie in mij los, en the rest is history.
Overigens moet ik eveneens bekennen dat mijn supporterschap zich, afgezien van het sympathie-gevoel, beperkte tot het aanleggen van een plakboek. Dat is helaas in de loop der tijden ten onder gegaan (het moet sterk geleken hebben op het plakboek dat ik korte tijd later aan mijn streekgenoot-wielrenner Jos Wouters wijdde, en dat wel bewaard is gebleven). Wel vond ik nog enkele oude foto's terug, en twee persartikels die evenwel dateren van na Pauwels' actieve carrière, en waarin de renner op zijn beroepsrennersjaren terugblikt.
Eddy Pauwels was geboren - op 2 mei 1935 - en getogen in Bornem, een dorpje op de rechteroever van de Schelde, in het zuidwesten van de provincie Antwerpen. Dat komt mij goed uit, want in hetzelfde plaatsje bracht ook mijn vriend Arthur Borms zijn jeugd door, en dus laat ik hem verderop in dit artikeltje vertellen hoe die gele truien van Pauwels voor prettige wielergekte in Bornem zorgden. 
Eddy Pauwels liet zich al opmerken bij de jongeren: in 1957 behaalde hij de eindzege in de gereputeerde Ronde van Oost-Duitsland voor amateurs. In 1958 blonk hij als jonge prof uit in de Dauphiné Libéré, een zware Franse rittenwedstrijd die de Alpen niet schuwt. Hij eindigde op de zesde plaats.
De grote doorbraak kwam er in 1959, het jaar waarin Eddy Pauwels zijn debuut maakte in de Ronde van Frankrijk. De Tour werd in die tijd betwist met landenploegen: geselecteerd worden voor de Belgische nationale ploeg hield op zich al een erkenning in. De andere Belgen die dat jaar aan de start verschenen waren Jan Adriaensens, Jean Brankart, Kamiel Buysse, Fred De Bruyne, Armand Desmet, Jos Hoevenaers, Marcel Janssens, Jef Planckaert, Michel Van Aerde, Martin Van Geneugden en Guillaume Van Tongerloo. Als die namen u iets zeggen, zegt dat iets over uw leeftijd.
Eddy Pauwels liet er in die Ronde van '59 geen gras over groeien. Al in de derde rit, van Namen naar Roubaix, stak hij bij de passage over de Muur van Geraardsbergen zijn neus aan het venster. En tijdens de negende rit, gereden op vrijdag 3 juli, van Bordeaux naar Bayonne, wist hij zowaar de leiding in de algemene rangschikking te veroveren: na afloop van de etappe mocht hij de gele trui aantrekken! Voor een goed begrip: de rit zelf werd gewonnen door de Fransman Queheille.
Eddy had geluk: de volgende dag was een rustdag. Hij kon dus optimaal genieten van zijn maillot jaune. Op 5 juli werd er weer gekoerst, Eddy reed in het geel van Bayonne naar Bagnère-de-Bigorre, maar moest aan het eind van die etappe zijn leiderstrui afstaan aan de Fransman Vermeulin.
Het was echter geen definitief afscheid van het gele kleinood, want in de loop van de 16de rit, betwist op zaterdag 11 juli - de Vlaamse nationale feestdag - tussen Clermont-Ferrand en Saint-Etienne, presteerde Pauwels het om opnieuw aan de leiding van het algemeen klassement te komen. Hij ontsnapte samen met de Zwitser Graf en de Italiaan Bruni. Dino Bruni won de rit, maar Eddy Pauwels nam de gele trui over van zijn landgenoot Jos Hoevenaars.
En weer kreeg hij de tijd om zijn leiderstrui extra te koesteren, want toevallig stond de volgende dag andermaal… een rustdag op het programma! Op de 13de juli reed Eddy Pauwels in het geel van Saint-Etienne naar Grenoble. Tijdens die etappe gingen de super-klimmers Charly Gaul ("de engel van het gebergte") en Federico Bahamontes ("de arend van Toledo") er onder hun beidjes vandoor. De Luxemburger Gaul won de rit en de Spanjaard Bahamontes nam de gele trui van Eddy Pauwels over. Bahamontes zou de leiding in de algemene rangschikking niet meer afstaan en in Parijs de eerste Spaanse winnaar van de Ronde van Frankrijk worden. Hij ging de Fransen Anglade, Anquetil, Rivière en Mahé vooraf. Jan Adriaensens was zevende en eerste Belg. Eddy Pauwels sleepte de 11de plaats in de wacht. Leuk detail: Charly Gaul - de Tourwinnaar van 1958 - eindigde net na hem. De Belgen wonnen het ploegenklassement.
In zijn woonplaats Bornem werden de Tour-prestaties van Eddy Pauwels op de voet gevolgd. "Bornem stond in 1959 op zijn kop", vertelde Arthur Borms mij. "Alle straten waren geel gekleurd. Over de straten heen waren vanuit de bovenverdiepingen koorden gespannen waar gele hemden, sjaals en alles wat geel was aan vast was gemaakt. Alle avonden zaten de cafés vol en met ongeduld werd het vliegtuigje van Het Volk afgewacht voor het krantje". Oudere lezers weten dat het hier ging om de speciale Tour-editie van de Gentse krant Het Volk die elke avond over heel Vlaanderen werd verdeeld - een operatie waarbij ook sportvliegtuigjes werden ingezet (zie mijn blogartikel De Tour van ' 62 van 6 juli 2012).
"Toen de Tour gedaan was en Eddy terug naar huis kwam werd hij op een paar kilometers buiten het centrum van Bornem opgewacht door het voltallige gemeentebestuur", aldus Arthur. "Triomfantelijk werd hij dan door de straten van Bornem gevoerd waar een massa Beurmeneirs (Bornemnaren) hem toejuichte. Van het gemeentebestuur kreeg hij als geschenk een auto: een gele Opel Record! De vreugde in Bornem was des te groter daar in het nabijgelegen Ruisbroek-Sauvegarde (nu Puurs) een zekere Jan Adriaensens woonde die tot dan toe de beste Tour-renner van de streek was geweest".
"Niemand durfde ooit veronderstellen dat de neofiet zulke hoge toppen zou scheren", aldus de krant Het Volk over Pauwels. "Op alle cols kon hij zijn man staan". Maar: "doseren is hem nog onbekend en daarom zal hij te naaste jaar met minder inspanningen meer verwezenlijken".
Dat laatste was een foute voorspelling, want in de Tour van 1960 brak Eddy Pauwels geen noemenswaardige potten. Ik vind hem terug op de 25ste plaats in de eindrangschikking, op 59 minuten van winnaar Gastone Nencini. 
In het jaar 1961 evenwel… Hm, dit lijkt me een goeie cliffhanger om dit eerste deel van mijn Eddy Pauwels-verhaal mee te besluiten. Come and see next week…

Foto's boven de tekst: twee Eddy Pauwels-foto's uit mijn archief. 
Rechts: Pauwels in actie als lid van de Belgische ploeg in de Ronde van Frankrijk. Ik vermoed dat deze (kranten)foto gemaakt werd in de Tour van 1959 op de Muur van Geraardsbergen.
Links: Eddy Pauwels in zijn trui van de Mann-ploeg, waar hij tot 1961 toe behoorde. In de loop van 1962 stapte hij over naar de Wiel's-Groene Leeuw-ploeg, omdat de Ronde van Frankrijk van dat jaar af met merkenploegen werd betwist (en Wiel's wél en Mann niet zou deelnemen). Deze foto stond op één van de "prentjes" (plaatjes) die verpakt zaten bij plakjes kauwgom - het gaat in dit geval om één van de "grote prentjes": zie in dit verband mijn blogstukjes Knikkers (van 13 juli 2012) en Kleine Prentjes (van 20 juli 2012). Ik vermoed dat beide foto's restanten zijn van mijn Eddy Pauwels-plakboek. 

Voornaamste geraadpleegde bronnen: internet, website de Wielersite, www.dewielersite.net, geraadpleegd juni 2013; F. LODEWIJCKX, De grote rondes van Marc Sleen, uitgeverij Reinaert-Het Volk, Gent; internet, website La Grande Boucle, Le Tour de France de 1903 à nos jours, www.lagrandeboucle.com, geraadpleegd juni 2013; internet, website le Dico du Tour, ledicodutour.perso.fr, geraadpleegd juni 2013; e-mail van Arthur Borms, 21 juni 2013.

vrijdag 28 juni 2013

Karel Van Wijnendaele


Nu dezer dagen de honderdste editie van de Ronde van Frankrijk van start gaat ben ik voor de gelegenheid weer eens wat gaan lezen in het boek Mensen & Dingen uit de Ronde van Frankrijk van Karel Van Wijnendaele. Het boek verscheen in 1948 en vertelt dus de Tour-de-France-geschiedenis van vóór mijn tijd.
Jonge lezers reageren op de naam Karel Van Wijnendaele allicht met: nooit van gehoord. In de jaren zestig was dat nog enigszins anders: toen in de Quiz der Jong Verloofden op Radio Antwerpen aan een koppeltje werd gevraagd wie De Leeuw van Vlaanderen had geschreven, antwoordde het prompt: Karel Van Wijnendaele.
Karel Van Wijnendaele (1882-1961) is de meest legendarische Vlaamse wielersportjournalist aller tijden. Pionier van de sportjournalistiek, 'uitvinder' van Vlaanderens bekendste wielerwedstrijd, de Ronde van Vlaanderen, en nog zoveel meer (maar dat moeten onze jonge lezers zelf maar eens opzoeken op het internet). In de rechterbovenhoek van Mensen & Dingen uit de Ronde van Frankrijk kan u kennismaken met zijn beeltenis - mét sigaar in de mond, zoals het een echte sportliefhebber uit de vorige eeuw betaamde…
In zijn gloriejaren was Van Wijnendaele even vermaard als de wielerhelden over wie hij schreef, maar naar het einde van zijn leven toe ervaarde hij zelf al de beperkte houdbaarheid van de roem. In de jaren vijftig was zijn kleindochter Nora Steyaert - Karel heette zelf ook Steyaert, Van Wijnendaele was een pseudoniem - één van de omroepsters (speakerinnen heetten ze in die tijd) van de jonge Vlaamse Televisie. Televisiegezichten waren toen nog bekend en geliefd (er waren er nog niet veel en ze gedroegen zich nog niet alsof ze het warm water hadden uitgevonden). "Als ik vroeger met mijn kleindochter ging wandelen", verzuchtte Karel Van Wijnendaele, "vroegen de mensen zich af: wie is toch dat meisje met wie de Karel daar flaneert? Als ik nu met haar ga wandelen stelt men zich de vraag: wie is toch die oude man met wie Nora Steyaert daar rondslentert?".
Mijn vrouw deed mij de Mensen & Dingen uit de Ronde van Frankrijk van Karel Van Wijnendaele cadeau op 10 juni 2002. Ze kocht het boek tweedehands, bij De Slegte in Mechelen. Ze dacht dat het mij wel zou interesseren, te meer daar er de handtekening en een opdracht van de auteur in voorkwamen. Dat had ze heel goed gezien.
Eigenlijk had ik van huis (of jeugdjaren) uit geen affiniteit met Karel Van Wijnendaele. Zijn boek Het rijke Vlaamsche Wielerleven uit 1943, waarin hij schrijft over de klassieke wegwedstrijden en de zesdaagsen, heb ik pas op latere leeftijd gekocht en gelezen. Van Wijnendaele was een exponent van het katholieke Vlaanderen van vóór de Tweede Wereldoorlog, ik groeide op in de fifties en sixties en in een eerder liberaal en sociaal-democratisch gezind milieu. Mijn vader had een abonnement op de liberale krant Het Laatste Nieuws. De 'gevestigde' wielerjournalisten van die gazet waren in mijn jonge jaren Louis Clicteur (1924-1979) en Lucien Berghmans - na verloop van tijd vervoegd door de cursiefjesschrijver Piet Korrel (pseudoniem van Michel Casteels, 1917-1997). De verslaggeving van kleinere koersen was het werk van Willy Van den Wijngaerd (1920-2010), een voormalig studiegenoot en een bekende van mijn vader.
Affiniteit of niet, de Franse Rondes van de eerste helft van de twintigste eeuw vormen een fascinerende geschiedenis en Karel Van Wijnendaele weet die op een onderhoudende manier op te dissen. Hij had ze overigens voor een aanzienlijk deel zelf van heel nabij meegemaakt.
Karels boek leert mij dat de Ronde van Frankrijk zelfs in zijn vroege jaren al niet veel te maken had met sport - sport in de zin zoals ik vroeger met vrienden ging fietsen, later met collega's ging tennissen of nu met mijn maatjes van joggingclub Icarus ga runnen - maar alles met spektakel en commercie: dat het bij het Tour-evenement toen (zoals nu) draaide om geld, reclame, en het amusement en de goedgelovigheid van de massa. Net als bij de Jupiler-League (alleen de naam al!), de Champions League of het Formule 1-circuit.
En - ter geruststelling van Jurgen Van den Broeck: het komt er niet op aan de Tour te winnen. Kan u zo voor de vuist weg zeggen wie twee jaar geleden zegevierde? Ik niet, maar wat u en ik ons nog perfect herinneren is hoe die arme Johnny Hoogerland toen door een auto van de Franse televisie de prikkeldraad werd ingereden en hoe deerniswekkend vervolgens het uitzicht op zijn zwaar gehavende blote billen wel niet was. Net zoals onze grootouders moeiteloos konden vertellen hoe de Franse renner Eugène Christophe op de Tourmalet zijn fietsvork brak en na een kilometerslange eenzame voettocht het zaakje in de smidse van het dorpje Sainte-Marie-de-Campan zelf weer aan elkaar moest lassen (en later nog straftijd kreeg omdat de smid de blaasbalg had gehanteerd - volgens het toenmalige Tour-reglement diende een renner materiaalpech immers geheel op eigen houtje te verhelpen). Maar je moest die grootouders niet vragen welke renner dat jaar de Ronde van Frankrijk had gewonnen…
Wat ik zeggen wil: de Tour haalt zijn magie niet uit zijn eindwinnaars - niet zelden zijn dat eerder kille, kleurloze figuren - maar uit verhalen. Verhalen in de brede zin van het woord - ook beelden horen erbij.
De Tour de France genereert sterke verhalen. De beste zijn natuurlijk die van en over vroeger, maar - het Johnny Hoogerland-drama bewijst het - ook in de hedendaagse tijden levert de Tour nog straffe verhalen op.
Dat de Ronde zo'n adembenemende histories voortbrengt heeft (naar mijn zeer bescheiden mening) in de eerste plaats te maken met het decor waarin de wedstrijd zich afspeelt. De omgeving, de setting, vormt altijd een onopvallende maar belangrijke voorwaarde om tot een spannend verhaal te komen.
Toegegeven, op een tennis court waait wel eens een rokje of jurkje op, dat kan voor wat poetry-in-motion zorgen, maar voor het overige is het daar op Wimbledon toch maar een monotone, invariante boel. De Tour daarentegen, dat is een karavaan, aldoor in beweging en zich door wisselende, vaak mooie en soms schitterende landschappen slingerend.
Waarom mag ik - hoewel ik al sinds vele jaren niet meer de wielersportliefhebber ben die ik in pakweg de jaren 1960-1967 was, en van de huidige generaties coureurs nog hooguit enkele namen ken - nog altijd graag naar de rechtstreekse televisie-uitzendingen van vooral dan de bergetappes kijken? Ik denk: omdat ik aldus vanuit mijn luie zetel doorheen de mooiste streken van Frankrijk reis, op wegen die Franse gendarmes vooraf van alle hinderlijke tegenliggers en files hebben gezuiverd, en met af en toe nog een bird's-eye view vanuit een helicopter als toemaatje.
En toch… denk ik ook dat het Tour-gebeuren méér tot de verbeelding sprak in de jaren dat het nog niet van naaldje tot draadje en in kleur op televisie te zien was - in de tijd dat de mensen het moesten stellen met krakende berichten op de radio, verslagen in de kranten en praatjes over de koersgebeurtenissen met hun buren en op café. In de tijd van Karel Van Wijnendaele dus.
Tot de verbeelding spreken heeft immers alles te maken met zich voorstellen, en we maken ons enkel een voorstelling van wat we niet of slechts zeer onvolledig zien. Hoe meer we zien, hoe minder we ons voorstellen. Het tekort aan een volledig en gedetailleerd beeld stimuleert de fantasie. Die vult het ontbrekende in, en zij doet dat zo goed, dat haar versie in de regel boeiender is dan die van de realiteit. In de erotiek is een zelfde mechanisme aan het werk, maar vandaag pas ik het principe dat de voorstelling van de werkelijkheid bijna altijd opwindender is dan de werkelijkheid zelf, toe op de Ronde van Frankrijk…
De bergen van de Alpen en de Pyreneeën… de cols die de renners - in mist of regen, of onder een verzengende zon - moeten beklimmen… waren die niet véél indrukwekkender, geheimzinniger en onmenselijker in die tijden waarin de sportliefhebbers hier in Vlaanderen ze in de regel nog nooit met eigen ogen gezien hadden (tenzij misschien op een wazige krantenfoto, zoals er op de kaft van Mensen & Dingen uit de Ronde van Frankrijk één prijkt)?
De haarspeldbochten waarlangs de coureurs naar boven kropen, of naderhand, geklemd tussen bergwanden en diepe ravijnen, weer de vallei in raasden… waren die niet veel steiler en scherper toen men er over hoorde of las, dan toen men ze - één of twee generaties later - de visu waarnam?
Dat mythische, dat gedroomde, dat Tour de France-Frankrijk, dat is voor onze grootouders geschapen door journalisten als Karel Van Wijnendaele. Hij moet in Vlaanderen de eerste zijn geweest om die wereld op te roepen. Hij deed dat heel vakkundig, maar ook vanuit een authentieke beleving en verwondering: "Men ziet toch zulke schone, zulke heerlijke dingen in die Ronde, in die ongenadige strijd van de roekeloze mens tegen die oersterke natuur!  Het is meer dan eens gebeurd, na afloop van een rit, dat ik me spoedde om uit de wagen te zijn, en op mijn kamer, om te kunnen schrijven over al wat ik gehoord en gezien had", aldus Van Wijnendaele in zijn Mensen & Dingen-boek. (blz. 65).
Uit eigen ervaring kan ik getuigen dat het beeld van Frankrijk dat ik mij in mijn kinderjaren aan de hand van de Tour de France-verslaggeving in de dagbladen en in het zwartwitte Belgavox-bioscoopjournaal had gevormd… de Tourmalet, de Aubisque, de Aspin… de eindeloze bossen van de Landes met hun krekelgezang, de zuiderse hitte van de Provence (waar renners al eens verkoeling zochten bij een plaatselijke dorpspomp of fontein), de zonovergoten stadjes waar de Tourkaravaan passeerde en via bevlagde bruggen heldere bergrivieren overstak… dat ik dat idyllische beeld van Frankrijk, later, in het échte Frankrijk, slechts sporadisch en fragmentair heb aangetroffen.
Natuurlijk was in de dagen van Karel Van Wijnendaele niet enkel het decor van de Tour een voorbeeld van fantasie op een bedje van werkelijkheid, en dus legendarisch. Ook met betrekking tot de verrichtingen en de avonturen van de renners gold immers dat onze grootouders ze niet zelf konden zien, maar aangewezen waren op de verhalenvertellers. Waardoor de handelingen der coureurs toen ongetwijfeld meer tot de verbeelding spraken dan ze dat in onze tijd doen.
Van Wijnendaele overdondert ons in zijn Mensen & Dingen met verhalen over de wielerhelden-van-destijds: hij beschrijft hun uitzonderlijke kwaliteiten, hun heroïsche prestaties, maar ook hun lijden, hun tegenslagen en hun inzinkingen, die van een minstens even exceptioneel gehalte waren.
Hij gaat bovendien - en dat siert hem als sportjournalist - de minder fraaie kanten van de zaak niet uit de weg: de geldzucht, de combines, de primauteit van de commerciële belangen, de door het ploegenspel opgelegde loyauteit (en het incidentele verraad daaraan), de georganiseerde praktijken die het koersverloop vervalsten… het komt allemaal aan bod. Terecht, want verhalen zonder baatzucht en boosaardigheid worden (helaas) saai gevonden - daarom doen zelfs de mooiste sprookjes er een beroep op.
En doping, zult u zeggen, hoe zat het daarmee in de tijden van pakweg Philippe Thijs of Sylveer Maes? Van Wijnendaele rept er met geen woord over. Dopingregels bestonden nog niet: men kon ze dus niet overtreden. Natuurlijk zal men zich met allerlei huis-, tuin- en keukenmiddeltjes beholpen hebben. Van de Franse gebroeders Pélissier is bekend dat ze ook zwaardere stuff gebruikten - men kan veronderstellen dat ze niet de enigen waren. De proporties die sommige plotse inzinkingen aannamen doen vermoeden dat men soms al te onoordeelkundig met stimulerende middelen was omgesprongen. 
Zoals al gezegd had Karel Van Wijnendaele in het exemplaar van Mensen & Dingen dat mijn vrouw anno 2002 voor mij kocht, een opdracht geschreven: "Aan de beste mijner oûwe goeie vrienden Gustaaf Van der Linden", staat er. En ook: "Omdat uit oûwe trouw het boereland herboren werd!".
Vanzelfsprekend vroeg de curieuzeneus die ik ben zich af wie deze Gustaaf Van der Linden geweest mocht zijn. Dankzij het internet kan men dergelijke raadsels soms oplossen, en inderdaad: ik ontdekte een Gustaaf Van der Linden die volop in aanmerking komt - om niet te zeggen dat ik er zo goed als zeker van ben dat hij de man is die ik zocht.
Gustaaf Van der Linden (1881-1955) was een handelaar uit Duffel die zich na de Eerste Wereldoorlog als "democratisch, sociaalvoelend en Vlaamsgezind katholiek" in de politiek gooide. Hij werd lid van de Antwerpse provincieraad en - na de verkiezingen van 1925 - bestendig afgevaardigde (gedeputeerde). In Duffel  was hij voorzitter van de plaatselijke afdelingen van het A.C.W. (de christelijke arbeidersbeweging) en de C.V.P. (de christen-democratische partij).
Gustaaf Van der Linden koesterde veel belangstelling voor zowel cultuur als sport. Ja, we komen waar we zijn moeten, want wat lees ik aan het slot van zijn biografie op de website ODIS (een databank van de "intermediaire structuren" in Vlaanderen)… "Bovendien was Van der Linden bestuurslid in de Belgische Wielrijdersbond en organiseerde hij de beroepsrennerswedstrijd 'De grote prijs van Duffel'. Hij werkte ook mee aan het blad 'De Sportwereld' van Karel Van Wijnendaele, dat sinds 1914 verscheen"! 
Ach, eigenlijk heette die sportkrant van Van Wijnendaele Sportwereld, terwijl De Leeuw van Vlaanderen natuurlijk niet door Karel Van Wijnendaele, maar ongeveer een eeuw eerder door Hendrik Conscience was geschreven. Er zitten veel fouten, misvattingen en misverstanden in de wereld, dat is waar. Maar ook veel boeiende verhalen over mensen en dingen. 

Voornaamste geraadpleegde bronnen: K. VAN WIJNENDAELE, Mensen & Dingen uit de Ronde van Frankrijk, uitgeverij Lannoo, Tielt, 1948; internet, website Karel Van Wijnendaele, www.karelvanwijnendaele.be, geraadpleegd juni 2013; internet, website ODIS (Intermediaire structuren in Vlaanderen 19e-20e eeuw), www.odis.be, geraadpleegd juni 2013; internet, website Wielersportboeken, www.wielersportboeken.nl, geraadpleegd juni 2013; internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige versie), nl.wikipedia.org, geraadpleegd juni 2013; internet-encyclopedie Wikipédia (Franstalige versie), fr.wikipedia.org, geraadpleegd juni 2013.

Over de Ronde van Frankrijk publiceerde ik eerder al de blogstukjes Ronde van Frankrijk (8 juli 2011) en De Tour van '62 (6 juli 2012). 

vrijdag 21 juni 2013

Solfatara


Hallo, hallo, beste lezers… hier uw reporter, rechtstreeks vanuit de Solfatara in Pozzuoli… Ja, het moeten toch niet altijd Patrick Van Gompel of Aagje Vanthomme - laat staan Katrien Saelens - zijn zeker die van op Spectaculaire en/of Gevaarlijke Plaatsen het woord tot u richten. Mag een gewone sterveling ook eens doen alsof hij in het heetst van één of ander gebeuren zijn hachje waagt om verslag uit te brengen over zaken die men evengoed in alle rust vanop zijn bureaustoel zou kunnen vertellen?
Het woord heetst is in dit geval alleszins op zijn plaats, want dat is wel het minste wat er over de locatie waar ik hier heb postgevat te zeggen valt. Niet alleen trotseer ik een verzengende zon - we bevinden ons in het zuiden van Italië - maar bovendien sta ik hier met beide voeten in de krater van een uitgedoofde vulkaan.
Aan de uit de woeste stenenmassa opstijgende rook kan u al merken dat de term uitgedoofd in eerder relatieve zin moet worden verstaan. Ik sta niet in de kolkende lava, dat is waar, maar de grijze grond onder mij is warm en her en der zijn er "fumarolen": barsten in de aardkorst waar gassen uit ontsnappen. In een poel bubbelen hete luchtbellen naar boven. En overal hangt een euh… laten we zeggen doordringende reuk, veroorzaakt door zwaveldampen - de geur van de duivel!
De Solfatara ligt in Campania (Campanië), aan de Baai (of Golf) van Napels, ten noorden van het havenstadje Pozzuoli, en in een vulkanisch gebied dat bekend staat als de Brandende Velden (in het Italiaans: Campi Flegrei) - een tot de verbeelding sprekende naam. Wetenschappelijk gezien zijn de Brandende Velden een caldera of super-vulkaan: een soort geologische kom die verschillende kraters bevat. In een andere, aanpalende caldera, heeft zich de krater van de Vesuvius gevormd. Tussen de Brandende Velden en de Vesuvius in ligt de stad Napels. Een onheilspellende positie, want slapende vulkanen kunnen weer wakker worden - zelfs doodgewaande vulkanen zijn al geheel onverwacht weer tot leven gekomen. En dan krijg je wat in mijn jeugdjaren een "vuurspuwende berg" werd genoemd!
Overigens komen vulkanen vooral voor in gebieden waar de tektonische platen waaruit de aardkorst bestaat zich tegen elkaar aan schurken, zodat ook grote of kleinere aardbevingen volop tot de mogelijkheden behoren… Tot zover dit Jongens en Wetenschap-intermezzo, dat ten volle aantoont welke risico's ik gelopen heb door mij te begeven in een landstreek waar de afstand tussen het oppervlak van de aarde en haar uit gloeiende magma bestaande innerlijk gering is - en die buitenste schil dan ook nog niet erg solide.
Dat ik mij desondanks moedig aan deze gevaren heb blootgesteld had te maken met het feit (a) dat mijn vrouw het in deze contreien gelegen Pompeii wou zien, en (b) mijn goede vriend Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) tijdens zijn Italienische Reise hier ook ooit had rondgewaard. Ongetwijfeld reisde hij door de Brandende Velden. In zijn dagboek maakt hij, op de avond van 1 maart 1787, melding van "zwavel uitblazende groeven" en van "kale en weerzinwekkende gebieden". Troostend heeft hij het echter evenzeer over "een altijd weelderige vegetatie, die toeslaat zodra ze maar even de kans krijgt, die oprijst boven alles wat verstikt is, rondom meren en beken", en ook over "de nabijheid van een lieftallige jongedame die gewend en genegen is om huldigingen in ontvangst te nemen" (met andere woorden: een knap maar zelfingenomen wicht). De volgende dag, de 2de maart, zou Goethe (een eerste keer) de Vesuvius beklimmen ("hoewel het somber weer was en er wolken rond de top hingen").
De Solfatara-krater is een soort ellipsvormig dal (770 bij 580 meter groot), omringd door bergachtige, opstaande wanden. De Oude Griek Strabo (hij leefde aan het begin van onze tijdrekening) had het er al over in zijn Geographika (boek V, hoofdstuk 4). Hij bracht de plek in verband met Hephaestos, de god van het vuur en de smeedkunst (zijn Romeinse equivalent heette Vulcanus). Hephaestos smeedde de wapens van zijn medegoden en werd geacht zijn werkplaats te hebben onder deze en andere vulkanen - vandaar de als uit schoorstenen opstijgende rookpluimen.
De benaming Solfatara vindt haar oorsprong bij de Oude Romeinen, is afgeleid van solfa (zwavel) en terra (aarde), en betekent dus zoveel als "plek vol zwavel". Die zwavel of solfer is te herkennen aan zijn helder-gele kleur.
In de 18de en de 19de eeuw vormde de Solfatara van Pozzuoli een min of meer vaste schakel in de Grand Tour, de culturele reis doorheen Europa die jongeren uit aristocratische Engelse families op de drempel van hun volwassenheid ondernamen.
Rond 1900 werd de Sulfatara zowaar een kuuroord: men kon er zich wentelen in de zwavelrijke modder van de poel, of genieten van een natuurlijke sauna in één van de twee grotten in de kraterwand, en daar met volle teugen de dikke, zwavelhoudende stoom inhaleren waarmee de natuur ze vulde. Aanbevolen voor wie sukkelde met ademhalingsproblemen, huidziekten of reuma!
De grotten werden bedacht met de namen Vagevuur en Hel. In de eerstgenoemde liep de temperatuur op tot 60° Celsius, in de tweede tot 90°! Het was raadzaam gebukt te blijven zitten, want in de hogere grotregionen werden nog veel hogere temperaturen bereikt.
Na verloop van tijd werden de ruwe wanden van deze spelonken met metselwerk "geëgaliseerd", waardoor ze hun natuurlijk uitzicht verloren. De aldus gemoderniseerde (zeg maar: verknoeide) grotten zijn er nog steeds, maar men mag ze om veiligheidsredenen niet meer betreden en dient zich dus te vergenoegen met een blik - van buitenaf - op de toegangen tot vagevuur en hel. Er komt rook naar buiten en op het metselwerk ziet men aanslag van zwavel en andere stoffen.
De Solfatara is in privé-bezit. De site werd in 1861 - of 1868 volgens een andere bron, Zuid-Italië is nu eenmaal geen regio waar men veel precisie moet verwachten - gekocht door de uit Calabrië afkomstige gebroeders De Luca, is momenteel eigendom van vijf van hun nazaten en wordt uitgebaat als een toeristische attractie. Naar verluidt komen meer dan honderdduizend bezoekers per jaar een rondje door de krater maken. Al dan niet onder de leiding van één van de twee Solfatara-gidsen: de oude Bruno of de jonge Nicola (vrouwelijke lezers hadden natuurlijk liever gewild dat ik zijn foto boven dit stuk zette, in plaats van die van mij). De Solfatara is kennelijk ook een uitverkoren bestemming voor educatieve excursies.
Ik kon niet aan de verleiding weerstaan een paar brokjes "gezwavelde" lava voor nader onderzoek mee te nemen. Een eerste wetenschappelijke vaststelling die ik deed is dat die snel verbrokkelen.  Een tweede: dat zij inderdaad (licht) naar zwavel ruiken.
Aan de ingang (tevens uitgang) van de Solfatara ligt een herberg-met-winkeltje, de Bar Coloniali. Daar kocht ik - voor slechts tien euro - een fraaie doos met samples van niet minder dan vijftien soorten minerali naturali afkomstig uit de Solfatara. Ze hebben elk een eigen vakje in de doos, met hun naam erbij. Hun Italiaanse naam natuurlijk, die wel zeer sexy, maar mij niet altijd bekend in de oren klinkt. Er zit uiteraard zolfo, zwavel bij. En ook lava rossa, rode lava. En ossidiana - obsidiaan, glimmend zwart. En ametista, amethist dus, violet van kleur, zoals het hoort. Ook mooi vind ik het idocrasio - wat dat dan ook moge wezen. En mica nera, en ematite, en pirosseni… Hm, ik ben echt wel ingenomen met deze aankoop. Zouden Patrick Van Gompel en Aagje Vanthomme ook zulke mooie souvenirs van hun verslaggeverij mee naar huis brengen?

Foto boven de tekst: gemaakt door Lieve Wollebrants-Van Rompaey, Solfatara, Pozzuoli (Italië), vrijdag 3 mei 2013.

Voornaamste bronnen: bezoek en info-bordjes ter plaatse; internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige versie), nl.wikipedia.org, geraadpleegd juni 2013; internet, website Vulcano Solfatara, www.solfatara.it/vulcano/en, geraadpleegd juni 2013.