zaterdag 1 augustus 2015

Engeland 1978 (deel 1)


Het leven bestaat uit momenten. Korte en lange momenten. Momenten die we intens beleven, waar we ons scherp van bewust zijn, en momenten die ongemerkt voorbij gaan, waar we ons nauwelijks of niet van bewust zijn. Momenten die we vastleggen in woorden of in een foto, en momenten die onbewaard in het grote niets verglijden. (Men zegge het niet voort, maar eigenlijk is het leven een rommeltje van momenten). 

Totnes, woensdag 16 augustus 1978.
Ik neem een blitse start, om zes uur 's ochtends ben ik de deur uit, mijn vader brengt me met zijn auto naar het station van Mechelen, even voor negen zit ik in Brussel op de trein naar Oostende. Voor de overtocht naar Dover heb ik mij veiligheidshalve van pilletjes tegen de zeeziekte voorzien, en kort voor het inschepen heb ik er daar twee van geslikt. Ze maken je slaperig, en ook zonder dat wordt zo'n overtocht al gauw een saaie bedoening. Ik eet een appel, die ik nog van thuis heb meegebracht. In de snackbar schaf ik mij bij gebrek aan beter een koffie en een in doorschijnend plastic verpakte, "witte" boterham aan. In de buurt van de Engelse kust krijg ik toch nog een vrij hoge zee voorgeschoteld: de boot gaat stevig op en neer.
Omdat de Engelse zomertijd een uur achter ligt op de continentale, zet ik nog vóór de middag voor het eerst voet op de Britse Eilanden. Rond twee uur stap ik in het Londense Victoria-station van de intercity. Het eerste wat ik van Londen te zien krijg is een reclamebord van de krant The Times. Julius Caesar verlaat, met enkele vrienden, vrolijk lachend het senaatsgebouw. Net achter hen, grijnzend: de samenzweerders, dolk in de hand. Tekst: "Have you ever wished you were better informed?". Britse humor.
Ik besluit door te reizen tot in het stadje Totnes - dat ligt niet ver van Maypool, en dat is dan weer het plaatsje waar ik 's anderendaags rendez-vous heb met de trektochtgroep. "You will meet your leader and the remainder of the party at Maypool Yout Hostel" - staat er in de instructies van de Engelse Youth Hostels Association, die de tocht organiseert. "Please try to time your arrival between 17 and 18.30 hours as supper is at 19 hours".
Totnes is één van de oudste stadjes van Engeland. Zoals reizigers dat al eeuwenlang doen, stap ik er af in het Royal Seven Stars Hotel, een etablissement dat herinnert aan de tijd dat er postkoetsen over de wegen van Devon dokkerden. Vlakbij het hotel, op The Plains - het stadsplein - staat een obelisk "In honour of William John Wills, native of Totnes, the first, with Burke, to cross the Australian continent; he perished in returning, 28 June, 1861". Omkomen op je terugreis, dat is wel bijzonder tragisch. Het nummer drie van The Plains is overigens het statige, vroeg-negentiende eeuwse huis waar deze William Wills geboren werd (maar dat ontdek ik pas 's anderendaags). 
Ik besluit mijn eerste dag Engeland met een warm bad en kruip onder de wol in een stadje waarvan ik 's ochtends niet eens het bestaan vermoedde. 

Totnes, donderdag 17 augustus 1978.
Na mijn eerste English breakfast ga ik op zoek naar de Brutus Stone. Een steen met geschiedenis. Volgens de overlevering heeft hij te maken met Brutus, kleinzoon van Aeneas, en één van de eerste Romeinse veroveraars van Brittannië, die vanuit Het Kanaal de rivier Dart zou zijn opgevaren en in Totnes aan land zou zijn gegaan. Larie en apekool natuurlijk. Aannemelijker klinkt de stelling dat de naam Brutus in dit geval verwijst naar de stadsomroeper, die met een oud Engels woord bruiter werd genoemd (men denke aan het Franse woord bruit). Ooit moet de Brutus Stone zo'n 18 inches boven de stoep hebben uitgestoken, en het verhoogje hebben gevormd van waarop de stadsheraut zijn mededelingen in het rond schreeuwde. Inmiddels werd de steen - naar ik vermoed: na vele struikelpartijen - met de rest van de stoep gelijkgemaakt. 
De Brutus Stone is te vinden in Fore Street, de hoofdstraat van Totnes, bij het huis nummer 51. Veel is er niet aan te zien, maar vanuit het gevoel voor traditie dat ik met de Engelsen deel, ga ik er toch maar even op staan. Dezelfde Fore Street herbergt heel wat fraaie oude gevels die de sfeer van het Elisabethaanse Engeland oproepen. 
Rond de middag vertrek ik uit Totnes, reis met een eerste bus tot Paignton en met een tweede tot Maypool. Het weer is schitterend, zonnig en lekker warm.

Maypool, donderdag 17 augustus 1978.
Maypool is een gehucht van Brixham, en Brixham is een havenstadje. De jeugdherberg van Maypool is "situated high on the wooded banks of the river Dart amidst magnificent grounds". Heuvels, kreken, veel groen.
Afspraak met the walking party - de trektochtgroep - om zeven uur 's avonds. De voettocht zal ons van Maypool naar Plymouth brengen. "We are exploring the south coast of Devon. Here is a coastline of unsurpassed beauty, of pleasant fishing villages, and wild, lonely cliff tops. Some of the finest cliff walking in the country will be attempted on the holiday".
Van een toepasselijke naam gesproken… de jonge vrouw die namens de Britse jeugdherbergenvereniging onze voettocht zal leiden heet Ann Walker. In de groep zijn de meisjes in de meerderheid: Sue, Helen, Janice, Janet, Myra… (ja, zo heetten Engelse meisjes anno 1978). De mannelijke minderheid bestaat uit George, Alan en ik. 

Hallsands, zaterdag 19 augustus 1978.
Het is Ann - onze gids - die mij als eerste vertelt over Hallsands - "the ruined village", "the village that was washed away by the sea". Het vissersdorpje is in 1917 tijdens een storm in één apocalyptische nacht van de kust weggevaagd. Hallucinant. Ik neem me voor materiaal te verzamelen om later over Hallsands te schrijven. 
De ruïnes van Hallsands liggen niet ver van de route die we volgen. Samen met Ann en Alan trek ik er naartoe. De anderen blijven zonnebadend achter. Het is lage tij. De rotsen waarop eens de huizen van Hallsands stonden, liggen vrij hoog boven de branding, op een soort platform tussen de zee en de heuvels. Op de rotsen staan nog enkele kale muren overeind, bizarre getuigen van het drama dat zich hier voltrok. We dalen af tot aan de zee. Ik maak enkele dia's. Ann en Alan hebben meer belangstelling voor de wieren die tussen de rotsen gedijen dan voor het vergane dorp. We klauteren weer naar boven, Ann gaat terug naar haar walking party, Alan en ik volgen het pad langs de kust tot aan de vuurtoren van Start Point. 
Hoe klein Hallsands ook was, het dorpje bezat een kruidenierswinkel, een postkantoortje en een seaman's mission - een soort buurthuis waar lezingen en concerten werden gegeven. En natuurlijk had het ook een pub, de London Inn. 
De mannen van Hallsands waren voornamelijk vissers en krabbenvangers. Vrouwen en kinderen staken de handen uit de mouwen bij het binnenhalen van de vangst of als de boten het strand werden opgetrokken. In het dorpje woonde ook een kleermaker, een timmerman en een scheepshersteller. En af en aan kwam de zee. De golven rolden uit op het strand.
De huizen van Hallsands waren op de rotskust gebouwd, aan de voet van de steile helling en de heuvels die net achter het strand oprijzen. 
Het kiezelstrand botste niet abrupt tegen de oprijzende rotswand: tussen strand en helling lag een strook lage rotsen - een tussenverdieping - en daarop stonden de huisjes van Hallsands. De oudste rij woningen was pal tegen de rotswand aangebouwd. In veel gevallen deed deze laatste zelfs dienst als achterwand van de woningen. Vóór die eerste huizenrij was later, langs de kant van het strand, een tweede rij woningen gebouwd. Hier waren er her en der al wijde kloven in de rotsige bodem: die had men opgevuld met kiezel en zand. Om deze heterogene ondergrond te verstevigen had men er een muurtje rond gebouwd. Tussen de twee parallelle huizenrijen liep de (enige) straat van Hallsands.
In december 1896 kreeg een aannemer de toelating te baggeren vóór de kust van Hallsands en het nabijgelegen Beesands. Van april 1897 af werden duizenden en duizenden tonnen kiezel en zand weggeschept - voor het maken van beton. Het strand van Hallsands werd steeds kleiner, weldra klotsten de golven bij hoge tij tot tegen het muurtje dat gebouwd was om de fundamenten van de tweede huizenrij te verstevigen. 
De inwoners van Hallsands maakten zich zorgen en gingen verhaal halen bij de overheid in Londen. Die stelde een onderzoek in en kwam tot de conclusie dat de zee wel voor nieuwe kiezel en zand zou zorgen. Een vergissing. De kiezel langs de kust van Zuid-Engeland is immers niet afkomstig van de plaatselijke rotskust, maar werd door de zee in prehistorische tijden van elders aangevoerd. Wat de zee toen deed, doet ze nu niet meer.
Op nieuwjaarsdag 1902 beletten wanhopige inwoners van Hallsands de baggeraar nog meer kiezel van hun strand weg te halen. In augustus 1903, en opnieuw in maart 1904, wordt het muurtje rond de funderingen van de huizen door stormweer beschadigd. Twee huisjes aan de noordzijde van het dorpje delen in de klappen. Ze zijn nog maar gedeeltelijk hersteld wanneer een nieuwe storm ze in 1904 van de kust slaat! 
Een foto, gemaakt na de winterstormen van 1903-1904, geeft een triest beeld van het dorp. De zuidelijke kant ervan kan enkel nog bij lage tij worden bereikt, omdat de straat bij hoge tij onder water loopt. Er wordt een houten noodbrug aangelegd, maar die wordt keer op keer door het tij vernield. 
De aannemer van de baggerwerken en de overheid weigeren elke verantwoordelijkheid voor wat in Hallsands gebeurt. Ze betalen wel mee aan een nieuwe, sterkere muur rond de huizen. Dertien jaar lang houdt die zeewering stand.
Dan komt de nacht van 26 januari 1917. Er is storm aangekondigd. De vissers brengen hun boten aan land. De storm valt samen met springvloed. Ongemeen heftig giert de wind uit het oosten, ongemeen heftig beuken de golven in op de zeewering van Hallsands - en die breekt. Het water zuigt de zand- en kiezelfunderingen van onder de tweede huizenrij weg: de panden storten in. In de striemende regen vluchten de inwoners van Hallsands de heuvels in. 
De eerste, oudste, huizenrij - tegen de helling aangebouwd - wordt door de storm langs boven aangevallen: metershoge golven storten zich op de daken en sleuren hele stukken muur mee naar zee. Als de storm de volgende ochtend gaan liggen is, staat er van de dertig huisjes van het dorpje nog maar één overeind. Hallsands: letterlijk op rotsen gebouwd, en toch in één nacht verwoest. 

Salcombe, zondag 20 augustus 1978.
De jeugdherberg van Salcombe, "a National Trust property", ligt op de rotsen, hoog boven de baai. "There is much to see and enjoy in Salcombe - a very popular holiday and sailing resort".

Bigbury-on-Sea, dinsdag 22 augustus 1978.
De jeugdherberg van Bigbury-on-Sea is een fraai houten huis, "a small well-equipped hostel which has wonderful views across Bigbury Bay". De zaken worden er gerund door twee beminnelijke oude dames. Ik weet niet in wie of wat ze geloven, maar ik vind ze uitgesproken baptistisch. Op de piano staat een bordje: "If you can't play the piano, then don't". Ik volg deze aanmaning op, en blijf weg van de toetsen, ook al heb ik ooit Broeder Jacob kunnen tokkelen.
Op de boekenplank zijn het Oude en het Nieuwe Testament met meerdere edities vertegenwoordigd. Ook de rest van het bibliotheekje bestaat uit stichtelijke lectuur, en uit de roman How Green Was My Valley van Richard Llewellyn (1939).
In afwachting dat de beminnelijke en baptistische dames het avondeten opdienen, proberen Alan en ik een landschap bij mekaar te puzzelen. We krijgen hulp van Janet, maar verder dan de lisbloemen rond de vijver en het uithangbord van de oude herberg komen we niet.
Voor de kust ligt Burgh Island. Bij lage tij is het helemaal geen eiland, dan wandel je er naartoe. Bij hoge tij wordt de verbinding verzekerd door een sea-tractor, een vehicel op wielen dat door het ondiepe water rijdt en mijn trektochtgenoten en mij afzet aan The Pilchards Pub, de enige bezienswaardigheid op het eiland. Ze zou al dateren van de 14de eeuw en was ooit het stamcafé van de plaatselijke smokkelaars. We doen er een terrasje. Het is een mooie zomeravond.

Foto: de walking party (trektochtgroep), augustus 1978 - naar een dia van George Wickens, gedigitaliseerd en bewerkt. I am sittin' on the fence…

woensdag 1 juli 2015

Hohner


"Ik doe niets liever dan de voorwerpen die ik koop van een geschiedenis voorzien", schreef iemand mij onlangs. Mooi gezegd, vond ik: voorwerpen van een geschiedenis voorzien. En zeer herkenbaar voor mij, want ik doe het geregeld op dit blog. 
Veelal gaat het bij mij niet over zaken die ik heb gekocht, maar over spullen die familiegewijs tot bij mij zijn gekomen. Ik ben een enig kind, mijn vader was een enig kind: er zijn dus nogal wat bezittingen van mijn ouders en grootouders op mij overgegaan. Ik koester ze. Het zijn geen dure kunstwerken of antiquiteiten, hun objectieve waarde is gering, maar het zijn dingen die voor mij een grote emotionele waarde hebben. 
Mijn allereerste blogartikel ging meteen al over zo'n object: een blikken doosje van de Egyptische luxe-sigaretten Melachrino dat in mijn ouderlijk huis een heel andere bestemming had gekregen. Sedertdien heb ik hier bij tijd en wijle meer van zulke voorwerpen van tekst voorzien.
Op de keper beschouwd mag ik niet zeggen dat ik die dingen een geschiedenis heb gegeven - die hadden ze al. Ik heb hun verhaal achterhaald, en verteld. Het vertellen van verhalen (over dingen) voegt betekenis toe (aan die dingen). Het is ook een uiting van aandacht, van liefde, voor die dingen. Het veronderstelt bewuste aanwezigheid-bij-de-dingen, is dus een vorm van bewustzijn, dit wil zeggen: van bewust zijn. Als zodanig geven de dingen-waar-we-bij-aanwezig-zijn op hun beurt betekenis aan ons leven. Bewust zijn is naar mijn filosofische mening de beste manier om zin te geven aan ons altijd te korte bestaan.  
Down to earth. Toen mijn vrouw Lieve en ik in mei van dit jaar (2015) van onze auto-reis door Zwitserland via Duitsland naar onze heimat terugkeerden, bezochten we - op vrijdag 22 mei - in het Zuid-Duitse stadje Trossingen het Deutsches Harmonika Museum. 
Tijdens onze Duitsland-reis van augustus 2014 had ik een foldertje van dat museum opgepikt. Om redenen die ik me nu niet meer voor de geest kan halen was het er toen niet van gekomen, maar sindsdien stond een bezoek aan dat Harmonika Museum in het Schwarzwald hoog op mijn to-do-lijstje, want accordeonmuziek is één van mijn nooit vervlogen jeugdliefdes. Alleen al visueel vind ik de accordeon een mooi instrument - vooral dan de met parelmoer versierde exemplaren: met hun diepe kleuren en hun steeds wisselende glinstering zien ze er prachtig, ja een beetje magisch uit (natuurlijk ook omdat ze in mijn bewustzijn onlosmakelijk verbonden zijn met mijn kindertijd). En hun klank is warm, en voert gezelligheid en levensvreugde aan.
Het Deutsches Harmonika Museum staat bijna geheel in het teken van Hohner - een naam die ik van oudsher kende omdat hij voorkwam op sommige van de fraaiste accordeons die ik in mijn leven zag. Een legendarisch merk. Dankzij de flyer die vorig jaar mijn pad kruiste, wist ik dat Trossingen de plaats was waar de accordeonfabriek Hohner haar thuis had. En was ik ook al te weten gekomen dat het bedrijf - opgericht anno 1857 door Matthias Hohner - niet enkel accordeons maar ook mondharmonica's produceerde. (Inmiddels is mij bekend dat het sinds 1949 nog andere muziekinstrumenten op de markt brengt). 
Uiteraard was ons bezoek aan het Deutsches Harmonika Museum een leuke ervaring: instrumenten, foto's, verpakkingen, publiciteit, filmpjes… van vroeger, het was er allemaal. 
Het museum zelf is van eerder recente datum: het zag het levenslicht in 1991, nadat in 1987 de Duitse deelstaat Baden-Württemberg de Sammlung Hohner had aangekocht, de rijke collectie die de leiding van de fabriek in de loop der jaren had aangelegd.
Ik had vooral accordeons verwacht, en was dus een beetje verbaasd over het grote aandeel dat de mondharmonica in het museum innam. Had ik mij vooraf grondig geïnformeerd, dan had ik geweten dat de grondlegger van de zaak, Matthias Hohner, uitsluitend mondharmonica's vervaardigde, en de accordeon - de Handharmonika - pas in 1903, het jaar na zijn overlijden, op de Hohner-productieplank was verschenen... 
Ook op de flyer van het museum nam de mondharmonica trouwens een vooraanstaande plaats in: niet in het minst dankzij een foto die het Hohner-instrument linkte aan The Beatles! En inderdaad: op vroege Beatles-nummers als Love me do, Please please me en I should have known better wordt volop mondharmonica gespeeld - ik heb het voor de zekerheid nog eens nagegaan. 
Samengevat: het perspectief verschoof van de accordeon naar de mondharmonica. En dat deed het zeker vanaf het moment dat mijn vrouw mij aan iets herinnerde…
"Je weet toch dat wij thuis nog een mondharmonica van je vader hebben?", zei ze toen we 's avonds weer in ons hotel waren en de ervaringen van de dag overschouwden. Ja… nu ze het zegde… ooit had ik dat inderdaad geweten, maar het was toch wetenschap die diep in mijn langetermijngeheugen verzeild was geraakt. Zelfs het bekijken van de tientallen in het museum tentoongestelde mondharmonica's had ze niet doen opborrelen. "Na het overlijden van je vader heeft jouw moeder die op een bepaald moment eens aan onze kinderen gegeven, maar ik heb die meteen in beslag genomen en in veilige bewaring genomen", vervolgde mijn echtgenote. "Ik heb je dat toen verteld", voegde ze er aan toe. Ik betuigde - zoals ik dat destijds ook al zal hebben gedaan - mijn instemming en prees haar verantwoordelijkheidszin, want familiale erfstukken horen natuurlijk niet in kinderhanden terecht te komen. 
Na onze reis kwam mijn vrouw mij al gauw met de vaderlijke en door haar geredde mondharmonica verblijden. Een Hohner! Ja, het bleek zowaar een Hohner, een echte Hohner! Een vrij groot (bijna twintig centimeter) en vrij zwaar instrument. Grotendeels in chroom, maar aan de onderzijde is ook een houtimitatie-achtige kunststof te zien. Op het chroom staat, aan beide zijden, in drukletters, dezelfde tekst: "THE 64 CHROMONICA / 4 CHROMATIC OCTAVES PROFESSIONAL MODEL / M. HOHNER / GERMANY". 
Een kleine zoektocht op het internet leerde mij dat de 64 Chromonica een gereputeerd en bij musici en deskundigen allerhande zeer gewaardeerd instrument is. "First conceptualized in 1938 and improved in numerous details throughout the 20th century", aldus de website Musician's Friends.
En op de website Masters of Harmonica vernam ik van ene David Kettlewell ("I am a classically trained amateur singer and musician") wat de aanduiding "4 chromatic octaves" op mijn vaderlijke mondharmonica precies betekende: "indicating it has 4 complete octaves of chromatic scales starting from C one octave below 'Middle C' up to so called 'High C' which is two octaves above middle C". Hm, ik nam blijmoedig aan dat dit voor muzikaal onderlegde mensen interessante informatie was. 
Ik had toen al besloten aan de Hohner-mondharmonica van wijlen mijn vader een blogartikel te wijden. Daarbij stelden zich twee problemen. 
In de eerste plaats zat de mondharmonica (nog) niet in de familiegeschiedenis verweven. In 1938 - het jaar waarin Hohner de 64 Chromonica  zou "geconceptualiseerd" hebben - werd mijn vader 17 jaar. Zou hij de mondharmonica voor zijn 18de verjaardag gekregen hebben? Voor zijn 21ste verjaardag? Zou het een geschenk van zijn ouders zijn geweest? Of van zijn suikertante Marie Vandenbossche ("matante")? Of was het instrument pas later in zijn bezit gekomen? In tegenstelling tot een ander muzikaal erfstuk - de klarinet die mijn grootvader Frans Constant Wollebrants bespeelde en waar ik al op jonge leeftijd mee kennismaakte - was deze mondharmonica voor mij een soort terra incognita. Ik kon me niet herinneren dat mijn vader er tijdens zijn leven ooit naar verwezen had. 
Het tweede probleem dat zich stelde was van praktische aard. Sinds ik het voor dit blog geregeld doe, weet ik dat het fotograferen van voorwerpen geen eenvoudige klus is - moeilijker dan het in beeld brengen van landschappen of personen. Kleine objecten zorgen in de regel voor grote muizenissen inzake belichting en scherpte. Ook het vinden van een geschikte achtergrond is een heikele aangelegenheid. Een egale background roept saaiheid en hinderlijke slagschaduwen op. Deze keer gooide ik het op de originele toer. Ik legde de 64 Chromonica op een blikken publiciteitsbord - een kopie van een oude Hohner-reclame die ik in het Deutsches Harmonika Museum in Trossingen had gekocht. Een gedurfde aanpak (vind ik). Over het resultaat laat ik u zelf oordelen (zie de foto boven deze tekst).
Tijd voor een besluit. De mondharmonica van mijn vader had een geschiedenis, maar die viel, afgezien van het feit dat het instrument ooit aan mijn vader had toebehoord en via mijn moeder en mijn vrouw tot mij was gekomen, verder niet meer te achterhalen - ze was verloren gegaan, verdwenen in de tijd. 
Met dit blogverhaal heb ik het vaderlijke muziekinstrument - in tegenstelling tot mijn eerdere bewering dat men dingen geen geschiedenis geeft, maar dat ze er één hebben - in zekere zin toch van een nieuwe geschiedenis voorzien. Heb ik minstens toch zijn sterk gekrompen curriculum vitae verrijkt met enkele nieuwe, zij het hedendaagse, schakels. Heb ik een soort verbinding tot stand gebracht - tekstueel en fotografisch - tussen het verleden van mijn vader (zijn Hohner-mondharmonica) en mijn heden (mijn bezoek aan het Deutsches Harmonika Museum, mijn exploratie van de Hohner-wereld). Heb ik betekenis toegevoegd aan de 64 Chromonica van mijn vader. Heb ik betekenis toegevoegd aan mijn eigen reilen en zeilen. En betekenis is erg belangrijk in het leven, volgens mij. Voor de dingen en voor de mensen.

The Beatles, met John Lennon op mondharmonica, 1962: https://www.youtube.com/watch?v=ds3mAmUPxYA

Geraadpleegde bronnen.
Folder van het Deutsches Harmonika Museum in Trossingen (Baden-Württemberg), 2014; internet, website Deutsches Harmonika Museum, www.harmonika-museum.de/, geraadpleegd juni 2015; internet, website Enjoy Music - Play Hohner, us.playhohner.com/, geraadpleegd juni 2015; internet, website Musician's Friend, www.musiciansfriend.com/, geraadpleegd juni 2015; internet, website Masters of Harmonica, mastersofharmonica.com/, geraadpleegd juni 2015; de Duitstalige versie van de internet-encyclopedie Wikipedia, de.wikipedia.org/, geraadpleegd juni 2015.

maandag 1 juni 2015

Le Pré Catelan


Vandaag neem ik u mee naar het exclusieve Parijse restaurant Le Pré Catelan - zoals, in het jaar 1909, geschilderd door Henri Gervex (1852-1929). Een mens leeft niet van vijfgangenmenu's alleen, daarom tracteer ik u op enige cultuurhistorische genoegens, geserveerd op een bedje van enkele beschouwingen omtrent de schilderkunst. Want ja, cultuur, geschiedenis, kunst, literatuur en filosofisch gepeins, zijn zij het niet die het leven betekenis - zin - verlenen? Ik klink een beetje verheven, ik weet het, maar wij begeven ons heden dan ook in de hogere kringen… Wij 'gaan elitair'…
Une soirée au Pré Catelan is de officiële titel van het prachtige schilderij dat ons hierbij tot uitgangspunt dient. Toen Gervex het vervaardigde was het restaurant Le Pré Catelan (soms ook gespeld met streepje: Le Pré-Catelan) nog zeer jong: het was gebouwd in 1905, in een bevallige, neo-classicistische stijl. 
Pittig detail: Gervex schilderde zijn werk (olieverf op linnen) op bestelling van de toenmalige eigenaar en uitbater van de Pré Catelan, een zekere monsieur Mourrier. De man zal fier geweest zijn op zijn horecazaak - terecht. En, uiteraard, zo'n relatief groot (3,24 op 2,14 meter) en fraai schilderij: geen betere vorm van reclame denkbaar! Des te meer daar Gervex in die tijd een gerenommeerd figuur in de kunstwereld was.
Henri Gervex was geboren in december 1852, en dat was zo'n drie maanden vóór in het Nederlandse plaatsje Zundert Vincent Van Gogh het levenslicht zag. De twee waren dus nagenoeg leeftijdsgenoten - een kleine vergelijking ligt voor de hand.
Parijzenaar Gervex groeide in zijn tijd uit tot een algemeen geacht en geliefd kunstenaar: hij exposeerde op de beroemde jaarlijke Salons, kreeg overheidsopdrachten, werd in 1889 officier van het Légion d'honneur… Hij was welvarend, behoorde tot de haute société van zijn tijd, waarvan de leden mekaar ontmoetten in chique etablissementen als de Pré Catelan, om te tafelen, te bewonderen, en - vooral - bewonderd te worden.
Vincent Van Gogh verkocht tijdens zijn moeizame en armoedige leven één schilderij. Nu wordt hij beschouwd als een artistiek genie en worden voor zijn werken astronomische bedragen neergeteld. Henri Gervex is inmiddels geheel vergeten. Dat hij de Pré Catelan in opdracht van de eigenaar schilderde, was een pekelzonde in vergelijking met de mate waarin de kunstwereld van onze tijd in de greep is geraakt van commerçanten, marketeers en speculanten.
Het restaurant Le Pré Catelan bestaat nog steeds: dankzij keukenchef Frédéric Anton mag het zich sedert 1999 op twee en sinds 2007 zelfs op drie sterren in de Michelingids beroemen. Het is gelegen in het Bois de Boulogne, een vrij groot (zij het met autowegen doorsneden) park in het 16de arrondissement van Parijs. Ik heb er geen flauw benul van wat voor een arrondissement dat is, maar als men een locatie in Parijs aanhaalt dient men daar steeds het arrondissement bij te vermelden, dat hoort zo! Ik ben er ook nooit geweest, in dat Bois de Boulogne, ken het enkel uit de Franse misdaadfilms en de oude Maigret-televisieproducties (waar ik in mijn kinderjaren sporadisch wel eens naar keek): daarin fungeerde het steevast als tippelzone.
En wat lees ik anno 2015 in de Wikipedia? "Overdag is het er goed toeven (…). 's Avonds en 's nachts is het er echter een onveilig gebied. Ook werken er travestieten en transseksuelen in de prostitutie". U bent gewaarschuwd! Eerlijkheidshalve voeg ik hier aan toe dat ik uit dezelfde bron nu ook leer dat in het - 846 hectaren groot - Bois de Boulogne een rozentuin, een siertuin met serres, een dierentuin, een camping (de enige in Parijs!), twee paardenrenbanen én de bekende tenniscourts van Roland Garros liggen. En ja, er staan warempel ook nog bomen in het Bois, vooral eiken!
Het schilderkunstig œuvre van Henri Gervex wordt gerekend tot "het burgerlijk realisme", de Salonmalerei, waar de kunstpausen van de latere twintigste eeuw misprijzend op neerkeken. Pas met het standaardwerk van de Servische kunsthistorica en schilderes Aleksa Celebonovic (1917-1987) uit 1974, in het Nederlands vertaald als Dierbare schilders, in het Engels als Some Call It Kitsch, mocht die burgerlijke 19de- en vroeg 20ste-eeuwse schilderkunst zich weer in enige interesse en empathie verheugen.
Ach, kunst of kitsch, who cares? Kunst kan soms mat en nietszeggend, kitsch kan soms boeiend en betekenisvol zijn. Beauty is in the eye of the beholder, en al de rest zit ook in onze hersenen, en is dus subjectief en relatief. Laten we onconventioneel durven zijn, niet enkel door belang te stellen in de avant-garde, maar ook door het conventionele naar waarde te schatten.
En de Soirée au Pré-Catelan is een mooi en boeiend werk, zeker weten. Ongetwijfeld heeft zijn charme te maken met de sfeer die het uitstraalt, en die wordt op haar beurt geschapen door het contrast tussen het feestelijke licht in het interieur - elektrische verlichting, in 1909 nog een betrekkelijke nieuwigheid - en het nachtelijke duister.
Maar… omdat de kunstenaar het restaurantlicht ook met gulle hand op het terras van het gebouw laat afstralen, wordt de tegenstelling tussen het heldere binnen en de donkere buiten sterk gemilderd, en wordt ons het (naar mijn smaak) geforceerde 'spotlights' clair-obscur bespaard dat we aantreffen in het werk van een Caravaggio, een Georges de la Tour of een Rembrandt (een effectjagerij waar ik niet tuk op ben).
De Soirée au Pré-Catelan was kennelijk een warme zomeravond, want op het terras en in de tuin staat een stukje van de beau monde een luchtje te scheppen. Op de achtergrond komen een dame en een heer naar buiten en maken aanstalten om, neen, niet in een koets, maar in een auto te stappen - een andere betrekkelijke nieuwigheid van die dagen. 
Op het schilderij herkennen we heel wat toenmalige Parijse beroemdheden (uiteraard omdat de gespecialiseerde literatuur ze ons voorzegt). Op het terras maakt een driekoppig gezelschap een praatje: twee dames en een heer die min of meer het middelpunt van het gehele tafereel vormen. Het gaat zowaar om de echtgenote van de schilder, mevrouw Gervex, die in gesprek is met de prins en de prinses de Sagan. Die prins heettte eigenlijk Hélie de Talleyrand (1859-1937), de prinses Anna Gould (1875-1961). Zij was van huis uit schatrijk, en hij was ook niet bepaald een armoezaaier. Merkwaardig: Henri Gervex toont zijn echtgenote - zij staat links - en face, en de prinses op de rug! Het gemene grapje dat la princesse de Sagan enkel vanuit dit gezichtspunt een schoonheid kon worden genoemd deed de ronde…  
In het restaurant zelf kan men de "célèbre demi-mondaine" Liande de Pougy bewonderen, verder Arthur Meyer, directeur van de invloedrijke, conservatieve krant Le Gaulois, maar ook symboolfiguren der moderniteit als de vliegenier Santos-Dumont en de fervente autoliefhebber markies de Dion. Ontbreekt: de schrijver Marcel Proust (1871-1922), auteur van het onvolprezen A la recherche du temps perdu. Aangenomen wordt dat ook hij volop klant geweest is in de Pré Catelan, en mét hem een flink deel van zijn personages (met name de meest gefortuneerden onder hen). Overigens was 1909 het jaar waarin Proust het schrijven van zijn A la recherche aanvatte (hij zou zijn meesterwerk voltooien in 1922, net voor zijn dood): rijk was hij toen al wel ('familiegewijs'), beroemd nog niet. In wezen deden Gervex en Proust hetzelfde: ze legden de Belle Epoque - het tijdvak van ca. 1880 tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog - vast en bewaarden haar voor het nageslacht. De ene deed het al schilderend, de andere al schrijvend.
Grosso modo kan gesteld dat de Belle Epoque de laatste periode is geweest waarin de Westerse schilderkunst het esthetische ideaal huldigde dat haar door de Renaissance was meegegeven: kunst moest zintuiglijke schoonheid voortbrengen - want "a thing of beauty is a joy forever" (Keats). In de regel vormde deze esthetiek nog het paradigma van artistieke stromingen als het realisme, het impressionisme en de Jugendstil. Van Henri Gervex en zijn bewonderaars.
Na de Eerste Wereldoorlog schoven de avant-garde kunstenaars het schoonheidsideaal aan de kant ten voordele van het vormexperiment (het kunstwerk moest niet langer mooi, maar vooral origineel zijn), en offerden ze het natuurgetrouw afbeelden van de visuele werkelijkheid op aan de onverholen expressie van meningen, gevoelens, dromen… In een wervelwind van elkaar steeds sneller opvolgende nieuwe kunststromingen (expressionisme, fauvisme, kubisme, futurisme, abstractie, surrealisme… het '-ismen'-lijstje kan omzeggens eindeloos aangevuld worden tot en met de hedendaagse kunstavonturen) verloor de 'gevestigde' artistieke wereld het contact met het grote publiek, dat het oude schoonheidsideaal trouw bleef, en de moderne kunst in het beste geval belachelijk en in andere gevallen ergerlijk of schandalig vond. Een kloof die zelfs de dag van vandaag niet is gedicht. Wederzijdse minachting. 
En ik? (Want in een blog moet men ook iets van zichzelf prijsgeven). Ach, zoals gewoonlijk kan ik niet kiezen, wil ik niet kiezen. Ik ben gecharmeerd door de schoonheid die (bijvoorbeeld) Henri Gervex ons voorzet - maar ben (bijvoorbeeld) ook gefascineerd door de eerlijke lelijkheid waar Lucian Freud (1922-2011) ons mee confronteert. 
Overigens: allicht zonder dat hij het zelf besefte is Gervex' Soirée au Pré Catelan méér dan een aangenaam tijdverdrijf. Ja, hij laat het licht van de Pré Catelan ook schijnen op de gasten op het terras van het restaurant, dat is waar. Maar wij, waar staan wij, als toeschouwers? Aangezien we het hele tafereel in ogenschouw kunnen nemen: kennelijk een eind verder. In het donker? Allicht. ("Und man siehet die im Lichte, die im Dunkeln sieht man nicht").
Gervex schilderde de gezelligheid, de behaaglijke schittering waarin de mondaine wereld zich in en om het chique restaurant wentelt. Wij nemen ze waar, als buitenstaanders. De vraag is: zijn gezelligheid en glitter (net als geluk) geen fenomenen die men bij uitstek ervaart als men ze - niet zonder enige jaloezie - van buitenaf waarneemt, er niet zelf aan deelneemt, ervan uitgesloten is? Wie in en om het restaurant zit of staat denkt allicht niet aan gezelligheid en splendeur, die is daarvoor in een te drukke conversatie gewikkeld… En misschien zijn die prins en die prinses wel oervervelende small talkers, is die demi-mondaine Liande een domme onzin uitkramend kippetje, die krantenmagnaat een holle, zelfingenomen veelprater...? Misschien kreeg je in de Pré Catelan hoofdpijn van al dat duffe gepraat, rugpijn van het lange tafelen, vermoeide ogen van het overvloedig elektrisch licht…? Ja, ik durf er donder op zeggen dat ook une soirée in de Pré Catelan niet altijd was wat zij nu op het eerste gezicht lijkt… Of: hoe zelfs een kunstwerk dat mooi en bevallig - een streling voor het oog - wil zijn, te denken geeft…
En zo worden wij heen en weer geslingerd tussen verrukking (over de schoonheid en de sfeer), afgunst (omwille van de gezelligheid en de luxe in de Pré Catelan), en skepsis (omdat wij weten dat het leven en de wereld in werkelijkheid toch altijd anders zijn dan zij op een schilderij, of in een boek, een film, een liedje… voorgesteld worden). 
Toen Aleksa Celebonovic in de vroege jaren zeventig haar werk Dierbare schilders schreef, behoorde Gervex' Une soirée au Pré Catelan nog tot de privé-collectie van de Parijse antiquair en kunstverzamelaar François-Gérard Seligmann. Na diens dood schonk zijn weduwe de 160 kunstwerken tellende Belle Epoque-collectie van haar man aan het Musée Carnavalet, het stedelijk historisch museum van Parijs, gelegen in de Rue des Francs Bourgeois (in het 3de arrondissement).

Voornaamste bronnen…
Het boek: A. CELEBONOVIC, Dierbare schilders, Het burgerlijk realisme in de negentiende eeuw, Amsterdam, 1974.
Het internet: website 1643-1945 L'Histoire par L'Image, www.histoire-image.org/ ; website van het Musée Carnavalet, www.carnavalet.paris.fr/ ; artikel Balade littéraire avec Proust à Paris (2) op website Terres d'écrivains, www.terresdecrivains.com (in dit artikel ook twee foto's van het restaurant Le Pré Catelan in de Belle Epoque) ; diverse trefwoorden op de Frans- en Nederlandstalige versies van de internet-encyclopedie Wikipedia (Wikipédia), nl.wikipedia.org/ en fr.wikipedia.org/.

vrijdag 1 mei 2015

Jongens en wetenschap


Rond het jaar 1700 - toen er van vliegtuigen nog geen sprake was - kwam een geleerde op de proppen met het lumineuze plan om Amsterdam te verbinden met het toenmalige Nederlands-Indië (het huidige Indonesië)… bij middel van een kabelbaan! In Amsterdam moest een zeer hoge toren opgericht worden. Van daaruit zou een kabel vertrekken, die - opgehangen aan pilonen die telkens iets korter werden - boven landen en zeeën zou lopen, en waarlangs grote korven met passagiers en goederen vrolijk naar het Verre Oosten zouden glijden. 
En wat gezegd van het idee uit 1851 om een spoorwegnet aan te leggen waarbij alle treinen op één enkel spoor zouden rijden, zonder dat dit tot frontale botsingen zou leiden. "Alle wagons van de treinen die steeds hetzelfde traject afleggen worden voorzien van rails op hun dak", schreef de uitvinder. "Door middel van een wig, voor- en achteraan aangebracht, wordt de verbinding tussen het onderste en het bovenste spoor mogelijk gemaakt. Wanneer twee treinen elkaar kruisen blijft de ene, die met de wiggen is uitgerust, op het spoor, terwijl de andere over de voorste wig heen, boven op de tweede zijn weg vervolgt, om dan aan het einde via de achterste wig weer op het onderste spoor terecht te komen". Naar het schijnt is het idee later wel eens toegepast in pretparken.
Deze - en andere - uitvindingen "die het niet waren" trof ik aan in Jongens en wetenschap. Opgelet, hoed u voor namaak! Natuurlijk heb ik het hier niet over het gelijknamige radiogedoe van enkele jaren geleden, gepresenteerd door ene Sven Speybrouck en ene Koen Fillet (of over de boeken die daar kennelijk gepaard mee zijn gegaan), maar over de échte, de authentieke Jongens en wetenschap: de reeks van oorsprong Zwitserse jeugdboeken uit de jaren veertig-vijftig-zestig (van de twintigste eeuw), die - als mijn internetresearch een beetje klopt - van 1946 af in Nederlandse vertaling verschenen (en menige herdruk kenden - een bewijs van hoe populair ze wel niet waren). 
In de dozen "jeugdboeken" van mijn persoonlijk archief bewaar ik een tweede druk van het deel VII, uitgegeven in 1956 bij de (mij voor het overige niet bekende) Daphne Uitgaven in Gent, en ook een soort buiten reeks-deel, een compilatie van de beste verhalen en artikels uit de tien eerste delen (ook verschenen bij Daphne, maar waar geen jaartal in vermeld wordt). Ik vermoed dat ik mijn deel VII te danken heb aan Sinterklaas (en zijn knecht Zwarte Piet), en dat het compilatiewerk een "prijsboek" was, een cadeau op de (middelbare) school. Omdat volgens het alombekende adagium van Goethe het meesterschap in de beperking schuilt, hou ik het hier bij mijn deel VII.
Hoe is het in 's hemelsnaam zover gekomen dat ik mij in het voorjaar van 2015 verdiepte in deel VII van Jongens en wetenschap? 
Ik zat in een dipje. Zoals alle belangrijke gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis werd het veroorzaakt door een mix van factoren. Omdat men op het world wide web niet te zwaar de zeurpiet moet uithangen, sla ik de fysieke aanleidingen over, en beperk ik mij tot de louter geestelijke kant van de zaak.
Volgens mijn echtgenote was mijn dip een late uitloper van de omschakeling naar het zomeruur: iedereen ondervindt daar last van, zei ze, maar avondmensen veruit het meest. En dat is nu net wat ik ben: een avondmens. Zoals alle vrouwen heeft mijn vrouw altijd gelijk, meestal en voor een deel dan toch, want ook het feit dat mét het voorjaar mijn volgende verjaardag al weer in zicht kwam zal aan mijn kommer niet vreemd zijn geweest (verjaardagen: ongenadige reminders van het ouder worden en van de dood). Gelukkig viel mijn dipje toevallig samen met de Mental Health Awareness Week, waardoor mijn depressieve toestand nog enige actuele relevantie kreeg.
En even toevallig kwam mij in die dagen ter ore dat er op onze planeet zoiets bestaat als bibliotherapie. Kort gezegd komt het neer op het bestrijden van dipjes door het lezen van vrolijke boeken. Even gaan kijken in de Wikipedia, en ja hoor, daar las ik een wat omvangrijker beschrijving van dit, mij tot nog toe geheel onbekende fenomeen: "Bibliotherapie is een therapie waarbij gebruik gemaakt wordt van geschreven teksten zoals zelfhulpboeken, handleidingen, romans en prentenboeken om mensen van alle leeftijden te helpen met hun psychische en fysieke problemen". 
Ik kreeg er zelfs een vleugje historiek bij: "Reeds de Oude Grieken hielden voor dat literatuur zowel psychologisch als spiritueel belangrijk was, en plaatsten boven hun bibliotheek een bord met opschrift Plaats ter genezing van de ziel". 
Nu, zelfhulpboeken lees ik zelden, en handleidingen nog minder (het is algemeen geweten dat mannen nooit handleidingen lezen, ze knoeien liever maar wat aan, of laten het programmeren van de huiselijke elektronica over aan hun vrouw - of, om de waarheid helemaal onverbloemd te zeggen: eerst knoeien ze wat aan, en als de zaken hopeloos out of tune zijn geraakt roepen ze hun vrouw te hulp). 
Wat romans en prentenboeken betreft… Ja, ik mocht dan nog nooit van de bibliotherapie hebben gehoord… verdorie toch: ik pas ze al jaren toe! Want wat doe ik in de regel wanneer de somberheid mij besluipt? Ik duik in mijn oude Nero-stripverhalen (waar weliswaar nog een wrang kantje aan zit, omdat ik veel van de oorspronkelijke albums uit mijn kinderjaren domweg ben kwijtgespeeld - en mij bijgevolg grotendeels met latere heraankopen moet troosten). Of ik zoek de evasie en de zinnenverzetting in een roman van good old Hendrik Conscience (ik heb hem ooit, weliswaar met een knipoogje, de Vlaamse Goethe genoemd - al heeft hij dan geen Faust geschreven, dat moet ik toegeven). 
Of ik wend mij tot een lekker ouderwets jeugdboek - zo'n stoer jongensboek uit mijn eigen wonder years (de fifties en de sixties) of die van wijlen mijn vader (de twenties en de thirties). En zo was het deze keer dus met Jongens en wetenschap dat ik 's avonds in bed dook.
Een blik op het voorplat en de titelpagina… Zoals alle andere boeken uit de reeks biedt Jongens en Wetenschap VII "een bonte mengeling van spel en sport, uitvindingen en ontdekkingen, knutselwerk en avontuur". Merkwaardig: in Zwitserland heette de reeks helemaal niet Jungen und Wissenschaft of iets van die strekking, maar: Helveticus. De Nederlandse vertaling was van Jan Leiesee. Misschien deed die meer dan louter vertalen, want er staat: "Nederlandse Bewerking van het Zwitsers Jeugdboek Helveticus". Helaas worden de namen van de oorspronkelijke auteurs en illustratoren nergens vermeld.
Het boek begint met een lang science-fiction verhaal, Drie planeten, drie werelden, en bevat vervolgens een dertigtal non-fictie artikelen over alle mogelijke onderwerpen uit de wereld van de wetenschap, de techniek, de sport, de cultuur en de dieren. Her en der over het boek verspreid: vijf korte "denkpuzzles" (met de oplossingen telkens op een andere bladzijde), en een rijke reeks suggesties voor spelletjes, knutselwerkjes, goochelkunstjes en het aanleggen van verzamelingen. Het boek bevat ook enkele bladzijden met zwartwit foto's, en nagenoeg alle artikelen zijn verlucht met tekeningen. Afwisseling troef.
Maar kijk, ook in de bibliotherapie komt men soms voor verrassingen te staan. De teksten van mijn Jongens en wetenschap bezorgden mij niet het genoegen dat ik gewoonlijk ervaar als ik iets terugvind waar ik lang geleden vertrouwd mee was. De reden? Ik vrees dat ik ze destijds niet of slechts zeer fragmentair gelezen heb. Was het opdiepen van de Jongens en wetenschap-boeken uit mijn archief dan een schot naast de roos? Dat nu ook weer niet. Niet enkel de prachtige illustratie op de boekband (zie de foto boven dit artikel - op de achterzijde van de kaft staan soortgelijke kleurrijke tafereeltjes), ook de tekeningen in het boek zelf bezorgden mij kostelijke momenten van herkenningsplezier. Vooral dan de prentjes bij het artikel Uitvindingen die het niet waren. De wijze waarop de illustrator nep-uitvindingen als de kabelbaan van Amsterdam naar Oost-Indië, of de trein met rails en een andere trein op zijn dak in beeld had gebracht, was zo mogelijk nog fantasierijker dan de nooit gerealiseerde curiosia zelf. 
Wat ik nu constateer: al die pseudo-uitvindingen uit het verleden die in het artikel besproken en afgebeeld worden, hebben te maken met mobiliteit (een heikele zaak op onze dagen). Zo is er bijvoorbeeld ook nog de personenluchtdruk-verbinding: een buis waarin de in een koker gelegen reiziger - zelfs de afbeelding bezorgt mij al claustrofobische rillingen - van de ene naar de andere stad zou gezogen geworden. De man die dit plan anno 1856 ontwierp berekende dat men zich op deze wijze in één minuut en 8 seconden van Wenen naar Parijs zou kunnen verplaatsen! Volgens Jongens en wetenschap werd het procédé ooit gerealiseerd en gebruikt om post mee te versturen.
Dan vind ik de zeilfiets, een idee uit 1869, heel wat sympathieker. Zoals men dankzij de zeilboot aan het vermoeiende roeien ontsnapte, zo zou men door de fietsen van een zeil te voorzien niet meer hoeven te trappen. Zo luidde althans de redenering. Natuurlijk had de geniale uitvinder van de zeilfiets de mogelijkheid van tegenwind over het hoofd gezien, maar als ik aan de Vlaamse Westkust de zeilwagentjes over het strand zie scheuren, dan bedenk ik dat er met de combinatie van wind en wielen toch wel iets aan te vangen valt. Inmiddels heeft natuurlijk ook de elektrische fiets het levenslicht gezien. 
Na het herontdekken van al deze leuke dingen uit mijn jeugd, was mijn dipje voorbij. Succesvol behandeld met de bibliotherapie, met dank aan deel VII van Jongens en wetenschap. En wat die bibliotherapie betreft: gelet op mijn jarenlange ervaring met de materie denk ik dat ik mij gerust bibliotherapeut mag noemen. Het geven van lezingen, opleidingen, behandelingen, coachings, workshops, masterclasses… zie ik - mits gepaste vergoeding - helemaal zitten. 

Jongens en Wetenschap (oorspr. Helveticus), deel VII, tweede druk, uitgeverij Daphne Uitgaven, Gent, 1956, 208 blzn.

woensdag 1 april 2015

In 1908


Van fraaie foto's gesproken… het mooie dubbelportret boven deze tekst is er één van mijn overgrootouders Pieter Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts. Het werd gemaakt in de studio van de Mechelse fotograaf Otto Gunckel, gelegen in de Consciencestraat. Helaas weet ik niet uit welk jaar de opname precies dateert: ik zet in op 1908, het jaar waarin Aloïs en Rosalia beiden 50 jaar oud werden…
Het echtpaar ziet er bijzonder verzorgd en elegant gekleed uit: welgestelde, zelfbewuste burgers. Aloïs draagt een stijve boord en een das, Rosalia een jurk met een grote strik. Aloïs is voorzien van een imposante “moustache” (snor). Onder de jas van zijn pak komt - bevestigd aan zijn vest - de ketting van een zakuurwerk tevoorschijn. Rosalia heeft zich getooid met kleine oorbellen en een halsketting. Het echtpaar woonde in die dagen in zijn eigen huis op het Boortmeerbeekse gehucht De Donck, waar het een herberg uitbaatte en Aloïs zijn stiel van kleermaker uitoefende.
Zullen we vandaag wat blijven hangen in dat jaar 1908? Het was het jaar waarin Aloïs en Rosalia het huwelijk van twee van hun kinderen, de geboorte van hun eerste kleinkind, en het gouden huwelijksjubileum van Aloïs' ouders (mijn betovergrootouders Jozef Wollebrants en Rosalia Gaston) beleefden. Het was ook het jaar waarin Vlaanderen zijn eerste sportvedette koesterde.
Op woensdag 26 februari 1908 was "Mil" (Emiel Wollebrants) de eerste van de zes telgen van Aloïs en Rosalia die in het huwelijk trad. Dat gebeurde in Boortmeerbeek, en de gegadigde was Louisa Crols. Emiel was bijna 22, zijn bruid precies één dag jonger dan hij. Louisa's ouders waren bareelwachters aan de spoorwegovergang op het Boortmeerbeekse gehucht Op den Berg (een overdreven benaming voor een plek die mogelijk wel de hoogste van Boortmeerbeek is). Ze wisselden elkaar af bij het werk, want ook 's nachts reden er (goederen)treinen en moesten de slagbomen aan de overweg manueel neergelaten worden wanneer daartoe vanuit het station in het dorpscentrum van Boortmeerbeek telefonisch het sein werd gegeven. Het huisje van Louisa's ouders stond langs de spoorlijn, niet ver van de bareel die ze bedienden. 
Louisa kwam uit een groot gezin: haar ouders hadden niet minder dan tien kinderen - negen meisjes en één jongen - het leven geschonken, van wie er echter twee op jonge leeftijd overleden waren. Louisa was het op één na oudste kind. Haar oudere zus Marieke was naar Brussel getrokken om te gaan "dienen" zoals dat toen heette (er als dienstmeid te werken), maar Louisa, een stil meisje, was bij een naaister in Mechelen in de leer gegaan en daarna thuis gebleven, waar ze naaiwerk verrichtte en een deel van de zorg voor de jongere kinderen in het huisgezin op zich nam. 
Na hun huwelijk vestigden Emiel en Louisa zich ook Op den Berg, in de nabijheid van Louisa's ouderlijke woning - niet voor lang echter: bij de volkstelling van 1910 woonden ze in de Zellaarstraat, korte tijd later in de Beringstraat. "Mil" reed elke dag met de trein van Boortmeerbeek naar Mechelen, waar hij als schildersgast werkte bij een baas in de Hoogstraat. In maart 1914 zullen "Mil" en Louisa voorgoed naar Mechelen verhuizen, waar Emiel een tweetal jaren later zijn eigen schildersbedrijf zal opstarten.
Nadat hij in 1907 gezorgd had voor de eerste Belgische zege in de tot de verbeelding sprekende wielerwedstrijd Bordeaux-Parijs, won de Vlaming Cyriel Van Hauwaert in 1908 op 5 april (de tweede editie van) Milaan-San Remo en - op paaszondag 19 april - de heroïsche klassieker Parijs-Roubaix (al georganiseerd sinds 1896)!  
Met genoegen laat ik de pionier van de Vlaamse wielerjournalistiek Karel Van Wijnendaele (1882-1961) verslag uitbrengen over Van Hauwaerts zege in Parijs-Roubaix… “Met den middag landde ik te Robaais. En ‘k moest niet eens den weg vragen: ik had me maar te laten mee gaan op den ‘stroom van ‘t volk’. Want tegen één uur liep de velodrom (sic) bomvol. Eerst wat koersen allerhande, om wachtende menschen te verstrooien. Maar ‘t was algelijk voor Parijs-Robaais, dat ze gekomen waren, want ik weet het nog van dien motorrijder, die voren kwam, om te zeggen - dat ze in aantocht waren: Faber op kop, met Van Hauwaert in tweede positie! En nooit, ik kan gerust honderd jaar oud worden, vergeet ik dat ogenblik, toen het lijk een donder over de piste rolde: ‘ze zijn daar! ze zijn daar!’. Een paar minuten later, een schallend klaroen. Dat wilde zeggen: nog 1 Klm. En wij, die ‘t ons angstig afvroegen: of Van Hauwaert nog zijn achterstel zou ingeloopen hebben? Opeens: beweging aan den ingang. Daar kwam de eerste renner de piste opgereden. Maar hij zwijmelde, en viel. Stond weer op, en viel nog eens. Was dat Faber? Zooveel seconden later kregen we ‘t antwoord: want nu kwam Cyriel Van Hauwaert met volle geweld de piste opgestormd. Faber voorbij! Die intusschen nog eens gevallen was. Wij hebben nooit heel juist geweten hoe het kwam dat Faber zoo dikwijls viel. Bedronken? Vermoeid? Voor ons is ‘t een mysterie gebleven. Maar wat we nog weten is, dat Van Hauwaert met een tempo van wel 45 per uur, de meet overbolde, en zijne eerste Parijs-Robaais won! En dan? Dan zie ik nog altijd die duizendkoppige massa van Vlamingen de omheining overklauteren, de orde- en politiedienst omver lopende, om Cyriel Van Hauwaert in triomf rond de piste te dragen. Terwijl een begeesterde en begeesterende ‘Vlaamsche Leeuw’ door de lucht dreunde!”.
De West-Vlaamse boerenknecht Cyriel (eigenlijk: Cyrille) Van Hauwaert, gehard door een armoedige jeugd, werd een nationale held - de eerste Vlaamse wielervedette!  Zijn “topjaren” waren 1907-1908-1909: in 1909 zal hij voor de tweede keer Bordeaux-Parijs winnen, zal hij Belgisch kampioen worden en zegevieren in de eerste etappe van de Ronde van Frankrijk. Na de wielercarrière die hem roem en fortuin bracht richtte hij in Groot-Bijgaarden zijn eigen fietsfabriek op, de "Cycles Van Hauwaert". De voormalige boerenknecht werd een rijk industrieel.
“Met Van Hauwaert (...) werd een nieuw tijdperk voor de wielersport ingeluid”, schreef Van Wijnendaele later. “De massa ging belang stellen in het verloop en de uitslagen van de koersen. Velodroms rezen uit den grond lijk paddestoelen, en eene nieuwe generatie van Vlaamsche renners kwam opdagen”. Het wielrennen evolueerde van een elitaire aangelegenheid naar een onderdeel van de volkscultuur. Aan de top ervan maakte het amateurisme plaats voor professionalisme. België werd, naast Frankrijk en Italië, de “derde klassieke wielernatie”.
Het leven zoals het was… Twee en een halve maand na hun zoon "Mil", trad, op woensdag 13 mei 1908, het oudste kind van Aloïs en Rosalia Wollebrants-Huybrechts, hun dan 26-jarige dochter Marie (Maria Rosalia) Wollebrants in het huwelijk met de één jaar jongere Alfons Louwaege. Een West-Vlaming, net als Cyriel Van Hauwaert! Het huwelijk had plaats in de Brusselse gemeente Elsene, waar Marie als meid in dienst was van de familie Pouppez de Kettenis. Ze had Alfons Louwaege leren kennen toen die als beenhouwersgast vlees kwam bezorgen bij haar werkgever, en er was een romance van gekomen. ("Brussel was toen nog een vrolijke stad").
Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts reisden naar Elsene om het huwelijk van hun oudste dochter bij te wonen. In de akte worden ze uitdrukkelijk vermeld als aanwezig en toestemmende in het huwelijk.  
Alfons Louwaege was geboren in Poperinge maar had zijn kindertijd in het wat verderop gelegen Staden doorgebracht. Zijn ouders hadden in totaal acht kinderen ter wereld gebracht, maar vijf daarvan waren reeds in hun eerste levensjaar overleden. Toen hij twaalf was had Alfons zijn moeder verloren, en toen hij zestien was, zijn vader. In 1900 was nog een tienjarig broertje gestorven, zodat van het gezin tenslotte enkel Alfons en zijn vijf jaar oudere broer Arthur overbleven. Ze hadden een toevlucht gevonden bij een oom en tante in het Brusselse, die zelf geen kinderen hadden. Al op jonge leeftijd was Alfons aan het werk gegaan als loopjongen en beenhouwersgast bij een slager in de Munthofstraat in Sint-Gillis.
Na hun huwelijk zullen Alfons en Marie de beenhouwerij in de Munthofstraat overnemen. Ze woonden dan in het souterrain van het huis, terwijl op het gelijkvloers de beenhouwerij gevestigd was, waar overigens uitsluitend varkensvlees verkocht werd. Het huwelijk van Alfons en Marie bleef kinderloos, maar zakelijk ging het hen voor de wind. 
Op donderdag 21 mei 1908 deed zich in Kontich (bij Antwerpen) een zeer zwaar spoorongeval voor. Een trein die het station Kontich-Kazerne binnenkwam reed er in op een stilstaande trein. De tol was bijzonder hoog: zevenendertig mensen verloren het leven, tientallen raakten gewond! De slachtoffers - de meesten vielen in de stilstaande trein - waren vooral arbeiders, soldaten en ook bedevaarders die op weg waren naar het heiligdom Onze-Lieve-Vrouw van het Lisp in Lier.
De treinramp moet diepe indruk gemaakt hebben. Zelf heb ik mijn vader Oscar Wollebrants - geboren in 1921, dus lang na het drama - nog de uitdrukking “de ramp van Kontich” weten aanhalen, zij het in een relativerende context, om bij een accidentje aan te geven dat het zo erg niet was.
De ouders van (mijn overgrootvader) Aloïs Wollebrants, Jozef Wollebrants (°1834) en Rosalia Gaston (°1831) - mijn betovergrootouders - waren anno 1908 nog in leven. Ze woonden in Rijmenam, en dat kreeg in 1908 een tramverbinding met Mechelen (Nekkerspoel). Op 25 juli pufte de eerste stoomtram het dorp binnen! Een jaar later zal de tramlijn doorgetrokken worden naar Keerbergen en Tremelo (en van daar, in 1910, naar Aarschot).  
De stoomtram was er niet enkel voor personen: op de nieuwe lijn reed ook een “marchandise” - een goederentram, waarmee steenkolen, bouw- en ander materiaal getransporteerd werd. In de Rijmenamse Lange Dreef was er een “tramstatie”. 
De komst van de tram betekende een hele vooruitgang, want tot dan toe moesten de Rijmenammers te voet of met de fiets naar Mechelen. Of - als ze wat te vervoeren hadden - zich met de kruiwagen of met kar en paard op weg begeven.
De tram maakte het met name de Rijmenamse aspergekwekers gemakkelijker hun waar naar de markt te brengen, en bracht omgekeerd de stedelingen naar “den buiten” om er van de gezonde lucht te genieten, zodat hij de periode inluidde waarin Rijmenam zich een toeristische trekpleister mocht noemen (beide, aspergeteelt en toerisme, zullen overigens pas hun hoogtepunt kennen in de jaren ‘20 en ‘30 van de vorige eeuw).
Op zaterdag 5 september 1908 werd bij Emiel Wollebrants en Louisa Crols, in hun huisje Op den Berg, een dochter geboren. Ze kreeg de namen Germania Maria. Voor Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts was het hun eerste kleinkind! Rosalia was de meter van het meisje - de vader van Louisa, bareelwachter Crols, de peter. Germania Maria zal als “Germaine” door haar lange leven gaan (ze overleed in januari 2006 op 97-jarige ouderdom).
Op 6 november 1908 waren Aloïs' ouders Jozef Wollebrants en Rosalia Gaston vijftig jaar getrouwd. "Jef" was 74, Rosalia 77. Het jubileum werd gevierd in het aan de Lange Dreef in Rijmenam gelegen "kasteel van De Glas" (een ruim landhuis werd vroeger al snel een kasteel genoemd). Jozef en Rosalia waren in dienst van de eigenaar (of waren dat geweest): beiden als conciërge, Jozef ook als hovenier en koetsier, Rosalia ook als meid. "Jef" en Rosalia woonden toen ofwel in een naast het domein van De Glas gelegen huisje, ofwel in de tot woning verbouwde remise van dat kasteelje (en dus op het domein zelf) - dat is een aangelegenheid waar ik nooit ben uitgeraakt, omdat mijn historische bronnen er uiteenlopende stellingen over innamen. Ik hou het erop dat "Jef" en Rosalia achtereenvolgens de beide woongelegenheden betrokken hebben.
Zo hebben wij dan, heden, voor een tijdje, vertoefd in het jaar 1908. Op geestelijke wijze, met ons bewustzijn. Ik vind het toch wel merkwaardig dat wij, mensen - die, ik weet het, hoofdzakelijk naakte apen en overlevingsapparaten voor zelfzuchtige genen zijn - over de mogelijkheid beschikken om voor even weer in, pakweg, 1908 rond te waren.

Tekst gebaseerd op de door mij geschreven Wollebrants-geschiedenis.

Voornaamste bronnen… 
Gesprekken met vier (inmiddels overleden) kleinkinderen van Aloïs en Rosalia Wollebrants-Huybrechts: Germaine Wollebrants (1908-2006), Cyriel Wollebrants (1912-2011), Agnes Mommens (1920-2012) en (mijn vader) Oscar Wollebrants (1921-1989); akten van de Burgerlijke Stand. Over Cyriel Van Hauwaert: K. VAN WIJNENDAELE, Het rijke Vlaamsche wielerleven, Gent, 1943; J. JACOBS en B. VAN DOORNE, De Vlaamse wielerkoningen, Tielt-Amsterdam, 1979; P. CORNILLIE, De eeuw vòòr Museeuw, 100 jaar wielrennen in West-Vlaanderen, Zellik, 1997. Over "de ramp van Kontich": B. ROUSSEEUW en K. ZEUWTS (samenstelling), Eeuw in beeld, Het archief van Gazet van Antwerpen tussen 1900 en 2000, 400 exclusieve foto’s, Antwerpen, 1999. Over de tram en de asperges in Rijmenam: De tram in Rijmenam,  brochure uitgegeven door de Rijmenamse heemkring Het Hoefyser, 1987; Rijmenam: Asperges en toerisme, brochure uitgegeven door de Rijmenamse heemkring Het Hoefyser, 1988.

Over mijn overgrootouders Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts, zie ook mijn blogteksten Jubileum (gepubliceerd 1 juli 2011), Tweede dag (15 juli 2011), Klein brughuis (24 augustus 2012), Voor God en Vaderland (9 november 2012), Jozef Huybrechts (22 maart 2013) en Herberg op de Donk (10 mei 2013).

zondag 1 maart 2015

Nobelprijs



"Reeds 198 auteurs weerhouden voor de in oktober toe te kennen Nobelprijs Literatuur 2015", moest ik enkele dagen geleden via de media vernemen. En ook: "Er werden in totaal al 259 kandidaturen ingediend".
Potverdorie nog es aan toe zeg! Nu viel mijn euro / nou brak m'n klomp! Al bij herhaling had ik mij afgevraagd waarom de bescheiden aanmoedigingsbeurs die de Nobelprijs Literatuur toch is mij nog nooit te beurt was gevallen - terwijl ik nochtans reeds van jongs af aan met ijver en toewijding de Kunst van het Schrijven beoefen (zie bovenstaande foto als bewijsstuk), en talloze andere illustere onbekenden al wel in de prijzen gevallen zijn (neem nu de laureaat van vorig jaar, een zekere Patrick Modiano, een aardige jongen, daar niet van, maar had u al ooit van hem gehoord?).
Met de onbevangen blik op de wereld die mij eigen is, was ik er tot nog toe steevast van uitgegaan dat het feit dat de Dames en Heren van het Nobelprijscomité mijn deurtje stilletjes voorbij waren gereden te wijten viel aan mijn lage ranking op de namenlijst waar zij over beschikten. Het is al een oud zeer, dat iedereen van wie de familienaam met een "W" begint, genoegzaam bekend is: omwille van de ongelukkige gewoonte om namenlijsten alfabetisch te ordenen komen wij, "W-mensen", wanneer er om het even wat verstrekt wordt, steeds als laatsten aan de beurt (en dat dan ook nog eens na de altijd in oeverloze overvloed aanwezige Van's en Ver's aan ons gefrustreerd oog te hebben zien voorbijtrekken). 
Wij moeten het al hebben van een toevallig gearriveerde heer Zwosman of een uit China overgewaaide juffrouw Xi-Pang-Lang om niet als allerlaatsten het een of het ander in ontvangst te mogen nemen. En dus dacht ik in al mijn argeloosheid ook met betrekking tot de Nobelprijs Literatuur: heb geduld Frans, kijk lijdzaam toe hoe anderen de eer opstrijken, our day will come, het is een kwestie van tijd en alfabetische ordening. Maar nu verneem ik dus tot mijn ontzetting: om de Nobelprijs Literatuur te winnen, dient men zijn kandidatuur in te dienen, zich ordinairweg kandidaat te stellen, als ging het om de eerste de beste blokkerige televisiekwis! Meteen werd mij duidelijk waarom verdienstelijke auteurs uit Onze Streken, zoals  Nest Claes, Fé Timmermans, Elpé Boon, Herman Brusselmans… nooit de erelijst van de Grote Nobelprijs hebben gehaald. Ongetwijfeld zijn deze goedmenende collega's net als ik uitgegaan van het veel te romantische beeld waarbij zo tegen eind september enige Zweedse literatuurliefhebbers zich bij pot en pint en candlelight in een stijlvol gelambriseerd salon terugtrekken, en er hun gezellige babbel steevast openen met de vraag: "Awel vrienden, wie zullen we dit jaar eens in onze prijs laten vallen?". 
Niksmandalle daarvan dus, ook op het veld der Schone Letteren dient men - zo blijkt nu - in onze steeds verder verloederende wereld te kandideren en te lobbyen om eens een lauwerkransje te oogsten. De Zweden verwachten warempel dat je solliciteert, dat je je kandidaat stelt. Of lààt stellen, door "literatuurprofessoren" bijvoorbeeld, zo lees ik - maar ja, welke Grote Schrijver heeft er nu iets te verwachten van "literatuurprofessoren"! Moet ik herinneren aan de Vlaamse literatuurprofessor die in een als standaardwerk bedoelde literatuurgeschiedenis zelfs zijn eigen ex-minnares verloochende? (Naar ik vermoed omdat hij het niet kon verkroppen dat zij in een nochtans prachtige roman over hun affaire zijn kleine lichamelijke tekortkoming had onthuld - zij het met toevoeging van deze toch uiterst aandoenlijke en liefdevolle woorden van troost: "twee is trouwens toch te veel, één vogel in de hand, en een eitje erbij, dat is genoeg, er is zoveel overbodigs in de wereld"). Hm, van "literatuurprofessoren" verwacht ik sindsdien niet veel meer. 
En dus heb ik gemeend er goed aan te doen zelf de hand aan de spreekwoordelijke ploeg te slaan, en heden onderhavige brief aan het Zweedse Nobelprijscomité voor Literatuur te richten. (Uiteraard in het Zweeds, maar aangezien niet uit te sluiten valt dat niet alle lezers van mijn blog de taal van Abba en Pippi Langkous machtig zijn, geef ik mijn woorden hier in een zo getrouw mogelijke Nederlandse vertaling weer).
"Hooggeachte edelgeboren Dames en Heren van het Nobelprijscomité voor Literatuur…
Ik neem de pen in de hand - hetgeen natuurlijk een letterkundige beeldspraak is, want eigenlijk typ ik deze zinnen gewoonweg op het toetsenbord van mijn computer, maar dat had u misschien al begrepen - om u te laten weten alsdat ik kom te vernemen dat reeds ettelijke kandidaatstellingen voor de Nobelprijs Literatuur 2015 u hebben bereikt. Al zo'n 259 in totaal lees ik hier, waarvan u er kennelijk echter slechts 198 weerhouden heeft - ach ja, we kennen dat, bij elke literaire wedstrijd zijn er wel een aantal dilettanten die, het ontbreken van elk talent ten spijt, menen hun kandidatuur te moeten stellen: groot gelijk hebt u dat u zulke volkomen kansloze kwibussen meteen genadeloos elimineert. Verder lees ik in de doorgaans vooringenomen mainstream-pers dat u deze groslijst in april zult uitdunnen tot een longlist van maximaal 20 schrijvers, die u dan in mei nogmaals zal inkorten tot een shortlist van 5 gegadigden. Wat een gedoe zeg! Om alle nutteloze omwegerij te vermijden, wil ik u vriendelijk verzoeken aan het mei-lijstje van vijf namen de mijne toe te voegen. Waar er plek is voor vijf, is er ook plaats voor zes zou ik zo denken, en mocht dat echt niet te verhapstukken zijn, gooit u er dan de een of andere Iraniër, Somaliër, Talibaniër of Noord-Koreaan weer uit, die hebben daar immers allemaal geen benul van en mogen in geval van overwinning hun prijs toch niet komen ophalen.
Misschien een kleine toelichting waarom mijn nederig persoontje veruit het meest in aanmerking komt om de Nobelprijs Literatuur van dit jaar in ontvangst te nemen? Goede wijn behoeft geen krans, ik weet het wel, maar in een tijd waarin zelfs vonnissen van assisenhoven gemotiveerd moeten worden, lijkt het me opportuun u alvast enige argumenten te bezorgen met het oog op een met degelijke argumenten onderbouwd juryrapport. 
Welaan dan, in de eerste plaats heb ik de geschikte leeftijd om als Nobelprijswinnaar de internationale media binnen te treden: nog niet fysiek afgetakeld en geestelijk dementerend, zoals dat met menig winnaar of winnares uit het verleden al eens het geval placht te zijn (hetgeen vanzelfsprekend nefast was voor de perceptie van de Schone Letteren bij onze hedendaagse jeugd), maar uiteraard ook niet té jong (zodat diezelfde jongelui de Nobelprijs Literatuur niet gaan verwarren met de JIM-Awards - de Jimmies dus - of de Junior Eurosong).
Wat verder nog het vraagstuk der media-perceptie betreft: ik heb reeds gemerkt dat de eerste verschijning van nieuwbakken Nobelprijs-winnaars in de beeldende pers gewoontegetrouw plaatsgrijpt in hun voortuintje en met de gevel van hun woning op de achtergrond, alwaar zij dan hun grote verbazing uitspreken over het feit dat zij uitverkoren werden (terwijl ze zich dus, zoals ik nu te weten ben gekomen, al màànden vooraf kandidaat gesteld hadden - een fraai stukje komedie). Welnu, het gelukkige toeval wil dat ik vorig jaar de voorgevel van mijn huis een flinke opknapbeurt heb gegeven, terwijl ook mijn voortuintje in prima staat verkeert… laat ze dus maar komen, de cameraploegen van de tv-stations van all over the world! Ik ben er mentaal, architecturaal en ecologisch helemaal klaar voor. And my English is also free good, dus say a little wordje tot CNN will be a whistle of a cent!
Een zo mogelijk nog doorslaggevender argument om mij dit jaar met de Nobelprijs Literatuur te bedenken is, dat u zodoende nu eens niet - zoals bij alle vorige edities - één van die stoffige roman- of flippende gedichtenschrijvers bekroont, maar een heuse blogschrijver - een beoefenaar van een kersvers, niet-traditioneel literair genre - een vertegenwoordiger van de nieuwe digitale media, jawel! Wat een verfrissende innovatie! Dat aldus de glans van mijn blog Zand in je hand mede op uw Nobelprijs, op uw comité en op gans de Zweedse natie zal afstralen, is u graag gegund (ik sta bekend als een gul mens, ik heb ooit nog eens voor een goed doel een setje van vijf viltstiften gekocht, ze schreven van geen kanten).  
Aangezien u inmiddels ruimschoots begrepen heeft dat mijn kandidatuur veruit de beste is die u bereikt heeft of nog zal bereiken, wil ik graag nog even volgend praktisch detail onder uw aandacht brengen. Naar verluidt is het uw voornemen in oktober a.s. bekend te maken aan wie de prijs wordt toegekend (in dit geval dus aan mij, neem ik geredelijk aan). Graag vernam ik in bijkomende orde van u wanneer het Zijne Majesteit de Koning van Zweden vervolgens zal behagen mij de cheque met de onontbeerlijke pomp and circumstance én een (hopelijk) schandalig hoge financiële bonus, in Stockholm te overhandigen (mocht de koning verhinderd zijn, dan zal ik mij graag tevreden stellen met kroonprinses Victoria, daar maak ik hoegenaamd geen probleem van, ik sta eveneens bekend als een inschikkelijk man).
Waar ik wel uitdrukkelijk wil op wijzen is dat ik, prestigieuze prijs of niet, absoluut niet (lees: niet) van plan ben mijn vege lijf aan een vliegmachien toe te vertrouwen (zelfs al wordt mij in alle toonaarden verzekerd dat dit tijdens zijn vlucht van Brussel naar Stockholm in geen geval het Oekraïense of het Syrische luchtruim zal schenden). Gelieve mij de datum der prijsuitreiking dus ruim vooraf mede te delen, want ik neem mij voor de reis naar Stockholm deels langs oude landwegen, deels met de pakketboot te ondernemen, en dit alles met de nodige ingebouwde rust- en bezinningsmomenten, zoals men dat van een Groot Schrijver mag verwachten. Ook sluit ik niet uit dat mijn echtgenote zich in het vooruitzicht der uitreikingsceremonie misschien nog een nieuwe jurk of dito mantelpakje zal wensen aan te schaffen (by the way: hoeveel bedraagt het Nobelse prijzengeld precies?), of eens extra bij haar kapster zal willen langsgaan. Het is u zeker ook wel bekend dat vrouwen een beetje ijdel zijn". 
Voila, ik heb aan mijn epistel nog wat meeste hoogachting en bij voorbaat dank toegevoegd, en hop, het zaakje is onderweg. Ja, succes valt niet uit de lucht, men moet het een duwtje in de rug geven: dat leert ons de Nobelprijs Literatuur 2015!

Foto: gemaakt door mijn vader, in de tuin van het huis waar ik mijn kinderjaren doorbracht (Beringstraat 16, Boortmeerbeek), in de zomer van 1958. Het tafeltje en het stoeltje die ik hier benut zijn bewaard gebleven. 

zondag 1 februari 2015

Foto


De foto boven deze tekst maakte ik op zaterdagavond 16 augustus 2014 in het Duitse stadje Bingen am Rhein. Ik heb lang geaarzeld vooraleer ik 'm hier plaatste. Want neen, hij staat hier niet als illustratie bij het één of andere verhaal dat ik uit de doeken wil doen, hij is zélf het onderwerp van dit artikel. Ik presenteer hem hier als een artistiek product,  als een staaltje van kunstfotografie. En ja, los van de vraag wat kunst en vervolgens kunstfotografie in 's hemelsnaam dan wel mogen zijn, getuigt het natuurlijk toch (vrees ik) van een zekere zelfingenomenheid om een eigen foto tot inzet te maken van een betoog dat je - eerste verzwarende omstandigheid - zelf schrijft en waarvan - tweede verzwarende omstandigheid - de strekking dan ook nog eens zal zijn dat dit toch wel een leuke en fascinerende foto is!
Gelukkig is daar de momenteel zeer trendy-zijnde Nederlandse filosoof Frank Meester (°1970) die recentelijk, onder andere in zijn boek Zie mij, Filosofie van de ijdelheid (2010), het goed staan met zichzelf helemaal uit het moralistische verdomhoekje heeft gehaald en tot deugd, ja zelfs tot motor der creativiteit heeft verheven. Zijn pleidooi om ons licht niet onder de korenmaat te zetten, en de bijval die hij daar mee oogst, hebben mij over de streep getrokken. En voilà: daar staat hij dan, mijn foto, en hier komt mijn laudatio pro domo - met dank aan Frank Meester (die doceert aan de Haagse Hogeschool, en dus zelfs een beetje een ex-collega is). Laat ik vooraf nog zeggen dat ik dit mijn beste foto van het jaar 2014 vind, alleszins voor zover het mijn kunstfotografische oeuvre betreft.
Wat is er (volgens mij) bijzonder aan deze foto? Hm, laat ik het dan eerst maar eens over de belichting hebben. "Fotograferen is schilderen met licht" heb ik iemand ooit horen zeggen. Dat was nog in de tijd van de analoge fotografie. Sinds de fotografie digitaal is gegaan worden helderheid en contrast meer achteraf, aan de computer, vastgelegd dan op het moment van de opname. Maar toch. Ik maakte mijn foto bij valavond, dus in eerder donkere omstandigheden, en aan die invallende duisternis ben ik niet gaan prutsen. Zij is mijn sterkste wapen om de avondlijke stemming op te roepen, die op haar beurt van nature een zekere weemoedigheid en droefheid aanvoert.
Wat mooi is - maar waar ik als fotograaf geen enkele verdienste aan heb - is, dat deze donkerte zich op de voorgrond situeert, waar mijn personages staan, terwijl in de achtergrond de zon nog even door de wolken breekt en een deel van de stroom en de heuvels van een uit de hemel vallende en dus wat wonderlijke, wat bovennatuurlijk aandoende klaarte voorziet. Zoals gezegd: ik claim dit contrast tussen aards donker en hemels licht niet als verdienste, het werd mij aangeleverd door de omstandigheden. De op het water vallende lichtbundels zorgen er bovendien voor dat mijn personages in tegenlicht komen te staan, hetgeen zeker bijdraagt tot het zwaarmoedige en wat unheimische karakter van de opname. Het geraffineerde spel van donkerte, licht en tegenlicht en de sfeer die deze dans tussen dag en nacht oproept, doen me - excuseer mij de vergelijking - denken aan bepaalde schilderijen van Paul Delvaux en René Magritte (zoals Het rijk der lichten van Magritte of de stationstaferelen van Delvaux).
Wat ik ook leuk (én origineel) vind aan mijn foto is dat "er zoveel op te zien is"! Veel werken der hedendaagse kunstfotografie (en der hedendaagse beeldende kunst tout court) zijn mono-thematisch: ze spitsen zich helemaal toe op één object, vaak zelfs op een detail daarvan, en vergroten dat sterk uit. Prima, kan best boeiend zijn, ik heb het ook wel gedaan, maar hebben we van deze close-up-boer inmiddels niet meer dan genoeg eieren gekocht? Tijd voor een beetje verandering dacht ik, dus waarom eens niet een long shot, zodat er weer wat méér in beeld komt?
En wat is er op mijn foto niet allemaal te zien? Helemaal rechts: het prachtige kunstwerk Kirschen van Bruno Feger (°1962) uit 2011 (zijdelings, waardoor slechts één van beide kersen te zien is). Om eerlijk te zijn: eigenlijk staat het een beetje toevallig op de foto - dat heeft te maken met de historische context waarin de opname tot stand is gekomen en die ik zo meteen toelicht. Met die kersen van Feger staat er een stevige brok materie rechts in beeld: volgens de wetten der harmonie zou men dan links enig gevaarte moeten ontwaren dat de balans van het beeld in evenwicht houdt. Dat staat er dus lekker niet. De twee pratende dames verzachten de pijn der disharmonie slechts lichtelijk, en dat is prima. Want op die linkerzijde, daar loopt het asfaltje dat op de Rijnoever ligt de onbestemde verte in (lichtelijk overdrijvend zou men kunnen zeggen: loopt deze weg de oneindigheid in). Verte, oneindigheid… die verdragen uiteraard geen obstakel, of - u hebt de keuze -  zij vormen het grootste gevaarte dat men maar bedenken kan!
In het midden van het beeld zien wij vier heren die zich verlustigen aan een kijkraam, dat een soort ingekaderd, fotografisch beeld van de Rijn biedt. Ik herinner me dat het een vrij opgewekt - misschien licht aangeschoten - gezelschap was. Waarschijnlijk net getafeld en een stevig wijntje tot zich genomen. De twee (al vermelde) dames links en de twee (nog niet vermelde) dames rechts behoorden ook tot het gezelschap, dat even later, brede adieu-gebaren makend, uiteen ging, netjes geordend in vier gemengde paren (ik durf wedden: elk naar de eigen hotelkamer).
Om het hoofdstuk "compositie" af te sluiten: let u er toch eens even op hoe het metalen hek langsheen de Rijn, de stroom zelf en de heuvels op de andere oever, al de elementen op de voorgrond (het infobord, de twee dames, de vier heren, de twee dames rechts van hen én de kersen van Feger) met elkaar verbinden. 
Een aangelegenheid die mij bij kunst- en andere foto's altijd intrigeert is wat ik de "historische context" van de opname (of eigenlijk: van de fotograaf) zou willen noemen. Daarbij gaat het mij niet enkel om plaats en datum maar ook om de vraag: waarom was de fotograaf net op dat moment net dààr aanwezig? Wat zocht hij daar, wat spookte hij daar uit? Bij veel foto's weten we daar weinig of niets van. In dit geval kan ik het u evenwel geheel onthullen. Ik was die zaterdagavond de 16de augustus van het jaar onzes Heren 2014 in Bingen samen met mijn vrouw, we keerden terug van een reis in het zuiden van Duitsland, een reis in search of Heidegger - of, wat minder literair geformuleerd: een omzwerving waarbij we plaatsen en plaatsjes hadden bezocht die van belang zijn geweest voor de Bildung en het werk van de grote Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976). Met name: Messkirch (waar ik op de Feldweg had gewandeld - én gejogd!), Kreenheinstetten, Beuron, Todtnauberg (de Hütte gefotografeerd natuurlijk) en Konstanz. Omdat de jaren dat ik op één dag vele honderden kilometers met de auto afmaalde ver achter mij liggen (een omstandigheid die ik om andere redenen dan weer zeer betreur), hanteerden we Bingen, zowel bij de heen- als bij de terugreis, als tussenstop tussen onze woonplaats en ons reisgebied. We hadden er een hotel aangetroffen met een zweempje fifties, maar voor het overige voorzien van alle hedendaags confort. 
In de heenreis waren we vanuit Bingen - dat ons natuurlijk bekend was van de middeleeuwse Hildegard (ik ben een fan van haar muziek) - met het veer de Rijn overgestoken naar het (min of meer) tegenovergelegen Rüdesheim: het is een plaatsje waar ik graag kom, omdat de vaak ten onrechte gebruikte uitdrukking "gezellige drukte" naar mijn mening hier nu wel eens echt van toepassing is, maar ook en vooral omdat het me herinnert aan mijn ouders. Zij reisden in Duitsland in de jaren vijftig (ik heb er eerder op dit blog over verteld). Mijn dode ouders liggen op het kerkhof van Boortmeerbeek. In Duitsland vind ik (bij wijze van spreken) mijn levende ouders terug. Mijn ouders van de jaren vijftig: jong, vrolijk, in gezelschap van vrienden.
Bij de terugreis ging alle aandacht van mijn vrouw en mij naar Bingen zelf. Terwijl Rüdesheim afgestemd is op vrolijkheid, Gemütlichkeit en volks toerisme, profileert Bingen zich als stad van kunst en cultuur. We bezochten er het fraai ingerichte Museum am Strom (ja Antwerpen, you're not alone) en ook de driejaarlijkse openlucht-tentoonstelling van hedendaagse beeldhouwkunst, beide op de Rijnoever (waar ze in Bingen een Kulturufer van gemaakt hebben). Hedendaagse kunst, o jee, "dat is nu toevallig één van mijn specialiteiten" (om het met Octaaf De Bolle te zeggen), en dus sloeg ik er uitgebreid aan het fotograferen. Voor een goed begrip: de kersen van Feger (zie eerder) behoorden niet tot de tijdelijke openluchtexpositie, maar hebben hun vaste verblijfplaats in Bingen (ze zijn er na de Skulpturentriennale van 2011 blijven staan). 
En dan, toen ik gestopt was met het fotograferen van enkele mij zeer aansprekende kunstwerken… de avond viel, de lichtomstandigheden waren te slecht geworden… toen viel mijn oog plots op dat gezelschap, opgewekt koutend tussen de onbestemde verte van de Rheinufer enerzijds en de Kirschen van Feger anderzijds, in tegenlicht gezet door de laatste zonnestralen op de achtergrond…