vrijdag 29 juli 2011

Een beetje balorig


Ik hou van de mensen. Maar niet van allemaal, dat moet ik toegeven. Niet als het criminelen zijn, niet als ze (letterlijk of figuurlijk) tegen mijn kar rijden, niet als ze arrogant zijn, niet als ze onbeleefd zijn, niet als ze zich agressief gedragen, niet als hun hond mijn kinderen bijt, niet als ze hun huur niet betalen, niet als ze bumperkleven of andere gevaarlijke toeren uithalen in het verkeer, niet als ze ons met torenhoge belastingen uitzuigen en vervolgens ons geld langs deuren en vensters te grabbel gooien… Dan kan ik wel eens een beetje onsympathiek uit de hoek komen. Mijn vrouw heeft dit talent van mij jaren geleden al ontdekt. In de gloriedagen van Jean-Marie Pfaff, toen deze bekende Vlaming naar eigen zeggen in Spanje bekend stond als "el sympatico", heeft ze ooit eens fijntjes opgemerkt dat zoiets mij allicht nooit zou overkomen. Ik ging er toen van uit dat ze wou zeggen dat ik op het Iberisch Schiereland nooit de bekendheid van onze grote doelman zou verwerven, hetgeen mij een meer dan correcte inschatting leek, waar ik dan ook mijn volle instemming mee betuigde. Pas later is het mij gaan dagen… en bedacht ik dat ze misschien iets anders bedoelde.  
Nochtans : meestal ben ik heel sympathiek (vind ik). Maar goed, ik geef toe : soms, heel soms, kan ik inderdaad een beetje balorig doen - lichtjes tegendraads, ja zelfs enigszins giftig zijn. Maar dat is dan geheel met recht en reden (vind ik eveneens).
Als bijvoorbeeld de één of andere tele-verkoper van-wat-voor-brol-dan-ook, -niet zelden zo'n pippo van Belgacom of Telenet of één van die andere geldwolverige providers-, mij out of the blue opbelt om mij weer eens een nieuw opzienbarend product in de maag te splitsen - het weze een helemaal-op-mijn-maat-geknipte formule voor een zich interactief resettende ha-dee digibox, of een onvoorstelbaar voordelig contract voor handsfree essemmessen, waar je dan voor de rest van je dagen aan vastgeketend zit, tenzij je een halve hoofdprijs van de Euromillions betaalt om er weer van af te raken… U kent dat, ik twijfel er niet aan, want u bent ook al door dit soort kleverige praatjesmakers telefonisch geterroriseerd.
Ik heb a priori al een hekel aan het irritante gerinkel van een telefoon (u kan mij echt beter e-mailen dan opbellen), maar als men dan voor zulk soort commerciële onzin gestoord wordt, ja dan kan ik wel eens pisnijdig worden. "Geachte heer", zeg ik dan (of desgevallend : "geachte mevrouw" natuurlijk),  want ik begin altijd poeslief (dat vergroot de contrastwerking met wat daarna volgt)… "mag ik u allereerst gelukwensen dat u door eigen inspanning uw brood verdient, en niet via een uitkering of leefloon van de samenleving profiteert. Dat siert u. Maar ik beklaag u wel hartsgrondig, dat u dit helaas doen moet door dag-in, dag-uit zo onbeleefd te zijn om mensen die u van haar noch pluim kent, ongevraagd lastig te vallen, en te proberen ze op een linke manier rommel aan te smeren waar ze in het geheel niet om gevraagd hebben".  
Ik kan u verzekeren : dan valt er aan de andere kant van de lijn een pijnlijke stilte, en verzinken al de aangeleerde en ingeoefende handige-verkopers-en-mensen-beetneem-kunstjes plots in het niet. Aangezien ik mijn gram gehaald heb, kan ik de ongenode beller vervolgens opgelucht en in alle oprechtheid nog een prettige dag wensen en het gesprek aldus in schoonheid afsluiten. Probeert u het ook maar eens, de volgende keer dat u in uw drukke activiteiten of uw opperste concentratie gestoord wordt door zo'n irritante mercantiele stalker - u mag gerust mijn quote overnemen, ik hoef zelfs geen halve euro voor het copyright!
Zoals gezegd : ik hou van de mensen. Maar niet van allemaal. Niet van die francophones de Bruxelles bijvoorbeeld, die, nadat ze hun stad hebben laten verloederen, hun villa's in de Vlaamse rand rond Brussel neerpoten, en er vervolgens in al hun zelfingenomenheid  van uitgaan dat de omgeving zich aan hen moet aanpassen - in plaats van omgekeerd. Eerst "faciliteiten" - dan de boel overnemen. De kiezers van monsieur Olivier Maingain dus, de FDF-ers, die bedoel ik. De imperialistjes die stukje bij beetje Vlaams-Brabant inpalmen en verfransen, met als einddoel zoveel mogelijk Vlaams grondgebied bij Le grand Bruxelles in te lijven.  
Toen ik een tijdje geleden aan de straatkant van mijn tuin wat gezapig stond te schoffelen, -zoals men dat van een degelijke pensionado mag verwachten-, hield er plots zo eentje halt. Hij leek zelfs wat op Maingain. Vanuit zijn voiture richtte hij het woord tot mij : "Bonjour monsieur, vous parlez le Français?".
Nee, natuurlijk niet. U bent hier in Vlaanderen. Hier spreekt men Nederlands. En aangezien ik geen kruiperige kruidenier, maar een zelfbewuste en onafhankelijke pensionado ben, verstond ik die dag geen Frans en deed ik bovendien geen enkele moeite om het te spreken. Frans ken ik enkel in Frankrijk en in Wallonië (en ja, noodgedwongen soms, als ik iets nodig heb, ook in het zogenaamd tweetalige Brussel).  
"Oui, oui… mais… Roodveld… vous connaissez?  Roodveld… je cherche le Roodveld…". Ha, meneer was wat dur-de-comprenure. Ik ook dan. "Roodveld...?", herhaalde ik vertwijfeld, alsof ik een mystieke, en misschien zelfs enigszins obscene term uit de Kamasutra (of zoiets) te horen kreeg. 
"Oui… oui… le Roodveld… Rrrrroodveld!". Voor alle zekerheid keek hij nog eens op het papiertje dat hij bij zich had : "Rrrrroodveld", ja, dat stond er kennelijk op.
Maar nee, mij niet bekend, nooit van gehoord. "Hier Bredepleinstraat, daar Beringstraat", wees ik met nadrukkelijke gebaren, alsof ik Winnetou de eerste beginselen van de westerse geografie aan het diets maken was.
"Oui, oui, mais… Rrrrroodveld?". Ik zag hem denken : is dat Vlaams boerke nu zo dom of is hier iemand met mijn voeten aan het spelen? Nee hoor, niks Roodveld hier, schudde ik wanhopig het hoofd. Geen Roodveld in Boortmeerbeek.
"Pas de Roodveld?". Hij haalde de schouders op, liet het open raampje van zijn auto naar boven glijden en reed verder. Zonder een bedankje, hoe onbeleefd toch. En dat terwijl ik hem nog wel naar best vermogen geholpen had. Want ja, als er geen Roodveld is, kan ik er met de beste wil van de wereld de weg niet naar wijzen. Zelfs het mooiste meisje kan niet geven wat ze niet heeft, luidt een aloud gezegde (waar ik eigenlijk nooit de precieze strekking van begrepen heb, want een mooi meisje heeft volgens mij alles waar vraag naar is).  
En jaaah, twee straten verder ligt hier wel de wijk het Grootveld, het Gggggrootveld, maar dat is toch iets heel anders dan het Rrrrroodveld, zou ik denken. Je kan iemand die in het Rrrrroodveld moet zijn toch niet het Gggggrootveld insturen! Zeker niet als je geen Frans kent, en degene die in het Grootveld moet zijn, niet de minste moeite wil doen om de taal van de streek te spreken.


Foto : ook de grote Mozes kon al eens balorig zijn.  Hij gooide dan zelfs de Tafelen met de Tien Geboden stuk, iets wat ik nog nooit gedaan heb en nooit zou doen.  Uit het feit dat God later nieuwe Tafelen voor Mozes schreef leid ik af dat Onze Schepper wel begrip kan opbrengen voor een beetje balorigheid.  In één van de Tien Geboden staat trouwens : "… geef geen ergernis" (gebod nummer 5).  Welaan dan, ik ken maar weinig lieden die meer ergernis geven dan die schaamteloze televerkopers en die francofone landbezetters !  Oh ja : houtsnede van de Duitse kunstenaar Julius Schnorr von Carolsfeld (1794-1872), uit het boek Die Bibel in Bildern, 1860, via Wikimedia Commons.


vrijdag 22 juli 2011

Duinpark


Zomers van weleer… In juli 1961, vijftig jaar geleden dus, beleefde ik mijn eerste vakantie in Oostduinkerke. In "Oostduinkerke-Bad", zoals dat toen heette, om het te onderscheiden van het wat meer landinwaarts gelegen dorp van Oostduinkerke. In eerdere jaren hadden papa, mama en ik wel eens voor enkele dagen bij vrienden gelogeerd, in Heist en in Nieuwpoort, maar in 1961 huurden mijn ouders zelf een appartement, en bracht ik voor het eerst twee weken ononderbroken aan zee door :  de twee laatste weken van juli. Het was de eerste keer dat ik zo lang van huis was. Ik was twaalf jaar.
Mijn ouders zelf waren maar zeer gedeeltelijk van de partij. Mijn moeder werkte als bediende bij de Boortmeerbeekse firma Hydrocoton en had slechts één week jaarlijkse vakantie (!) : zij was enkel de eerste week in Oostduinkerke. Tussen haakjes : de n.v. Hydrocoton werd in de volksmond "het watfabriek" genoemd, omdat men er watten produceerde. "Hydrofiele watten" meen ik me te herinneren, voor de medische sector - maar ook wel watten die in de auto-industrie werden gebruikt, voor de zetels en voor de binnenbekleding van de autodeuren.  
Mijn vader bracht ons naar ons vakantieverblijf, kwam ons aan het eind van de vakantie ophalen, kwam tussentijds al eens op bezoek, maar bleef voor het overige thuis, omdat de gezondheidstoestand van zijn moeder (mijn grootmoeder en meter) in die tijd te wensen overliet, en er dagelijks naar haar moest worden omgekeken. Mijn vader was onderwijzer en genoot, in tegenstelling tot mijn moeder, van een twee maanden lange zomervakantie. De afwezigheid van mijn papa wierp voor mij wel een schaduw op het verblijf aan zee, want ik was erg aan hem gehecht. Ik schreef hem bijna dagelijks een brief, en hij deed hetzelfde : die correspondentie is geheel bewaard gebleven, en geeft een gedetailleerde inkijk in mijn leven in Oostduinkerke en in zijn dagelijkse bezigheden thuis. "Er gaan nu veel koloniën voorbij", schreef ik op donderdagmorgen 20 juli : ik bedoelde natuurlijk dat kinderen van de verderop gevestigde vakantiekolonies in groep naar zee stapten. Die arme schapen bekeek ik met hetzelfde afgrijzen dat ik voelde voor het zoontje van een bevriend echtpaar toen die in "de Chabotté" terechtkwam (de vakantiekolonie "Le Chat Botté" in De Haan).    
Mijn ouders hadden een appartement gehuurd in de "residentie Duinpark", een toen nog nieuw, naast het strand en geheel in de duinen gelegen complex. Het was een mooi gebouw : compact, niet te hoog (vier verdiepingen, het gelijkvloers meegerekend), en met  frisse gele, rode en blauwe kleurvlakken tussen de ramen - zie de foto boven dit artikel! De benedenverdieping lag vrij hoog, omdat er onder het gebouw garages waren. Dat laatste is op de foto niet te zien, evenmin als het kruidenierswinkeltje dat op één van de hoeken gevestigd was en uitgebaat werd door de echtgenote van de conciërge van het gebouw. Daar ben ik voor het eerst in mijn leven live met het mooie West-Vlaamse dialect in contact gekomen (en er niks van begrepen natuurlijk).  
Tot de bevoorrading van de vakantiegasten droeg ook het autootje bij dat elke dag, kort voor het middaguur, zijn opwachting maakte op het asfaltje vóór het gebouw, en waar men zich de soep van de dag kon aanschaffen. Die werd rechtstreeks in de kookpot geschept. Dat asfaltstraatje, dat naast het gebouw liep en dan afdaalde naar het strand, is op de foto wél te zien. Hoe vaak heb ik daar niet gestapt! Op sommige zonnige dagen was het zo heetgeblakerd dat je er niet met je blote voeten op lopen kon zonder in een soort indianendans te vervallen. De zon op het zand en op het helmgras - én op dat asfaltje : dat werd voor altijd mijn beeld van zomer en zee.
Ons appartement moet op de eerste of tweede verdieping hebben gelegen. 's Nachts zagen we de vuurtoren van Nieuwpoort aan het werk. De plattegrond van het Duinpark-gebouw was rechthoekig, aan de binnenzijde van het complex was een grote open ruimte, een binnenplaats waar de achtergevels van de appartementen op uitkeken - ik vond dat redelijk spectaculair. Hier gaven de in de achtergevel van het gebouw ingemetselde schachten op uit waar men in elke flat via een luikje op het balkon het huisvuil in kieperde - ook dat vond ik redelijk spectaculair. De conciërge zorgde dan voor de verdere verwijdering van al de troep die onderaan de afvalkokers terechtkwam. De brave man bezorgde ook de post die voor de vakantiegangers op het Duinpark-adres aankwam. Dienstverlening was toen nog geen ijdel woord.
Mijn ouders hadden het appartement gehuurd via een kantoor, maar dat heette toen een agence. In 1961 was het "Essor", in die tijd gevestigd aan de Albert I - laan, onderdeel van de Route Royale ofte "Koninklijke Baan" die langs heel de kust liep (het daaropvolgende jaar huurden we via "Angelo"). Aan die drukke hoofdweg lagen ook "de Venise" (aan de hoek met het Astridplein), waar we al eens een ijsje gingen eten, en het krantenwinkeltje "Chez Bob", waar we onze fotofilmpjes lieten ontwikkelen.  
"Residentie Duinpark" was genoemd naar zijn omgeving : "Duinpark" was (is) de naam van het gebied gelegen ten oosten van de zeedijk van Oostduinkerke-Bad. Het moet in de jaren dertig zijn geweest dat de eerste wegen door dit duinenlandschap werden getrokken en de eerste villa's er verschenen. Zoals op oude ansichtkaarten is te zien, lagen die een eind van het strand verwijderd en tastten ze de duinengordel nog maar gedeeltelijk aan. Eén van die huizen was de villa "Laagland", waar Felix Timmermans in de jaren dertig enkele zomervakanties doorbracht. Hij schreef er (een beetje) aan zijn "Boerenpsalm" en ontving er onder andere Ernest Claes. Timmermans was echter geen "zeemens" : naar verluidt zat hij uren op een duintop naar het landschap te kijken - met zijn rug naar de zee (1). 
Tijdens de afwezigheid van mijn papa en mama werd ik toevertrouwd aan de (het dient gezegd : zeer goede) zorgen van mijn moeders tante Emma, "Maikke" genoemd, en van haar echtgenoot André. Maikke was meestal binnenshuis in de weer, met koken en schoonmaken. André was mijn compagnon de route, die met mij op pad ging, en bij de vele andere activiteiten die ik aan de zee ontplooide, -het rijden met diverse modellen "go-karts" (trapauto's) bijvoorbeeld-, een oogje in het zeil hield.  
Mijn favoriete speelterrein was het uitgestrekte duinengebied langs de zee, van de residentie Duinpark tot aan Nieuwpoort. Ongeveer halfweg tussen beide in lag het "Koningin Elisabeth Instituut" - dat allicht toen ook al een hersteloord moet zijn geweest, maar waar nooit veel "leven" te bespeuren viel. Op een villaatje na, bestond heel die strook achter het strand in het begin van de jaren zestig nog uit een ongerept duinenlandschap.  (Het enige wat daar nu nog van overblijft is het relatief kleine natuurreservaat de Zeebermduinen :  in de omgeving van residentie Duinpark, en vanaf het revalidatieziekenhuis tot aan de oude Nieuwpoortse zeedijk, hebben de duinen plaats moeten maken voor vakantieverblijven). Als een soort reality-speeltuigen lagen in de omgeving van het Elisabethinstituut destijds nog enkele relicten van de Tweede Wereldoorlog, waaronder een imposante, in het zand scheefgezakte bunker, en de restanten van een gemetselde gang.  
Dat toen nog maagdelijke natuurgebied tussen residentie Duinpark en Nieuwpoort, en vooral dan het gedeelte tussen onze verblijfplaats en het Elisabethinstituut, heb ik eindeloos doorkruist, vaak in mijn eentje : duin-op en duin-af, of langs de smalle en bochtige valleitjes tussen de zandheuvels in. Staande op de hoge duintoppen genoot ik er van het weidse uitzicht op strand en zee, en van de verkoelende zeebries, om me dan weer naar beneden te storten, op naar een volgende beklimming. Vrijheid, natuur, de vreugde van het bewegen…
Voor het appartement dat we huurden was de komst van Maikke en André een zegen : zonder enige twijfel was dit sinds zijn oplevering nog nooit zo grondig gepoetst als de eerste dagen dat wij er onze intrek in namen en Maikke er met zeemvel, spons, borstel… aan de slag ging. Het grote raam, dat uitkeek op de duinen en de zee, kreeg bijna dagelijks een beurt (vensterglas pleegt aan zee snel te vervuilen). André was meubelmaker en timmerman, een échte "stielman", met een bewonderenswaardige zin voor precisie en perfectie. Hij zorgde er en passant voor dat, na onze doortocht, geen raam, lade of deur in het appartement nog klemde of piepte.  
Aan het begin van de jaren zestig was zo'n vakantieverblijf-aan-zee nog speciaal, en we kregen dan ook nogal wat bezoek van familie en vrienden, deels aangevoerd door mijn vader wanneer die met de auto, -onze nieuwe Renault Dauphine, gekocht in mei 1960-, naar ons toekwam. In de tweede week kwamen mijn moeders nichtjes Jeanine en Annie logeren. Ze waren enkele jaren ouder dan ik en introduceerden me in het plaatselijke "Luna Park". Ze namen me ook (samen met Maikke en André) mee naar de gereputeerde amusementszaal "Het Witte Paard" in Oostende (niet te verwarren met het gelijkaardige "Witte Paard" in Blankenberge !). Dat Oostendse "Witte Paard" lag destijds  in de Van Iseghemlaan - zo leert enige internet-research me : "Tiroler avonden, bierfeesten, en puur Oostendse revue's werden er opgevoerd. Ook de typetjes Gaston en Leo stonden daar van het prille begin op de planken, en de knaap Will Tura was daar een vaste gast". De zaak viel vooral ook bij Britse toeristen erg in de smaak. Ze is later afgebrand en behoort inmiddels tot de "lang vervlogen tijd" (2). In een brief aan mijn ouders, geschreven op vrijdagmorgen 28 juli, bracht ik kort verslag uit van ons bezoek aan deze amusementstempel : "Gisteren zijn wij naar 'Het Witte Paard' geweest in Oostende en wij hebben zeer hard gelachen. De man van 't orkest deed Maria Callas achterna en Unkel Satchmo (sic). Ze dansten ook in een zak. En er was een clown ook". En, wat verder in dezelfde brief : "Jeanine heeft in 't Witte Paard een bierpint gepikt"!
We zijn nu een halve eeuw later… Het appartementencomplex "Duinpark" bestaat nog, maar het is natuurlijk niet meer wat het geweest is. Het gezellige kruidenierswinkeltje is het eerst verdwenen, lang geleden al. Later werden de leuke jaren vijftig-zestig kleuren (nu weer helemaal trendy) op de gevelvlakken wit geschilderd. De prachtige duinen in de omgeving werden grotendeels volgebouwd en zodoende vernield. Sic transit gloria mundi…

Foto : Oostduinkerke, juli 1961, opname door mij gemaakt met de Kodak "box"-camera van mijn vader, waar voor het eerst een kleurenfilm op stond.  Van links naar rechts : mijn vader, mijn moeder, "Maikke" (Emma Schoeters), André (Cauwenberghs).  Het appartementsgebouw "Duinpark" op de achtergrond, toen nog met vrolijke kleuren.  Ik stond met mijn rug naar strand en zee.  Typische amateur-foto's-fouten : te veel lucht, voeten afgesneden !
(1) Internet (www), trefwoord "Oostduinkerke" in internet-encyclopedie Wikipedia, http://nl.wikipedia.org/wiki/Oostduinkerke, geraadpleegd juli 2011 ; internet (www), website Felix Timmermans, http://blog.seniorennet.be/timmermans_fan/archief.php?ID=120, geraadpleegd juli 2011.  Op laatstgenoemd blog : interessante informatie over de aanwezigheid van Felix Timmermans en andere Vlaamse intellectuelen in het Oostduinkerke van de jaren dertig !  De Wikipedia omschrijft het huidige Duinpark als : "Exclusieve wijk grenzend aan het natuurgebied Zeebermduinen. Bestaande uit kleine straatjes en pleintjes, waaronder het Rodenbachplein. Wordt ook wel eens 'Klein Knokke' of de 'miljonairswijk' genoemd, verwijzend naar de mix van charmante villa's en de peperdure villa-appartementen vlakbij het strand, waar tal van West-Vlaamse ondernemers en vrije beroepers uit vooral de streek rond Kortrijk en Roeselare hun vakantieresidentie hebben". 
(2) Internet (www), website Roy's Oostends Fotoblog, http://roys-fotoblog.skynetblogs.be/archive/2007/12/30/2-oud-naar-nieuw-in-oostendse-foto-s.html, geraadpleegd juli 2011.

vrijdag 15 juli 2011

De tweede dag


Kennelijk is het een oude gewoonte om grote feestdagen de daaropvolgende dag nog een beetje voort te zetten : dat is bijvoorbeeld jaarlijks het geval met Kerstmis ("tweede kerstdag") en Pasen ("tweede Paasdag"). De voornaamste kermissen namen destijds zelfs drie dagen (van zondag tot dinsdag) in beslag. Zulke vervolgdagen lieten toe wat uit te blazen van het feestvertier, één en ander op te ruimen, restanten van de feestmaaltijd op te dienen… 
Ook het huwelijksjubileum dat mijn overgrootouders Pieter Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts op zaterdag 4 juli 1931 in Boortmeerbeek vierden (zie mijn blogbericht "Jubileum" van 1 juli jl.) werd gevolgd door zo'n "tweede dag" (uiteraard was dat dan zondag 5 juli 1931). De familieleden uit Mechelen (zoon Emiel en zijn gezin), uit Rijmenam (de oudste zoon Jozef met vrouw en kinderen) en uit Tildonk (de jongste zoon Alfons met zijn gezin) waren naar hun respectieve "haardsteden" teruggekeerd. De oudste dochter, Marie (Maria Rosalia) Wollebrants en haar echtgenoot Alfons Louwaege, -die toen op een appartement in Schaarbeek woonden-, waren echter in Boortmeerbeek blijven logeren. Ook mijn grootouders Frans Constant Wollebrants en Maria Ceuleers en hun zoontje (mijn vader) Oscar waren nog van de partij, en natuurlijk ook het gezin van Juul en Ida Mommens-Wollebrants, want zijn huis vormde immers het centrum van de feestelijkheden.
Met zoon Emiel, zijn vrouw Louisa en hun dochter Germaine was natuurlijk ook het Zeiss Ikon-fototoestel, waarmee 's zaterdags zulke interessante groepsfoto's waren gemaakt, naar Mechelen "teruggekeerd" - maar geen nood : er was "vervanging"! Een zekere “madame Philippine”, een goede vriendin van Marie Wollebrants (ze moet ook min of meer van dezelfde leeftijd zijn geweest) was die zondag uit het Brusselse naar Boortmeerbeek gekomen. Zij was weduwe : haar echtgenoot was in de “grote oorlog” (1914-1918) gesneuveld. En… “madame Philippine” bezat een fototoestel! Zo zijn er ook op die “tweede dag” een hele reeks foto’s gemaakt…  werden (onder andere) het gezin van Frans Constant Wollebrants en dat van Ida Wollebrants "op de gevoelige plaat vastgelegd"… poseerde de tienjarige Oscar Wollebrants hand in hand met zijn nichtje Agnes Mommens - beiden met zonnehoed. Op verschillende opnamen ziet men op de achtergrond een deel van de hoge bakstenen muur die de tuin van de toenmalige pastorij omheinde.
Op die “tweede dag” moest er ook wat opgeruimd worden. Zo had men voor de feestmaaltijd van de vorige dag één en ander geleend bij “peet Stien”, de moeder van Juul Mommens : bestek met name, en vooral ook een grote “kasrol” (kasserol, kookpot). “Peet Stien” bezat veel keuken- en eetgerei : samen met haar echtgenoot “Pinneke” Mommens baatte ze immers, naast een herberg, ook een feest- en balzaal uit, waar onder andere de teerfeesten van de fanfare "De Moedige Vrienden" en van de plaatselijke oudstrijdersvereniging werden gehouden (en waar men trouwens ook voor privé-feesten terecht kon, waarbij “peet Stien” en haar dochters dan kookten). Op een bepaald ogenblik kreeg de tienjarige Agnes Mommens van haar moeder de opdracht om, samen met neefje Oscar, de grote “kasrol” terug te brengen naar “peet Stien”, die in de onmiddellijke omgeving woonde.  
Agnes droeg een “marinekostummeke” : “zo’n lange witte bloes op een donkerblauw rokske”. IJverig en plichtsbewust zoals kinderen op jonge leeftijd zijn,  drukte zij de “kasrol” stevig tegen zich aan, om ze zeker niet te laten vallen. De grote pot was natuurlijk grondig schoongemaakt. Aan de binnenzijde alleszins. Aan de buitenzijde echter iets minder… Het effect op de hagelwitte kleding laat zich raden... Op de foto waar Agnes en haar neefje Oscar hand in hand op voorkomen, doet zij een vertwijfelde poging om de vlek met haar hand te bedekken.  
Ook Yvonne, het zesjarige zusje van Agnes, had zo haar problemen : net als haar oudere zus had ze voor het feest van haar grootouders nieuwe schoenen gekregen, en die bezorgden haar “zeer voeten” (pijnlijke voeten)... “En ik had daar al misschien wat over geklaagd... maar ja, alleman had zijn handen vol en die dachten laat die jong maar zagen en doen natuurlijk eh", aldus Yvonne (vele jaren later). "Dan hadde kik al gauw stillekes bij ons achter naar ‘t kot getrokken en hadde kik daar een paar heel ouw’ schoenen die gereed waren voor weg te smijten uit ‘t schap ieverans gaan halen... waar dat mijn tenen bijkan doorstaken... en als dan de goeie foto genomen werd... later zagen ze dan... stond ik met die kapotte schoenen op die foto!”.
Het moet die zondag 5 juli 1931 een zomerse dag zijn geweest, want een deel van de familie trok de natuur in... Men maakte een (lange) wandeling : over de spoorlijn Mechelen-Leuven, door het bos “het Broek”, tot aan "den Hooiberg". "Den Hooiberg" lag op het Haachtse gehucht Sint-Adriaan, en was destijds een geliefkoosd doel voor uitstapjes van de Boortmeerbekenaren : ook in mijn eigen kinderjaren lag daar nog, midden in het bos, een hoge heuvel van zand, waarin de kinderen heerlijk konden stoeien. Dit kleine vakantieparadijs vlakbij huis is inmiddels verdwenen - net als de zandheuvels, de dennenbossen, het heidelandschap in de nabijgelegen plaatsen Rijmenam en Keerbergen. Ja, er is nog een beetje natuur in "het Broek" en aan "den Hooiberg" de dag van vandaag, er loopt daar zelfs een officieel wandelpad,  maar veel stelt het, vergeleken met vroeger, allemaal niet meer voor : overal waar nog wat groen is deinen bewoning en bestrating steeds verder uit… palmen allerhande economische activiteiten (tot het "trainen" van renpaarden toe) stukje bij beetje het natuurlijke landschap ongenadig in…  Welke duivelse krachten zijn het toch die maken dat de natuur, de groene ruimte, steeds verder vernield wordt? Overbevolking, inpalmingsdrift, geldzucht, domheid? Een combinatie van dat alles? In elk geval zijn het krachten waar geen bos of zandheuvel tegen bestand is.
Terug naar onze "tweede dag"! Ook tijdens de wandeling werden enkele foto's gemaakt - ongetwijfeld met het toestel van "madame Philippine" (op twee opnamen komt ze zelf voor, bij de andere zal zij de fotografe zijn geweest). En zo kan ik boven deze tekst dus een mooie foto plaatsen van "Wollebrantsen in de natuur" anno 1931 - een beeld van "een zomer van weleer"!
De foto’s leren ons wie de wandelaars precies waren. Als volwassenen waren er : (mijn overgrootmoeder) Rosalia Huybrechts, (mijn grootouders) Frans Constant Wollebrants en Maria Ceuleers, Marie Wollebrants met haar echtgenoot Alfons Louwaege, Marie's vriendin “madame Philippine”, en Ida Wollebrants. Als kinderen : (mijn vader) Oscar Wollebrants en (zijn nichtjes) de zusjes Agnes en Yvonne Mommens. Dat de 73-jarige Rosalia Huybrechts van de partij was, is wel verbazingwekkend én bewonderenswaardig! Onze wandelaars legden immers een bijzonder stevige afstand af! Vanuit Sint-Adriaan keerden ze terug via de weg van Haacht naar Rijmenam (toen nog een bescheiden "kasseiwegske") en via de Rijmenamsebaan (de weg van Rijmenam naar Boortmeerbeek).  


Alle in dit artikel verwerkte informatie komt uit de door mij geschreven familiekroniek.
Foto : "Wollebrantsen in de natuur", Boortmeerbeek, 5 juli 1931.  
De volwassenen zijn (van links naar rechts) : Maria Ceuleers (°1888), Frans Constant Wollebrants (°1889), Rosalia Huybrechts (°1858), Alfons Louwaege (°1882), Maria Rosalia Wollebrants (°1881), Ida Wollebrants (°1892).
De kinderen zijn (van links naar rechts) : Agnes Mommens (°1920), Yvonne Mommens (°1925), Oscar Wollebrants (°1921).

vrijdag 8 juli 2011

Ronde van Frankrijk


Olympische Spelen, wereldbekers voetbal, Wimbledon-tornooien en alle mogelijke andere sportmanifestaties... ze zijn zonder veel indruk te maken aan mij voorbijgegaan. Maar de Tour de France... dat kleurrijke peleton dat zich door de woeste landschappen van de Alpen en de Pyreneeën slingert... dat heeft al heel vroeg tot mijn verbeelding gesproken. Ik heb de strijd tussen Poulidor en Anquetil, "meegemaakt", de overwinningen van Merckx en Van Impe, het secondenduel tussen Lemond en Fignon, de wanhopige pogingen van Ulrich om de superieure Armstrong te verslaan...  
Vandaag echter wil ik schrijven over de "duistere" rondes uit mijn zeer vroege kinderjaren - de jaren vijftig. Teruggaan naar de verste uithoeken, naar de schemerzone van mijn geheugen, naar het vage grensgebied tussen de herinnering en het vergeten-zijn.  In die mistige zone valt veel op te rakelen, te ontsluieren, te (her)ontdekken - daarin rondwaren vind ik in de regel spannender dan te verblijven in de heldere zones van de voorhanden zijnde kennis. 
Er was nog geen televisie, ik luisterde nog niet naar de radio(reportages), las nog geen krant (hoewel we die wel in huis hadden). Mijn oudste Tour-herinneringen zijn een soort mythologische verhalen, die tot mij kwamen door mondelinge overlevering : ik hoorde ze van mijn ouders. Ze werden meer terloops, nagenoeg achteloos, aangehaald, dan dat ze bewust en in geuren en kleuren werden verteld, maar ze zetten zich vast in mijn jonge hersenen.
Mythes zijn verhalen over goden. Hun namen waren in dit geval : Abdel-Kader Zaaf, Wim Van Est, Roger Hassenforder en André Darrigade. Het waren "coureurs" in de Ronde van Frankrijk. Door enige research heb ik, voor het schrijven van dit artikel, de wazige contouren van weleer omgezet in concrete informatie. Ik heb licht laten schijnen in het duistere verleden. De verhalen zijn langer geworden, hebben gewonnen aan inhoud, aan precisie en detail - maar verliezen daarbij, zo stel ik vast, wel iets van hun magische geheimzinnigheid en aantrekkingskracht : zo gaat het nu eenmaal altijd als men van mythologie overstapt op geschiedschrijving, en ook wel als men van het gesproken en beluisterde woord overstapt op het schrijven en lezen.
Het verhaal van Abdel-Kader Zaaf speelde zich af in de ronde van 1950 - ik was toen nog een baby : het kan dus niet anders dan dat ik het pas jaren later heb gehoord. Het was op de dertiende (!) dag van de Tour, 28 juli 1950, en het was 35 graden heet. De Algerijnse renner Abdel-Kader Zaaf (1916-1986) ging in de aanval, samen met een ploegmaat. Met nog ruim tweehonderd kilometer voor de boeg, geloofde niemand in de goede afloop van de vlucht. De andere renners waren er slechts op uit om in de verzengende hitte aan de nodige drank te geraken.  
Zaaf en zijn compagnon bouwden een ruime voorsprong uit. Ze zijn op zo’n twintig kilometer van de aankomst... plots begint Zaaf zigzaggend over de weg te rijden... hij valt van zijn fiets ! Barmhartige toeschouwers leggen hem in de schaduw van een boom. Na enkele minuten komt hij weer op zijn positieven... klimt op zijn fiets, en rijdt... in de verkeerde richting, het achtervolgende peleton tegemoet! Zaafs maat uit de Frans-Noord-Afrikaanse ploeg, -Frankrijk bezat toen nog een groot koloniaal gebied in Noord-Afrika-, won de rit. Een formidabele prestatie - maar zijn naam heb ik nooit gehoord. Zaaf zelf bereikte de aankomstplaats in een ambulance : hij werd een legendarisch figuur.
Een ander Tour-de-France-verhaal dat ik van mijn vader en moeder hoorde, was dat van de val van Wim Van Est, en met name van de geniale publicitaire benutting daarvan. De valpartij deed zich voor in de ronde van 1951, op de 17de juli : toevallig ook de dag waarop in België de "koninklijke prins" Boudewijn, die de in opspraak gekomen koning Leopold III een jaar eerder was opgevolgd, de eed aflegde als "koning der Belgen" (maar dat samenvallen heb ik pas bij mijn research vernomen). In de Tour werd de dertiende (!) etappe gereden. De Nederlander Wim Van Est (1923-2003) had daags tevoren de rit gewonnen en tevens, als eerste Nederlander ooit, de gele trui veroverd. Bij de afdaling van de Aubisque raakte hij van de weg en viel zo'n zeventig à tachtig meter diep in een ravijn!  
Met behulp van aaneengeknoopte fietsbanden werd de onfortuinlijke renner naar boven gehaald. Wonder boven wonder kwam hij er met een paar schrammen van af! De uurwerkenfabriek Pontiac, -die de hele Nederlandse ploeg eerder een horloge cadeau had gedaan-, pakte achteraf uit met de publicitaire slogan : "Zeventig meter viel ik diep, m'n hart stond stil, maar m'n Pontiac liep" (zie foto boven dit artikel) ! Die rijmelarij dreef de val van Wim Van Est het collectieve geheugen in.
De firma "Pontiac" zou overigens nog meer reclame via het wielrennen maken : ik herinner me dat ze in wedstrijden (zoals het jaarlijkse criterium in mijn dorp) een auto liet meerijden met een luidspreker waaruit in een eindeloze herhaling de woorden "Pontiac tic-tac" galmden. Later werd die rol overgenomen door de uurwerkenfabrikant Rodania ("Ro-da-niaaa").
Een derde figuur over wie ik mijn ouders hoorde vertellen was de Franse renner Roger Hassenforder. Toen die op een bepaald moment in de algemene rangschikking van de Tour op de laatste plaats prijkte hing hij een rode lantaarn aan zijn fiets. Daarmee verwees hij naar een vorm van beeldspraak die al vele jaren bestond, en waarbij de renner die aan de staart van het klassement voor de gele trui bengelde als "de rode lantaarn" werd bestempeld (een symbool ontleend aan de rode lamp achter op de treinen).
Roger Hassenforder (°1930) stond in zijn tijd, -hij was profwielrenner van 1952 tot 1965-, bekend als de grapjas van het peleton.  Van de zes rondes waar hij van 1953 tot 1959 aan deelnam, heeft hij er slechts één uitgereden (die van 1956 : hij eindigde toen, neen, niet op de laatste, maar op de vijftigste plaats). Toch was deze "plezante" Elzasser geen sukkelaar want hij won in totaal acht ritten en reed in 1953 vier dagen in de gele trui. Na zijn wielercarrière opende hij een succesvol restaurant.
In 1958 kreeg ik de Tour zowaar live te zien! Ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in Brussel ("expo '58") vertrok de Ronde van Frankrijk dat jaar vanuit de Belgische hoofdstad.  Het parcours van de eerste rit, -gereden op donderdag 26 juni-, liep van Brussel naar Gent, via (onder andere) Mechelen… en mijn woonplaats Boortmeerbeek! De Tour kwam op de Leuvensesteenweg voorbij en ik ging er met mijn vader naar kijken. Ik was negen jaar. We stonden langs de kant van "de vaart" (het kanaal Leuven-Dijle), op de plaats waar de Kallebeekstraat de Leuvensesteenweg kruist. De renners kwamen (zo vermoed ik tenminste) van Leuven en reden in de richting van Mechelen. De hele groep was samen : één groot peleton, dat in een oogwenk voorbij raasde!
Toevallig kregen we in die dagen op school (ik zat in het derde leerjaar, bij meester Verhoeven) de opdracht als "huiswerk" een brief te schrijven aan een klasgenoot, “Polleke” Horckmans, die wegens gezondheidsproblemen tijdelijk in een hersteloord verbleef. In mijn “opstel” was een echo van de Tour-doortocht terug te vinden...  “Beste Pol,  /  Met veel plezier schrijf ik U dit briefje om U te vertellen hoe het hier gaat.  /  Ik heb uw schoon kaartje ontvangen.  Hebt gij het mijne ook al gekregen?  /   De prijskampen zijn nu gedaan.  De grote vakantie is in aantocht.  Dat zal plezierig zijn !  /  Vandaag zijn wij naar de ronde van Frankrijk gaan kijken.  Die reden op de steenweg Leuven-Mechelen voorbij.  Enkele van de 120 renners heb ik gekend, namelijk : Brankart, Anquetil, Bobet en Adriaenssens.  Er was ook een grote reklaamstoet bij.  /  Wij moeten nog alle dagen huiswerk en dat is erg vervelend, daarom wou ik dat het al vakantie was.  /  De beste groeten van,  /  Uw vriendje  /  François Wollebrants”. Dat van dat huiswerk (zo dicht tegen de zomervakantie aan) was natuurlijk een flinke steek onder water naar de meester toe!
De rit van Brussel naar Gent, die langs Boortmeerbeek was gekomen, werd gewonnen door de snelle Fransman André Darrigade, vòòr de Belgen Jos Hoevenaars en Jef Planckaert.  André Darrigade (°1929) : de vierde naam op mijn lijstje van renners waar ik hier mijn vroegste Tour-herinneringen aan ophang. Darrigade, zo vernam ik van mijn ouders (ik denk : in dit geval van mijn moeder) was de renner die "altijd de eerste rit won". Inderdaad : in 1956, 1957, 1958, 1959 en 1961 was dit telkens het geval! In totaal won de blonde sprinter uit het Zuid-Franse Dax (die beroepsrenner was van 1951 tot 1966) niet minder dan 22 ritten in de Ronde van Frankrijk. Twee keer (1959, 1961) won hij het puntenklassement en in 1959 werd hij in het Nederlandse Zandvoort wereldkampioen op de weg.
Die Tour van 1958, die in Boortmeerbeek voorbijkwam, werd tenslotte gewonnen door de Luxemburger Charly Gaul. Wat me altijd is bijgebleven, is dat mijn buurjongen François Bordo (1944-1984), die enkele jaren ouder was dan ik, naar een rechtstreekse televisiereportage over de aankomst van de laatste rit van die ronde op de wielerbaan van het Prinsenpark in Parijs ging kijken in de herberg van Achiel Schellens, in de Pastorijstraat. Dat was op zaterdag 19 juli 1958.  


Foto boven dit artikel : met toestemming overgenomen van de website van Marcel Beerthuizen (http://www.marcelbeerthuizen.com/).  Reclame-deskundige Beerthuizen geeft de Pontiac-reclame die inspeelde op de val van Wim Van Est een "buitengewone vermelding" in zijn lijstje van "gouden inhaakcampagnes". 
Op het internet is een verbazend omvangrijke en gedetailleerde schat over de geschiedenis van het wielrennen te vinden, met name op de websites De Wielersite (http://www.dewielersite.net/db2/wielersite/index.php) en Mémoire du Cyclisme (http://www.memoire-du-cyclisme.net/).

vrijdag 1 juli 2011

Jubileum


In de wereld van het schrijven kan men vrij en blij van het ene jaar naar het andere huppen : 2011 - 1931 - 1881… Op 4 juli 2011 is het precies tachtig jaar geleden dat mijn overgrootouders-langs-vaderskant Pieter Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts in Boortmeerbeek hun gouden huwelijksjubileum vierden - hun "jubilee", zoals vroeger werd gezegd. Dat feest had plaats op zaterdag 4 juli 1931. Aloïs en Rosalia waren gehuwd in april 1881. Ze waren beiden geboren in 1858. In het jaar 1931 werden ze dus 73.
Het werd een mooi en gedenkwaardig "vijftig jaar getrouwd"-feest, geheel gevierd volgens de jubileum-geplogenheden van die tijd, met een "familiaal" en een "openbaar" gedeelte. Op het familiefeest waren de zes kinderen (vier zonen en twee dochters) van Aloïs en Rosalia aanwezig, met hun echtgenotes (respectievelijk echtgenoten) - en met hun kinderen : de tien kleinkinderen van Aloïs en Rosalia. Zelf was ik er natuurlijk niet bij (en heb ik mijn overgrootouders ook niet gekend). Mijn relaas van de gebeurtenissen (dat ik een tiental jaren geleden voor de familiekroniek in een definitieve vorm goot) berust voornamelijk op de getuigenissen van mijn vader Oscar Wollebrants (1920-1989) en van twee andere kleinkinderen van Aloïs en Rosalia : Agnes (°1920) en Yvonne (°1925) Mommens (beiden nog in leven).
Aloïs en Rosalia woonden toen in bij hun dochter Ida Wollebrants en schoonzoon Juul Mommens. Het huis stond (staat nog - maar in gewijzigde vorm) in de dorpskom van Boortmeerbeek, op de hoek van de Dorpsstraat en de Stationsstraat (de huidige Brouwersstraat). Aloïs en Rosalia hadden in de woning een eigen zitkamer en slaapkamer. Ida en Juul hielden ook nog café - maar in die (televisie- en computerloze) tijd moeten de voorkamers van zowat de helft van de in het dorpscentrum gelegen huizen herbergen zijn geweest.
De jubileumdag begon met een mis in de parochiekerk. Het huis van Ida en Juul stond net achter de (koorzijde van) de kerk, dus moest het gezelschap slechts een half rondje rond het gebouw afleggen om zijn bestemming te bereiken. Heel wat bewoners van de rond de kerk gelegen huizen hadden de vlag uitgehangen, wat het dorp een feestelijk uitzicht gaf. “En...”, zo vertelde mijn vader Oscar Wollebrants (in 1988), “ieder van de aanwezigen had ook een blaadje... een gouden blaadje met een klein gouden bloemeke in zijn knoopsgat steken... of op hun blouse of op hun... hun kleding steken, zowel de mannen als de vrouwen... om dus te laten zien, kijk, wij zijn in feest bij die gouden bruiloft.  (...). Dat was natuurlijk allemaal maar klatergoud eh!”
Na de kerkdienst werden de jubilarissen en hun familie ontvangen op het toenmalige Boortmeerbeekse gemeentehuis (het huidige politiekantoor) - ook in het dorpscentrum en op wandelafstand. De ontvangst had plaats in de raadzaal : de jubilarissen en hun volwassen familieleden mochten samen met de burgemeester in de eigenlijke vergaderruimte plaatsnemen, de kinderen werden achteraan in de zaal allemaal samen op een grote bank geposteerd - de plek vanwaar normaliter het publiek de gemeenteraadszittingen kon volgen.  De burgemeester was in die tijd Constant De Keyser, bijgenaamd “de pinker” : hij had een zenuwtrek waarbij hij geregeld de ogen even dichtkneep. Het gemeentebestuur schonk de jubilarissen een zetel : jawel, één zetel voor twee jubilarissen! Het was wel een exemplaar waarvan de rugleuning bij middel van een hendeltje aan de zijkant verstelbaar was.
Na de mis en de ontvangst op het gemeentehuis stak men in het huis van Ida en Juul de voeten onder tafel voor de feestmaaltijd : de deur tussen de gelagzaal van de herberg en de “tweede plaats” was geopend, zodat men over een grote doorlopende ruimte beschikte, “en daar zat dus heel de familie”… Yvonne Mommens wist nog dat er, min of meer als eerste gerecht, ossentong, -gepeld en met een kappersaus-, op het menu had gestaan (“alleman vond dat lekker”), en dat men vervolgens rosbief met groenten en aardappelen gegeten had.  Als dessert was er “crèmeglas” (crême-à-la-glace, ijscreem) geweest, vervaardigd door Juul Mommens. Die had “in de geburen” een ijsmolentje kunnen lenen : een soort houten emmer waarin fijngeslagen ijs werd gegoten dat met zeezout werd bestrooid. In het midden van dit vaatje werd een cilinder geplaatst die met een hendel kon worden rondgedraaid. In die koker werd koude, zelfbereide pudding gegoten, die door het draaien van de cilinder in het ijs gekoeld werd, en zo tot ijscreem omgetoverd! Natuurlijk was er die dag ook taart gegeten.
De kinderen van de jubilarissen hadden voor hun ouders een korf met “gouden” kunstbloemen en -bladeren gekocht - een toen bij huwelijksjubilea zeer gebruikelijk geschenk. Later op de dag zou de fanfare "De Moedige Vrienden" de jubilarissen nog een tweede korf met zulke “gouden” kunstbloemen aanbieden. Naast deze kunstbloemen kregen de jubilarissen ook echte bloemen ten geschenke. Yvonne herinnerde zich dat er onder andere bloemen waren... “van de pastorij daarover... de pastoor eh... (…) de zuster van de pastoor die daar d’ huishoudster was... die juffra... die had er schoon bloemen uit den hof zo gesneden...".
Er werden ook foto's “getrokken”! Dat was het werk van de 22-jarige kleindochter Germaine Wollebrants. Ze deed dat met het toestel dat ze een tijd eerder van haar ouders had gekregen, een "Zeiss Ikon" (destijds een gereputeerd Duits merk). Eén van die opnamen staat boven dit artikel. Ik heb gekozen voor het algemene groepsportret : het beeld waar Aloïs en Rosalia met al hun meevierende familieleden op voorkomen. Enkel Germaine Wollebrants ontbreekt : zij was immers, zoals gezegd, de fotografe, en het is het tragische lot van zij die de beelden vastleggen, dat ze er zelf op ontbreken. De jubilarissen zitten op stoelen en houden samen het door hun familieleden geschonken korfje met kunstbloemen vast.  
Al de geportretteerden zitten of staan op het voetpad vòòr de naar de kerk gerichte gevel van het huis (de herberg) van Juul en Ida Wollebrants-Mommens. Achter het gezelschap ziet men een raam van het café en daarachter hangt een bordje met reclame voor het Franse aperitiefmerk “Byrrh”. Voor zover mij bekend is dit de enige foto waarop Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts met (nagenoeg) al hun nakomelingen "vereeuwigd" zijn : een uniek document!
“Tegen den avond aan” kwam de fanfare "De Moedige Vrienden" aan het huis van de jubilarissen een serenade geven! “En dan moest er natuurlijk getracteerd worden eh, dan gingen ze rond met zo ne... ne ‘kabree’ noemden de mensen dat vroeger... ne plateau... ne ‘kabree’ heetten ze dat hier in Meerbeek, dat weet ik nog”, aldus kleindochter Yvonne Mommens. Op dat ronde dienblad, -waar onder andere “ons peet” (Rosalia) en “ons ma” (Ida) zich tussen de menigte mee begaven-, stonden glaasjes met een feestelijk drankje voor de muzikanten. Er werd ook met een kistje sigaren “rondgegaan”.  
Het jubileumfeest kende nog een soort uitloper op zondag 5 juli, "de tweede dag" - maar daarover een andere keer. Vandaag nog een kleine (of eigenlijk : grote) sprong naar 1881, het jaar waarin Aloïs en Rosalia trouwden. Dat gebeurde in hun geboortedorp Rijmenam : het burgerlijk huwelijk werd gesloten op woensdag 20 april 1881 op het gemeentehuis, het kerkelijk huwelijk op dinsdag 26 april in de Sint-Martinuskerk. In de huwelijksakte werd als beroep van Aloïs "kleermaker" opgetekend. Zijn ouders, Jozef Wollebrants en Rosalia Gaston, waren beide nog in leven en bij het huwelijk aanwezig. Aloïs, of "Wies van den Broze" zoals hij in Rijmenam werd genoemd, was 22 jaar - zou in september van dat jaar (1881) 23 worden.  
De bruid, Rosalia Huybrechts, was in februari van dat jaar al 23 geworden. Zij was de dochter van Josephus Huybrechts en Isabella Catharina Janssens. Ze woonde bij haar vader - ook in Rijmenam, maar een heel eind buiten het dorp, aan het kruispunt van de Lange Dreef en de Mechelsebaan (de weg Bonheiden-Keerbergen). Hun (later afgebroken) huis stond net voorbij dit kruispunt, rechts van de weg als men in de richting Keerbergen rijdt. Rosalia's moeder, Isabella Catharina Janssens was vele jaren eerder, in augustus 1862, op 34-jarige leeftijd overleden bij de geboorte van een zoontje (dat zelf ook niet in leven was gebleven).
Merkwaardig toeval : ik huwde in het voorjaar van 1981 - precies honderd jaar na mijn overgrootouders Aloïs en Rosalia, en dus vijftig jaar na het jubileum van 1931. Spijtig genoeg is er in 1981 geen groepsfoto van de op het feest aanwezige Wollebrantsen gemaakt. Gedane zaken nemen echter geen keer : in de wereld van de werkelijkheid hupt men helaas niet van het ene jaar in het andere.


Alle in dit artikel verwerkte informatie komt uit de door mij geschreven familiekroniek.
Foto : Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts met hun kinderen en kleinkinderen, Boortmeerbeek, 4 juli 1931.  Foto gemaakt door Germaine Wollebrants (°1908).
De jubilarissen zijn gemakkelijk terug te vinden. Vóór hen zitten (van links naar rechts) hun kleinkinderen Oscar Wollebrants (°1921), Yvonne Mommens (°1925), Roger Wollebrants (°1928), Agnes Mommens (°1920), en Homère Wollebrants (°1924), naast hen staan hun kleinkinderen (links) Jeanne Wollebrants (°1922) en (rechts) “Mit” Wollebrants (°1918).
Achter de kleinkinderen en de jubilarissen staan, van links naar rechts : Anna Pletinckx (°1902), Alfons Wollebrants (°1901), Maria Rosalia Wollebrants (°1881), Pauline Van den Breen (°1887), Cyriel Wollebrants (°1912), Bertha Wollebrants (°1911), Maria Ceuleers (°1888), Jozef Wollebrants (°1883), Louisa Crols (°1886), Ida Wollebrants (°1892), Alfons Louwaege (°1882), Frans Constant Wollebrants (°1889), Juul Mommens (°1891) en (helemaal rechts op de foto) Emiel Wollebrants (°1886).  Voor een goed begrip : Cyriel (°1912) en Bertha (°1911) waren ook kleinkinderen van de jubilarissen.
Van heel dit gezelschap zijn nu, tachtig jaar later, nog vier personen in leven : "Mit" Wollebrants (°1918), Agnes Mommens (°1920), Homère Wollebrants (°1924) en Yvonne Mommens (°1925).  Cyriel Wollebrants (°1912) overleed eerder dit jaar.

vrijdag 24 juni 2011

Pietje Bell


"Kort voor Kerstmis was de goede oude meester Ster overleden. Groter verdriet had Pietje gedurende zijn hele leven niet gekend. Meester Ster was altijd bijzonder geliefd geweest in school en Pietje Bell was een van de beste vrienden. Hij stopte altijd meesters pijp en deed er soms bij ongeluk wat uitgeplozen touw of iets anders bij, zodat de pijp heel lekker rook.  Hij maakte het bord schoon en daarbij de vloer vuil, reinigde meesters bril met een sponsje en zeem, zodat de glazen mooi grijs werden, haalde een glas water, tekende een portret van de meester op zijn lei en wandelde 's middags met hem naar huis".
Zo begint het boek "Pietje Bell's goocheltoeren", het eerste van de twee Pietje Bell-boeken die ik in mijn kindertijd met veel plezier gelezen heb. Daarna stortte ik mij op de "Nieuwe avonturen van Pietje Bell". Naast het onverbeterlijke volksjongetje Pietje Bell waren de hoofdpersonages in die boeken : Pietjes vader, bijgenaamd "Jan Plezier" (een vrolijke schoenmaker), zijn zus Martha (een net meisje), de onderwijzer meester Long, de buurman Geelman (een zure drogist), diens supervoorbeeldige zoontje Jozef, en de gierige tante Cato!  
Ik denk dat ik mijn twee Pietje Bell-boeken tegelijkertijd kreeg, maar wanneer dat precies was?  Ik gok op Sinterklaas 1960. Mijn gissing is ingegeven door het feit dat de Pietje Bell-boeken mij een onverwachte succeservaring opleverden en dat deze zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet hebben voorgedaan toen ik in het zesde (dus laatste) jaar van de lagere school zat (of : van de "voorbereidende afdeling" zoals dat in het Keerbergse atheneum heette). Bijval is nu eenmaal iets dat men niet licht vergeet.  
Ik vermoed (maar nu zitten we een ietsje verder van de zekerheidsgrens vandaan) dat het in de tweede helft van het schooljaar was, zelfs al tegen de tijd dat het schooljaar naar zijn einde liep. We moesten van onze meester een "vrije" spreekbeurt houden, en ik koos als onderwerp : Pietje Bell! Een schot in de roos, want mijn klasgenoten raakten helemaal in de ban van de grappige anecdotes over die arme Pietje die het altijd zo goed bedoelde maar bij wie alles altijd toch zo jammerlijk misliep!  Zelfs de meester was amused. De tijd vloog voorbij, de bel ging (ik denk dat die spreekbeurten aan het eind van de schooldag geprogrammeerd stonden), mijn toehoorders smeekten om méér verhalen over die dekselse Pietje Bell, en ja, de meester vond het best, en dus bracht ik enkele dagen (of een week) later een vervolg op mijn spreekbeurt. Ik denk zelfs dat ik op algemeen verzoek nog een derde keer met Pietje moest uitpakken (al gaat u me nu natuurlijk vergelijken met de visser van wie de ooit eens gevangen reuzensnoek per vertelbeurt tien centimeter langer wordt). De belevenissen van de Rotterdamse kwajongen hadden me zo aangesproken dat ik ze moeiteloos voor mijn klasgenoten kon opdissen - zelfs met enig raffinement in de vertelstijl (al zeg ik het zelf). Ik ervaarde dat men een publiek kon "bespelen", en dat het wel fijn was om mensen te boeien en te laten lachen. Het eerder introverte en bedeesde jongetje dat ik normaliter was raakte gecharmeerd door zijn succes als entertainer…
Over de schrijver van de Pietje Bell-boeken, die wat mysterieuze "Chr." Van Abkoude was mij in die tijd niets bekend. Pas onlangs heb ik, via het internet, één en ander vernomen over deze veelzijdige en sociaal-bewogen man en zijn avontuurlijke, maar op materieel vlak niet onverdeeld kommerloze levensloop. In 2003 is overigens zijn biografie verschenen (van de hand van J. Maliepaard en R. Zwaap).
Chris Van Abkoude (°Rotterdam, 6 november 1880), was van opleiding onderwijzer, gaf ook een aantal jaren les op een Rotterdamse volksschool en hield er pedagogisch-vernieuwende ideeën op na. Naast vele andere activiteiten schreef hij niet minder dan een veertigtal jeugdboeken, waarvan er zo'n 24 aan het eerste Pietje Bell-boek voorafgingen. De reeks met Pietje Bell in de hoofdrol kende echter veruit het meeste succes, al werd ook "Kruimeltje" (uit 1923) in Nederland een klassieker van de jeugdliteratuur. Van Abkoude was gehuwd en vader van vijf kinderen.  
In het Pietje Bell-personage heeft hij nogal wat autobiografische elementen uit zijn eigen kindertijd verwerkt. Het eerste boek van de serie verscheen begin 1914 onder de titel "Pietje Bell of de lotgevallen van een ondeugenden jongen". In sommige middens werd die ondeugendheid streng afgekeurd, maar het boek werd een best-seller in zowel Nederland als Vlaanderen en Zuid-Afrika. In 1916 emigreerde Van Abkoude naar Amerika, waar hij zijn naam veranderde in Charles Winters (omdat de Amerikanen de naam "Van Abkoude" zo slecht konden uitspreken). In de jaren twintig kende hij er veel succes als animator en organisator van kindervariété, maar met de crisis van de jaren dertig kwam dit fame and fortune-verhaal in een neergaande spiraal terecht.
De andere Pietje Bell-boeken dateren uit 1920 ("De vlegeljaren van Pietje Bell"), 1922 ("De zonen van Pietje Bell"), 1924 ("Pietje Bell's goocheltoeren"), 1929 ("Pietje Bell in Amerika"), 1932 ("Nieuwe avonturen van Pietje Bell"), 1934 ("Pietje Bell is weer aan den gang"), en 1936 ("Pietje Bell gaat vliegen"). Al die (door Van Abkoude in Amerika geschreven) boeken verschenen bij de Alkmaarse uitgeverij Kluitman, en werden later herhaaldelijk heruitgegeven. De hierboven afgebeelde Pietje Bell-boeken die ik bezit zijn dus zeker géén "eerste drukken"! Het zijn pocket-edities uit de jaren vijftig : in die zin dan toch speciaal, want het pocket-boek was toen in het Nederlanse taalgebied nog een nieuwigheid.
In 1951 werd Chris Van Abkoude getroffen door een beroerte. Hij stierf uiteindelijk op 2 januari 1960, op 72-jarige leeftijd, in een verzorgingstehuis in Portland (in de staat Oregon). Een beetje merkwaardig toeval toch : de schrijver overleed in de tijd dat ik met zijn werk kennis maakte. Maar ook dat heb toen niet geweten.
"Chr." Van Abkoude heeft het niet meer meegemaakt, maar zijn Pietje Bell kwam terecht in de film (een eerste keer in 1964, een tweede en derde keer in 2002 en 2003), en werd de held van een stripverhaal (in 1992) en van een musical (2005). Van blijvend succes gesproken!
Het Rotterdamse straatjongetje Pietje Bell is het prototype van de onbegrepen mens. Hij heeft niets dan goede bedoelingen. Hij heeft ook een rijke fantasie, zit boordevol ideeën. Spontaan als hij is gaat hij meteen aan de slag om ze uit te voeren. Hij voegt de daad bij de gedachte. Hij is vergeten vooraf even achterover te leunen en na te denken. Hij weet nog niet dat tussen droom en daad wetten en praktische bezwaren staan - en andere mensen! Bij uitvoering blijken zijn ideeën schrijlings op de werkelijke wereld te zitten en geheel verkeerd uit te pakken. Dat leidt tot allerlei toestanden die plezierig zijn voor de lezer, maar niet voor Pietje. Chris Van Abkoude weet dat allemaal fijntjes, met een soort tongue-in-cheek-humor, te vertellen.  
Pietje Bell is tien jaar als zijn zeer deftige, hooghartige en gierige tante Cato op bezoek komt. Hij vat het plan op het familielid uit Delft aan het station welkom te gaan heten. Met een erewacht, een concert en een toespraak! "Hij zou al de vriendjes vragen om mee te doen en ze zouden houten sabels en geweren en zelfgemaakte vaandels meebrengen (...). Pietje had van een oud gordijn en een paar stokken een vaandel gemaakt, waarop met uitgeknipte letters te lezen stond : WELKOM TANTE KAATOO. Jaap zou een trommel meebrengen, Kees een paar potdeksels en Peentje een oude harmonika van zijn vader, Engeltje zou op een trompet blazen, die maar twee tonen had en Pietje Bell was de generaal en de officiële ceremoniemeester. (...). Ze zaten vrijdags na school bij elkaar om de toespraak in elkaar te timmeren. Hooggeachte en Weledele Heer Tante Cato! Zo begon de toespraak. Het woord HEER was hier wel een beetje misplaatst, maar het klonk te mooi om het weg te laten en de burgemeester had het ook zo gezegd, toen hij de beroemde ontdekkingsreiziger in de stad verwelkomde!".
Hoeft het gezegd dat tante Cato niet met de ontvangst ingenomen was? Hoeft het gezegd dat wat een feestelijk welkom had moeten worden uitdraaide op een ware ramp? Hoe vaak lopen de zaken niet anders dan we het ons hadden voorgesteld? En hoe vaak doet het leven niet zijn best om ons dàt inzicht bij te brengen?  

Voornaamste geraadpleegde bronnen :
CHR. VAN ABKOUDE, Pietje Bell's goocheltoeren, uitgeverij Kluitman, Alkmaar, z.j.
CHR. VAN ABKOUDE, Nieuwe avonturen van Pietje Bell, uitgeverij Kluitman, Alkmaar, z.j.
Internet (www), trefwoorden "Chris Van Abkoude" en "Pietje Bell" in internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige versie) :
Internet (www), website van de uitgeverij Kluitman :
Internet (www), website van de Koninklijke Bibliotheek (van Nederland) : http://www.kb.nl/dossiers/pietjebell/pietjebell.html
Internet (www), website Mokum TV  :  http://www.mokumtv.nl/pietjebe.htm

vrijdag 17 juni 2011

Glam & glit


Het gebeurde op een vrijdag. Vorige week vrijdag om precies te zijn, maar dat heeft nu weinig belang, want het had om het even welke vrijdag, ja eigenlijk zelfs om het even welke andere dag van onze vroege 21ste-eeuw kunnen zijn. Het was in de voormiddag. Plichtsgetrouw had ik net mijn jongste weekbericht aan mijn zand-in-de-hand-blog toevertrouwd, waarna ik nog een beetje around surfde op het internet. Om te eindigen (dat was althans de bedoeling) : gauw nog even nagaan of er zich in mijn bloedeigen dorp recentelijk spectaculaire gebeurtenissen hadden voorgedaan... Oei, onze schepen van Onderwijs en (andere) Feestelijkheden is voor twee maanden geschorst wegens stalking… een persoonlijke afrekening, de schuld van één bepaald gemeenteraadslid dat mij viseerde, aldus de schepen - als daar maar geen nieuwe stalking-affaire van komt! 
En dan is het gebeurd… Vraag me niet hoe, een aan hoofd-en-hand-coördinatie ontsnapte muisklik waarschijnlijk, maar geheel par hasard belandde ik op de life-style website van een grote krant, en bovendien dan nog (een ongeluk komt nooit alleen) op de onderafdeling "glam & gossip"! Ja, zo heet dat, op de webstek van de Vlaamse krant "Het Nieuwsblad". Waarom de glamour afgekort werd tot glam, maar de gossip niet tot gos, is mij een raadsel. Hé jongens van "Het Nieuwsblad", hier een gouden tip (en dat helemaal kosteloos) : maak daar eens gauw glam & gos van - dat klinkt veel glamouriger en gossippiger hoor - en bovendien nog cooler en sexy-er! Het kan trouwens nóg beter, want de nauwst met glamour verbonden component is niet (zoals die Nieuwsbladders schijnen te denken) gossip, maar glitter, en dus zou ik mijn roddelrubriek glamour & glitter noemen - zo heb je bovendien de alliteratie van die twee gl's!  Afgekort wordt het dan : glam & glit! Klinkt dat niet prachtig?  
Wat er ook van zij, geheel ongewild (ik zweer het !) zat ik vorige week vrijdag dus plots tussen de small-talk over allerlei zogenaamde beroemdheden. Ik voelde me als een puberjongetje dat in de Innovation in de afdeling dameslingerie was terechtgekomen - zo van :  het is hier niet mijn ding, maar hm, toch maar even kijken, misschien is er wel iets interessants bij, en een mens moet dat in het kader van zijn Bildung toch ook eens gezien hebben. 
"Anouk gooit DVD Ilse Delange in vuilnisbak" is de eerste titel waar mijn oog op valt (misschien omdat ik een hekel heb aan "wegsmijters"). Anouk blijkt een Nederlandse zangeres, ja zelfs een "rock-diva" te zijn. Ik ken haar natuurlijk niet, want als oudere en lekker ouderwetse heer beperkt mijn kennis van Nederlandse zangeressen zich tot Anneke Grönloh (de beste), Rita Reys (fijne jazztante), Willeke Alberti (wat te zoet), de Zangeres zonder Naam (aandoenlijke smart) en Tante Leen (Oh Johnny !). Dat zijn er niet minder dan vijf, toch niet slecht. Maar zoals u merkt : Anouk staat dus niet in dat lijstje. Gelukkig maar, want die Anouk, -inmiddels ook al 36-, dat is me der eentje hoor! Die heeft inderdaad dus rücksichtlos een digital video disc van Ilse Delange in haar vuilnisbak gekieperd - en die Ilse Delange (die haar naam kennelijk als DeLange spelt, maar aan zo'n flauwekul doe ik niet mee) dat is óók een zangeres - een collega dus van Anouk! 
Jaja, allemaal roddel en achterklap hoor ik u denken, en sensatiezoekerij, maar neen, het is écht waar, want bij het artikel staat een foto van het interieur van de vuilnisbak van Anouk en daarop zien we duidelijk (a) dat Anouk de korstjes van haar boterhammen niet opeet (foei !), (b) nogal wat soja-productjes tot zich neemt (gezond !), en (c) ja, warempel een dvd van Ilse Delange in haar vuilnisbak gedeponeerd heeft! En dat nota bene zonder er eerst naar te luisteren, want men kan op het beeld duidelijk waarnemen dat de disc in zijn oorspronkelijke cellofaanverpakking aan de afvalverwerkingsindustrie werd toevertrouwd (en het is genoegzaam bekend hoe daar met zulke dingen, waar je in de Fnac toch al gauw twintig euro voor betaalt, omgesprongen wordt). 
En neen, deze onthullende vuilnisbak-foto-opname is niet het werk van één of andere perverse onderzoeksjournalist of van een op hol geslagen fan : hij werd door Anouk zelf via haar Twitter-kanaal willens en wetens de wereld ingestuurd! Ook die Ilse Delange ken ik van haar noch pluim (ze staat evenmin op het lijstje van de vijf mij bekende Nederlandse zangeressen : zie hoger), ik heb haar (voor zover mij bekend) ook nooit horen zingen, maar geef toe, zelfs als het een onuitstaanbaar kreng zou zijn, dan nog dient gezegd : zoiets doe je een collega-zangeres toch niet aan! Wat kunnen vrouwen toch ongenadig zijn voor mekaar. 
Nu, die Anouk is toch echt mijn genre niet, dat merk ik (voor zover nog nodig) aan een tweede bericht over haar : "Anouk showt haar Porsche"! Alweer geplukt van Twitter, dat kennelijk een rijke bron vormt voor de makers van glam & glit-nieuwsberichten (en een goede tool voor Anouk om zichzelf onder de aandacht te brengen). En jawel, ook hier wordt de verslaggeving gestaafd door een niets-verhullende foto : een glimmende Porsche, staande in een afgelijnd parkeervak naast de straat, beschouwd vanuit vogelperspectief. Anouk mag het me niet kwalijk nemen, maar een volgende keer zou ze toch moeten proberen haar auto een ietsje nauwgezetter tussen de witte lijnen van het vak te parkeren, nu is er aan de voorzijde nog vrij veel plaats over, terwijl de achterbumper zo goed als de demarcatielijn van het volgende vak raakt, wat de man of vrouw die dat volgende parkeercompartiment benut het wegrijden uiteraard niet vergemakkelijkt. Maar goed, ik begrijp dat het parkeren van zo'n nieuwe Porsche (waarvan men het ontkoppelingspedaal misschien nog niet tenvolle beheerst) in een parkeervak dat allicht enkel op middenklasse-auto's is berekend, geen sinecure is. 
"Bedankt Porsche om mij deze wagen te geven" had Anouk als onderschrift bij de foto getwitterd - dit laatste echter een grapje zijnde, want nee, ze had die auto niet cadeau gekregen, maar zelf gekocht! Nu, zo'n vleugje humor maakt haar bij mij al minder onsympathiek natuurlijk. Bovendien, zo schiet me plots te binnen, maakt Anouk met zo'n dure en opzichtige auto bijzonder veel kans weldra het slachtoffer te worden van een car-jacking, en ja, zo krijg ik dan echt volop met haar te doen (want ik behoor nu eenmaal tot het genre weekhartige mensen dat medelijden heeft met de vanillepudding die onaangeroerd terug naar de keuken gaat omdat iedereen aan tafel voor chocoladepudding heeft gekozen). Arme Anouk, ik voel me al een beetje schuldig dat ik zelf niet in zo'n criminaliteit genererend vehicel hoef rond te rijden. 
Maar ondanks al haar getwitter is de vrouw die momenteel het meest in de kijker loopt natuurlijk niet die Anouk. Nee, die eer is weggelegd voor Pippa! Als u Pippa nog niet kent, dan bent u de afgelopen tijd echt wel in een ander zonnestelsel met vakantie geweest, want zelfs ik wist al dat zij de zus is van Kate Middleton, die (en dan heb ik het over Kate) onlangs getrouwd is met prins William, de achter-kroonprins van Groot-Brittannië. Nu, die dekselse Pippa schijnt daar op dat trouwfeest de show gestolen te hebben. Maar zie, het kan ons, eenvoudige stervelingen, tot troost strekken : ook de groten der society-aarde, zelfs deze die met royalty verwant zijn, dartelen niet van het ene succes in het andere, want jawel, die tot de verbeelding sprekende Pippa heeft het in de jaarlijkse verkiezing voor de Britse  Rear of the Year Award  - hetgeen zoveel wil zeggen als : de "Kont van het Jaar Prijs" (!) -  moeten afleggen tegen een zekere Carol Vorderman, een tv-presentatrice, die kennelijk veel backwards presenteert, of hoe moet ik mij dat voorstellen? De foto van Pippa die het bericht illustreert is overigens niet echt onthullend, en van het a posteriori van die mevrouw Vorderman was kennelijk geen kiekje beschikbaar. 
Een mens wordt op zo'n glam & glit-pagina echt wel van de ene intrigerende titel naar de andere gepushd. Ik was nog niet geheel bekomen van mijn medelijden met Anouk (over wie we eerlang zullen lezen dat ze ten prooi is gevallen aan car-jackers) én met Pippa (die een belangrijke onderscheiding aan haar neus had zien voorbijgaan), of daar werd ik al met een nieuw drama geconfronteerd, deze keer zich afspelend in het universitaire milieu, of eigenlijk net niet meer, want de titel luidde : "Daarom stopte Emma Watson echt met de unief"! Nee maar, en dat terwijl ik nog niet eens weet had van het feit dat Emma Watson een eind aan haar studies had gemaakt! Sterker nog : het mij niet eens bekend was dat Emma Watson ooit universitaire studies aangevat had! En allersterkst : ik zelfs niet eens wist wie die Emma Watson in 's hemelsnaam was! Maar als ex-hoger onderwijsmens blijf ik (tot op zekere, weliswaar niet al te grote, hoogte) toch geïnteresseerd in het "afhaakgedrag" van studenten, en dus vatte ik met oprechte interesse de lectuur aan van het relaas over de redenen die Emma Watson tot haar wanhoopsdaad hadden gedreven. Voor degenen onder u die even wereldvreemd zijn als ik, heb ik het even opgezocht : Emma Watson (°1990, zie foto boven dit bericht) is een jonge Britse actrice die beroemd is geworden door haar rol in de Harry Potter-films. 
Waarom nu heeft dit meisje haar studies aan de (Amerikaanse) Brown-universiteit zomaar ineens afgebroken? Ik zou denken : omdat ze het te druk heeft met acteren en veel geld verdienen, maar nee, over deze voor de hand liggende verklaring wordt in het artikel met geen woord gerept. Wat was er dan wel aan de hand? Volgens "geruchten" ging het om "pesterijen" en hadden die haar "verdrietig" gemaakt. Maar don't jump to conclusions : deze geruchten waren volgens de  glam & gossip-journalist(e) nu net volledig onjuist! 
Opgelet, want van dan af raakt de logische lijn in het Emma Watson-verhaal een beetje op drift (maar geen paniek : ik zal de zaken langzaam en systematisch uiteenzetten). "Het omgekeerde is eigenlijk net de reden", staat er. Hoezo? Heeft Emma Watson de universiteit van Brown verlaten omdat ze er niet gepest werd? Want niet gepest, inderdaad : dat werd ze er volop. Ze zegt het zelf. "Er zitten helemaal geen pesters op Brown", aldus Emma! 
Vervolgens blijkt uit het artikel dat "pesten" ofwel (a) in het hedendaagse universitaire milieu een vreemde, mij tot nu toe onbekende betekenis heeft gekregen, ofwel (b) Emma Watson er een merkwaardige en hoogstpersoonlijke opvatting op nahoudt over wat pesten eigenlijk is. "Ze hebben me op de campus nooit om een handtekening gevraagd of ook maar een foto op Facebook geplaatst, als ik een feestje gaf", pruilt ze. Echt wel flauw van die medestudenten : Emma niet pesten door géén handtekening van haar te vragen, haar bovendien niet pesten door géén foto's van haar feestjes op Facebook te zetten! En dat terwijl die arme Emma zich naar eigen zeggen al van jongsaf-aan ("al sinds mijn negende") nu net volop gepantserd had om "met media-aandacht" te leven! En bovendien "al veel ergere dingen meegemaakt" had "dan een paar paljassen die me uitlachen" - maar die er blijkbaar op die universiteit dus niet waren! 
"Maar waarom stopte Watson dan wél met haar studies ?", vraagt het artikel zich vervolgens af - eindelijk, en gelukkig, want ja, als lezer wou je natuurlijk al van in den beginne niet weten waarom Emma niet met haar studies was gestopt, maar zat je met de prangende vraag waarom ze wél de cursussen had dichtgegooid! "Ik zat lang in een ontkenningsfase", aldus Emma (op een, naar mijn aanvoelen, wat eigenwijze toon), "ik wilde doen alsof ik helemaal niet beroemd ben, maar nu besef ik dat ik met mijn sterrenstatus moet leven. Ik sta nu eenmaal in de schijnwerpers en dat moet ik aanvaarden". Dus, als ik het goed begrijp, is Emma Watson met haar studies gestopt omdat ze haar sterrenstatus heeft aanvaard - en hebben haar medestudenten haar dus in zekere zin wél gepest door haar niet te pesten met die sterrenstatus. Daardoor is ze een beetje verdrietig geworden, en, zoals algemeen geweten stopt elke studente met iets of wat karakter natuurlijk meteen met haar studies wanneer ze eens droevig is omdat men haar geen handtekening heeft gevraagd. 
Toch is het Emma Watson-probleem hiermee nog niet geheel van de baan. Want, gelet op al het vorige, waren, volgens mij, de aanvankelijke geruchten waarin werd gesteld dat Emma Watson met haar studies was gestopt omdat ze door haar medestudenten was gepest, dus eigenlijk toch wel juist. Waarom staat er aan het begin van het artikel dan dat het valse geruchten waren? De wereld van glam & glit is voor mij al net als de échte : ingewikkeld, en niet altijd duidelijk. Ligt dat nu aan mij of ligt dat aan de wereld?


Foto : Emma Watson op de première van de film Harry Potter and The Deathly Hallows, New York City, 15 november 2010.  Foto gemaakt door Joella Marano, betrokken via Wikimedia Commons.

vrijdag 10 juni 2011

Accordeon


Dezer dagen nog eens naar het strijkkwartet van Alban Berg geluisterd (ooit voor het eerst gehoord op een ochtend, in de auto, en meteen zwaar onder de indruk). En, geheel toevallig zie ik dat dit werk voor het eerst werd uitgevoerd in 1911 (en kort daarvoor geschreven) - precies honderd jaar geleden dus. Wat heeft die periode vóór de Eerste Wereldoorlog niet aan grensverleggende artistieke prestaties geleverd!
Ik ga niet echt schrijven over Bergs strijkkwartet. Ik ben geen muziekkenner. Bovendien : over muziek "als zodanig", vind ik, hoeft niet geschreven te worden, of toch niet al te veel. (Thomas Mann heeft het gedaan in "Doctor Faustus", en het zijn, naar mijn smaak, niet zijn meest interessante bladzijden. Misschien denkt een melomaan daar anders over). Muziek kan je moeilijk in woorden uitdrukken. Welk adjectief kun je nu bijvoorbeeld op Alban Bergs strijkkwartet plakken? Je kan het toch niet "mooi" of "schitterend" noemen, dat zou het werk in zekere zin beledigen. Voor mij zou een omschrijving als "muziek van de menselijke existentie-ervaring" nog het dichtst in de buurt komen. Er zit diepe droefheid in, peilloze eenzaamheid, en een soort verwrongen verhouding tot de kosmos. 
Ja, ik ben een liefhebber van klassieke muziek, vooral van strijkkwartetten (en van nog wel wat). Maar ik ben een allesbehalve eenzijdig mens - zeer integendeel, en al allerminst op muzikaal gebied. "In de muziek bestaan ook veel racisten / Hun kop is leeg, de mode vult ze op…" zong Raymond Van het Groenewoud : maar niet "deze jongen" hoor! Zo hou ik bijvoorbeeld ook van de rock 'n roll en de aandoenlijke teenager-muziek uit de late fifties en de vroege sixties. En van accordeonmuziek! Ja, van accordeonmuziek. En dan heb ik het echt wel over de deuntjes : de musettes, de walsjes, de polka's, de tango's… Want ja, ik weet wel dat de volkse accordeon inmiddels een volwaardig instrument is geworden, waarop ook volop klassieke muziek wordt gespeeld (en waar zelfs aan een "hogere" muziekschool als het Leuvense Lemmensinstituut les in gegeven wordt - enkele jaren geleden had ik het genoegen de lerares herself nader te leren kennen). Allemaal niets op tegen, maar ik zie het instrument, -dat er overigens vaak ook prachtig uitziet, versierd met diepkleurige glitter en glinster-, toch het liefst in gebruik als "volks" instrument. Ik vind dat zijn bijzonder warme klank, die zowel huppeldepuppelse vrolijkheid als loodzware melancholie kan uitdrukken, het best tot zijn recht komt in het populaire genre. 
Iets soortgelijks heb ik met fanfares. Ook die moeten zich, -voor zover ze nog bestaan-,  voor mij niet verliezen in simfonieorkestachtige-zaalconcerten om daar allerlei moeilijke klassieke stukken uit hun kopers te slaan. Ik zie ze veel liever in keurig en kleurig uniform en met blinkende instrumenten door het dorp stappen, vrolijke marsjes en andere stapmuziek ten beste gevend ! Of (mooi rechtop) zittend op de dorpskiosk, dat kan er ook nog door. In mijn dorp (Boortmeerbeek) stond er zo'n kiosk - een prachtexemplaar : groot en stevig, kunstig versierd, gezichtsbepalend voor ons dorp. "Stond", want een aantal jaren geleden heeft het toenmalige gemeentebestuur, in het kader van de "herinrichting" van het dorpsplein, dit fraaie bouwwerk laten slopen (zodat er pal in het dorpscentrum nog een paar parkeerplaatsen méér konden worden gemaakt!). Culturele barbarij natuurlijk - en een type-voorbeeld van een daad waarop men alleen maar kan reageren met de machteloze vraag : "hoe is het mogelijk dat mensen zoiets doen?".  En tussen haakjes : moet een dorpscentrum nu echt bestaan uit een parking-rond-de-kerk? 
Terug naar de accordeon! Dat ik daar zo van hou heeft allicht te maken met het feit dat ik dit instrument al in mijn zeer vroege kinderjaren live te horen kreeg. (En het is algemeen bekend dat muzikale herinneringen het diepst in ons geheugen gegrifd zitten : bij dementie houden zij ook het langste stand). Ik had (zoals elders al eens geschreven) twee ooms (langs moederskant) die beiden accordeon speelden in wat destijds (in de fifties en de vroege sixties) een "jazz" werd genoemd : een twee- of driemansorkestje dat in balzalen en tijdens de kermissen in de cafés amusements- en dansmuziek ten gehore bracht (en dus geenszins wat we nu onder jazzmuziek verstaan - een genre waar ik overigens ook van hou). Zo'n orkestje bestond in de regel uit een drummer (toen "batterist" genoemd), en een accordeonist. Het zingen van de liedjes werd door de man aan het drumstel voor zijn rekening genomen - of er was een afzonderlijke zanger, en dan ging het dus om een driemansgroepje. 
Die ooms-accordeonisten heetten Egied (Van Zaelen) en Georges (Budts) : ze speelden niet samen, maar hadden elk hun eigen "jazz". Natuurlijk moesten ze ook "repeteren" : soms gebeurde dat in de herberg of in de woonkamer van mijn grootouders-langs-moederskant (die café hielden op de Haachtsesteenweg in Relst, niet ver van Kalmpenhout-Sas : het beruchte kruispunt, nu rotonde-aller-rotondes), en soms waren mijn ouders en ik daar dan op bezoek… Zo raakte ik al op jonge leeftijd vertrouwd met accordeonklassiekers als "Dansende vingers", "Circus Renz" en "Perles de cristal", en met de namen van toen zeer bekende accordeonisten als Bob Artoos en Jos Termonia (die geen mens nu nog kent). Toen ik wat ouder was heb ik zo'n "jazz"-orkestjes ook tijdens de kermissen in ons dorp in de cafés zien (en horen) spelen : ze zorgden gegarandeerd voor "ambiance"! De muzikanten zaten dan op een "podium" dat vaak bestond uit niet meer dan wat planken die op lege houten biertonnen waren gelegd. Een levende accordeon-legende uit mijn kinderjaren was de Française Yvette Horner (°1922 - en ze leeft kennelijk nog) : zij bespeelde het instrument in de Ronde van Frankrijk, zittend op het dak van een auto die deel uitmaakte van de publiciteitskaravaan! 
De foto boven dit artikel toont de accordeon van mijn oom Egied, die ik jaren geleden van hem heb gekocht (op 19 september 1992 om precies te zijn) : een "Fratelli Crosio". Hij had er toen geen enkele belangstelling meer voor, en zijn vrouw was blij met de tienduizend frank die ik er wou voor geven. Ik kan er geen noot op spelen. Maar wat een prachtig instrument… om naar te kijken! En wat een wereld van volks vermaak roept dit kostbaar kleinood niet op! Waar heeft Egied dit (zware) instrument (verpakt in een imposante koffer, die ik ook nog bezit) niet overal mee naartoe gezeuld : naar herbergen en danszalen in alle mogelijke dorpen, naar kermissen en huwelijksfeesten… En dat vele jaren lang. En hoe is er niet gedanst en gezongen en leut gemaakt op de tonen die hij er wist uit te halen… 
In de tweede helft van de jaren zestig werd de populariteit van de "jazz"-en overgenomen door de zogenaamde "beat-groepen", bemand door jonge muzikanten.  Niets blijft… De droefheid, door dat besef teweeggebracht, is te horen in het strijkkwartet van Alban Berg.

Over mijn ooms-accordeonisten en over de herberg van mijn grootouders-langs-moederskant, zie ook : artikel F. WOLLEBRANTS, Een stukje familiegeschiedenis… 'Toinke' Budts van Relst, in : HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 25, nr. 2 (augustus 2010), blz. 152-158.
TIP !  Liefhebber van amusementsmuziek uit de jaren vijftig ?   Op Radio 5 Nostalgia volgende week (13-17 juni 2011), elke werkdag van zes uur 's morgens tot zes uur 's avonds : "de week van de jaren 50" !  Op de middengolf op 747 meter, of via internet : http://www.radio5nostalgia.nl/