vrijdag 25 januari 2013

Simon Bening


Hout. Sinds ik vier jaar geleden met pensioen ben gegaan is het verwerken ervan één van mijn hoofdbezigheden geworden. In alle denkbare gedaanten heeft het zich bij mij aangediend. Van boomstammen tot twijgjes, en alles wat daar inzake boom- en struikgewas tussenin ligt... Vanuit de tuin van wijlen mijn ouders, vanuit de tuin van wijlen mijn grootouders, vanuit mijn eigen tuin… Als een soort gedenkplaat voor die vele uren hard labeur zet ik boven deze tekst een toepasselijke prent van één van mijn favoriete kunstenaars, de zestiende-eeuwer Simon Bening (ook wel Benninc of Bennick).
Vanuit mijn eigen beslommeringen in de houtverwerking valt het me niet moeilijk empathie op te brengen voor de twee mannen die hier aan het werk zijn. Een zestal bomen werden omgehakt of afgezaagd - de voeten en de wortels heeft men onaangeroerd gelaten (dat doe ik ook, het manueel uitgraven van de wortelpartij van een behoorlijke boom is onbegonnen werk). Eén van de mannen hakt de loten van de takken, de ander bindt de schoongemaakte takken samen in bussels. De hakkende man gebruikt een sikkelvormig kapmes.
Het gaat duidelijk om een winters tafereel: de mannen zijn stevig ingeduffeld, tot en met een hoofddeksel (onze voorouders wisten donders goed dat het grootste deel van onze lichaamswarmte ons verlaat via het hoofd). Ten behoeve van de schilder (zullen we zeggen) hebben ze zich kleurig uitgedost. Merk op: de man met de rode jas draagt een blauwe muts en blauwe kousen - de man met de blauwe jas heeft zich van rode accessoires voorzien.
Beiden lijken ze een zandkleurige rok te dragen, maar ik vermoed dat het eerder om een soort schort zal gaan. Om zijn takkenbos stevig vast te sjorren zet de man met de blauwe jas er zijn linkervoet op. Daardoor krijgen we enig zicht op… nu ja, onder de rok/de schort van deze kerel - een upskirt als het ware. En… euh… potverdorie nog es aan toe zeg… krijgen we daar warempel niet de edele delen van onze busselbinder te zien? (Even tussendoor: u kan de prent in een groter formaat bekijken door er op te klikken. Daarna één keer naast de afbeelding klikken om naar deze tekst terug te keren).
Droeg die man dan geen onderbroek… hoor ik mijn lezeressen al in opperste staat van ontzetting uitroepen! Kennelijk niet. Hebben we hier met een verschrikkelijke pervert te maken, of bestonden er in de 16de eeuw gewoonweg nog geen onderbroeken, laat staan slipjes of boxershorts?
Hm, de geschiedenis van het ondergoed is - bij gebrek aan voldoende bronnen - een heikele zaak (hier spreekt een gediplomeerd historicus). Het dragen van onderbroeken moet in de 16de eeuw al wel zijn voorgekomen - de blauwe kousen van onze kapmes-man links zouden bijvoorbeeld tot een kousenbroek, dus tot een soort onderbroek, kunnen behoren. Maar dat lang niet alle mannen zich - zelfs op een winterse dag - al tot de onderbroek hadden bekeerd, dat maakt onze prent zeer duidelijk. En de vrouwen, die in de regel toch altijd zoveel zediger zijn dan de mannen? Die trokken er zeker geen aan!  Vrouwen die wat voor broek dan ook droegen zijn enkel terug te vinden op spotprenten, om - geheel in overeenstemming met de bekende zegswijze - duidelijk te maken dat het manwijven betrof, die de baas speelden. Geen enkele vrouw wou in de echte wereld voor zo'n feeks worden aangezien.
Let u voor het overige ook eens op dat aardige landschapje waar Simon Bening zijn personages in neergezet heeft: een rivier met een zeilbootje, zachte heuvels en twee pittoreske huisjes. Hier en daar nog wat groen of bruin gebladerte, want de winter vreet niet alles kaal.
Simon Bening was een tijdgenoot van Michelangelo, Rafaël en Bruegel, maar zijn naam is bij het grote publiek zoveel minder bekend. Hij schilderde niet op panelen of doeken, niet op muren of zolderingen - maar in boeken. Bening was boekverluchter of miniaturist (dat laatste woord is een ingeburgerde maar eigenlijk niet zo'n geschikte term). Benings specialiteit was het illustreren van getijdenboeken - handschriften met gebeden voor elk moment van de dag en elke tijd van het jaar. Naast de verplichte, religieuze onderwerpen schilderde Bening - in de marge - vaak taferelen uit het dagelijks leven. Eén van zijn beroemde getijdenboeken is het Golfboek (ca. 1540), dat (nu) zo genoemd wordt omdat op één van de illustraties een vroeg voorbeeld van een partijtje golf te zien is!
In een tijd dat van de fotografie nog lang geen sprake was, legde Simon Bening het leven vast in een soort snapshots, waardoor het (deels) bewaard bleef, en wij nu, bijna vijfhonderd jaar later, een vrij precieze indruk krijgen van hoe de mensen en de dingen toen reilden en zeilden. Ik vind dat fascinerend.
Het schilderijtje dat boven deze tekst prijkt is amper 9,6 cm. breed en 5,6 cm. hoog. Het bevindt zich in het Paul Getty Museum in Los Angeles, waar het bekend staat onder de titel Gathering Twigs (weer een niet geheel accurate benaming want eigenlijk verzamelen de mannen geen twijgen maar takken - de figuur links hakt de twijgen net weg). Bening moet het geschilderd hebben rond 1550.
Simon Bening werd in 1483 of 1484 geboren in Gent, als zoon van de zelf ook al vermaarde boekillustrator Alexander Bening en van Catherina Van der Goes, die waarschijnlijk een nicht of een zus was van Hugo Van der Goes (een bekende naam bij de kunstliefhebbers, want één van de Vlaamse Primitieven - nog maar eens een ingeburgerde maar onhandige benaming).
Nadat hij zich in de werkplaats van zijn vader in de kunst van het illustreren had bekwaamd, verhuisde Simon rond 1500 naar Brugge, waar hij uitgroeide tot één van de meest gereputeerde artiesten van zijn tijd. Keizer Karel V, kroonprins Ferdinand van Portugal, kardinaal Albrecht van Brandenburg en tal van andere aristocratische slampampers behoorden tot zijn klantenkring.
Bij zijn eerste vrouw Catherina Scroo had Bening vijf dochters. Op zijn beurt maakte hij ze wegwijs in het ambacht dat hij van zijn vader had geleerd. Met succes, vooral waar het zijn oudste dochter Levina (Livinia) Bening betrof: die schopte het zowaar tot hofschilder van het Engelse koningshuis (ze werkte achtereenvolgens voor Hendrik VIII, Edward VI, Maria I en Elisabeth I - in die dagen zat er beduidend meer vaart in de Engelse troonopvolging dan in onze tijd). Levina Bening staat ook bekend als Levina Teerlinc, naar de naam van haar echtgenoot, met wie ze anno 1545 vanuit Blankenberge naar Engeland overstak.
Een andere dochter van Bening runde een groothandel in schilderijen, boeken, perkament en zijde, die was dus ook niet slecht terechtgekomen. Simon Bening blies zijn laatste adem uit in het Brugge van 1561.
Aanvankelijk voerde ik mijn houtverwerkende taken - net als de lieden in Benings tijd - geheel handmatig uit: met behulp van de grote en de kleine heggenschaar, de handzaag en de bijl. Het leek me niet verstandig de eerder onpraktische en onhandige mens die ik ben een gevaarlijk apparaat als de motorisch aangedreven kettingzaag in handen te geven - een arm of een been zijn gauw afgezaagd, met zo'n spul.
Bovendien had ik een nogal romantische kijk op de brandhoutproductie. En het is waar: het zeulen met houtblokken, het zagen en het kappen zijn zo'n aloude menselijke bezigheden, die je zo dicht bij de natuurlijke staat der dingen brengen, dat er onmiskenbaar een weldoende invloed van uitgaat op je gemoed. Je voelt je in een traditie en in de natuur staan.
Natuurlijk vereist het omzetten van te hoog opgeschoten bomen en struiken in brandhout zware fysieke inspanningen. Zoals de volkswijsheid zegt: aan hout verwarm je je tot tweemaal toe - een eerste keer bij het kappen en het zagen, een tweede keer bij het verbranden. Geen probleem: ik kon me lekker uitleven en ervaarde 's avonds een gezonde moeheid.
Maar een lange en geheel uit de kluiten gewassen coniferenhaag op louter manuele wijze klein krijgen, dat bleek toch ondoenlijk. Gelukkig kwam mijn vrouw, net op het moment dat mijn tomeloos en naïef starters-enthousiasme aan het omslaan was in ontmoediging, aanzetten met de alligator van Black en Decker: een elektrische snoeischaar waarbij de zaagtanden veilig in een soort bek zitten, en waar je takken tot wel tien centimeter dik moeiteloos de baas mee kan! Ik verzeker u: een uiterst nuttig apparaat. En geheel op mensenmaat, anders dan veel andere technische verworvenheden, die door hun schrikbarende proporties mijn afschuw opwekken (kijkt u bijvoorbeeld maar eens naar de monsterlijke wielen van landbouwvoertuigen: wat zijn de gevolgen als een mens daaronder terechtkomt, denkt u?).
De alligator dus, hij gaf me nieuwe moed en hield me aan boord van de houtnijverheid. Ik ga niet beweren dat hij mijn traditionele aversie voor techniek geheel en voorgoed naar de schroothoop der voorordelen heeft verwezen, maar toch… Ik moet toegeven: als ik mijn alligator hanteer - en ik meen te mogen zeggen dat ik daar inmiddels een behoorlijke bedrevenheid in verworven heb - dan ervaar ik bij mijn werk met de boom- en struikgewassen een wonderlijk en moeiteloos samenspel van traditie, natuur én techniek. En die houthakkers op het schilderijtje van Bening, daar heb ik mee te doen, want die moesten het toch maar zien te rooien zonder alligator. En één van hen zelfs zonder onderbroek.

Voornaamste geraadpleegde bronnen: internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige en Engelstalige versie), nl.wikipedia.org/, geraadpleegd januari 2013; website van The J. Paul Getty Museum (Los Angeles), www.getty.edu/, geraadpleegd januari 2013; website van The British Library, www.bl.uk/, geraadpleegd januari 2013.

Afbeelding dankbaar overgenomen van Wikimedia Commons en het Google Art Project.

vrijdag 18 januari 2013

Marcelino


Filmervaringen uit mijn jeugd…
Pas vanaf 1966 - het jaar waarin ik zeventien werd - ben ik systematisch gaan noteren naar welke films ik ging kijken. Vóór dat jaar strekt zich een woud van beeldbelevenissen uit waar ik enkel via mijn geheugen kan in doordringen. Het is onbegonnen werk er een chronologische ordening in aan te brengen. Daarom hanteer ik bij mijn verkenning een thematische aanpak: ik groepeer de films die ik mij herinner volgens hun genre: de tekenfilm, de religieuze film, de historische film, de avonturenfilm, de oorlogsfilm, de Vlaamse film en de muzikale film. Tot op zekere hoogte zit er in die thematische opsomming overigens toch ook iets van een chronologie: zo behoren de tekenfilms onmiskenbaar tot mijn allervroegste filmervaringen, en dient de muzikale film gesitueerd in mijn tienerjaren (want het ging om films voor teenagers, met in de hoofrollen figuren als Elvis Presley, Conny Froboess en Peter Kraus, Fabian…).
Over de wijze waarop in mijn ouderlijke heimat het cinemabezoek was georganiseerd, en over mijn tekenfilm-ervaringen heb ik op dit blog al geschreven: zie mijn artikel Cinema Cinex van 23 maart 2012! Deze tekst is het vervolg van dat eerdere blogbericht.
Tot mijn vroege contacten met het medium moet ik zeker drie films rekenen die ik het best als religieuze prenten kan bestempelen. De eerste twee waren in zwartwit, hetgeen ze een bijzonder expressieve kracht verleende, er ongetwijfeld toe bijdroeg dat ze op mijn jeugdig gemoed een sterke indruk maakten, en… dat ik ze vooral als griezelig ervaarde.
Het ging allereerst om een film over pater Damiaan die ik als kind voorgeschoteld kreeg in de Gildezaal, de parochiezaal van mijn woonplaats (Boortmeerbeek) - toen een lekker ouderwets zaaltje dat in de volksmond het patronaat werd genoemd. Ging ik in schoolverband naar die Damiaan-film kijken, of werd hij vertoond op de vrije donderdagnamiddag en was er in de school reclame voor gemaakt? In elk geval herinner ik me dat de zaal afgeladen vol zat met kinderen.
Om welke film ging het? Het is altijd boeiend om de vage inhouden van je geheugen te confronteren met de precieze informatie van de naslagwerken en het internet. Voor wat de Vlaamse film betreft doe ik dat graag aan de hand van het Naslagwerk over de Vlaamse film van P. Geens en A. Vandenbunder (want André Vandenbunder, 1918-2002, was in de vroege jaren zeventig één van mijn docenten aan het RITCS - en hij was een bescheiden en verstandig man). Voor wat het internationale cinematografisch universum betreft beschikken we heden ten dage uiteraard over de onvolprezen Internet Movie Database.
De Damiaan-film uit mijn kinderjaren moet De pelgrim der verdoemden (Le pélerin de l’enfer) zijn geweest, een Belgisch product uit 1946, vervaardigd door de Franse cineast Henri Schneider, met Robert Lussac in de rol van pater Damiaan. Kennelijk had Lussac ook het scenario geschreven en had Schneider de medewerking gekregen van de Vlaamse cineast Henri Storck (vooral bekend door zijn documentaires).
Van die film is mij een scène bijgebleven die - het zal de finale van het verhaal zijn geweest - een soort ten-hemel-opneming van pater Damiaan in beeld bracht: volgens het naslagwerk van Geens en Vandenbunder eindigde de prent inderdaad met “een volk van schimmen die in triomfantelijke stoet pater Damiaan naar de onsterfelijkheid leiden”!
Natuurlijk maakte ook de voorstelling van de aan melaatsheid lijdende missionaris indruk. Het échte beeld van de door lepra aangetaste Damiaan - en nog wat andere akeligheden, zoals de kist waarin zijn stoffelijk overschot in 1936 vanuit Hawaï terug naar België was gebracht - kreeg ik in mijn kinderjaren te zien in zijn ook toen al als museum ingerichte geboortehuis in Tremelo - een dorp niet ver van mijn (toenmalige en huidige) woonplaats. Het moet met onze onderwijzer van het derde (of het vierde) leerjaar zijn geweest dat we er met onze klas naar toe fietsten.
Ik moet bekennen dat heel de Damiaan-devotie in mijn gevoelswereld altijd een muffe, macabare tint heeft gehad. Het begint al met het decor, dat melaatsen-ghetto Molokai. Eén van de Hawaïaanse eilanden. Hawaï… dan denk je aan zonneschijn, aan Aloha (wat dat dan ook mag zijn), aan Hoela-dansende meisjes, aan Elvis' Blue Hawaï-film (met prachtige liedjes)… Maar neen, Molokai (of alleszins het gedeelte waar men de melaatsen had afgezonderd) blijkt een kale, rotsachtige bedoening, waar het altijd regent.
Dat beeld van een sombere, druilerige plek moet ik in die Damiaan-film van Schneider en Lussac hebben opgedaan. Eerder hadden wij - al in de kleuterschool - te horen gekregen dat die melaatsen in de warme landen leefden. Een mededeling die bij mij zo haar vragen had opgeroepen, want ongeveer tegelijkertijd hadden we de opdracht gekregen om op een plankje met nagels sjaals voor de melaatsen te breien! Ten eerste had ik een hartsgrondige hekel aan breien - dat was iets voor meisjes. En ten tweede: wat kon men in warme landen nu in 's hemelsnaam met sjaals aanvangen?
Het mysterie raakte opgelost toen ik - wat later - te horen kreeg dat in het ergste stadium van de melaatsheid de huid en zelfs het vlees van de botten loskomen! Toen begreep ik waarom wij dat vreselijke breiwerk hadden moeten verrichten: met die door ons geproduceerde sjaals kon men de armen en benen van de melaatsen omzwachtelen, en zodoende beletten dat deze arme lieden ontvleesd zouden raken! Ja, het is waarlijk niet makkelijk om als kind een beetje vat op de werkelijkheid te krijgen…
De tweede zwartwit film met-zwaar-religieuze-inslag die ik in mijn kinderjaren te zien kreeg en die - zij het opnieuw in griezelige zin - tot mijn verbeelding sprak was Marcelino. Voluit: Marcelino Pan y Vino, het verhaal van een weesjongetje dat als baby door monniken werd gevonden en liefdevol in hun klooster opgevoed.  Het ging om een Spaanse film van Ladislao Vajda, geproduceerd in 1955, met de kleine Pablito Calvo in de hoofdrol.
Die Pablito Calvo (hij heette eigenlijk Pablo Calvo Hidalgo) was slechts één jaar ouder dan ik, zo ontdek ik nu in de Wikipedia (hij was geboren in 1948). Na het grote succes van de Marcelino-film - in Spanje maar ook internationaal - acteerde het kindsterretje Calvo in nog vijf andere producties. Op 16-jarige leeftijd hield hij de filmwereld voor bekeken: hij werd industrieel ingenieur, werkte in de toeristische sector en als verkoper van vastgoed.  En al op 1 februari 2000 verwisselde hij het tijdelijke met het eeuwige.
Wat mij (vóór ik mijn filmverleden nader ben gaan bestuderen) van de Marcelino-prent bijgebleven was… niet meer dan: hoe de kleine jongen op de zolder van het klooster oog in oog kwam te staan met een groot kruisbeeld (zie het screenshot boven deze tekst)… en vervolgens te maken kreeg met een heus mirakel…
Toen ik de film (gedeeltelijk) opnieuw bekeek - hij staat op You Tube - ontdekte ik met enige verwondering dat de kop van de gekruisigde Christus volop in beeld wordt gebracht, en dat het wonder niet enkel wordt gesuggereerd, maar de aanvang ervan ook concreet wordt getoond… Vreemd dat ik mij niet deze, nochtans zeer hallucinante shots herinnerde, maar wel de opname waarin het beeld van de gekruisigde slechts als een vaag bolwerk van geheimzinnigheid present is (zie de foto).
Werkt de wazige aanwezigheid niet sterker in op ons bewustzijn - op ons gevoel, op onze angst - dan de duidelijke? Treft vooral ook in transcendente aangelegenheden het mistige en duistere ons niet veel sterker dan het scherp omlijnde en het helder belichte? (Voor het overige kan ik van het transcendente enkel zeggen dat ik geen ernstige aanwijzing zie om aan te nemen dat het bestaat).
Marcelino zag ik op een zondagnamiddag, met mijn ouders, in een Mechelse bioscoop - ik denk dat het de Cinex was, de zaal waar ik in mijn gelijknamig blokstuk uitvoerig over geschreven heb.
En dan kwamen de kleuren… Hollywood-kleuren!  De Tien Geboden, The Ten Commandments, van Cecil B. DeMille (ja, zijn naam wordt zo geschreven). Uit 1956. De gewijde geschiedenis in technicolor, met speciale effecten, met massa-scènes… een superproductie die drie-en-een-half duurde (een gewone speelfilm doet er negentig minuten over). Het bijbelse Mozes-verhaal met Charlton Heston in de rol van Mozes en Yul Brynner (de beroemdste kaalkop uit de filmgeschiedenis) als de farao.
Naar de Tien Geboden-film ben ik gaan kijken in de Boortmeerbeekse bioscoop Cinema Flora, samen met mijn moeder.  Ik denk dat het de enige keer was dat ik in onze dorpscinema naar de film ben geweest (voor het overige mocht ik er een paar keren van de Kees Brug-show genieten en heb ik er ook eens een jeugdnamiddag bijgewoond van Pum-Pum, de wekelijkse kinderbijlage van de krant Het Laatste Nieuws).
Wat me van De Tien Geboden (voor ik de film in recente tijden - fragmentair - terugzag) vooral was bijgebleven was een proloog, waarin producent en regisseur Cecil B. DeMille (1881-1959) op het witte doek zijn film inleidde, wat natuurlijk erg ongewoon was. Het geheugen - zo blijkt - heeft niet enkel een bijzondere gevoeligheid voor het geheimzinnige, maar, in bredere zin, voor alles wat ongewoon is.
Het vreemde is dat in de Tien Geboden-versie die op You Tube staat (noch in deze die onlangs op de televisie te zien was), die inleiding die me zo was bijgebleven, niet te bespeuren viel. Op You Tube vond ik ze wél, maar dan als een afzonderlijk filmpje, dat blijkbaar als een aankondiging van de film - zeg maar: een lang uitgevallen trailer - had gefungeerd. Terwijl ik mij toch danig goed herinnerde die (overigens héél didactische) uiteenzetting van Cecil B. DeMille net voor, en in één geheel met, De Tien Geboden te hebben gezien. 
Natuurlijk zat in mijn geheugen ook de beroemde scène waarin de watermassa's van de Rode Zee, op bevel van Mozes, aan de kant gingen en het Joodse volk vrij baan gaven, om zich meteen daarna opnieuw te sluiten en zodoende het Egyptische leger te verzwelgen! Van special effects gesproken: dat was er één!
Andere taferelen die in mijn geest stonden gegrifd waren deze waarin de dochter van de farao de kleine Mozes aantrof in een mandje tussen het riet, deze van het brandende braambos, en natuurlijk die waarin God de tien geboden “schreef”.
Het zijn scènes waarvan ik vermoed dat ze voor veel van mijn generatiegenoten - we waren kind in de jaren vijftig en zestig - bekend terrein zijn, want The Ten Commandments zijn voor de zestigers van nu wat voor onze ouders Gone with the Wind en De Witte waren: een film die iedereen heeft gezien, waar iedereen herinneringen aan heeft.
Bij een volgende gelegenheid zet ik mijn tocht doorheen de vroege regionen van mijn filmbeleving voort…

vrijdag 11 januari 2013

Zwitserland


Mijn eerste kennismaking met Zwitserland verliep via de Schweizer Photo-Almanach, vrij luxueuze kalender-agenda's die mijn moeder van op haar bureau - het waren relatiegeschenken - in mijn kinderjaren voor mij meebracht. Ik heb nog die van 1960 en die van 1961 - en een pakketje losse foto's die ik uit een derde exemplaar moet hebben geknipt.
Er stonden prachtige foto's in die Schweizer Photo-Almanach-en! Uiteraard veel winterse taferelen, schilderachtig, sfeervol. Op papier - want waar het de werkelijkheid betreft ben ik niet zo'n liefhebber van sneeuw en ijs. Ja, neerdwarrelende vlokjes en een sneeuwtapijt op Kerstavond, dat weet ik best te waarderen, dat is zeker heel bijzonder, dan beleef je echt een wonderlijke, heilige nacht. Maar te lang moet dat sneeuwtapijt voor mij toch niet blijven liggen. In januari of februari hoef ik het zelfs helemaal niet.
En een skivakantie? Ooit wel ondernomen. Het skiën was best leuk. Maar dan wil je, na enkele dagen op de latten, toch ook eens gewoon gaan stappen, dat is toch nog iets anders dan dat glijden - more basic voor je voeten. En dan blijken er in de winterse bergen toch niet veel wandelroutes begaanbaar: al gauw zak je tot aan je enkels of je knieën in de sneeuw. En 's middags in het hotel: al die skiërs met hun thermische ondergoed… ongedouched gauw even wat eten, want snel weer naar de pistes… dat zorgde toch maar voor een zweterig, bedompt sfeertje.
Vond ik, maar vanzelfsprekend mag u daar geheel anders over denken. "Het is het persoonlijke of juist het gespecialiseerde karakter dat weblogs interessant maakt voor bezoekers" zegt de Wikipedia-encyclopedie. Voilà, that's it, ik lever hier mijn meest individuele expressie van mijn meest individuele emotie af - of iets daaromtrent. En u knikt instemmend, of schudt meewarig het hoofd. Het eerste vind ik fijn, het tweede stoort mij geenszins. Het is het goed recht van de lezer.
Mijn sterkste herkennings-ervaring bij het na zovele jaren opnieuw doorbladeren van de Schweizer Photo-Almanach-en van 1960 en 1961 had ik bij de foto van de Bärenbrunnen und Zeitglockenturm van Bern, die ik boven dit artikel heb gezet. Merk op: rechts, de ringbinding van de agenda (de Spiralbindung heet dat in het Duits).
Vreemd eigenlijk, dat juist dit beeld van de Altstadt van Bern zo sterk in mijn geheugen zat. Want ik ben een mens van de natuur, niet van de stad. Goed, een klein, overzichtelijk, gemütlich stadje, dat is prima, maar te groot moet het toch echt niet worden. Zou dit beeld van Bern mij misschien bijgebleven zijn omdat het één van de weinige stadsgezichten is die in mijn Schweizer Photo-Almanach-en voorkomen - een wat vreemde eend in een bijt van bergen, bomen, bloemen, meren, pittoreske dorpskerkjes? Zou best kunnen.
Omdat ik in mijn blog naast mijn intieme overwegingen ook graag wat concrete informatie ten beste geef - ik streef naar een mix van de twee - stip ik nu even aan dat de Schweizer Photo-Almanach uitgegeven werd door de firma Beringer en Pampaluchi, destijds gevestigd in Zürich, nu in Aarau. Want ja, het bedrijf bestaat nog steeds, en wat meer is: het geeft nog steeds elk jaar zijn Schweizer Foto-Almanach uit! Dankzij het internet kom je zoiets in twee muisklikken te weten.
Sinds mijn kinderlijke kennismaking met Zwitserland via de Schweizer Photo-Almanach, en vooral sinds ik het land in 1975 voor het eerst bereisd heb, is het aan tussen mij en de ruwe Zwitserse bergen, de zachte groene valleien, de ijsheldere bergbeekjes… en dit alles graag bedekt met een hart en leden verwarmende zonneschijn. Wat is het heerlijk stappen in zo'n paradijselijk landschap! 
Een mooi, aangenaam land is het, Zwitserland. Maar hoe de Zwitsers zijn? Ik zou het niet weten. Hoewel ik in de loop der jaren een aantal keren in hun kantons gereisd en verbleven heb, kan ik me niet herinneren dat ik één van hen nader leren kennen heb. In Engeland maak je kennis met Engelsen, in Duitsland met Duitsers, in Afrika met Afrikanen… Maar in Zwitserland? Andere reizigers, andere toeristen: ja, die ontmoet je à volonté. Maar Zwitsers? Ze lijken onzichtbaar. Is het verregaande gereserveerdheid van hun kant? Desinteresse? Afkeer van het toeristenvolk? (Waar - laat ik het zeggen zoals het is - soms zeer onbeschaafde lieden tussen zitten. Hoewel dat in Zwitserland nogal meevalt, er zijn wat dit betreft natuurlijk véél ergere plaatsen in de wereld).
Waar zitten ze toch, die Zwitsers? In hun achterkamers of in hun bankkantoren het vele geld te tellen dat hun bezoekers binnenbrengen? Zelfs het meisje aan de hotelbalie is - daar kan je donder op zeggen - een Française, of een Hollandse, of a British girl…
Eén keer - schiet me nu te binnen - heb ik, in een hotelletje in de schaduw van de Jungfrau, eens enige conversatie met een Zwitserse Fräulein gevoerd, die niks beters wist te verzinnen dan het toen ook al overjaarse grapje dat de Jungfrau bestiegt was geworden, en dus eigenlijk keine Jungfrau meer was.
Met het constateren van hun afwezigheid wil overigens geen kwaad woord van de Zwitsers gezegd zijn. Ik denk dat ze hun land prima op orde hebben. Mocht ik - de goden en het noodlot verhoeden het - ooit het slachtoffer worden van een ongeval en bij de noodhulp terechtkomen… dan bij voorkeur in een land als Zwitserland, Duitsland of Oostenrijk (liever dan in: … vult u zelf maar in, minstens negentig percent van de rest van de wereld komt in aanmerking).
Ja, Zwitserland is zo uitstekend georganiseerd, dat je het niet merkt - en dat de organisatoren zelf zich geheel in de coulissen kunnen terugtrekken, wat ze dan ook doen. De Zwitsers zijn niet enkel gereputeerde uurwerkmakers, het zijn ook grands horlogiers (in de zin zoals Rousseau dat zegde van God): heel hun land hebben ze als een hoogwaardige klok in elkaar gevezen… de veer opgewonden, en hop… laat nu maar draaien de hele boel… de radertjes passen perfect in mekaar, geen omkijken meer naar het volmaakt functionerende geheel… Dààrom zie je dus geen Zwitsers in Zwitserland (bij wijze van spreken - ik weet het, ik overdrijf, maar toch slechts een beetje).
Tussen haakjes. Onlangs kwam ik er op uit dat er warempel zoiets bestaat als de Jungfrau-marathon.  De Jungfrau is een prachtige berg, ik heb er ooit op gewanderd, op zijn lagere regionen natuurlijk, ver van de top. En ja, ik ben ooit ook - met vrouw en kinderen - op het Jungfraujoch geweest, via de tandradspoorbaan - duur, maar een bijzondere belevenis. Die Jungfrau-marathon… als ik daar nu eens het hoofddoel van mijn verdere joggersleven van maakte, schoot mij spontaan te binnen. Deelnemen aan de Jungfrau-marathon… De Jungfrau-marathon… uitlopen? Dat zou wat zijn! Maar zouden zevenenvijftigsterangs-lopers als ik daar wel in toegelaten worden, vroeg ik mij vervolgens (bezorgd) af - is dat niet louter iets voor de die-hards, voor de professionals van het joggingwereldje?
Tot slot: een kleine vooruitblik…Ik had gedacht… om - bij leven en welzijn - van Zwitserland zo'n beetje mijn blog-thema van 2013 te maken, zoals Conscience dat in 2012 was. Overigens gaan wij de Grote Vlaamse Schrijver van de negentiende eeuw niet vergeten, want… ook hij maakte in zijn tijd al een reis naar Zwitserland. Jawel! Ik durf zelfs wedden dat Max Rapelings en Herman Van Borgstal, de personages die in Consciences roman Levenslust uit 1868 vreemde avonturen in Zwitserland beleefden, dezelfde reisroute als hun geestelijke vader aflegden!
Op vlak van schrijvers kan ik natuurlijk ook uitpakken met mijn andere favorieten: Goethe, die overal en dus ook in Zwitserland is geweest (in het mij zeer vertrouwde plaatsje Lauterbrunnen schreef hij zijn beroemde Gesang der Geister über den Wassern - een ode aan de Staubbach-waterval) en Thomas Mann, van wie de Zauberberg aardrijkskundig gesproken in het Zwitserse Davos lag. Inzake beeldende kunst voel ik mij dan weer geroepen om eens iets te zeggen over werkjes van de Zwitserse schilders Jean-Etienne Liotard en Albert Anker.
Mijn vaders suikertante Marie Vandenbossche reisde in de herfst van 1934 naar Zwitserland - ze stuurde heerlijke ansichtkaarten naar hem -  en aan mijn eigen Zwitserse reizen en verblijven kan ik vanzelfsprekend ook herinneringen ophalen…  Ja, ik zie het wel zitten om dit jaar af en toe een Zwitserlandje te doen. 

Foto: Bern, Bärenbrunnen und Zeitglockenturm, in de Schweizer Photo-Almanach van 1960, met toestemming van de uitgeverij Beringer & Pampaluchi AG, Aarau, Zwitserland.

vrijdag 4 januari 2013

Driekoningen


Ook dit jaar weer heb ik ze naast onze kerststal gezet: de drie koningen (zie foto). Tot de 6de januari horen ze immers niet in het stalletje thuis, maar zijn ze onderweg, nog niet gearriveerd. Pas op de 6de januari mogen ze hun plaats bij het kribbeke-met-het-kindje-Jezus innemen, hun geschenken (goud, wierook en mirre) overhandigen, en zich koesteren in de warmte van de os en de ezel.
Ons familiale "stalleke" werd in mijn allervroegste kinderjaren (misschien zelfs nog vóór mijn geboorte - alleszins vóór aanvang van mijn geheugen) door mijn vader vervaardigd, en de bijhorende figuurtjes in gips moeten ook in die tijd zijn aangekocht. Ze zijn erg gekneusd, want ik heb er in mijn kinderjaren soms zeer intens mee gespeeld - maar vormen aldus een mooie metafoor voor de oudere mens: ook die is gehavend omdat het leven en de wereld er meedogenloos hun gang mee zijn gegaan.
Een detail dat wat haaks staat op het onderweg-zijn, is dat één van onze drie koningen al op zijn knieën is gevallen - niet erg handig als je nog een zekere afstand af te leggen hebt. Maar laten we ons daar niet druk om maken - altijd schiet de werkelijke staat der dingen te kort ten opzichte van de verbeelding.
Om "iets van" de sfeer van het Driekoningenfeest-van-weleer op te roepen, doe ik een beroep op een oud boek, uit de collectie kinderboeken van mijn vader: Oude Vlaamsche Volksvermaken van Jacob Stinissen, op de markt gebracht in 1928 door de Antwerpse uitgever L. Opdebeek.
Dat het boek teruggaat tot de jeugdjaren van mijn vader wordt bewezen door het feit dat die het op ettelijke plaatsen van zijn naamstempel heeft voorzien: hij moet als kind over een (speelgoed) "drukkerij" hebben beschikt, net als ik later (losse rubberen letters waar je in een houten zethaakje - een letterhouder - woordjes kon mee vormen).
Misschien had mijn vader het boek van Stinissen ooit op school, als "prijsboek" gekregen? Jacob Stinissen (1847-1913) was alleszins een "pedagogisch verantwoord" auteur. Hij was geboren in het Limburgse Peer en studeerde voor onderwijzer aan de Rijksnormaalschool van Lier. Zijn lange onderwijscarrière voerde hem naar Maaseik, Dudzele, Zuienkerke, Kortrijk en Borgerhout, en naar het ambt van schoolopziener (inspecteur). Zijn vele geschriften situeren zich voor het overgrote deel in de sfeer van opvoeding en onderwijs.
Stinissen overleed in oktober 1913. De tekst van de Oude Vlaamsche Volksvermaken moet dus een aantal jaren ouder zijn dan het jaar (1928) waaruit het boek dateert.
"Driekoningen, een der oudste feesten in de Christene wereld, wordt gevierd den 6en Januari", schrijft Stinissen. "Deze feestviering geschiedt naar aanleiding van de dichterlijke overlevering, die zegt, dat Gaspar, Melchior en Balthazar, drie Wijzen of Magiërs, ook wel Koningen genoemd, uit het Oosten kwamen naar Bethleëm, om er het Christuskind te aanbidden, dat aldaar den 25 December werd geboren. Een sterre, die een ongemeen helderen glans verspreidde, had hen getroffen en geleidde hen, op de verre reis, naar de wondere plek, waarboven zij bleef stille staan".
Een ster als global positioning system (gps - voor mijn Nederlandse lezers: de TomTom): niet slecht bedacht van onze voorouders!
Geleid door het wonder hemellicht, kwamen de drie reizigers uit het Oosten ter bestemming. Zij "vielen op de knieën voor den kleinen Jezus, en brachten Hem geschenken toe. Gaspard vereerde Hem met goud; Melchior offerde wierook en Balthazar droeg Hem mirre op; alzoo willende beduiden en erkennen, leert de legende, dat de nieuwgeborene tevens Koning, God en Mensch was".
Hoe verging het de drie koningen na hun Bethlehem-reis, zal u willen weten. Verbazend gewoon eigenlijk. "Volgens de overlevering", aldus Stinissen, "kwamen de Koningen terug in hun vaderland, alwaar zij hun zeer belangwekkende reis omstandig verhaalden, en alwaar zij later rustig zijn gestorven".
Helaas kon men ook toen al de mensen niet ongestoord van de eeuwigheid laten genieten… "Na een heel langen tijd in hunne graven te hebben gesluimerd, moesten zij weer op reis. Hun stoffelijke overblijfselen werden door Keizerin Helena te Constantinopel in eene Kerk geplaatst. Later werden deze achtereenvolgens van Constantinopel naar Milaan, en van daar naar de Domkerk van Keulen overgebracht, alwaar ze thans nog berusten".
In lang vervlogen tijden moet Driekoningen in onze streken een stevig feest zijn geweest. Stinissen: "In de kerkelijke taal wordt het Driekoningenfeest Epiphanie genoemd, dat veropenbaring beteekent. In Vlaanderen is het bekend onder benaming van Dertiendag of Dertiennacht, d.i. dertiende dag of nacht na de geboorte van den Heiland. Voordezen was Driekoningen de laatste dag van de Kerstmisfeesten, alstoen in ons land, aan den huiselijken haard, gezellig en hartelijk gevierd; maar het gaf weleens aanleiding tot bovenmatig lekker eten en drinken.
Dan werd de Driekoningenkoek opgediend, en de dischgenoot, die in zijn aandeel de boon vond, werd als Koning uitgeroepen. Heel het gezelschap stond dan onder zijne bevelen, die niet streng waren, maar integendeel, meestal zeer aangenaam om na te komen. Terwijl de tafelvorst den beker ledigde tot den bodem, klonk het uit aller mond, luid en rond: De Koning drinkt! Aan zo'n festijn herinnert Jacob Jordaens, in realistischen trant, op een zijner meest gewaardeerde schilderstukken, met het opschrift: In een vrij gelag / Is 't goed gast te zijn".
Het schilderij De koning drinkt van de zeventiende-eeuwse Antwerpse schilder Jacob Jordaens was in mijn jeugd erg populair bij de producenten van kalenders en koekendozen. Het hangt in het Museum voor Oude Kunst in Brussel (onderdeel van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België). In de dagen dat ik vrij vaak in Brussel kwam, de toegang tot de nationale musea nog kosteloos was en ik er al eens een middagpauze zoek maakte, heb ik het meermaals kunnen aanschouwen - net als de naakte billen van Pomona, die zo prominent aanwezig zijn op Jordaens' Allegorie van de vruchtbaarheid. (Tussen haakjes: in de digitale catalogus van de Koninklijke Musea zal u tevergeefs zoeken naar het werk van ene Jacob Jordaens - om bij het oeuvre van de beroemde Antwerpse schilder terecht te komen moet u Jacques Jordaens intikken!).
Terug naar Stinissen. Al in zijn tijd was het Driekoningenfeest niet meer wat het geweest was… "Het Driekoningenfeest is thans bijna overal verdwenen en vergeten. Een flauw beeld van het 'boontrekken' kan ik mij nog in het geheugen roepen. In mijn eerste kinderjaren, bakte moeder zaliger, op dien dag, een grooten pannenkoek, waarin ergens een witte boon was verborgen. De koek werd in zooveel gelijke stukken gesneden, als er dischgenooten waren. Wie nu de boon trof, in het stuk, dat hem ten deele viel, was Koning, en mocht zich een Koningin uitkiezen, die dan aan zijne zijde plaats nam. Van daar, dat men nog wel eens hoort: 'hij heeft de boon van den koek gekregen', voor, hij is gelukkig geweest.
Op sommige plaatsen van ons land, bestaat het gebruik nog, op Driekoningendag, 's avonds rond te gaan met een groote, van bordpapier vervaardigde ster, waarin een oortjeskaarsje brandt. Men doet die sterre draaien op een spil, die aan het boveneinde van eenen stok is vastgemaakt, en zingt daarbij, op eenvoudigen slependen toon, het volgende lied, dat eenigszins verschilt van streek tot streek: Wij komen getreden, met onze sterre; / We zoeken Heer Jezus, wij hadden Hem Geerne (…). Maar bij deze gelegenheid, komt het weeral op aan, een fooitje los te krijgen; en is dat in den zak, dan trekt men verder, om de sterre te doen draaien en hetzelfde liedje te herhalen", aldus Stinissen.
Dit driekoningen-zingen kennen de ouderen onder ons allicht uit het toneelstuk En waar de sterre bleef stille staan (1924) van Felix Timmermans en Edward Veterman. Daar zijn het drie arme schooiers die op pad gaan.
In mijn jeugd - de jaren vijftig, de vroege jaren zestig - was het driekoningen-zingen in de dagen vóór en op de 6de januari een zaak van kinderen geworden. Idealiter trokken ze in groepjes van drie langs de huizen - maar men zag ook driekoningen-duo's en zelfs driekoningen-eenzaten. Idealiter droeg men een mooie, van hout en karton vervaardigde ster bij zich, die men via een touwtje liet draaien, maar er waren ook koningen die van een zeer rudimentaire of zelfs van helemaal geen ster voorzien waren. Idealiter was men kleurrijk uitgedost, maar er waren ook koningen die niet meer dan een versleten deken om het lijf of een keukenhanddoek op het hoofd hadden. Wat zelden of nooit ontbrak was "de zwarte koning", want inderdaad, Balthasar, de man die het goedkope mirre met zich droeg, was volgens de traditie van Afrikaanse origine, en een jongensgezicht met kachelroet bewerken kostte al evenmin iets.
Dat de zingende koningen uit mijn jeugd er veelal sjofel bijliepen, had hiermee te maken: dat het, misschien niet uitsluitend, maar toch hoofdzakelijk, om arme kinderen ging. En dat kwam dan weer door het feit dat er bij Driekoningen - in tegenstelling tot bij het koeken-zingen op oudejaarsdag, waar omzeggens àlle kinderen aan deelnamen - niet om snoep werd gezongen, maar om geld. Die pecunaire context komt om het hoekje kijken in het liedje dat de driekoningen-zangers in ons dorp ten beste gaven: "Driekoningen, Driekoningen, geeft mij ne nieuwen hoed / Den ouwe is verslete / Ons moeder mag het niet wete / Ons vader heeft het geld / Op de rooster geteld".
Bij het koeken-zingen was ik ieder jaar van de partij - mijn ouders vonden het een sympathieke traditie. Maar mijn plannen om te gaan driekoningen-zingen stuitten steevast op een niet-onderhandelbaar ouderlijk veto. Het driekoningen-zingen werd gezien als een verhulde vorm van bedelen. Een kind uit een deftig, burgerlijk gezin deed dat niet.

J. STINISSEN, Oude Vlaamsche volksvermaken, uitgeverij L. Opdebeek, Antwerpen, 1928.
Andere geraadpleegde bronnen: trefwoord Stinissen (Jacob), in J.G. FREDERIKS en F.J. VAN DEN BRANDEN, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde, Amsterdam, 1888-1891, via internet, website Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (dbnl), www.dbnl.org/, geraadpleegd december 2012; internet, website Schoonselhof (kerkhof Berchem), www.schoonselhof.be/2bberchem/, geraadpleegd december 2012.

Over feesten die het jaar en ons leven kleur geven schreef ik eerder al de blogstukjes Lentefeest (22 april 2011) en Winterfeesten (16 december 2011).

vrijdag 28 december 2012

De familie Snoek


De kerstvakantie, de gezegende dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar… dat is toch echt wel de tijd om de tekenverhalen van vroeger weer eens boven te halen.
Er gaan maar weinig jaren voorbij zonder dat ik in die donkere dagen niet een pakketje oude albums uit mijn archief opdiep. Het is één van die zelf ingestelde tradities waarmee ik probeer een zekere continuïteit en dus enig houvast in mijn leven te handhaven. Een aantal originele stripalbums uit mijn kinderjaren - de beste nog wel - kan ik helaas niet meer voor de dag halen: ik ben ze domweg kwijtgespeeld (zie mijn blogbericht Marc Sleen van 26 augustus 2011). Dat is de pijnlijke kant van deze traditie. Geen rozen zonder doornen.
Tekenverhalen - de oude nog meer dan de nieuwere - dragen bij tot wat in onze ontchristelijkte tijd het wezenlijke van de kerstdagen is geworden: de huiselijke gezelligheid. Ze horen bij de kerstboom en het stalleke. Terloops: ik spreek liever van tekenverhalen dan van strips. Het woord strip is zo kort, klinkt al te vlot, te goedkoop - een woord als tekenverhaal doet mijns inziens meer recht aan de artistieke waarde van het gebodene en aan het harde werk van zijn schepper. En het maakt ook duidelijk dat het niet enkel gaat om een vorm van tekenkunst, maar ook om het verzinnen van boeiende verhalen.
De Lustige Kapoentjes, Bolleke en Piet Fluwijn, Octaaf Keunink, en natuurlijk Nero en zijn bonte compagnie…  trouwe lezers van dit blog weten het: ik ben een Marc Sleen-fan, al van in mijn kinderjaren, en nog steeds (zie andermaal mijn blogtekst Marc Sleen van 26 augustus 2011). Wat ik hier vorige week schreef over de films van Laurel en Hardy geldt ook voor het oeuvre van Marc Sleen: het was bedoeld als amusement, maar onverhoeds sloop het geniale er in, en maakte het tot kunst, tot grote kunst. Dat wordt nog te weinig ingezien en erkend (hoezeer Sleen ook al gevierd, gelauwerd, geridderd en verereburgerd werd - museum en standbeelden voor zijn helden inbegrepen). Marc Sleen is niet enkel een bedreven tekenaar, voor mij is hij in de eerste plaats een geniaal verteller van verhalen.
Uiteraard zijn er twee grote artiesten die na de Tweede Wererldoorlog het Vlaamse tekenverhaal hebben uitgevonden: Marc Sleen en Willy Vandersteen. Het werk van Vandersteen sprak mij als kind minder aan dan dat van Sleen. Vanzelfsprekend heb ik ook Suskes en Wiskes gelezen. Enkele wisten me tot op zekere hoogte te boeien: Het eiland Amoras, De koning drinkt, De stalen bloempot, De ijzeren schelvis.
Over het algemeen vond ik de eerste twee à drie bladzijden van een Suske en Wiske-verhaal best leuk: daarin bewogen de figuren zich nog in hun dagdagelijkse omgeving. Maar vanaf het ogenblik dat de handeling zich verplaatste naar één of andere exotische of unheimische locatie, verloor ze voor mij veel van haar charme.
Op elke regel is er (minstens) één uitzondering natuurlijk. Er is één reeks van Willy Vandersteen waar ik wél veel jeugdig plezier aan heb beleefd, en dat is De familie Snoek. In de late jaren vijftig en/of de vroege jaren zestig werd ik - waarschijnlijk via de Sint en/of ter gelegenheid van Kerstmis of Nieuwjaar - door mijn ouders met de Familie Snoek-verzamelalbums bedacht.
"Ergens" in de diepere lagen van mijn bewustzijn liggen die Familie Snoek-verhalen - het gaat om afzonderlijke gags of grappen van telkens één bladzijde - verankerd in de sfeer van de woonkamer van mijn ouderlijk huis tijdens de kerstvakantie.
De continu zorgde voor een behaaglijke warmte. Zo'n continu was een steenkolenkachel, waarin je via raampjes aan de voorzijde het vuur zag branden. Het Vlaams Woordenboek spreekt van een feu continu en geeft deze beschrijving: "Zwarte kachel met ronde boog waarop juist nog een keteltje water verwarmd kon worden. Surdiac was een bekend merk van feu continu's. Deze kachels bleven dag en nacht doorbranden en waren daardoor erg gewild voor de verwarming van een kamer. Je kon er niet op koken".
In het midden van onze woonkamer stond een grote tafel, en in een hoek prijkten de kerstboom (door mij versierd, met als finishing touch een web van engelenhaar er omheen) en het stalleke. Tussen de continu en de tafel: een vrij sobere, rode zetel, met zijarmen in bruin, geaderd hout (we hadden er zo twee of drie - één daarvan staat hier naast me op mijn kamer - een authentiek fifties-model, de vering is helaas wat uit de juiste plooi geraakt). Op de tafel lagen mijn Familie Snoek-albums, en in de zetel, bij de continu, zat ik ze te lezen. Zo was het, zo zou het later nooit meer zijn (we verhuisden in de zomer van 1964).
De grappen-strips rond de familie Snoek vormen één van de oudste reeksen van Willy Vandersteen (1913-1990): de geboorte van de serie dateert van kort na die van Suske en Wiske.  De krant De Nieuwe Standaard wou - naast Suske en Wiske - uitpakken met een product dat meer op volwassenen was gericht.  De gags moesten "zich afspelen in een herkenbaar en vertrouwd familiemilieu met typisch volkse figuren" (zo lees ik op de website van de Gentse stripwinkel De Poort).
De familie Snoek verscheen van 1945 tot 1954 in wekelijkse afleveringen (op zaterdag) in de kranten De Nieuwe Standaard (22 december 1945 - 1947) en De Standaard (3 mei 1947 - 9 januari 1954). Het grootste deel (350) van deze (in totaal  404) gags werd gebundeld in elf albums die tussen 1946 en 1954 op de markt kwamen: dit zijn de originele Snoek-albums.
Een keuze uit die elf albums verscheen in 1957 in vijf albums.  Deze vijf albums zijn te herkennen aan - en van de elf originele makkelijk te onderscheiden door - de witte sterren op hun kaft.  Het zijn deze vijf "sterren-albums" die ik in mijn kinderjaren cadeau kreeg. Ik heb er veel plezier aan beleefd. De nummers één, twee, vier en vijf bezit ik nog: zij vormen mijn persoonlijk Snoek-patrimonium.
De familie Snoek is een doorsnee-gezin uit de jaren veertig-vijftig: vader Leonard, zijn echtgenote Marie, hun tienerdochter Gaby (een verrassend sexy verschijning voor het katholieke Vlaanderen van die tijd) en hun zoontje Sloeber. En dan is er nog de jonge buurman Stan Steur, striptekenaar van beroep (en gelijkend op de jonge Willy Vandersteen zelf): hij huwt Gaby, het jonge paar trekt bij vader en moeder Snoek in en wordt verblijd met een tweeling, Pietje en Mietje. Het eerste van mijn "sterren-albums" biedt een soort overzicht van deze familiale ontwikkelingen. We maken ook kennis met Leonards broer uit Amerika, die op bezoek komt.
In het tweede van mijn "sterren-albums" maken we mee hoe Leonard aan de slag gaat als beenhouwersgast (slagersknecht) en vervolgens als theateracteur, hoe hij toevallig bij het leger belandt, het even toevallig tot staatssecretaris van Verlichting schopt (waarop de familie prompt een meid in dienst neemt), en hoe  de Snoeken, na Leonards ontslag als staatssecretaris, naar een kleinere woning moeten verhuizen en zodoende te maken krijgen met nieuwe buren: de luie en onbehouwen Ademar Krab - hij praat een soort allochtonen-Nederlands, net als Jerom in de Suske en Wiske-albums - en zijn vrouw Zulma. Op die manier zijn er voldoende personages aangevoerd om ook in de "sterren-albums" vier en vijf een hele reeks grappen te beleven. De pointe is de ene keer al beter dan de andere, maar het fijne is dat er ook in de aanloop naar de clou al volop gegrinnikt kan worden.
In 1965 nam Willy Vandersteen de draad van zijn vroegere Familie Snoek-gags weer op.  Van 16 april 1965 tot 5 juni 1969 verscheen een nieuwe reeks Snoek-grappen in Pats, de wekelijkse bijlage voor kinderen van de krant De Standaard. Ook deze nieuwe verhalen werden gebundeld in albums (op de markt gebracht van 1966 tot 1969). Van 14 juni 1969 tot en met 4 maart 1972 tenslotte werd de Snoek-revival voortgezet in het weekblad TV Ekspres.
Van december 2004 tot maart 2006 gaf de Standaard Uitgeverij de elf oorspronkelijke Snoek-albums opnieuw uit, in een schandalig dure uitvoering, waarmee vooral op stripfanaten en verzamelaars werd gemikt. Een gemiste kans om vele nieuwe lezers te laten kennismaken met een serie waarvan de recensent van de krant De Standaard terecht getuigde: "vandaag nog komt De familie Snoek nauwelijks gedateerd over en is de serie nog steeds hilarisch".
Een gemiste kans ook om De familie Snoek op een historisch deskundige en waardevolle wijze te publiceren: volledig, en in de originele chronologische volgorde van haar verschijnen in de kranten. De onvolledigheid van die 2004-2006-uitgave werd opgevangen door de Vlaamse vereniging van stripliefhebbers Brabant Strip die in 2004-2005 twee albums uitbracht met de 54 Familie Snoek-krantengags die nooit in één van de officiële albumreeksen waren opgenomen. 
Men kan het wel vaker constateren: hoe uitgeverijen, maar bijvoorbeeld ook televisie-omroepen, liefdeloos omspringen met de artistieke producten waar ze over beschikken. 

De "sterren-albums": W. VANDERSTEEN, Snoek en zijn familie, Antwerpen-Amsterdam-Leopoldstad, 1957; W. VANDERSTEEN, Laat Snoek maar los, Antwerpen-Amsterdam-Leopoldstad, 1957; W. VANDERSTEEN, Snoek heeft ambras, Antwerpen-Amsterdam-Leopoldstad, 1957; W. VANDERSTEEN, Snoek wordt snugger, Antwerpen-Amsterdam-Leopoldstad, 1957.
Andere geraadpleegde bronnen: trefwoord De familie Snoek in internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige versie), nl.wikipedia.org, geraadpleegd december 2012; artikel MK, De familie Snoek, op website van krant De Standaard, 24 december 2004, geraadpleegd december 2012; artikel MK, De familie Snoek 11: Snoek kraait victorie, op website van krant De Standaard, 3 juni 2006, geraadpleegd december 2012; website De Poort, www.depoort.com/, geraadpleegd december 2012; website Brabant Strip, www.brabantstrip.be/brabantstrip/, geraadpleegd december 2012; website Suske en Wiske op het www, suskeenwiske.ophetwww.net/, geraadpleegd december 2012; trefwoord feu continu in internet-woordenboek Het Vlaams Woordenboek, www.vlaamswoordenboek.be, geraadpleegd december 2012.

vrijdag 21 december 2012

Laurel en Hardy


Weer eens een artikeltje boordevol bewondering, vandaag...
De films van Laurel en Hardy zijn bijzonder grappig. Daar was het de makers om te doen, en ze zijn in hun opzet zeer geslaagd.
Maar er is meer. De Laurel en Hardy-films zijn onopvallend - ongetwijfeld ook onbedoeld - maar onmiskenbaar begiftigd met filosofische betekenissen. Men kan er hartelijk om lachen, maar men kan er ook een diepgaand gesprek over voeren. Dit laatste doet men het best bij een glas (schuim)wijn.
Dat het doet lachen én dat het zich leent tot diepe bespiegelingen - het samengaan van die twee - dàt maakt het oeuvre van Laurel en Hardy tot grote, ja geniale kunst (vind ik). Even terzijde: lachen is gezond, en het voeren van een diepgaand gesprek ook.
De slanke, uit Engeland afkomstige Stan Laurel (1890-1965) en de mollige  Amerikaan Oliver Hardy (1892-1957) vormden van 1927 af - beiden hadden er toen al een uitgebreide acteurscarrière opzitten - het meest weergaloze komische duo dat de filmgeschiedenis ooit heeft gekend. Ze overleefden moeiteloos de overgang van de stomme naar de geluidsfilm, en van de kortfilm - de typische slapstick - naar de producties van langere duur.
Stan geldt als het creatieve genie van het tweetal - in zaken van scenario, regie en montage was hij de ideeënleverancier en het bezige bijtje, en huldigde Oliver het "ask Stan"-principe. Maar de gemakzuchtige Oliver Hardy was een buitengewoon acteur - en, hoe moeilijk de keuze ook, van het tweetal toch mijn favoriete personage.
Mister Hardy's nooit aflatende, met blijgezindheid en welgemanierdheid doorspekte aanspraken op waardigheid, orde en welslagen - het bedeesde friemelen aan zijn stropdas - het zelfverzekerde "Let me do that" - het weer op orde brengen van zijn toegetakelde hoed (symbool van burgerlijke deftigheid) - zijn woordenloze terzijdes (de veelbetekenende blik naar de toeschouwer) - zijn wanhopige kreet (tot Stan) "Why don't you do something to help me?" - zijn al halvelings berustende conclusie: "Well, here's another nice mess you've gotten me into!"… hoogtepunten van de filmkunst zijn het. (Tussen haakjes… het laatstgenoemde Hardy-citaat wordt vaak verkeerd weergegeven: neen, het is niet another fine mess, maar wel degelijk another nice mess. De verwarring komt voort uit het feit dat één van de Laurel en Hardy-films de titel Another fine Mess meekreeg).
Ik leerde de Laurel en Hardy-films van nabij kennen en waarderen in het najaar van 1970, toen de Nederlandse omroepvereniging VPRO er - in prime time nota bene - haar donderdagavondprogramma mee inzette. Ik was toen vierdejaarsstudent aan de Brusselse filmschool RITCS. Natuurlijk had ik in mijn kinderjaren in de bioscoop wel eens een film van "den dikke en den dunne" gezien, maar zo tegen (en met) Kerstavond van het jaar 1970 keek ik met andere ogen naar het komische duo.
Laurel en Hardy zijn in mijn leven trouwens verbonden met de eindejaarstijd, want het was op 30 december 1975 dat ik de korte tijd eerder op de markt gebrachte langspeelplaat Laurel & Hardy, Dialogue & Songs from the original soundtracks… kocht - met daarop het prachtige liedje The trail of the lonesome pine (uit de film Way out West, 1937). Dat nummer was anno 1975 zowaar een grote hit in Engeland geworden (het bereikte er de tweede plaats in de hitparade), en eigenlijk had ik er al heel de decembermaand van '75 naar uitgekeken om het op de kop te kunnen tikken.
In de jaren dertig en veertig waren Laurel en Hardy volks amusement voor volwassenen geweest. In de jaren vijftig en zestig was het komische duo gedegradeerd geraakt tot kinder-amusement. Een lot dat het deelde met legendarische personages uit de literatuur als Don Quichot, Robinson Crusoe of Gulliver (u weet wel: die van de Travels).
Begrijp me niet verkeerd: er is niks mee dat kinderen al op jonge leeftijd in contact worden gebracht met hoogtepunten uit onze cultuur - zeer integendeel. Maar het loopt verkeerd als de klassieke helden nog louter als kinderlijk amusement worden gezien, als niet meer dan dat…
Gelukkig keerde het tij. In de late jaren zestig werden Laurel en Hardy door cinefielen en intellectuelen herontdekt en tot Grote Kunst verheven. Terecht! Voor wat de Nederlanden betreft hebben de donderdagavond-uitzendingen van de VPRO in 1970-1971 daar een cruciale rol in gespeeld. Enerzijds waren ze een uiting van de nieuwe Laurel en Hardy-benadering, anderzijds werkten ze die verder in de hand. Wat voor geleerde analyses en bespiegelingen zijn er in die dagen niet over Stan en Ollie gemaakt! Dat hun werk daar aanleiding toe gaf, daar de ruimte voor bood, is veelbetekend.
Wat vind ik zo bijzonder aan de films van Laurel en Hardy? Laat ik het wapen van de vergelijking inzetten. Waarom hield (hou) ik zoveel van Laurel en Hardy, en hoegenaamd niet van het oeuvre van hun destijds even beroemde tijdgenoot Charles ("Charly") Chaplin?
Allereerst vind ik dat Chaplin zijn smoeltje niet mee had. In het dagelijks leven zou het niet bij me opkomen mensen te beoordelen naar hun uiterlijk. Maar wie zichzelf via de media of de politiek op de markt te kijk zet, ja, die mag toch wel bekeken en gekeurd worden zeker, en dan kan het gebeuren - men denke wat de dag van heden betreft aan een Gwendolyn Rutten, een Servais Verherstraeten of een Linda De Win - dat die zijn smoeltje niet mee heeft… Dat was, naar mijn zeer bescheiden mening, met Chaplin het geval. En dus kwam er veel aankleding bij te pas om van die man met zijn wat grimasserige lach toch een grappig figuurtje te maken. Hoed, snor, maquillage, wandelstok, artificieel benenwerk…: zo werd the tramp, de zielige zwerver, in elkaar geknutseld.
Chaplin zette een typetje neer, dat vervolgens gedropt werd in scenario's die bulkten van de melo, het goedkoop sentiment. Voeg aan de straatarme maar toch opgewekte dompelaar een aanminnig doch door een slechterik belaagd maagdje toe, en hop, aan het happy end zitten we met een huwelijk en leefden ze nog lang en gelukkig. Chaplin wou kunst maken - zijn werk is inderdaad gekunsteld.
Om dan nog maar (niet) te zwijgen van die zogezegd satirische Chaplin-films à la Modern Times of The Great Dictator… Goed bedoeld, maar o zo moraliserend, en dus prekerig, en dus stomvervelend. Ideologisch-geëngageerde kunstenaars of schrijvers brengen zelden grote kunst of literatuur voort. In plaats van de werkelijkheid af te tasten, plooien ze die naar hun vooraf ingenomen standpunten. Ze roepen geen vragen op, maar slaan ons om de oren met hun antwoorden. Daarom zijn ze interessant noch relevant, en ook niet inspirerend.
Grote kunstenaars en schrijvers kijken onbevangen en onbevooroordeeld naar de mensen en de wereld. Precies daardoor weten ze er wezenlijke, fundamentele dingen over te vertellen. Laurel en Hardy doen dat: ze willen ons laten lachen, dat is hun enige bedoeling, voor het overige zijn ze pretentieloos, hebben ze hoegenaamd geen boodschap. En kijk, net zij zijn sprankelend inspirerend - al het gefilosofeer en het vele geschrijf over hun films bewijzen het.
Wat is het dan, dat Laurel en Hardy geheel argeloos en omzeggens per abuis over het leven en de wereld vertellen?
Soms zijn Stan en Ollie - net als Chaplins personage - arme zwervers. Soms zijn het burgermannetjes die zwaar onder de sloef liggen van bazige echtgenotes. Maar ze koesteren dromen. Het zijn mannen met plannen. En met grote ijver huldigen ze het Optimism is a moral duty-principe. Het ziet er allemaal goed uit, veelbelovend. Aanvankelijk. Maar dan… komt dit optimistische verwachtingspatroon steevast ten val. Film na film, avontuur na avontuur, blijkt het niet bestand tegen de werkelijkheden van het leven en de wereld. Wordt het onverbloemd ontmaskerd als verregaande naïviteit.
Dit gebeurt zeer grondig. Een Laurel en Hardy-film eindigt pas als het hele huis brutaal gesloopt is, al de personages mekaar het ziekenhuis in gemept hebben, de auto met alle inzittenden door een put in de weg verzwolgen is, de situatie total loss en ook nog eens a complete disaster is - another nice mess kortom.
Optimisten hebben ongelijk, zo blijkt. Stan en Ollie moeten het keer op keer ondervinden. Hun plannen lopen faliekant af, steeds weer. Dromen worden ontmaskerd als illusies.
Het Laurel en Hardy-universum is er één van tegenslag, mislukking, boosaardigheid, chaos. Van twaalf stielen en dertien ongelukken. Nergens wordt de Duitse definitie van humor zo treffend gevisualiseerd: Humor ist wenn man trozdem lacht.
Zo vormt elke Laurel en Hardy-film een filosofisch discours over la condition humaine. De tribulaties die Stan en Ollie ten overvloede en in gigantische gestaltes moeten doorstaan zijn zinnebeelden van de wolfijzers en schietgeweren waar ieder mens op zijn levensweg in een meer gedoseerde mate mee af te rekenen krijgt. Er is hooguit een verschil in aantal en gradatie. Laurel en Hardy zijn stakkers zoals u en ik, en zoals elke mens bij nader inzien een sukkelaar is. 
Er is ook geen happy end. Natuurlijk niet, want de mens trekt - alle eventuele tijdelijke roem en rijkdom ten spijt - tenslotte altijd aan het kortste eind. Al was het maar omdat hij finaal toch sterven en dus verdwijnen moet. Keizer, koning, of kleine garnaal… in the end verliezen we allemaal. Omdat er niet gewonnen kan worden.
Stan Laurel en Oliver Hardy waren er op uit amusement te maken, zodoende succes te boeken en goed geld te verdienen. En zie, onopzettelijk, onaangekondigd, onverwacht, sloop het geniale in hun werk, en maakte het tot kunst, tot grote kunst. Het bijzondere aan het geniale is, dat het zich niet dwingen, zich niet wetens en willens vervaardigen laat.  Het gaat zijn eigen weg. Het komt niet op bestelling, het duikt plots op in het werk van de cineast, de schrijver, de kunstenaar, de wetenschapsman… spontaan, schijnbaar uit het niets… in werkelijkheid allicht deels uit het onderbewustzijn en deels uit het toeval? 

Foto: screenshot uit de Laurel en Hardy-film Sons of the Desert, ©CCA 1933. Met dank aan Laurel & Hardy, The Official Website: http://www.laurel-and-hardy.com   
De langspeelfilm Sons of the Desert ging in première op 29 december 1933 en is één van Laurel en Hardy's leukste creaties. Sons of the Desert is ook de naam van de internationale Laurel en Hardy-fanclub, die afdelingen heeft over heel de wereld, ook in Vlaanderen en Nederland.

Gun uzelf een moment van artistiek genot en kijk (en luister) naar Laurel en Hardy in The trail of the lonesome pine, http://www.youtube.com/watch?v=TBlYDmTzic8
Of wees eens buitengewoon lief voor uzelf en doe u twintig minuten cultureel verantwoord plezier cadeau: kijk naar A Perfect Day (1929), http://www.youtube.com/watch?v=-3ZcFfbepUU
Enjoy yourself - maar denk erom: accidents will happen!

vrijdag 14 december 2012

General Motors


Die laatste dagen zo net vóór de Kerstvakantie… die waren in de lagere school van mijn kinderjaren veelal gehuld in een bijzondere sfeer. Het schrijven van de nieuwjaarsbrieven voor peter en meter was achter de rug - een vreselijk stresserende aangelegenheid was dat, het schrijven van die nieuwjaarsbrieven, want dat gebeurde toen nog met een échte pen en met inkt uit de inktpot… en hoe gauw zat je niet met een veeg (even met de zoom van je mouw over je eigen natte letters gestreken en oeps…) of erger nog: een vlek!
Ook de prijskampen (later heetten ze proefwerken, nog later examens) hadden hun beslag gekregen. Het loonde niet meer de moeite om de sleur van het vaste lesrooster te hernemen - dat was voor na nieuwjaar. Er stond een kerstboom in de klas. Ooit - ik denk in het eerste leerjaar - mochten we zelf van huis uit onze eigen kerstdecoratie aanvoeren. Ik nam mijn kabouter mee naar de klas, mijn mooiste kerstboomfiguurtje, vervaardigd in van dat uiterst fragiele, filterdunne beschilderde glas. Een daad van hemeltergende roekeloosheid en ongelooflijke lichtzinnigheid natuurlijk… U verwacht nu een larmoyant verhaal over hoe mijn kabouter uiteindelijk in gruzelementen op de grond lag (als Bert Anciaux of Patrick Janssens dit lezen zoeken ze reeds een schouder om zo meteen op uit te huilen). Maar neen, hij is niet gesneuveld, mijn prachtige kabouter, noch tijdens de heenreis, noch in de klas, noch bij zijn terugreis. Hij overleefde. Een kerstwonder, minstens.
Een omzeggens in elk leerjaar voorkomende geplogenheid bestond er in dat we een pakje moesten meebrengen voor onder de kerstboom, een cadeautje beantwoordend aan een bepaalde richtprijs. Ik toog met een leuk, het maximumbedrag lichtjes overschrijdend, speelgoedje naar school. De pakjes werden verloot. Ik kwam met een waardeloze prul thuis. Elke keer weer. 
Eén keer heb ik het meegemaakt dat er in de gemeentelijke jongensschool op één van die dagen net voor de Kerstvakantie films werden vertoond. We werden met verschillende klassen samengebracht in een leslokaal, allicht het grootste van het schoolgebouw. Het zat eivol, het was er drukkend warm. We kregen twee of drie - allicht 16 mm. - films te zien. Eén ervan was, zo herinner ik me vaag, Christmas around the World of iets van die strekking: hoe het kerstfeest in verschillende delen van de wereld werd gevierd. Wel uitstekend passend bij de tijd van het jaar natuurlijk, onze toenmalige onderwijzers waren een stuk intelligenter dan de bobo's van onze huidige staatsomroep, die ongegeneerd De Kampioenen vieren Kerstmis (of iets daaromtrent) in het hartje van de zomer op het programma durven zetten.
Toen ik voor mijn laatste twee jaren van het lager onderwijs naar de Voorbereidende Afdeling van het Koninklijk Atheneum van Keerbergen was getransfereerd, bleef er van die magische, bijna heilige, kerstsfeer niets over. Tijdens het schooljaar 1960-1961 - ik zat in het zesde leerjaar - trokken we met de twee hoogste klassen van die voorbereidende afdeling in de week vóór de Kerstvakantie naar… de autofabriek van General Motors in Antwerpen! De moderne tijd was aangebroken…
Het was op dinsdag 20 december 1960. Dat ik die dag zo heel precies heb kunnen traceren komt omdat we achteraf traditiegetrouw opgezadeld werden met de opdracht een opstel te schrijven over onze uitstap! En omdat mijn opstel - nog wat meer achteraf - terecht is gekomen in het tijdschriftje van de school. En omdat mijn werkstuk door de redactie van dat blaadje als volgt werd ingeleid…
"Al de klassen van de Voorbereidende Afdeling trokken er op 20 december j.l. op uit om nog wat bij te leren. Per autobus brachten onze jongens en meisjes een leerrijk bezoek aan de havenstad Antwerpen. Voor de eerste vier studiejaren vormde de dierentuin de hoofdschotel. Verscheidene uren brachten de jonge dierenvrienden er door en beleefden er een prettige dag. De vijfdes en zesdes bezochten de steenbakkerijen te Boom. Achteraf verrijkten ze hun praktische kennis te Antwerpen aan de haven, in een autofabriek en op de tentoonstellingen. Van afwisseling gesproken! Ze reisden weer allemaal terug en zo werd het aangename aan het nuttige gepaard". 
Van die Boomse steenbakkerijen en van de haven kan ik me niets herinneren, van "de tentoonstellingen" nog minder, maar voor wat ons bezoek aan de autofabriek van General Motors (GM) betreft beschik ik gelukkig over mijn meeslepende verhaal: Hoe wordt een auto geboren? Voor die melige titel zal de meester verantwoordelijk zijn geweest. Een povere poging om het assemblageproces nog van enige poëzie te voorzien.
Voor ik het in extenso op u loslaat, nog enige heden ten dage uitgeknobbelde informatie. De fabriek die we bezochten moet het aan de Noorderlaan gelegen complex zijn geweest, dat in 1953 was tot stand gekomen. Toen General Motors in 1967 zo'n tien kilometer verderop, in de haven, weer een nieuwe fabriek in werking stelde, werden de gebouwen die wij hadden bezocht "Fabriek 1" gedoopt (en de nieuwe "Fabriek 2" - zo simpel was de economie destijds).
Overigens was ook de plant (om het eens in het huidige jargon van de industrie te zeggen) aan de Noorderlaan lang niet de eerste GM-vestiging in Antwerpen: het Amerikaanse bedrijf had er al sinds 1924 op verschillende plaatsen auto's gebouwd. In de dagen dat ik het complex aan de Noorderlaan - "de modernste auto-assemblagefabriek van Europa" - met mijn bezoek vereerde, liepen daar Chevrolets, Pontiacs, Oldsmobiles, Buicks, Cadillacs, Vauxhalls en Opels van de band (en ook verschillende merken vrachtauto's).
Niet langer gedraald nu, hier is onze jonge reporter… "In Antwerpen bevindt zich de moderne autofabriek van General Motors. Deze reusachtige fabriek, die zich van jaar tot jaar nog uitbreidt, bezochten we onlangs met onze klas. De mensen waren er oprecht vriendelijk voor ons en nodigden ons eerst uit op een kopje koffie met een lekkere koek erbij.
Terwijl we onze koffie opslurpten kwamen we te weten dat deze enorme fabriek een oppervlakte heeft van 25 ha; dat er 3500 werklieden arbeid vinden, terwijl er niet minder dan 700 bedienden werken op de prachtige bureaus om de briefwisseling te doen, boek te houden enz… Deze fabriek is werkelijk een kleine industriestad op zichzelf want men besteedde niet minder dan 1.200.000.000 Belgische frank om ze op te richten.
Na deze aangename inleiding begon dan het bezoek aan de fabriek zelf. Elke afdeling werd genummerd, zo konden we allen goed volgen in het boekje dat men ons gegeven had en werd de uitleg van de gids veel aangenamer en leerrijker. Wanneer de carrosserie de plaatwerk- en lasafdeling heeft verlaten komt ze eerst in een tunnel voor roestwerende behandeling.  Er zijn er twee in deze soort : één voor de romp en één voor de andere onderdelen.
Daarna kwamen we in een enorme grote zaal. Hier was de afdeling voor plaatslaan en lassen. Om onze ogen tegen wegspringende gensters te beschermen kregen wij hier een speciale bril. En wat een hels lawaai! In deze zaal begint het samenbrengen van de carrosserie. Hier wordt alles tot een stevige romp verenigd en worden ook de deurstijlen aangebracht. Men heeft er een afdeling voor personen- en één voor vrachtwagens.
Daarna kwamen we in een ruime opslagplaats van materialen. Hier lagen kisten uit de U.S.A. opgestapeld. In de volgende zaal begon de fabricage van de radiators. De radiators worden hier in vorm geperst. In zaal 5 worden ze dan verpakt en verzonden naar de G.M. in Mexico, Zuid-Amerika en Indië. Daarna kwamen wij in de afdeling waar de zetels worden klaargemaakt.
In de volgende zalen werd aan de carrosserie gewerkt. Deze werd geschilderd, vervolgens werden er ruitjes en zitbanken geplaatst, alsook de instrumenten aangebracht. Wij stapten voorbij de medische afdeling waar gekwetste arbeiders verzorgd worden.
Daarna kwamen wij weer in een grote zaal waar aan de motoren werd gewerkt. Deze komen gedeeltelijk afgewerkt in de fabriek aan. Ze worden op het chassis geplaatst en alles wordt van wielen voorzien. Een mooi gezicht was het dan als eindelijk met een machtige kraan de carrosserie werd neergelaten op het chassis en de auto voltooid was.
Vooraleer echter de fabriek te verlaten worden de wagens een laatste maal gecontroleerd op het proefterrein en ondergaan ze nog een grondige inspectie boven de controleput. In afwachting van de aflevering worden de nieuwe, mooie wagens bewaard in een geweldig grote garage. Het was prachtig en leerrijk, ons bezoek; spijtig dat we geen Cadillac 1961 meekregen". 
Dat "boekje dat men ons gegeven had" is bewaard gebleven, en ook een foldertje met foto's en een indrukwekkende schets van het complex. Ik merk dat ik mij, voor wat de technische aspecten van mijn verhaal betreft, nogal op die documentatie gebaseerd heb. En dat grapje van die Cadillac 1961: zou dat niet door mijn vader geïnspireerd zijn geweest? 
De auto en de auto-industrie waren in het Vlaanderen van 1960 in volle opmars. Inmiddels is het tij geheel gekeerd. In 1997 sloot de fabriek van Renault in Vilvoorde haar deuren. Een halve eeuw na mijn bezoek aan General Motors en het schrijven van mijn opstel Hoe wordt een auto geboren? rolde, op woensdag 15 december 2010, in Antwerpen de laatste auto van de band. Momenteel zingt Ford Genk zijn grimmige zwanenzang. 

Voornaamste geraadpleegde bronnen…
Een (dubbel) nummer van het schooltijdschrift Erika van het Koninklijk Atheneum Keerbergen, zonder aanduidingen inzake jaargang, datering etc., allicht 1961;  folder General Motors Continental, ca. 1960; folder Het fabricage- en assemblagebedrijf van General Motors Continental, ca. 1960; trefwoord General Motors Belgium in internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige versie).

vrijdag 7 december 2012

Teerfeest


Elk jaar in de maand december hield de Boortmeerbeekse fanfare Onder Ons haar teerfeest - haar ledenfeest. Het nam maar liefst drie opeenvolgende dagen in beslag: zondag, maandag en dinsdag. Drie bijzondere dagen voor de muzikanten en de mambers of niet-spelende leden… én voor hun dames (want in de gelederen der eigenlijke leden viel destijds geen vrouwspersoon te bekennen).
Men bracht muzikale bezoeken aan de leden-herbergiers (een serenade buiten aan de deur, dan naar binnen voor een biertje). In de bovenzaal,  de ruime dans- en feestzaal op de eerste verdieping van herberg Het Brouwershuis, genoot men van een zéér stevig feestmaal (op kosten van de clubkas). En van muziek en dans en drank… Ja, dàt was gezelschap, dàt was joligheid - de goede oude tijd!
Overigens werd een vereniging vroeger niet vereniging of club genoemd, nee, dat was een societeit of een maatschappij. En een fanfare dat was dus een muziekmaatschappij.
Op de derde dag van het teerfeest - de dinsdag dus - trok de fanfare Onder Ons traditiegetrouw naar de herberg van (medelid) Suske (Frans) Perremans, gelegen op het (destijds nauwelijks bewoonde) gehucht Het Heike(n), tegenover Van Gorpes pachthof (de bakermat van de familie Van Gorp, die in de fanfare - en in heel de gemeente - een leidende rol vervulde).
Bij één van deze winterse teerfeest-uitstappen naar Suske Perremans werd - in de jaren twintig, hooguit in 1930 - het prachtige groepsportret gemaakt dat boven deze tekst prijkt. Mijn grootvader-langs-vaderskant Frans Constant Wollebrants (1889-1948) staat er op, mét zijn klarinet in de rechterhand (en met zijn linkerhand in zijn jaszak).  Hij droeg een korte overjas met een dubbele rij knopen en een fraaie kraag - en kennelijk ook een das.
Mijn grootvader moet kort na de Eerste Wereldoorlog lid van Onder Ons zijn geworden. Van 1932 af maakte hij deel uit van het bestuur, en meteen na de Tweede Wereldoorlog werd hij zelfs ondervoorzitter. Hoe hard hij als kleermaker ook werkte, voor de fanfare maakte hij tijd vrij. Trouw woonde hij elke donderdagavond de wekelijkse repetitie bij. Hij speelde mee op de concerten en stapte mee op als de fanfare uitging. Hij nam deel aan de bestuursvergaderingen.  
Naast mijn grootvader komen op de foto onder anderen ook hoofdonderwijzer Leo(n) Fannes, dokter Florimond Mollekens, Constant De Keyser (alias Stake van ‘t Kantoor, burgemeester 1933-1938), en Brouwershuis-uitbater Louis Lodewijckx (alias Perrewet) voor - allemaal Heren van Meerbeek, so-to-speak.
De muzikanten van Onder Ons droegen in die tijd nog geen uniform, maar hebben wel allen dezelfde pet op het hoofd (mijn grootvader inbegrepen). Allicht droegen ze ook allen dezelfde stropdas, al is dat niet heel duidelijk te zien: alleszins zijn er opvallend veel voorzien van een plastron, en dat alleen al laat veronderstellen dat het hier een element van groeps-uitdossing betrof.
Op de gevel van de herberg van Suske Perremans kunnen we op een bordje lezen dat ze In 't Zomerland heette. Op dat uithangbord staat ook estaminet, de oude benaming voor een café - en meteen ook de verklaring waarom een herberg in de Vlaamse volksmond een staminee werd genoemd (een woord dat ik zelf nog vaak gehoord heb).  De Heikestraat - waaraan de herberg van Suske Perremans gelegen was en die we op de voorgrond zien - was toen een smalle kasseiweg.
De fanfare Onder Ons - opgericht anno 1875 - was tot in de vroege jaren zestig (van de twintigste eeuw) een zeer bloeiende vereniging. Jaarlijkse hoogtepunten van het fanfareleven waren het karnaval en het teerfeest. Bij de kermissen in het dorpscentrum stapte men mee op in de processies, men gaf concerten en bals, en was present bij velerlei feestelijke dorpsevenementen.
En binnen de eigen kring was er dan nog Tweede Zondag: een dansavond op de tweede zondag van elke maand waarop enkel leden en hun echtgenotes waren toegelaten. Net als bij de teerfeesten en de bals speelden zo'n acht à tien muzikanten van de fanfare ten dans. Een oude dans, de kadril (quadrille), bracht iedereen op de dansvloer. Omdat niet alle paren de passen even goed onder de knie hadden, werd het "een hobbel en sobbel van-me-kan-nie-miejer", zo vertelde mij ooit de Boortmeerbeekse beenhouwer Felix Gijbels (voor mijn Nederlandse lezers was het een slager). Aan het slot van de dans belandden alle deelnemers steevast aan de toog. Ik weet nog dat, in mijn kindertijd, mijn oude grootmoeder ook wel eens herinneringen aan die legendarische kadril ophaalde.
De sfeer van de teerfeesten-van-weleer wordt uitstekend opgeroepen in Het Lied van Teren, dat de Boortmeerbeekse huisschilder en muzikant Jules Wauters (1895-1978) voor mij ten gehore bracht toen ik anno 1977 een geluidsopname met hem maakte. Het lied was - dixit Jules - vervaardigd door de Boortmeerbeekse gemeentesecretaris Prosper Vanderhulst, "in 1900" (een datering die we, vermoed ik, als benaderend moeten beschouwen, terwijl we het vervaardigen van het lied zullen moeten interpreteren als: het schrijven van een nieuwe tekst op een bestaande melodie, een procédé dat destijds zeer gangbaar was).
Gemeentesecretaris Vanderhulst (1853-1932) was een fervent Onder Ons-man, en een volksdichter: hij is ook de auteur van een (in Boortmeerbeekse kringen vrij bekend) lied waarin àl de Boortmeerbeekse herbergen de revue passeren - nu ja, de Onder Ons-gezinde drankgelegenheden dan toch. Maar nu dus, dames en heren… om u te instrueren en te amuseren... Het Lied van Teren…

De blijde dag is eind'lijk daar
Het schone feest van de fanfaar
Waar w'allemaal zo naar trachten
en zo naar wachten
Ne nieuwen hoed, palto of kleed
En daarmee zijn ze gereed
En zo zien ik ze toch zo geere
Den dag van te-e-ere

De dames zijn ook chique en net
En allemaal wel opgezet
Met gouden ketting, broch en pellen 
En zilveren bellen
Ne nieuwen hoed, palto of kleed
En daarmee zijn ze gereed
En zo zien ik ze toch zo geere
Den dag van te-e-ere

De mannen zijn ook welgezind
En drinken dan een dikke pint
En eten 't 's morgens uit der zuure
Dat geeft gevuule
Daar is het vrouwke 't beste mee
Ook krijgt de man dan dubbel pree
En rond drij ure gaan ze teren
Den dag van te-e-re

Het diner dan is zo fijn
Me dunkt het kan niet beter zijn
Boulie, rosbief, soep met bischuiten
Sorcis met spruiten
Zijn er geen kiekens deze keer
Dan eten wij wat kalfsvlees meer
Met appelspijs dat doet purgeren
Den dag van te-e-ere

En valt het voor dat er eene meid
Met zulke dagen wordt verblijd
Met wat veel sorcis te eten
En haar te vergeten
Als vader vraagt
Wie heeft dat gedaan
Zeg mij waarom hebt gij zulks misdaan
Ach vaderlief, 'k zag Jef zo geere
Het is van te-e-re

Nu vrienden altegaar
Wie zijn de mannen die ons fanfaar
Zo wondergoed weten te doen marcheren
En zo floreren
Dat is 't bestuur en de president
Die niet anders dan vrienden kent
En alles zo goed weet te arrangeren
Den dag van te-e-ere

De Boortmeerbeekse fanfare Onder Ons is in 1978 ter ziele gegaan. Het internet leert me echter dat er ook heden ten dage nog verenigingen zijn die een jaarlijks teerfeest organiseren - onder andere, zo zie ik, de Haachtse fanfare Sint-Remigius. Met muziek, en schransen en dansen. Het is een mooie traditie die niet verloren zou mogen gaan. 

Voornaamste bronnen: schriftelijke inlichtingen verstrekt door (mijn vader) Oscar Wollebrants, 1984-1989; muziek en zang van Jules Wauters uit Boortmeerbeek, door mij op band opgenomen in 1977; artikel F. WOLLEBRANTS, De familie Van Gorp en Boortmeerbeek, Een duik in de dorpsgeschiedenis, via de prestaties en belevenissen van een familie..., in: Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 2 (1988), nr. 2, en in: Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift (HOGT), jg. 4, nr. 1 (februari 1989); artikel F. WOLLEBRANTS, De herinneringen van "Felix den beenhouwer", dl. II: In het verenigingsleven, in: Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 5 (1991), nr. 2; artikel G. WOUTERS, Vervolgreeks: De Boortmeerbeekse herbergen rond de eeuwwisseling, II. Van Freeke (of Vreke) tot bij Suske Perremans, in: Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 2 (1988), nr. 1; artikel G. WOUTERS, Vervolgreeks: speciale Boortmeerbeekse of Heverse figuren of personaliteiten, 5. Gemeentesekretaris Prosper Van der Hulst, in: Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 3 (1989), nr. 1; opschrift op het graf van Prosper Charles Alfred Vanderhulst en zijn echtgenote op het kerkhof van Boortmeerbeek (door mij genoteerd in mei 1999).
Een originele afdruk van de foto werd mij in de jaren tachtig (van de 20ste eeuw) uitgeleend door de Heverse heemkundige Georges Wouters: ik liet er toen kopies van maken en maakte er zelf dia-opnamen van. Eén van de personen die op de foto voorkomt (Georges Wouters' vader Louis Wouters) overleed op 6 oktober 1931 - als de opname inderdaad bij een teerfeest in december is gemaakt, moet zij dus dateren van vóór eind december 1930. 
Mijn vader Oscar Wollebrants vroeg in de jaren tachtig (van de 20ste eeuw) aan August Vandesande - één van de Onder Ons-leden op de foto, en van 1976 tot 1978 de laatste voorzitter van de fanfare - de in beeld gebrachte personen te identificeren.  Volgens August Vandesande legde de opname de beeltenis van volgende Onder Ons-leden voor de eeuwigheid vast...  Eerste rij, van links naar rechts : Edward Somers, August Verhoeven, Felix Perremans, Bernard Storms, Guillaume Ceuleers, Leo Fannes, Jozef Anthonis, Jules Vandesande, Florimond Mollekens, Jules Slijp, Jozef Hannes, Armand Slijp, Edmond Vermeulen, Antoon Van Roost, Jules Vermeylen, Constant De Keyser, August Vandesande, Frans Wollebrants, Arthur Horckmans, Alfons Vermeylen, Jan Pasteels, Jan Sermeus, Alfons Sermeus en broer, Filip Janssens, Frans Bogaerts, Alfons De Laet.  Tweede rij, van links naar rechts : Edward Vandesande, Louis Lodewijckx, Albert Hannes, August Verbeeck, August Poliny, August Van Grunderbeek, Hendrik Salu, Jan Perremans, Jules Verhaege, Louis Wouters.