vrijdag 25 mei 2012

Het Boshuisje


Trouwe lezers van dit blog weten al dat we anno 2012 de tweehonderdste verjaardag van Hendrik Conscience vieren én dat deze grote negentiende-eeuwse schrijver - met een sprankeltje lichtvoetigheid kunnen we hem de Vlaamse Goethe noemen - me nauw aan het hart ligt.
Een week geleden (tijdens het lange Hemelvaart-weekend) reisden mijn echtgenote en ik twee dagen lang door de Antwerpse Kempen, in het spoor van Conscience. We waren - net als de schrijver destijds - in Schilde en Zoersel. En in het Zoerselbos natuurlijk, in het Boshuisje - hét bedevaartsoord voor elke Conscience-liefhebber.
Onze expeditie begon met enige tegenspoed. De grote Conscience-tentoonstelling, die we op het gemeentehuis van Schilde wilden bezoeken, bleek - ondanks anderszinse informatie op het internet (want mijn vrouw had onze onderneming vanzelfsprekend goed voorbereid) - die vrijdag de 18de mei toch gesloten.
Vervolgens moest ik vaststellen dat het Keizershof, de aloude afspanning waar Hendrik Conscience rond het midden van de negentiende eeuw in Schilde had verbleven en aan zijn Loteling en zijn Baas Gansendonck had geschreven, niet meer bestond. Of beter gezegd: het gebouw was er nog wel, maar het was, afgezien van het grote timpaan dat de voorgevel bekroont, in geheel stijlloze stijl verbouwd, en dan ook nog eens geen horecazaak meer, maar - o tempora o mores - domweg verdeeld tussen een bankfiliaal en een kledingzaak.
Mijn plan om er - in de lijn der Conscienciaanse traditie - een aloude Vlaamse maaltijd, rijkelijk overgoten met een aloud Kempisch bier, te nuttigen, viel dus in duigen. Het enige dat er de herinnering aan de geliefde schrijver levendig hield was een (toegegeven: vrij groot en smaakvol) ingebouwd bas-reliëf met een afbeelding van Conscience en profil en de (ook toegegeven: fraai geformuleerde) aanduiding dat de grote en goede man hier "voor zijn volk" schreef.
Ja, het lot, verkeerde openingsuren en de gewijzigde bestemming van een historisch pand kunnen een blogschrijver al eens parten spelen! En dan heb ik het nog niet gehad over het feit dat de Turnhoutsebaan - waaraan het Keizershof gelegen is - inmiddels een razenddrukke verkeersader is geworden, met een niet aflatende stroom van auto's, bestelwagens, camions, bussen, motorfietsen… "Kijk" zegt mijn echtgenote, en wijst naar een balkonnetje op de tweede of derde etage van één van de appartementsblokken langs de straat. Daar zit een vrouw zich te koesteren in de voorjaarszon, het autogeraas en de stank van de uitlaatgassen. De mens is een wezen met een groot aanpassingsvermogen. Vooral als hij wil bruinen.
Hoewel de werkelijkheid van het Keizershof en de Turnhoutsebaan dus allerminst tot aan de knieën van mijn voorstelling-vooraf reikte, was ik toch niet uit mijn nopjes te krijgen. Het grote zeildoek met de beeltenis van Conscience dat de Schildenaren (ter gelegenheid van zijn feestjaar) aan hun gemeentehuis hadden gehesen, had mijn hart met grote mildheid en vergevingsgezindheid vervuld.
En warempel, niet ver van het Keizershof valt ons oog op het restaurant De Drij Lindekens, dat er fraai en voldoende nostalgisch voorkomt - iets waar de benaming "Oud Kempisch Koffiehuis", door de eigenaar op de gevel geschilderd, sterk toe bijdraagt. Het is elf uur, nog wat vroeg voor de lunch, maar, aangelokt door de stijl die dit etablissement uitstraalt, gaan we er koffie drinken. En omdat we toch ook al een beetje honger beginnen te ontwikkelen maken we er uiteindelijk maar een brunch van. Het interieur is, op een historische foto na, (helaas) nieuwerwets, maar de kaart, de service en de kwaliteit van het gebodene zijn van hoog niveau, dat mag gezegd.
Voor zover ik heb kunnen nagaan (want waar het ons, Consciencionisten, gruwelijk aan ontbreekt is een hedendaagse, uiterst gedetailleerde, zakelijke en volgens de regels der historische wetenschap opgestelde biografie) verbleef Conscience in zijn schrijversbestaan een eerste keer voor langere tijd in Schilde in 1849 - van 10 juli 1849 af, gedurende drie maanden, samen met zijn gezin. De schrijver was geestelijk overspannen en zocht rust. De Consciences namen hun intrek in het genoemde Keizershof.
Tijdens dat verblijf - zo leer ik uit een gedegen artikel van Leo Cautereels uit 2007 - knoopte Conscience vriendschap aan met Evarist Van Cauwenberghs, burgemeester van Schilde, notaris én rentmeester van het Zoerselbos. "Volgens de overlevering bezochten beide mannen vaak dit bos en wandelden daarna verder naar de herberg De Bijl in Zoersel"…
Op 13 juni 1850 verscheen Consciences roman De Loteling - één van zijn bekendste werken. Het boek was aan Evarist Van Cauwenberghs opgedragen ("ten bewyze myner byzondere achting en vriendschap"). In een voorwoord verwees Conscience openhartig naar zijn depressie, en naar het soelaas dat hij "op de heide" had gevonden ("daar is vrede voor het afgemat gemoed, daar is nog jonge kracht voor den afgesloofden mensch"). Het is een zeer persoonlijke ontboezeming - en een mooie tekst.
Hoe inspirerend zijn verblijf in Schilde en zijn lange wandelingen in het Zoerselbos waren geweest, blijkt uit Consciences aankondiging dat hij van plan was zijn lezers en lezeressen "de geschiedenissen te vertellen, welke ik bij den haard der oude afspanning heb afgeluisterd of op de heide zelve heb verzameld". En hij begon met De loteling… 
Na onze brunch in De Drij Lindekens reisden mijn vrouw en ik onverwijld af naar Zoersel. De zon trok zich terug achter de wolken, en zo hoorde het ook, want wij trokken het donkere, mysterieuze Zoerselbos in. 
"Hier vertelde de loteling zijn geschiedenis aan Hendrik Conscience" leest men op een gedenksteen, gemetseld tegen de muur van een oud, langgevelig stenen gebouw (met een grote stal- en dito schuurpoort), gelegen aan de zuidwestelijke rand van het Zoerselbos (in de Zoerselse deelgemeente Halle). Geen twijfel mogelijk: dit is het Boshuisje! 
We zijn op heilige grond: hier heeft Hendrik Conscience rondgelopen. Dit Boshuisje heeft hij zelf aanschouwd. Nu ja, het kan er rond het midden van de 19de eeuw een beetje anders hebben uitgezien dan nu… de nieuwe luiken, kennelijk recent aan één van de ramen gehangen - in blank hout, ze moeten nog worden geschilderd - maken er ons attent op dat zelfs Conscienciaanse boshuisjes al eens wat restauratie behoeven… Maar laten we niet zaniken: veel verschil met Consciences tijd zal er niet zijn (en indien wel, dan wil ik het niet weten). 
Uit de schoorsteen kringelt een huiselijk aandoende rook. De waard van het Boshuisje heeft alvast de open haard aangestoken. Als we ons een plaatsje in de gelagzaal hebben uitgezocht, maakt hij ook nog de Leuvense stoof aan die aan de andere zijde van het lange smalle vertrek staat (voor mijn Nederlandse lezers: een Leuvense stoof is een plattebuiskachel). Op sommige dagen moet hier veel volk komen… maar we hebben geluk: we zijn de eerste gasten, later zullen nog wat klanten binnendruppelen, maar het blijft allemaal heerlijk rustig. 
Aan het eind van zijn loteling-roman vertelde Conscience hoe hij in het Boshuisje belandde… "op zekeren dag dat ik in volle eenzaamheid over de heide dwaalde, en in mijn binnenste de dichterlijke indrukken der stille natuur verzamelde"… Tot plots een hevig onweer opstak...
De schrijver deed "wat al het levende reeds had gedaan": hij zocht ijlings een onderkomen. Gelukkig stond er "niet verre van de plaats waar ik mij bevond" een boerderijtje, "als eene oase in de woestijn, omringd met groene velden en frisch geboomte". De regen was al begonnen met "als een tweede zondvloed uit den hemel te storten" toen Conscience "de deur der hoeve binnentrad en oorlof vroeg, om onder haar dak te schuilen".
Hij maakte nader kennis met de bewoners van het huisje - de hoofdpersonages van De Loteling! En het was Jan Braems, de loteling zelf, die hem het verhaal van zijn wedervaren deed. "Wat ik u in deze geschiedenis verhaald heb, lieve lezer, vernam ik dien avond op de eenzame hoeve, die eertijds slechts uit twee leemen hutten bestond, doch nu eene boerderij met vier koeien en twee paarden geworden is".
Zo staat het in de roman. Maar uiteraard zijn kunst en literatuur nooit een letterlijke, fotografische afbeelding, maar altijd een verwerking van de werkelijkheid. En dus is, net als het oeuvre van Goethe, ook dat van Conscience een samenstel van Wahrheit en van Dichtung…
Een Jan Braems heeft er in Zoersel nooit gewoond, lees ik in het artikel van Leo Cautereels, en evenmin een familie die "qua samenstelling" gelijkenis vertoonde met die uit het boek. Het ziet er eerder naar uit dat Conscience zich bij het schrijven van zijn roman heeft laten inspireren door herinneringen aan zijn legertijd, betoogt de auteur. Zo zou Bethken, het meisje dat Conscience in 1831 in Balen had leren kennen (zie mijn blogtekst Op de Grote Heide van 6 januari 2012), model hebben gestaan voor Trien, het vrouwelijke hoofdpersonage in De loteling.
Het decor waarin Conscience zijn fictieve figuren en hun geromanceerde belevenissen situeerde - het Zoerselbos en het Boshuisje - dat stamde echter wel degelijk uit Consciences ervaringen in de maanden die hij in 1849 in Schilde en Zoersel doorbracht. "Een analyse van alle plaatsaanduidingen in de roman bewijst overduidelijk dat het verhaal zich grotendeels in Zoersel afspeelt", aldus Jan Cautereels. "Het huisje van de loteling staat tegen het Zoerselbos en de loteling zegt van zichzelf dat hij van Zoersel is. In het verhaal blijkt overduidelijk dat het huisje aan de westkant van het Zoerselbos gelegen is. Zo antwoordt bijvoorbeeld Trien als men haar vraagt vanwaar zij is: ik ben een boerenmeisje van tussen St.-Antonius en Magerhal in de Kempen. Dit wijst in de westelijke richting van het Zoerselbos. Aan die westkant van het Zoerselbos stond toentertijd slechts één huis en dat was het primitieve Boshuisje".
Cautereels wijst er nog op dat het Boshuisje - "gelegen op de weg die Conscience steeds volgde als hij van Schilde naar Zoersel wandelde" - ook in andere verhalen van de schrijver opduikt. Het staat vast dat Conscience het heeft gekend en er meer dan eens is langsgelopen.
Dat het toen - zoals later en nu - al een herberg was, lijkt weinig waarschijnlijk (ik ben alleszins nergens een aanwijzing in die richting tegengekomen). In het kleine bezoekerscentrum, gevestigd in een oude boswachterswoning recht tegenover het Boshuisje, treft men, naast informatie over het Zoerselbos ook een klein museum aan. Daar zag ik twee (gerestaureerde) uithangborden die verwijzen naar de geschiedenis van het Boshuisje-als-herberg (maar, voor een goed begrip, niet uit de tijd van Conscience dateren). Op één ervan (van rond 1930) leest men: "Herberg Klein Boschhuisje / Wwe Van Peer. / Hier speelde de roman De Loteling van H. Conscience". 
Heden ten dage is het Boshuisje niet enkel een drink- maar ook een eetgelegenheid, zodat mijn plan om van een aloude Vlaamse maaltijd te genieten toch nog in vervulling gaat. Voor één keer zet ik mijn vegetarische levensovertuiging opzij - we kiezen voor het "potje stoofvlees 't Boshuisje". Dat is niet alleen aloud Vlaams, maar ook nog eens één van mijn twee lievelingsgerechten uit de tijd dat ik kind was (het andere is gebakken witloof). 
Het interieur van 't Boshuisje is, in één woord: prachtig! Geen gekunstelde, afgeborstelde pseudo-retro, maar authentiek ouderwets en volks. Met, op een kast, zowaar een borstbeeld van Conscience, sfeervol belicht door een kaars. Ja, als het woord authenticiteit (dat het in de hedendaagse filosofie zo goed doet) ergens op zijn plaats is, dan hier!
En zie, de patron haalt zowaar nog zijn muziekinstrument boven: gezeten voor de open haard speelt hij, nee, helaas geen accordeon, maar toch wel een beetje gitaar. 

Afbeelding boven dit artikel : het Boshuisje, eigen foto, 18 mei 2012. Met nieuwe, nog niet geschilderde luiken aan één van de ramen. En rook uit de schouw.
Voornaamste bronnen: internet, website van het genootschap Gilde van Baas Gansendonck vzw uit Schilde, www.baasgansendonck.be/hc2012, geraadpleegd mei 2012; artikel L. CAUTEREELS, Conscience en Zoersel, in het tijdschrift Heemkunde Gouw Antwerpen, jg. 44 (2007), nr. 2 (het artikel is ook te vinden op het internet, op de hiervoor genoemde website).
Op de website van de Heemkundige Kring Zoersel vindt men een reeks sfeervolle oude (en nieuwere) foto's van het Boshuisje en zijn vroegere bewoners: www.heemkundigekringzoersel.be/album_boshuisje/
Het Boshuisje vormt ook het geografische uitgangspunt van het stripverhaal De gouden ganzeveer, in de reeks Suske en Wiske, gerealiseerd door Paul Geerts (van de Studio Willy Vandersteen), in 1982.
Info over het huidige restaurant Het Boshuisje: www.boshuisje-zoersel.be

vrijdag 18 mei 2012

Grobbendonk


"Verbazend, hoe we ons als oude… of oudere… mensen heel diep verbonden voelen met onze kindertijd. We laten die verder en verder achter ons… in de tijd, maar geestelijk lijkt hij steeds belangrijker te worden. Ik merk bij mezelf dat ik nu meer aan mijn kinderjaren denk dan pakweg twintig jaar terug". Dat zegde (vrij vertaald) de 65-jarige, gerenommeerde Amerikaanse schrijver Paul Auster vorige week in een radio-interview. Ik hoorde de uitspraak niet zelf, ze werd me gesignaleerd door mijn vrouw die bij het beluisteren ervan - in de auto - meteen de link met mij en mijn blog had gelegd, zo zegde ze.
Ze had gelijk (dat heeft ze trouwens altijd, behalve als ze mij tegenspreekt natuurlijk). Ik ga op dit blog geregeld schrijfsgewijs naar mijn kinderjaren terug - en ook het credo in de marge (alles is veranderd - ik ben mezelf gebleven) wijst naar die ononderbroken lijn tussen het jongetje dat ik was in het huis en het tuintje in de Boortmeerbeekse Beringstraat, of hollend door de duinen van de Westkust, en de uit de hectiek van het professionele leven ontwaakte Rip Van Winkle die ik nu ben (zie mijn blogbericht Rip Van Winkle van 28 oktober 2011).
Waarom vind ik het fascinerend om episodes uit mijn kindertijd minutieus te reconstrueren (hoe moeizaam dat soms ook gaat)? Ik denk: omdat net door en in die descriptieve daad de verbondenheid met dat persoonlijke levensverleden tot stand wordt gebracht. Zoals bij het schrijven van de familiegeschiedenis de band met de vorige generaties wordt gelegd. Die verbondenheden met je persoonlijke en je familiale verleden vormen het fundament van je identiteit, van wie je bent. Ze zijn je roots, je wortels. En mensen zijn als bomen: als ze niet sterk geworteld zijn groeien ze slecht en waaien ze om.
Overigens ben ik bij het virtueel terugdraaien van the Hands of Time in zeer goed gezelschap: Goethe heeft in Dichtung und Wahrheit een bijzonder gedetailleerd relaas van zijn vroegste levensjaren gegeven, Marcel Proust is zijn hele leven à la recherche du temps perdu geweest, en legio mindere goden hebben zich schrijvend een weg in het eigen verleden gebaand…
Vandaag ga ik heel ver terug in mijn persoonlijke tijd. Ik was nog niet eens één jaar oud, op die zondag 21 mei 1950, de dag waarop ik - voor zover ik kan nagaan - mijn eerste toeristische uitstap maakte. Zelf herinner ik me daar uiteraard niets van. Gelukkig zorgt bovenstaande foto - uit het album dat mijn ouders over mijn drie eerste levensjaren aanlegden - er voor dat het gebeuren niet voor altijd door het zwarte gat van het vergeten-zijn is opgeslokt.
De opname werd ongetwijfeld gemaakt door mijn vader, met zijn "boxke", zijn Kodak-boxcamera. We waren die dag naar Grobbendonk in de Antwerpse Kempen gereden. Mijn grootmoeder-langs-vaderskant (die ook mijn meter was) en mijn moeder zitten met mij op een deken, "ergens" in de natuur. Ik sta rechtop, met wat steun van mijn mama, en heb een mutsje op het hoofd (het was lente, maar misschien "toch wat frisse wind", en een kou is snel gevat - ik werd in mijn kinderjaren veiligheidshalve vaak getooid met petjes en soortgelijke hoofddeksels - en ik had daar een hekel aan).
Waarom de uitstap die zondag precies naar Grobbendonk ging, daar heb ik het raden naar. In zijn studententijd had mijn vader een goede vriend, Alfons Somers (1920-1995) die van daar afkomstig was. Was mijn vader via die connectie al eerder in Grobbendonk geweest?
Omdat ik de voorbereiding van mijn blogschrijfsels altijd ernstig neem, zijn mijn vrouw en ik vorige zondag een kijkje gaan nemen in Grobbendonk. Het is een vrij prozaïsch plaatsje. Nogal wat doorgaand verkeer. Er werd een lente- en bloemenmarkt gehouden, en als de zon schijnt en het niet te druk is vind ik het wel ontspannend om eens over een markt te lopen (al schieten mij daarbij steevast de wijze woorden van Socrates te binnen: wat ligt er hier toch veel dat ik niet nodig heb). Nauwelijks eetgelegenheden te bekennen (in elk geval niet in het centrum), dan maar gechineesd: restaurant Oriental City, in de Bergstraat - vriendelijke mevrouw, ook vegetarische gerechten te krijgen, value for money.
Grobbendonk "serveert een deugddoende landelijke rust", lees ik in het toeristische gidsje van de Antwerpse Kempen. "Vooral het noordoosten van de gemeente, waar de Kleine Nete de bijrivier Aa omarmt, telt heel wat schilderachtige hoekjes". Wij dus naar dat noordoosten, waar rust - op een zonnige zondagnamiddag - toch een eerder relatief begrip blijkt te zijn. Als je als overheid je landelijke wegen asfalteert rukt het gerij op, tot tussen de koeien, daar kan je donder op zeggen.
We maken een stevige wandeling, van aan de oude watermolen, op de plaats waar de Kleine Nete en de Aa samenvloeien, tot aan de ruïne van de voormalige priorij Onze-Lieve-Vrouw-Ten-Troon, en terug. Misschien was het wel "hier ergens" dat ik anno 1950 met de wijde wereld kennismaakte. Het landschap was alleszins niet in tegenspraak met dat op de destijds gemaakte foto.
Wat die historische opname verder nog betreft… Natuurlijk hebt u al opgemerkt dat tussen de drie personages op de voorgrond en de weiden en bomen in de achtergrond ons toenmalig autootje, ons Renaultje, staat te glimmen. Het was in mei 1950 nog erg nieuw. Mijn ouders hadden het gekocht op 27 februari 1950 - dat is alleszins de datum van de factuur. Het was hun eerste auto.
Het ging om een Renault 4CV, type R.1060, chassisnummer 1.335.558, geleverd door de Renault-fabriek van Haren-Noord. Mijn ouders betaalden er 53.401,50 frank voor - tien percent luxebelasting en tien liter benzine inbegrepen.
Van een autoradio is op de factuur geen sprake. Toen de Renault (veel) later weer verkocht werd, bleek er toch een "radio Novak" in te zitten. Allicht heeft mijn vader die op een bepaald moment laten inbouwen.
De nummerplaat (de rijplaat heette dat toen) voor- en achteraan op de auto droeg het kenteken C5393.
Auto’s waren anno 1950 nog geen gemeengoed. Wat mijn ouders betrof werd de materiële voorspoed waar ze in die jaren een teken van waren, in de hand gewerkt door het feit dat niet enkel mijn vader, maar ook mijn moeder uit werken ging (in die tijd al evenmin een algemene regel).
Dat buitenhuis-werken van mijn moeder werd mogelijk gemaakt door de omstandigheid dat haar tante, Emma ("Maikke") Schoeters, bij ons thuis - geheel kosteloos - de huishouding deed, en tijdens de werkuren voor mij zorgde (waarvoor ze elke dag met de bus vanuit Mechelen naar Boortmeerbeek kwam). Tot de relatieve welstand van mijn ouders droeg ook bij dat ze gratis woonden in het huis dat mijn grootouders Frans Wollebrants en Maria Ceuleers in 1938 voor hun zoon in de Beringstraat hadden laten bouwen.
“Wij hadden graag een auto ja... voor kunnen eens uit te rijden zo”, vertelde mijn moeder mij (in december 2001). Folders van diverse automerken werden bestudeerd en de keuze viel op de Renault 4. Voor de aankoop ervan wendde men zich tot de garage Ursi in Haacht.
Dat was toen een tweemanszaak. De baas, Jef Ursi, liep er altijd "opgekleed" bij. Hij lijmde de klanten en zorgde voor de verkoop. En dan was er "Polle" (Leopold Pashuyzen, °Werchter, 1909), die ik (als kind) zelf nog gekend heb: een zenuwachtige, hyperactieve, maar niet onvriendelijke man in werkpak, die zorgde voor "de mechaniek", voor de onderhouds- en herstelwerkzaamheden in de garage.
Jef Ursi bracht mijn ouders naar de Renault-fabriek in Vilvoorde, om de kleur van hun aankoop te kiezen: het werd vert de Paris (lichtgroen). Korte tijd later werd de auto geleverd. Op de foto is te zien dat het om een vierdeurs ging. Polle leerde mijn vader - met de nieuwe Renault - de kunst van het autorijden aan.
Hoewel de garage Ursi mettertijd van het merk Renault overschakelde op Ford, bleef mijn vader er vaste klant voor het onderhoud van zijn eerste auto. Wat groter geworden mocht ik soms “mee naar de garage gaan”. Die lag net achter de Haachtse markt, in het begin van de Vekestraat. Het was niet meer dan een ongezellige hal, waarin men met de auto tot boven een werkput reed. Aan de zijkanten stond de nodige “rommel” en Polle was er druk in de weer.
Om hun auto onderdak te verschaffen lieten mijn ouders aan hun huis in de Beringstraat een (bakstenen) garage bouwen. Dat moet gebeurd zijn in de eerste helft van 1950: een foto van 11 december 1949 toont aan dat ze er toen nog niet, één van mei 1950 dat ze er toen al wel stond. In de garage was aan de straatzijde een grote poort om de auto naar binnen te rijden, en aan de achterzijde een deur.
Kort na de aankoop van zijn eerste auto ging mijn vader op een aantal zondagvoormiddagen in Mechelen een leergang elementaire autotechniek volgen, om zelf kleine herstellingen te kunnen uitvoeren.
Mijn ouders reden met hun eerste autootje tot in 1960 - tien jaar lang dus. In mei 1960 kochten ze hun tweede auto, opnieuw een Renault. Eigenlijk droomde mijn vader (een beetje) van de Floride, het blitse sportwagenmodel uit het Renault-gamma - maar ja, zo'n sportcar had nauwelijks een achterbank.
En dus werd het een witte Dauphine, met “similibekleding”. Hij kwam van bij garage Het Sas, Leuvensesteenweg 25 (aan Kampenhout-Sas), die uitgebaat werd door Frans Schepers en zonen. Mijn ouders betaalden voor de auto zelf 61.420 frank, maar daar kwam nog 8.580 frank taks bovenop (13 percent, berekend op de catalogusprijs van 66.000 frank), zodat er in totaal 70.000 frank moest worden neergeteld.
Onze eerste auto, de Renault 4 uit 1950, werd door dezelfde garage overgenomen voor 8.000 frank (plus 40 frank taks). Ik herinner mij nog mijn laatste ritje met dat oude vertrouwde autootje, toen mijn vader en ik het “naar de garage deden” om met de nieuwe aankoop terug te keren. Het moet één van mijn eerste lessen in de vergankelijkheid van de dingen zijn geweest. Ik voelde me triest. In afscheid nemen ben ik altijd heel slecht geweest. De nummerplaten met kenteken C5393 werden van de oude auto op de nieuwe overgezet.

vrijdag 11 mei 2012

Hollebeke


Het was de vrijdag vóór Pinksteren. Naar jaarlijkse gewoonte zou het 's zondags kermis zijn in Boortmeerbeek, Sinksenkermis. Dat jaar zou daar echter niets van in huis komen. Want van in de nachtelijke en de ochtenduren van die vrijdag de 10de mei 1940 vielen Duitse troepen Nederland, België en Luxemburg binnen… Onze streken werden meegesleurd in het geweld en de ellende van de Tweede Wereldoorlog.
De Belgische regering gaf alle mannen tussen 16 en 35 jaar opdracht zich met eigen middelen naar Frankrijk te begeven, om niet in handen te vallen van het oprukkende Duitse leger. Her en der vertrokken ze, veelal met de fiets naar West-Vlaanderen. Zo ook mijn vader, Oscar Wollebrants, die in maart 1940 negentien jaar was geworden en voor onderwijzer studeerde.
Hij ging op pad samen met een buurjongen met wie hij bevriend was. Ze fietsten tot aan de Franse grens. Daar kregen ze te horen dat ze, om Frankrijk binnen te mogen, hun rijwiel moesten afstaan. Ze voelden daar weinig voor, en besloten de kat uit de boom te kijken in het nabijgelegen dorpje Hollebeke, waar ze een onderkomen vonden bij een biersteker (een groothandelaar in dranken) - een oudstrijder van de Eerste Wereldoorlog…
Ik kende het verhaal, mijn vader had het me ooit verteld. Nadere details had ik toen niet gevraagd, laat staan opgeschreven. Behoort het niet tot het menselijk tekort dat we pas op (te) late leeftijd echt belangstelling krijgen voor de vaderlijke verhalen over het verleden…? In 1982 vertelde mijn vader het Hollebeke-verhaal aan mijn echtgenote: zij maakte er wel een aantekening van. In 1989 overleed mijn vader, op 68-jarige leeftijd.
Tijdens een vakantie aan zee - juli 2002 - brachten mijn vrouw en ik, met onze drie jongste kinderen, een bezoekje aan Hollebeke. Het was een zondagmorgen en het dorpje leek wel uitgestorven - geen aanspreekbare ziel te bekennen. Ik maakte wat dia's. Het Hollebeke-verhaal bleef een vrij summiere passus in de familiegeschiedenis (waar ik inmiddels gepassioneerd aan werkte).
Tot in 2006. Toen vond mijn moeder een jeugdvriendin terug, die ze jaren uit het oog was verloren: Yvonne Schoeters. En wat bleek? Dat mijn vader en zijn vriend in 1940 hun tocht naar Hollebeke samen met nog andere Boortmeerbekenaren hadden ondernomen - en dat deze Yvonne Schoeters één van hen was geweest!
Yvonne was een buurmeisje van mijn vader geweest: ze had ook in de Boortmeerbeekse Beringstraat gewoond, had mijn grootouders goed gekend, had als kind nog met mijn vader op straat gespeeld. Anno 1940 was ze de vriendin van zijn toenmalige verloofde Maria Budts (die naderhand zijn echtgenote en mijn moeder zou worden). Dankzij Yvonne zou ik dan toch nog aan een gedetailleerd relaas over de Hollebeke-expeditie geraken...
Het waren acht Boortmeerbekenaren die in die woelige dagen van de Duitse opmars de vlucht naar Hollebeke namen - allemaal geburen uit de Beringstraat. Kennelijk lag het initiatief bij Edward Van de Sande (°1895), in de volksmond Warre Niejel genoemd. Warre werkte als chauffeur bij de Boortmeerbeekse brouwerij Het Sas, was daardoor (kennelijk goed) bekend met een biersteker in het West-Vlaamse Hollebeke en wist ook hoe men daar naartoe moest rijden. Natuurlijk was de vrouw van Warre, Aline Rits, van de partij - verder hun zoon Leon en hun dochters Erna en Mariëtte. Die Leon Van de Sande, alias Leon van Warre Niejel, dat was de leeftijdsgenoot en vriend van mijn vader Oscar Wollebrants.
Maakten nog deel uit van het gezelschap: Stephanie Swiggers (in de volksmond Stef geheten) en haar dochter, de al vermelde Yvonne Schoeters, mijn zegsvrouw.  Yvonnes vader, Florent Schoeters, was eveneens chauffeur bij Het Sas, maar hij was tijdens de mobilisatie onder de wapens geroepen en reed in die dagen bij het Belgisch leger met een ambulance.
De hoogstnodige bagage - kleding, ondergoed... - werd in een tafellaken geknoopt of in een aan de fiets bevestigde tas gestopt. Voedsel had men nauwelijks bij, hooguit wat boterhammen. "Wij zijn geloof ik de zondag of de maandag vertrokken, dat weet ik niet meer juist, maar in alle geval: het was kermis in Meerbeek", aldus Yvonne. De tocht moet dus op zondag 12 of maandag 13 mei 1940 begonnen zijn.
Bij het vertrek moest Oscar (mijn vader) afscheid nemen van zijn ouders - en zij van hem, hun enige zoon, hun enig kind. "Ge gaat toch goed zorgen voor onzen Oscar?" vroeg mijn grootvader Frans Constant Wollebrants op enigszins plechtige toon aan Warre Niejel. "Awel ja", antwoordde Warre, "da's lijk als voor mijne zoon eh". Een mooie belofte, die Warre ook waar zou maken. Oscars ouders zouden - zoals zowat iedereen in die dagen - zelf ook op de vlucht gaan, maar in het gezelschap van weer andere Boortmeerbekenaren: zij trokken naar Ichtegem.
De fietstocht naar Hollebeke nam meerdere dagen in beslag. Om veiligheidsredenen besloot Warre Van de Sande met zijn gezelschap de "grote banen" te mijden en langs binnenwegen te rijden. Yvonne Schoeters vertelde mij dat men vertrokken was langs Elewijt, maar de route die men gevolgd had naar "de Vlaanderen" kon ze zich niet meer herinneren.
Onderweg zag men "veel mensen op de vlucht", met karren en met "poussetten" (kinderwagens), volgestouwd met kleren, huishoudgerief en "wat eten"...
's Avonds zochten de reizigers uit de Beringstraat onderdak bij één of andere landbouwer, die hen in zijn schuur of stal liet slapen, op het stro... Op een bepaald moment lagen ze zo dicht bij de koeien dat mest van de dieren op hun benen terechtkwam!
Bij de boeren raakten ze ook aan voedsel en drank - meestal wat boterhammen en een tas koffie: "natuurlijk, ge moest dat allemaal goed betalen eh", aldus Yvonne, "de boeren profiteerden daarvan zenne... maar allez, we waren gered eh, we hadden eten eh".
Op sommige plaatsen werden de fietsers uit de Beringstraat met de oorlog in zijn meest grimmige gedaante geconfronteerd: ze zagen mensen dood voor de deur van hun huis of op straat liggen. En: "dat waren er geen twee, drie", maar "tientallen". Ik vermoed dat het ging om slachtoffers van de vreselijke aanvallen van de stuka’s, de Duitse oorlogsvliegtuigen, waar in de geschiedschrijving van de Duitse inval gewag wordt van gemaakt.
"We hebben gelukkiglijk geenen platten band gehad - niemand niet van ons allemaal", vertelde Yvonne. En zo bereikten de Boortmeerbekenaren na enkele dagen hun toevluchtsoord Hollebeke.
De twee jongemannen van de groep - mijn vader en zijn vriend Leon Van de Sande - wilden van daaruit verder fietsen naar Frankrijk. Volgens mijn vader hadden ze dat plan laten varen toen bleek dat ze aan de grens hun fiets moesten achterlaten. Volgens Yvonne hadden ze bakzeil gehaald onder druk van Leons vader, Warre Niejel, die er op stond dat de twee jongens bij hem en de rest van het groepje in Hollebeke zouden blijven ("die zei neen, neen, ge gaat niet naar Frankrijk, ge blijft bij ons").
In Hollebeke nam het achtkoppige gezelschap uit de Beringstraat zijn intrek bij de biersteker die Edward Van de Sande via zijn werk bij de brouwerij Het Sas kende. Men werd er zeer goed ontvangen. De man beschikte over een ruim pand. Warre en zijn vrouw Aline kregen een eigen kamer, Oscar en Leon deelden een andere slaapkamer, en "de meiskes" kwamen allemaal samen in een derde vertrek terecht.
In de buurt was er een kruidenier, een bakker, een beenhouwer... De Boortmeerbekenaren kookten hun eigen potje en mochten zich kosteloos bevoorraden in de bierstekerij: "drink maar", zei de eigenaar, "dat moette niet betalen zenne". Aan de smaak van het gerstenat en de limonade hoefden de Boortmeerbekenaren natuurlijk niet te wennen, aangezien de gulle gastheer de in hun dorp geproduceerde dranken van brouwerij Het Sas verdeelde...
De biersteker had een zoon die jonger was dan Leon en Oscar. En oorlog of niet, de jongelui in het gezelschap maakten plezier: "we wandelden wij overal, en malkander ne keer plagen, gelijk als dat gaat eh, jongens en meiskes ondereen...". De Boortmeerbekenaren leerden ook wat West-Vlaamse woorden, zoals "ne stutte", de West-Vlaamse term voor boterham.
In zijn tuin had de bierhandelaar een grote "abri" (schuilplaats) gebouwd: langs "een gangske" kwam men in een "grote plaats" (kamer), waarin men op banken kon zitten. Het toevluchtsoord was vervaardigd uit steen, met een vloer in beton. Aan het uiteinde van de tuin lag "een uitgedroogde vaart"...
Weldra waren er echter niet alleen Boortmeerbekenaren in Hollebeke op bezoek, maar ook... Duitsers! En een deel van hen vestigde zich eveneens in de bierstekerij! Aan de overkant van de uitgedroogde vaart nestelden zich Engelse soldaten, "maar die hebben wij nooit niet gezien", aldus Yvonne.
Gedurende een paar dagen bleef alles rustig... "Maar dan ineens, op nen dag of op nen avond zijn ze beginnen schieten"! De Engelse soldaten, die achter het droge kanaaltje lagen, hadden een offensief tegen de Duitsers ingezet! De Boortmeerbekenaren waren in Hollebeke "in 't vuur gelopen" - in de frontlijn beland! Gelukkig konden ze zich ijlings in veiligheid brengen in de schuilkelder die hun gastheer in zijn tuin had gebouwd. "En dan hebben we daar een paar dagen in gezeten eh", aldus Yvonne - "met schrik".
Enkel voor de noodzakelijke sanitaire behoeften waagden de Boortmeerbekenaren zich naar buiten: noodgedwongen, want hun gastheer had er niet aan gedacht een toilet in zijn schuilplaats te bouwen.
Wanneer het vuur wat luwde zagen de Boortmeerbekenaren hoe Duitse soldaten die bij de gevechten gewond waren geraakt, op brancards naar de bierstekerij werden gebracht, waar bedden waren geplaatst en dus een soort veldhospitaal was ingericht. Op een bepaald moment, zo herinnerde Yvonne Schoeters zich, waren de mensen uit de Beringstraat getuige van de dood van een Duitse soldaat: "Daar hebben we wel eenen zien dood liggen op het bed. Dan waren ze een kist aan 't maken, zo maar een paar houten dingskens bijeen gedaan... En dan hebben ze die in den hof gaan begraven".
"Zo hebben wij daar twee dagen gezeten, tot dat dat stilgevallen is", aldus Yvonne, "en dan zijn wij mogen gaan lopen - zogezegd, maar de kogels vlogen nog rond onze kop zenne! Ze hebben ons dekens meegegeven en ze hebben goed geweest, de Duitsen, dat moet ik zeggen: onze fiets, alles, 't geen dat er stond en alles, hebben we mogen meenemen en dan zijn wij zo stillekens aan weer af gekomen".
Opnieuw was men enkele dagen onderweg: "eer dat wijle met de fiets terug van Hollebeke in...  in Meerbeek waren, heeft ook wel vijf dagen geduurd zenne". Na een tweetal weken zag mijn vader Oscar Wollebrants zijn geboortedorp terug, en ook zijn ouders, want volgens Yvonne waren die al iets eerder in Boortmeerbeek weergekeerd.
Bleef nog één grote vraag: hoe heette de Hollebeekse biersteker - oudstrijder van de Eerste Wereldoorlog - die de acht Boortmeerbekenaren zo behulpzaam opgevangen had? Yvonne kon zich de naam van de goede man jammer genoeg niet herinneren. Bij het schrijven van dit blogartikel ben ik er nog eens met vernieuwde ijver naar op zoek gegaan. En ja hoor, dankzij Philip Woets van de heemkundige kring Selebeke - een genootschap dat het verleden van (onder andere) Hollebeke koestert en bestudeert - kan ik nu de kers op de taart van het Hollebeke-verhaal zetten. De biersteker was Jules Everaet (Hollebeke, 1895-1972). Hij was gewestelijk depothouder van brouwerij Het Sas. Zijn zoon - waar Yvonne over sprak - heette Elie (Hollebeke, 1933-1987): later huwde hij met Nicette Notredame en zou hij de bierhandel van zijn vader voortzetten. De gebouwen van de bierstekerij lagen een eind buiten het dorpscentrum, in de Komenstraat. Ze bestaan nog steeds, al draagt de straat nu een andere naam en werd de handelszaak na het overlijden van Elie Everaet stopgezet. Ik ben van plan binnenkort een kijkje te gaan nemen… 

Foto boven dit artikel: Hollebeke anno 2002, eigen dia, 21 juli 2002. In de inzet: een pasfoto van biersteker Jules Everaet.
Voornaamste bronnen: aantekening van Lieve Wollebrants-Van Rompaey over gesprek met Oscar Wollebrants, 15 augustus 1982; gesprek met Yvonne Schoeters, 16 september 2006; schriftelijke mededelingen (e-mails) van Philip Woets, 7 en 8 mei 2012. De citaten (tussen aanhalingstekens) komen uit het gesprek met Yvonne Schoeters. Met dank aan Philip Woets en Frans Deleye van de heemkundige kring Selebeke van Zillebeke-Hollebeke-Voormezele.
De (niet meer bestaande) Boortmeerbeekse brouwerij Het Sas mag niet verward worden met de (nog wel bestaande) gelijknamige brouwerij uit Boezinge.

vrijdag 4 mei 2012

Pick-up


Dit is 'm dan: mijn eerste platenspeler. Op 7 mei 1961, ter gelegenheid van mijn Plechtige Communie cadeau gekregen van mijn groottante Emma Schoeters. (Zie ook mijn blogtekst Plechtige Communie van 6 mei 2011). In die tijd sprak men veelal van een platendraaier of ne pick-up.
Het gaat om een Philips koffergrammofoon met gele buitenbekleding. Het binnenwerk (met de draaischijf en de toonarm) kan worden afgesloten met een deksel (niet op de foto, wel bewaard), zodat men - mede dankzij het handvat op de lengtezijde (vooraan in beeld) - de grammofoon als een compact valiesje mee kan nemen. Handbagage, helemaal niet zwaar…  37,5 centimeter lang, 25 cm. breed en 14,5 cm. hoog…
Het toestel werkt enkel op stroom, niet op batterijen. Het snoer vindt zonder probleem een plaatsje in het koffertje: rechts van de draaitafel zijn er twee gaatjes waar de pinnen van de stekker in vastgezet kunnen worden.
Laten we de zaak eens grondig bekijken en nauwkeurig beschrijven. Een taalkundige uitdaging, want ik ben allesbehalve sterk in technische terminologie. Maar wat is het leven waard als we niet op tijd en stond de oppervlakkigheid doorbreken en diep en met precisie op de dingen ingaan?
Van links naar rechts…
Helemaal links zien we bovenaan (een deel van) het snoer, in het midden het slotje waar het deksel mee vergendeld wordt, en onderaan - aan de draaitafel - een metalen latje dat verschuifbaar is en waar het toerental mee ingesteld wordt. Er zijn niet minder dan vier snelheden mogelijk: 78-toeren, 45-toeren, 33-toeren (in feite 33 1/3) en 16-toeren.
De tijd van de 78-toeren-fonoplaat was anno 1961 voorbij - hoewel nog niet zo lang. Enkele keren heb ik nog wel eens 78-toerenplaten gedraaid - gevonden op de ouderlijke zolder: Little Richard, Bill Haley, Johnny Jordaan, Jan Verbraeken met het Metropolis Dansorkest onder leiding van Marcel Hellemans… (zie ook mijn blogtekst 78 Toeren van 18 november 2011). Maar het zijn toch vooral 45-toerenplaatjes of singles die ik op deze platenspeler heb gedraaid. Ja, langspeelplaten ook wel, maar het grootste deel van mijn 33-toeren-platencollectie dateert uit de jaren dat ik al op meer gesofisticeerde afspeelapparatuur was overgestapt.
En 16-toeren-platen - daar had ik zelfs nooit van gehoord. Nu verneem ik in de Wikipedia dat het gaat om "opnamen van toespraken op vinyl dan wel karton". Ik kan me niet herinneren er ooit zo één gezien te hebben.
Terug naar de foto. Onder aan de draaischijf zien we een hendeltje dat dient om de schijf in gang te zetten. De (bruine) toonarm met de (witte) kop, waarin de afspeelnaald zit, moet manueel op de (draaiende) plaat worden gezet. Omwille van de historische authenticiteit heb ik voor deze gelegenheid de allereerste kop opnieuw op de arm gemonteerd. In feite echter was ik na enkele jaren (allicht geheel terecht) op het idee gekomen dat de oorspronkelijke afspeelnaald versleten was, en was - door toedoen van mijn vader - de arm in de "gespecialiseerde handel" van een geheel nieuwe kop voorzien.
Overigens zitten er in de oorspronkelijke kop twee naalden. Met een klein hendeltje kan men de kop in een (rode) M- dan wel in een (groene) N-stand zetten, waardoor ofwel de ene, ofwel de andere naald aan bod komt. Ik vermoed dat de M-naald bedoeld is voor 45-toeren- en de andere voor 78-toeren-platen, en dat het verschil in de dikte van de naald zit.
Het leek me wel leuk een fonoplaatje op de draaischijf te leggen, en met arm en naaldkop de indruk te wekken dat het toestel "in actie" is: een kleine enscenering, ik geef het toe. Het plaatje dat ik voor de gelegenheid opgelegd heb, is Pony Time van Chubby Checker - één van de 45-toertjes die ik op dezelfde Plechtige Communiedag van 1961 ten geschenke kreeg. Het gaat hier overigens om de Chubby Checker van vóór de Twist - de nog-niet-of-nauwelijks-bekende Chubby Checker dus!
Wat ik natuurlijk niet gedaan heb: het toestel voor deze foto-shoot zitten poetsen. Hier en daar valt er bijgevolg wel enige beduimeling waar te nemen, maar die is op haar beurt geheel en al authentiek en historisch en komt dus geenszins voor verwijdering in aanmerking. Zodoende is ook te zien dat ik naast de draaischijf ooit wel eens iets gekleefd heb - allicht de naam en foto van een toenmalig idool: een uiting van het horror vacui en de oververhitte creativiteitsdrang (of zal ik zeggen: neiging tot prutsen), waar ik in mijn jonge, onnadenkende jaren nogal aan leed en waarvan de sporen mij nu veelal ten zeerste irriteren (omdat ze afbreuk doen aan het oorspronkelijk, ongeschonden karakter van de dingen).
Net naast de "functionerende" toonarm ontwaren we het bekende Philips-schildje, met zijn golflijntjes en zijn twee sterretjes. Symbool van Nederlandse degelijkheid.
We naderen stilaan het einde van onze descriptieve expeditie… Aan de rechterzijde zien we de volumeknop, die tegelijkertijd de aan/uit-knop is. Ik herinner me dat zich in latere jaren wel eens wat elektrische energie op die draaiknop durfde ophopen, wat voor een onaangenaam gevoel in de vingertoppen zorgde.
Helemaal rechts zit de (ingebouwde) luidspreker, aan de buitenkant - niet in beeld - afgedekt met fraai goudkleurig maaswerk (en, in geval van mijn toestel, wel een beetje gedeukt). De twee goudkleurige schuifjes dienen om het deksel in te haken.
Zoals vorig jaar al op dit blog verteld (maar het behoort tot de privilegies van oude jongeren dat ze zichzelf al eens mogen herhalen), kreeg ik met mijn Plechtige Communie ook mijn eerste (vijf) fonoplaatjes (van familie) cadeau: naast het al genoemde Pony Time van Chubby Checker, moeten het Blue Moon van The Marcels, Baby Sittin' Boogie van Buzz Clifford en Kili Watch van The Cousins zijn geweest. Over het vijfde singeltje sta ik in dubio: was het Save the Last Dance for Me van The Drifters - of zou het toch I'm Gonna Knock on Your Door van Eddie Hodges zijn geweest (dat echter pas een hit was in oktober '61)? Of Sucu Sucu van Alberto Cortez?  Wat er ook van zij: het gaat hier allemaal om titels uit de vroegste regionen van mijn fonoplatencollectie.
Toen het feestgedruis van mijn Plechtige Communie voorbij was kocht ik zelf plaatjes natuurlijk - of beter gezegd, ik liet ze door mijn ouders meebrengen wanneer die om één of andere reden in Mechelen moesten zijn. Het eerste 45-toertje dat ik op die manier "bestelde" was Kom van dat dak af van Peter en zijn Rockets (dat overigens al uit 1960 dateerde): eigenlijk mag dat dus aanspraak maken op het etiket mijn eerste eigen plaatje!
Sommige singles die mijn ouders van Mechelen meebrachten representeerden wel meer de muzikale smaak van mijn moeder dan de mijne (zo gaat dat als je een taak uitbesteedt). Dat was met name het geval voor Carolina Dai van Rocco Granata (één van de opvolgsters van de legendarische Marina), voor In a Little Spanish Town van The Blue Diamonds en voor Pepito van Los Machucambos.
Het opwindende Ma (hij wil zo graag een zoen) van Anneke Grönloh en Peter en zijn Rockets - de Nederlandse versie van Ma He's Making Eyes at Me - was dan weer helemaal mijn keuze. Elvis Presley was ook van de partij, met Wooden Heart (uit de film G.I. Blues) en Surrender. En Jan en Kjeld, met Banjo Boy, en Paul Anka, met Dance on Little Girl… Enzovoort…
Na 1961 viel de aangroei van mijn plaatjescollectie voor een groot deel stil (tijdelijk - want eind 1966 zou ik de draad weer opnemen). De techniek en de commercie van hun kant denderden voort, zoals steeds. De stereo(fonie) trad op het voorplan (op vlak van fonoplaten zou ze echter grotendeels beperkt blijven tot het domein van de langspeelplaat). Philips speelde op de nieuwe trend in door een versie van de koffergrammofoon uit te brengen met twee (ingebouwde) luidsprekers, één aan de linker- en één aan de rechterzijde. Later - toen de jaren zestig op hun laatste benen liepen - moesten de eenvoudige platenspelers de baan ruimen voor hifi-geluidsketens.
Ik ben mijn eerste pick-up bijzonder lang trouw gebleven. Pas eind 1974-begin 1975 kocht ik (onderdeel-per-onderdeel) zo'n nieuwerwetse keten: een Marantz-versterker, een Dual-platenspeler, een Teac-bandopnemer en twee KEF-Cadenza-geluidsboxen. Allemaal het beste van het beste, professionele apparatuur eigenlijk, en peperduur, maar een tegemoetkoming aan mijn hang naar perfectie en een aankoop voor het leven, dacht ik toen. Op 30 januari 1975 draaide ik er mijn eerste muziek op (het eerste pianoconcerto van Tsjaikovski).
Om aan te tonen hoe weinig ik met stereo ophad: aanvankelijk plaatste ik de twee grote luidsprekers op mijn kamer pal naast elkaar, want ik hield er hoegenaamd niet van dat een gedeelte van de muziek uit één, en een ander gedeelte uit een tegenoverliggende hoek van de kamer kwam. Ik vond dat storend!
Nog even terug naar mijn koffergrammofoon uit 1961. Natuurlijk wou ik weten of het opgediepte kleinood uit mijn jeugd, behangen met zoveel herinneringen, anno 2012 nog zou marcheren… Het bleek niet zo eenvoudig om dat uit te vissen, want de stekker van toen paste in geen enkel hedendaags stopcontact. Uiteindelijk vond ik toch nog een geschikte stekkerdoos. Meteen liet de luidspreker een veelbelovend gezoem horen. Maar helaas: de draaischijf bleek enkel nog handmatig in beweging te krijgen - de motor deed het niet meer.

vrijdag 27 april 2012

Schopenhauer


Geografisch gesproken is Arcadië een bergachtige streek in Griekenland. In de Oudheid was het een arm en schaars bevolkt gebied (nu nog). Landbouw was er nauwelijks mogelijk, veeteelt was de voornaamste economische activiteit.  Antieke dichters als Vergilius herschiepen het in hun fantasie en hun werk tot een paradijs, waar herders en herderinnetjes ronddartelden in een ongerept landschap met schaduwrijke bossen, heldere beekjes en zacht mos. Later werd het Arcadische landschap een geliefkoosd thema in de Westerse schilderkunst.
Ik heb boven deze tekst de Arkadische Landschaft van de Duitse schilder Jacob Philipp Hackert (1737-1807) gezet. Uit 1805. Gekozen om reden van de idyllische gelukzaligheid waar mens én dier op dit doek van genieten, en ook omwille van de prachtige waterval die rechts van de rotsen klatert. Hackert heeft zo'n veertig jaar lang in Italië gewoond en gewerkt, en raakte er anno 1787 bevriend met Goethe (die in de jaren 1786-88 in Italië verbleef).
"In Arcadië geboren zijn we allemaal" schreef Arthur Schopenhauer, "dat wil zeggen dat we de wereld betreden vervuld van aanspraken op geluk en genot en dat we de dwaze hoop koesteren ze in werkelijkheid om te zetten, tot het moment dat het lot ons hardhandig beetpakt en ons duidelijk maakt dat niets van ons is, maar alles het zijne is. Omdat het lot niet alleen onmiskenbaar recht heeft op ons bezit en onze inkomsten, maar ook op arm en been, oog en oor, ja zelfs op de neus in ons gezicht. Vervolgens leert de ervaring ons dat geluk en genot louter hersenschimmen zijn, ons door een droombeeld voorgehouden; dat daarentegen het lijden en de pijn reëel zijn en zichzelf direct kenbaar maken zonder de illusie en de hoop nodig te hebben".
Ja, die Arthur Schopenhauer (1788-1860) was geen vrolijke jongen. Hij heeft de reputatie de meest pessimistische onder de filosofen te zijn. Maar had hij ongelijk? Of moeten we toegeven dat zijn pessimisme niets anders was dan realisme - een kijk op het menselijk bestaan zoals dat werkelijk is?
Kan ieder van ons niet vaststellen dat, ondanks momenten van relatief geluk (die er zeker zijn), het leven toch eerder eine Kette von Leiden und Enttäuschungen is? En dan nog verdomd kort - zelfs voor wie honderd wordt, want ook honderd jaar is snel voorbij (vraag het maar eens aan een honderdjarige). En uitzicht op een eeuwige gelukzaligheid in een Arcadisch hiernamaals, laten we onszelf daar maar niet mee paaien, want dat is - in het licht van het onbenevelde verstand - natuurlijk slechts een illusie.
"Leven betekent lijden aan het leven. De blinde levenswil die de mens ten diepste kenmerkt, wordt onophoudelijk met vergeefsheid en nietigheid geconfronteerd.  Zonder uiteindelijk doel voedt het menselijke verlangen zich met zijn eigen onvervulbaarheid - tot de dood aan deze zinloze jacht een einde maakt" - zo vatte de Nederlandse publicist Cyril Lansink de Schopenhaueriaanse kijk op het menselijk bestaan (uitstekend) samen.
Lansink zorgde voor de Nederlandse vertaling van een oorspronkelijk Duits boekje met de veelbelovende titel Die Kunst, glücklich zu sein - klein van formaat, maar groot van inhoud. Het bevat een reeks overwegingen, leefregels, die Arthur Schopenhauer in de loop van zijn leven neerschreef en die kunnen bijdragen tot de (volgens hem) bescheiden vorm van geluk die in het leven bereikbaar is.
Dat kleine Schopenhauer-boekje - De kunst om gelukkig te zijn heet het in het Nederlands - vormt eigenlijk een verhaal op zich. Zoals gezegd is het opgebouwd uit aantekeningen die Schopenhauer in verschillende periodes en op diverse plaatsen in zijn handschriften heeft gemaakt, maar die hij zelf nooit in een gecomponeerd geheel heeft samengevoegd - laat staan dat ze tijdens zijn leven ooit als boek zouden zijn verschenen (wel heeft Schopenhauer een deel ervan aangewend bij het schrijven van zijn Aphorismen zur Lebensweisheit).
Het is de Italiaanse filosofieprofessor Franco Volpi (°1952) die het ruwe materiaal van Schopenhauers geluksrecept heeft samengebracht en in het Duits gepubliceerd. Franco Volpi (een expert in het werk van Schopenhauer en Heidegger) kwam op 14 april 2009 op 57-jarige leeftijd in zijn thuisstad Vicenza om het leven toen hij, onderweg met zijn fiets, door een auto werd aangereden.
De Nederlandse vertaling van Cyril Lansink (°1963) verscheen in juni 1999 (in 2004 kwam er een tweede druk, en in 2011 een nieuwe uitgave). Lansink vertelt op zijn blog dat hij een gepassioneerd fietser is en dat "een racefiets, goede benen en een rustige weg die leidt naar de top van een berg" voor hem "ultiem geluk" betekenen. Zou hij weten dat Franco Volpi al fietsend de dood inging? De dood die ons, net als het lot (waar zij onderdeel van is), "hardhandig beetpakt en ons duidelijk maakt dat niets van ons is"…
In feite was het de Verlichting, de Aufklärung - de grote geestesstroming van de 17de-18de eeuw - die ons westerse denken het concept geluk cadeau heeft gedaan. "Wij houden deze waarheden als vanzelfsprekend, dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat zij zijn begiftigd door hun Schepper met bepaalde onvervreemdbare Rechten, waaronder Leven, Vrijheid en het nastreven van Geluk" - zo luidt de aanvang van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776 - één van de beroemdste teksten uit de wereldgeschiedenis.
En inderdaad heeft de westerse mens zich van dan af op frenetieke wijze toegelegd op het najagen van dat geluksideaal (en van alles wat geacht werd er toe bij te dragen, niet in de laatste plaats een hoop materiële zaken). En gaat hij daar tot op de dag van vandaag - aangewakkerd door de sirenenzang van media en reclame - verwoed en onnadenkend mee door. "Gelukkig zijn, daarvoor wil ik alles geven…". Het is echter nog maar de vraag of net dat verwoede achternahollen van het geluk, de mensen niet ongelukkig maakt… 
Voltaire, één van de grootste geesten van de Verlichting, zag al in dat zijn Verlichtingstijd met dat geluksconcept een dwaallicht had geschapen. "Le bonheur n'est qu'un rêve, et la douleur est réelle", schreef hij op 16 maart 1774 aan één of andere markies - een uitspraak door Schopenhauer met instemming geciteerd (in leefregel 22).
Ik heb ooit in een (nogal religieus gezind) discussiegezelschap voor enige consternatie gezorgd door op de vraag "wat geluk voor jou betekent" uit te pakken met het nuchtere - voor sommigen al te bijdegrondse - antwoord: "geluk is als de dingen toevallig eens meezitten".
Ja, wat is geluk eigenlijk, en is het bereikbaar?  Ik heb de indruk dat de vlag geluk twee ladingen kan dekken. (1) Het kan gaan om kortstondige maar zeer intense ervaringen, zeldzame piek-momenten. Zoals Ramses Shaffy zong : "Het duizelend geluk duurt niet lang / Het duizelend geluk is één nacht…".
Of (2) het kan gaan om langere periodes waarin erg leed ons bespaard blijft en we mogen genieten van een, laten we zeggen, rustig voortkabbelend welbehagen. Voor Schopenhauer is zo'n situatie "het beste wat op de wereld is te vinden". Beter of meer geluk bestaat niet.
We moeten (denk ik) leren ons tevreden te stellen met dat haalbare geluk. En dat is natuurlijk nooit volmaakt, nooit absoluut, altijd relatief, altijd beperkt, altijd "in zekere mate", "tot op zekere hoogte"... Zelfs tijdens opperste geluksmomenten kan een scherpe geest nog wel minstens vijf redenen bedenken die er afbreuk aan doen. In het prachtigste - het meest Arcadische - landschap ligt heden ten dage bijvoorbeeld altijd wel een domweg weggegooid colablikje.
"De belangrijkste waarheid van de geluksleer blijft dat het er veel minder toe doet wat je hebt, of voorstelt, dan wat je bent", zegt Schopenhauer (in leefregel 44). Je persoonlijkheid is in grote mate bepalend voor je geluk, en onder de term persoonlijkheid verstaat Schopenhauer (zo verduidelijkt hij elders): "gezondheid, kracht, schoonheid, moreel karakter, geest en geestelijke ontwikkeling".
"Zoals nu de grote vijanden van het menselijk geluk tweeërlei zijn, pijn en verveling, zo heeft de natuur de persoonlijkheid ook tegen elk van beide een afweermiddel gegeven. Tegen de pijn (die veel vaker geestelijk dan lichamelijk is) de opgewektheid, en tegen de verveling de geest", aldus Schopenhauer (en we zijn nu weer bij leefregel 44). "Beide zijn echter niet aan elkaar verwant, sterker nog, ze zijn in de hoogste mate totaal onverenigbaar met elkaar. Het genie is verwant aan de melacholie. Aristoteles zegt dat alle geniale mensen melancholisch zijn. En de zeer opgewekte temperamenten zijn slechts in het bezit van oppervlakkige geestelijke vermogens".
Laten we dus maar wat met intellectuele - geestrijke en geestige - zaken bezig zijn, om ons niet te vervelen. Maar laten we niet te geniaal zijn.

Bronnen : A. SCHOPENHAUER, De kunst om gelukkig te zijn, bezorgd door Franco Volpi, vertaald door Cyril Lansink, uitgeverij Boom, Amsterdam, 2011 (eerder al verschenen bij uitgeverij SUN, Nijmegen-Amsterdam, 1999 en 2004); internet, website Cyril Lansink, Taal en Tekens, cyrillansink.nl/, geraadpleegd oktober 2011; artikel  Addio a Franco Volpi, la filosofia come passione critica, in krant La Repubblica van 15 april 2009, via: internet, website van de krant La Repubblica, www.repubblica.it/, geraadpleegd oktober 2011; internet, trefwoorden Arcadië en Jacob Philipp Hackert in internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige versie), nl.wikipedia.org/, geraadpleegd april 2012.
Over het thema geluk, zie ook mijn blogberichten Rousseau van 8 april 2011 en Erasmus van 6 april 2012.

vrijdag 20 april 2012

Huwelijk


Mijn grootmoeder Maria Josepha Ceuleers was in haar jonge jaren een opvallend mooie vrouw - zoals het portret hierboven overtuigend aantoont. Ik weet niet in welk jaar de Mechelse fotograaf Otto Gunckel deze opname maakte. Maria was te Boortmeerbeek geboren op 6 juli 1888. Ik vermoed dat de (licht beschadigde) foto van kort voor de Eerste Wereldoorlog dateert. De studio van Gunckel lag in de Consciencestraat.
Op woensdag 23 april 1913 trad Maria Ceuleers in het huwelijk met mijn grootvader Frans Constant Wollebrants. Ze was toen 24 (bijna 25) - hij was een jaar jonger (want te Rijmenam geboren op 14 juli 1889). De grasmaand april is voor de Wollebrantsen de huwelijksmaand bij uitstek: mijn overgrootvader Aloïs huwde in april 1881, ik zelf precies honderd jaar later, in april 1981.
Frans Constant Wollebrants was de derde zoon van Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts. Hij was kleermaker, net als zijn vader. Maria Ceuleers was de enige dochter van Jaak Ceuleers en Coletha Crols. Hoe de twee mekaar leerden kennen ligt voor de hand: beiden woonden bij hun ouders op het Boortmeerbeekse gehucht Donk - in die tijd Donck gespeld. De herberg van Frans' ouders aan de Rijmenamsebaan - vooral gerund door Frans' moeder Rosalia - lag op nauwelijks enkele honderden meter van het boerderijtje van Maria's ouders, aan het begin van een landweg die door weiden en bossen naar Rijmenam liep (de huidige Looikesweg).
Het burgerlijk huwelijk van Maria en Frans werd voltrokken op het toenmalige Boortmeerbeekse gemeentehuis, om tien uur, door de Boortmeerbeekse burgemeester Frans Brancart. Maria's vader, Jaak Ceuleers, wordt in de huwelijksakte daglooner genoemd: hij was koperslager in Mechelen, in de Centrale Werkplaats van de Belgische Spoorwegen - in de volksmond het arsenaal genoemd.
Geen slechte job, zeker niet, want spoorwegarbeiders behoorden destijds tot de best betaalde, meest gerespecteerde en meest zelfbewuste werklieden van het land. Thuis had Jaak ook nog een klein boerenbedrijf: rond zijn huis lag zo'n 48 are grond en hij hield ook wat beesten. Zonder twijfel kreeg hij bij zijn landbouw-werkzaamheden veel hulp van zijn echtgenote en dochter - niet voor niets worden zij in de huwelijksakte landbouwsters genoemd. Ook na haar huwelijk zou mijn grootmoeder Maria Ceuleers nog op de ouderlijke boerderij gaan helpen. Dat ze niet bang was de handen uit de mouwen te steken, heb ik (veel later) zelf nog gezien.
De getuigen bij het huwelijk waren Frans' oudste broer Jozef Wollebrants, "kleermaker wonende te Rijmenam, oud dertig jaren", en Ferdinand Tobback, "treinwachter wonende te Arlon, oud vier-en-dertig jaren, cozijn van de bruid".
Ferdinand Tobback (°1879) stond in Boortmeerbeek bekend als Nante van den boei. Hij was gehuwd met Marie Vandenbossche (°1877), een nicht van Maria Ceuleers, die in het gezin van Jaak Ceuleers en Coletha Crols grootgebracht was - naar ik vermoed omdat haar moeder op jonge leeftijd overleden was. Hoewel Marie Vandenbossche tien jaar ouder was dan Maria Ceuleers waren de twee als zussen. Later zal die Marie Vandenbossche voor mijn vader een soort suikertante zijn: hij noemde haar matante.
Dat haar man Ferdinand Tobback in de huwelijksakte als "wonende in Arlon" (Aarlen, in de provincie Luxemburg) werd geboekstaafd zal, naar ik vermoed, te maken hebben gehad met zijn werk bij de spoorwegen.
In elk geval was Ferdinand Tobback een rasechte Boortmeerbekenaar. Hij was een zoon van Willem Tobback, die postbode was geweest, in de dialectische volksmond dus den boei (de bode) werd genoemd, maar anno 1913 al een tijdje overleden was.
Zijn vrouw Bel van den boei (Isabella Schoeters, °1856) moet wel nog geleefd hebben. Zij baatte een herberg uit in de toenmalige Stationsstraat (de huidige Brouwersstraat, tussen het dorpscentrum en het spoorwegstation). Later zal haar zoon August Tobback (°1892) het herbergieren voortzetten: deze Gust van den boei was dus een jongere broer van Nante van den boei, alias Ferdinand Tobback, onze getuige.
Na het burgerlijk huwelijk op het gemeentehuis zullen Frans Wollebrants en Maria Ceuleers zich - met hun ouders, hun getuigen en nog wat familieleden - naar de Boortmeerbeekse Sint-Antoniuskerk hebben begeven om voor de kerk te trouwen.
De eerste maanden na het huwelijk woonde het jonge paar in bij Maria's ouders, in de boerderij op de Donk. Frans Wollebrants werkte er als zelfstandig kleermaker, aldus de stiel voortzettend die hij voordien onder zijn vaders vleugels had geleerd en beoefend.
Het huis van Jaak Ceuleers en Coletha Crols was van het langgevelige hoeve-type.  Toen het later door mijn grootmoeder en mijn ouders verkocht werd, heb ik het - als kind - bezocht, samen met mijn vader (die er allicht een en ander te regelen had).  Er stond een bakhuis net achter (maar veiligheidshalve los van) de woning, en ook een waterput met een wip, om het water in een emmer omhoog te halen.
Het jaar 1913 ging zijn gang. Op zondag 25 mei 1913 organiseerde het jonge dagblad Sportwereld - het was opgericht in 1912 - de eerste Ronde van Vlaanderen: toen nog een bescheiden evenement. De wielerwedstrijd werd gewonnen door Paul Deman (°Rekkem, 1889), die de 324 kilometer aflegde in iets meer dan twaalf uur. In 1911 was die Deman in de Ronde van Frankrijk als eerste van de onverzorgden of individuelen geëindigd (de renners die niet tot een ploeg behoorden).
Over de Ronde van Frankrijk gesproken… De van 29 juni tot 27 juli gereden Tour de France van 1913 werd gewonnen door de Brusselaar Philippe Thys (°Anderlecht, 1890). De grote uitblinker was echter de Vlaming Marcel Buysse (°Wortegem, 1889): hij won zes van de vijftien ritten en maakte grote indruk in de bergen. Volgens wielerjournalist Karel Van Wijnendaele zou hij de Ronde gewonnen hebben, op zijn één been zelfs, maar helaas… bij een afdaling in het Esterelmassief deed hij een val “waarbij hij de vork van zijn rijwiel brak, wat hem 3 uren en 30 minuten tijdverlies kostte. Ge moet weten, in die tijden moest een deelnemer, bij gevalle van breuk, zelf zijn rijwiel vermaken”. Door die pech onderweg eindigde de grooten Buysse tenslotte als derde in de Ronde, werd echter als de morele winnaar beschouwd en in Vlaanderen als een held onthaald.
"Hij leefde en hij fietste in krachttermen”, aldus Van Wijnendaele over Marcel Buysse. “Maar ‘t is in de Ronde lijk in ‘t werkelijke leven: met de macht kan men niet alles. Het hoofd moet er bij”.
Overigens deed zich in die Ronde van Frankrijk van 1913 nog een andere historische vorkbreuk voor, die - net omdat de renners toen geen enkele technische assistentie mochten krijgen - tot één van de meest heroïsche verhalen uit de tourgeschiedenis heeft geleid… Toen de Fransman Eugène Christophe op de Tourmalet de vork van zijn fiets voelde begeven, droeg hij zijn kadukke rijwiel veertien kilometer ver, tot in het dorpje Sainte-Marie-de-Campan, waar hij, ‘s nachts, in de plaatselijke smidse, zijn fiets herstelde. Na twee uur lassen kon Christophe de wedstrijd voortzetten. Later kreeg hij nog wat straftijd aan zijn broek, omdat iemand hem geholpen had door de blaasbalg te bedienen!
Eind 1913 verhuisden Frans Wollebrants en Maria Ceuleers naar het dorpscentrum van Boortmeerbeek. Ze huurden het middenste van drie aan elkaar gebouwde woningen. Het huizenblok was eigendom van Merie van Soeheke - ik zal haar echte naam niet noemen want het ging om een bazige en schraperige vrouw, die van haar huurders eiste dat ze al hun inkopen deden in haar kruidenierswinkel! Ja, ze had ook een echtgenoot, die was bakker, en voor het overige van geen tel.
De woning die mijn grootouders aan het dorpsplein betrokken had geen tuin: wel was er achter het huis een binnenkoertje met een stenen vloer, en vervolgens een bouwvallig kot (bergplaats), waar hout en steenkolen werden opgeslagen.  Veel meer dan wat huisraad bezat het jonge paar aanvankelijk niet: spullen die ze hadden meegekregen van huis uit  - vooral van bij Maria, die immers enige dochter was.
Zo'n half jaar na de verhuis naar het dorpscentrum brak de Grooten Oorlog uit - nu bekend als de Eerste Wereldoorlog. Zowel tijdens de eerste uitval (25-26 augustus) als tijdens de tweede uitval (9-13 september) van het Belgisch leger tegen de naar Frankrijk oprukkende Duitse troepen, kwam Boortmeerbeek volop in de vuurlinie te liggen - met name ook het dorpscentrum. Op een bepaald moment - zo vertelde mijn grootvader later aan mijn vader - opereerden Duitse soldaten langs de ene zijde van de kerk, en Belgische langs de andere…
Het gemeentehuis en de kerk waarin Frans Wollebrants en Maria Ceuleers gehuwd waren, overleefden het oorlogsgeweld niet. De woning die ze huurden aan het dorpsplein bleef intact: het huizenblok staat er heden ten dage nog. Ook het boerderijtje van Maria's ouders op de Donk, waar het jonge paar zijn eerste huwelijksmaanden beleefde, heeft stand gehouden (voorlopig tenminste, want het werd onlangs weer eens verkocht, en dan is het natuurlijk altijd de vraag wat de nieuwe eigenaar er zal mee aanvangen).
Mijn grootouders bleven in het Boortmeerbeekse dorpscentrum wonen tot eind januari 1928: ruim veertien jaar dus. In 1921 werd hun zoon Oscar (mijn vader) er geboren. "Mijn moeder kweekte er geraniums in potten op de vensterdorpel" herinnerde hij zich. 

Alle in dit artikel verwerkte informatie komt uit de door mij geschreven familiekroniek.
De Mechelse fotograaf Gustaaf Otto Gunckel was van Duitse origine: hij was geboren te Berlijn op 22 juli 1863. Hij overleed in Mechelen op 5 februari 1919. (Bron: internet, website Regionale Beeldbank Mechelen, www.beeldbankmechelen.be/, geraadpleegd april 2012). Aangezien men tijdens de Eerste Wereldoorlog in de regel andere dingen aan het hoofd had dan het laten maken van portretten, mogen we er van uitgaan dat de foto boven dit artikel van vóór de oorlog dateert. 

vrijdag 13 april 2012

Heinke Snoek


Lang, lang geleden… toen de mensen nog in landschappen van Pieter Bruegel leefden… waren er in mijn woonplaats Boortmeerbeek reeds dorpelingen die boeken bezaten.
Boortmeerbeek is altijd wat vooruit geweest op zijn tijd - of tenminste toch op de dorpen en gehuchten uit zijn omgeving. Dat heeft zo zijn voordelen gehad, maar ook zijn nadelen - maar daar wil ik het nu niet over hebben. Wel over die lang vervlogen tijden, toen de mensen 's avonds, bij de haard, thuis of in de plaatselijke herberg, verhalen vertelden. Verhalen over allerlei merkwaardige en angstaanjagende zaken, en dus ook over mensen die in Boortmeerbeek woonden en boeken bezaten, en daardoor eigenlijk zeer oneigentijds waren.
Want wie bezat er vroeger nu boeken? De pastoor ja, maar dat waren heilige, door de Kerk en het Aartsbisdom Mechelen goedgekeurde werken, waar nihil obstat en imprimatur in stond, en die dienden om de Heilige Mis te celebreren of om te brevieren. En de onderwijzer, de schoolmeester, ja, die had ook boeken, zoals het Kruisken-ABC, den Cleynen en den Grooten Catechismus, Den Cabinet der Christelijke Wijsheijd, Het Leven van de H. Maget Maria enzo - maar dat was allemaal in het kader van de christelijke opvoeding en geleerdheid, en dus dik in orde.
Maar dat er ook gewone mensen waren die boeken bezaten… nu ja, hier en daar dan toch eens iemand, in Boortmeerbeek bijvoorbeeld… dat was wel vreemd, en eigenlijk toch nergens voor nodig.
Even tussendoor - en om te laten horen dat ik er iets van ken: de verhalen waar ik het hier over heb worden door de volkskundigen sagen genoemd. Ze werden mondeling doorverteld (het woordje sage komt van het Duits was gesagt wird), en zowel door de verteller als zijn toehoorders voor echt gebeurd aangenomen. Vaak draaide het in zulke verhalen om griezelige personages: spoken en duivels, heksen en tovenaars, weerwolven…. en deden er zich allerlei unheimische, beangstigende fenomenen in voor.  Zoals boekenbezit.
En ja, die mensen in Boortmeerbeek die boeken bezaten, daar was misschien toch wel iets mee aan de hand. Toverij, hekserij: ik weet, het zijn grote woorden, ik neem ze niet graag in de mond - maar toch…
Zo was er ooit in ons dorp eens een paard in de gracht gesukkeld. De greppel was slecht onderhouden, en hoe woeliger en wanhopiger en amechtiger het arme beest tekeerging, hoe dieper het zich in de modder trappelde. En de voerman maar duwen en trekken en sleuren - tevergeefs. 
Toen kwam er een man langs, een toevallige passant, en die slaagde er in de kortste keren in het paard - als bij wonder - weer boven water en op de begaanbare weg te krijgen. Toeval of niet, maar die voorbijganger, dat was dus wel een man van wie geweten was dat hij boeken bezat.
Sommigen bezaten niet enkel boeken, maar lazen ze zelfs! Tot wat dat leiden kon leert ons de sage van de man die in zijn boeken had zitten lezen en zodoende onder invloed van een onbekende kracht was geraakt, waardoor hij van geen ophouden meer wist (op vlak van lezen bedoel ik). Buren of familie haalden de pastoor erbij, voor een goed gesprek. Maar was het wel zo'n goed gesprek - voor de pastoor? In elk geval wisten dorpelingen te vertellen dat de zielenherder naderhand zwaar bezweet de woning van de lezende man verlaten had.
En, straffer nog, mensen die een boek helemaal uitgelezen hadden, waren vervolgens als bezetenen op zoek gegaan naar een ander, een nieuw boek om te lezen - vanuit een onweerstaanbare drang als het ware (een verschijnsel u bekend van menige rechtszaak, de laatste reddingsboei voor slechte advocaten).  Ze hadden die nieuwe boeken gevonden in een leeg, godverlaten huis, waar behalve die folianten - die op een soort toog lagen - niets of niemand te zien was (zoals dat in lege, godverlaten huizen bijna altijd het geval is).
Kennelijk leenden deze mensen hun leesvoer ook uit - een vroege vorm van Boortmeerbeeks bibliotheekwezen - want een tovenaar uit Hever zou bij hen boeken gaan halen zijn - met Kerstmis nota bene, werd gezegd…
Laten we onszelf niets wijsmaken: mannen die boeken bezaten waren meer dan waarschijnlijk  tovenaars. En als het vrouwen waren, dan moeten het heksen zijn geweest, dat kan bijna niet anders. Zo was er in Boortmeerbeek een vrouw die veel - té veel - in boeken had zitten lezen en die als puntje bij paaltje kwam, en haar leven ten einde liep, niet kon sterven!  Nu waren het de wanhopige erfgenamen die er de dorpspastoor bijhaalden, om haar te overlezen - en jawel, ook deze keer raakte de dorpsherder verschrikkelijk bezweet…
Zou dat bij herhaling bezweet raken van die pastoor niet te maken hebben gehad - zit ik mij af te vragen - met de aanwezigheid van de duivel? Ik bedoel: dat er daardoor een stukje hitte van de hel in die huizen was komen te hangen? Het zou me niet verbazen.
Toen ik hoorde van die oude Boortmeerbeekse volksvertellingen over mensen die boeken bezaten (en over het wantrouwen waarmee hun tijdgenoten daar tegenaan keken), moest ik denken aan Heinke Snoek, over wie mijn moeder wel eens vertelde. Heinke woonde in de Beringstraat, net voorbij de gemeenteschool en de plaats waar de straat een wijde bocht maakt (gesteld dat men zich naar de Leuvensesteenweg toe begeeft). Mijn moeder, Maria Budts (1922-2009), was in haar kindertijd wel eens - samen met een nichtje - in het huis van Heinke Snoek geweest… 
"Ik weet nog heel goed dat er boven de schouw een geweer hing", schreef ze in 2001. "Hij had ook veel boeken en vertelde soms over vader Cats. Hij was zo een soort filosoof. Hij had een hof met veel fruitbomen, waar ook nog de ruïne van een huis naast stond. Wij mochten daar ook altijd gaan appelen en peren rapen...”.
Heinke Snoek heette in werkelijkheid Hendrik Dionisius Van Horenbeeck. Hij was geboren in 1845 en in mijn moeders kinderjaren dus al een bejaard man. Gehuwd was hij nooit geweest, maar vóór de Eerste Wereldoorlog moet hij in het huis aan de Beringstraat het gezelschap hebben gehad van zijn jongere zuster Maria Antonia Van Horenbeeck (°1849), die weduwe was, en van zijn eveneens ongehuwde, oudere broer, Leopold Van Horenbeeck (°1842), in de volksmond Polle Snoek geheten. Laatstgenoemde was dierenslachter. De Snoeken zouden anno 1911 vanuit Mechelen in Boortmeerbeek zijn beland.
Van de Boortmeerbeekse slager Felix Gijbels (1900-1993) leerde ik hoe Polle en Heinke Snoek aan hun toenaam waren gekomen: ze waren ooit betrapt op vissen zonder vergunning! Dat zal ze allicht een boete hebben opgeleverd, en alleszins het leedvermaak van lieden uit hun omgeving die het onzalige voorval in een bijnaam vereeuwigden.
Polle Snoek had (volgens Felix) het leven gelaten in 1914, toen hij de hevige gevechten gadesloeg die Belgische en Duitse soldaten in de omgeving van zijn huis leverden. Omdat op dat moment nagenoeg iedereen in de gemeente voor het oorlogsgeweld op de vlucht was geslagen, had Heinke Snoek zijn oudere broer zelf begraven, in de tuin van hun woning - en, zoals hij later op plechtige toon verklaarde: "met zijne kop naar het oosten".
Heinke Snoek moet aanvankelijk, net als zijn broer, slachter zijn geweest, maar hij had wat boeken over veeartsenij bestudeerd en was zodoende “expert-toeziener op dierenslachtingen” - zeg maar: vleeskeurder - geworden. Volgens beenhouwer Felix Gijbels oefende Heinke die taak bijzonder traag en grondig uit - en tot op zo’n hoge leeftijd dat Felix tenslotte letterlijk Heinkes hand moest vasthouden wanneer die zijn stempel op het vlees moest drukken.
Heinke Snoek overleed in 1938 in Mechelen. Het oude huis van de Snoeken werd gesloopt. Over wat er met Heinke Snoeks boeken is gebeurd kunnen we ons de vreselijkste voorstellingen maken. 

Foto: de Beringstraat ter hoogte van de Gemeentelijke Basisschool (vroeger Gemeentelijke Jongensschool), hier gezien in de richting van het dorp (dus met de Leuvensesteenweg in de rug), paasmaandag 9 april 2012, eigen foto. Op de plaats van het huis rechts moeten de woning en de tuin van Heinke Snoek hebben gelegen. Het woud aan verkeersborden en ander straatmeubilair in het midden van de foto heeft te maken met de school en haar parkeerplaats. Ik heb tevergeefs gezocht naar een oude prentbriefkaart met een afbeelding van de school, en in de hoop dat daarop ook een glimp van het huis van Heinke Snoek te zien zou zijn. 

Geraadpleegde bronnen…
Met betrekking tot de oude Boortmeerbeekse sagen: internet, website Vlaamse volksverhalenbank, www.volksverhalenbank.be, geraadpleegd maart 2012 (de samenvattingen van sagen die men op deze site aantreft, zijn, voor wat Boortmeerbeek betreft, kennelijk ontleend aan: A. VAN LOOY, Onderzoek naar sagenmotieven in de streek tussen Mechelen en Leuven (Brabantse Kempen), Leuven, 1964) ; internet, trefwoord sage in internet-encyclopedie Wikipedia, nl.wikipedia.org/, geraadpleegd maart 2012.
Met betrekking tot Heinke Snoek: schriftelijke aantekening van mijn moeder Maria Budts, 2001 ; artikel F. WOLLEBRANTS, De herinneringen van "Felix den beenhouwer", deel I: van kind tot beenhouwer, in: Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 5 (1991), nr. 1, blz. 17-27, met name blz. 23, 25 en 27 (gebaseerd op gesprek met Felix Gijbels in 1990) ; artikel G. WOUTERS, De bewoners van de Boortmeerbeekse Beringstraat tussen de twee wereldoorlogen, 1e vervolg, in: Heemkundige Kring Ravensteyn v.z.w. Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 11 (1997), nr. 3, blz. 120-128, met name blz. 125.