zondag 1 maart 2015

Nobelprijs



"Reeds 198 auteurs weerhouden voor de in oktober toe te kennen Nobelprijs Literatuur 2015", moest ik enkele dagen geleden via de media vernemen. En ook: "Er werden in totaal al 259 kandidaturen ingediend".
Potverdorie nog es aan toe zeg! Nu viel mijn euro / nou brak m'n klomp! Al bij herhaling had ik mij afgevraagd waarom de bescheiden aanmoedigingsbeurs die de Nobelprijs Literatuur toch is mij nog nooit te beurt was gevallen - terwijl ik nochtans reeds van jongs af aan met ijver en toewijding de Kunst van het Schrijven beoefen (zie bovenstaande foto als bewijsstuk), en talloze andere illustere onbekenden al wel in de prijzen gevallen zijn (neem nu de laureaat van vorig jaar, een zekere Patrick Modiano, een aardige jongen, daar niet van, maar had u al ooit van hem gehoord?).
Met de onbevangen blik op de wereld die mij eigen is, was ik er tot nog toe steevast van uitgegaan dat het feit dat de Dames en Heren van het Nobelprijscomité mijn deurtje stilletjes voorbij waren gereden te wijten viel aan mijn lage ranking op de namenlijst waar zij over beschikten. Het is al een oud zeer, dat iedereen van wie de familienaam met een "W" begint, genoegzaam bekend is: omwille van de ongelukkige gewoonte om namenlijsten alfabetisch te ordenen komen wij, "W-mensen", wanneer er om het even wat verstrekt wordt, steeds als laatsten aan de beurt (en dat dan ook nog eens na de altijd in oeverloze overvloed aanwezige Van's en Ver's aan ons gefrustreerd oog te hebben zien voorbijtrekken). 
Wij moeten het al hebben van een toevallig gearriveerde heer Zwosman of een uit China overgewaaide juffrouw Xi-Pang-Lang om niet als allerlaatsten het een of het ander in ontvangst te mogen nemen. En dus dacht ik in al mijn argeloosheid ook met betrekking tot de Nobelprijs Literatuur: heb geduld Frans, kijk lijdzaam toe hoe anderen de eer opstrijken, our day will come, het is een kwestie van tijd en alfabetische ordening. Maar nu verneem ik dus tot mijn ontzetting: om de Nobelprijs Literatuur te winnen, dient men zijn kandidatuur in te dienen, zich ordinairweg kandidaat te stellen, als ging het om de eerste de beste blokkerige televisiekwis! Meteen werd mij duidelijk waarom verdienstelijke auteurs uit Onze Streken, zoals  Nest Claes, Fé Timmermans, Elpé Boon, Herman Brusselmans… nooit de erelijst van de Grote Nobelprijs hebben gehaald. Ongetwijfeld zijn deze goedmenende collega's net als ik uitgegaan van het veel te romantische beeld waarbij zo tegen eind september enige Zweedse literatuurliefhebbers zich bij pot en pint en candlelight in een stijlvol gelambriseerd salon terugtrekken, en er hun gezellige babbel steevast openen met de vraag: "Awel vrienden, wie zullen we dit jaar eens in onze prijs laten vallen?". 
Niksmandalle daarvan dus, ook op het veld der Schone Letteren dient men - zo blijkt nu - in onze steeds verder verloederende wereld te kandideren en te lobbyen om eens een lauwerkransje te oogsten. De Zweden verwachten warempel dat je solliciteert, dat je je kandidaat stelt. Of lààt stellen, door "literatuurprofessoren" bijvoorbeeld, zo lees ik - maar ja, welke Grote Schrijver heeft er nu iets te verwachten van "literatuurprofessoren"! Moet ik herinneren aan de Vlaamse literatuurprofessor die in een als standaardwerk bedoelde literatuurgeschiedenis zelfs zijn eigen ex-minnares verloochende? (Naar ik vermoed omdat hij het niet kon verkroppen dat zij in een nochtans prachtige roman over hun affaire zijn kleine lichamelijke tekortkoming had onthuld - zij het met toevoeging van deze toch uiterst aandoenlijke en liefdevolle woorden van troost: "twee is trouwens toch te veel, één vogel in de hand, en een eitje erbij, dat is genoeg, er is zoveel overbodigs in de wereld"). Hm, van "literatuurprofessoren" verwacht ik sindsdien niet veel meer. 
En dus heb ik gemeend er goed aan te doen zelf de hand aan de spreekwoordelijke ploeg te slaan, en heden onderhavige brief aan het Zweedse Nobelprijscomité voor Literatuur te richten. (Uiteraard in het Zweeds, maar aangezien niet uit te sluiten valt dat niet alle lezers van mijn blog de taal van Abba en Pippi Langkous machtig zijn, geef ik mijn woorden hier in een zo getrouw mogelijke Nederlandse vertaling weer).
"Hooggeachte edelgeboren Dames en Heren van het Nobelprijscomité voor Literatuur…
Ik neem de pen in de hand - hetgeen natuurlijk een letterkundige beeldspraak is, want eigenlijk typ ik deze zinnen gewoonweg op het toetsenbord van mijn computer, maar dat had u misschien al begrepen - om u te laten weten alsdat ik kom te vernemen dat reeds ettelijke kandidaatstellingen voor de Nobelprijs Literatuur 2015 u hebben bereikt. Al zo'n 259 in totaal lees ik hier, waarvan u er kennelijk echter slechts 198 weerhouden heeft - ach ja, we kennen dat, bij elke literaire wedstrijd zijn er wel een aantal dilettanten die, het ontbreken van elk talent ten spijt, menen hun kandidatuur te moeten stellen: groot gelijk hebt u dat u zulke volkomen kansloze kwibussen meteen genadeloos elimineert. Verder lees ik in de doorgaans vooringenomen mainstream-pers dat u deze groslijst in april zult uitdunnen tot een longlist van maximaal 20 schrijvers, die u dan in mei nogmaals zal inkorten tot een shortlist van 5 gegadigden. Wat een gedoe zeg! Om alle nutteloze omwegerij te vermijden, wil ik u vriendelijk verzoeken aan het mei-lijstje van vijf namen de mijne toe te voegen. Waar er plek is voor vijf, is er ook plaats voor zes zou ik zo denken, en mocht dat echt niet te verhapstukken zijn, gooit u er dan de een of andere Iraniër, Somaliër, Talibaniër of Noord-Koreaan weer uit, die hebben daar immers allemaal geen benul van en mogen in geval van overwinning hun prijs toch niet komen ophalen.
Misschien een kleine toelichting waarom mijn nederig persoontje veruit het meest in aanmerking komt om de Nobelprijs Literatuur van dit jaar in ontvangst te nemen? Goede wijn behoeft geen krans, ik weet het wel, maar in een tijd waarin zelfs vonnissen van assisenhoven gemotiveerd moeten worden, lijkt het me opportuun u alvast enige argumenten te bezorgen met het oog op een met degelijke argumenten onderbouwd juryrapport. 
Welaan dan, in de eerste plaats heb ik de geschikte leeftijd om als Nobelprijswinnaar de internationale media binnen te treden: nog niet fysiek afgetakeld en geestelijk dementerend, zoals dat met menig winnaar of winnares uit het verleden al eens het geval placht te zijn (hetgeen vanzelfsprekend nefast was voor de perceptie van de Schone Letteren bij onze hedendaagse jeugd), maar uiteraard ook niet té jong (zodat diezelfde jongelui de Nobelprijs Literatuur niet gaan verwarren met de JIM-Awards - de Jimmies dus - of de Junior Eurosong).
Wat verder nog het vraagstuk der media-perceptie betreft: ik heb reeds gemerkt dat de eerste verschijning van nieuwbakken Nobelprijs-winnaars in de beeldende pers gewoontegetrouw plaatsgrijpt in hun voortuintje en met de gevel van hun woning op de achtergrond, alwaar zij dan hun grote verbazing uitspreken over het feit dat zij uitverkoren werden (terwijl ze zich dus, zoals ik nu te weten ben gekomen, al màànden vooraf kandidaat gesteld hadden - een fraai stukje komedie). Welnu, het gelukkige toeval wil dat ik vorig jaar de voorgevel van mijn huis een flinke opknapbeurt heb gegeven, terwijl ook mijn voortuintje in prima staat verkeert… laat ze dus maar komen, de cameraploegen van de tv-stations van all over the world! Ik ben er mentaal, architecturaal en ecologisch helemaal klaar voor. And my English is also free good, dus say a little wordje tot CNN will be a whistle of a cent!
Een zo mogelijk nog doorslaggevender argument om mij dit jaar met de Nobelprijs Literatuur te bedenken is, dat u zodoende nu eens niet - zoals bij alle vorige edities - één van die stoffige roman- of flippende gedichtenschrijvers bekroont, maar een heuse blogschrijver - een beoefenaar van een kersvers, niet-traditioneel literair genre - een vertegenwoordiger van de nieuwe digitale media, jawel! Wat een verfrissende innovatie! Dat aldus de glans van mijn blog Zand in je hand mede op uw Nobelprijs, op uw comité en op gans de Zweedse natie zal afstralen, is u graag gegund (ik sta bekend als een gul mens, ik heb ooit nog eens voor een goed doel een setje van vijf viltstiften gekocht, ze schreven van geen kanten).  
Aangezien u inmiddels ruimschoots begrepen heeft dat mijn kandidatuur veruit de beste is die u bereikt heeft of nog zal bereiken, wil ik graag nog even volgend praktisch detail onder uw aandacht brengen. Naar verluidt is het uw voornemen in oktober a.s. bekend te maken aan wie de prijs wordt toegekend (in dit geval dus aan mij, neem ik geredelijk aan). Graag vernam ik in bijkomende orde van u wanneer het Zijne Majesteit de Koning van Zweden vervolgens zal behagen mij de cheque met de onontbeerlijke pomp and circumstance én een (hopelijk) schandalig hoge financiële bonus, in Stockholm te overhandigen (mocht de koning verhinderd zijn, dan zal ik mij graag tevreden stellen met kroonprinses Victoria, daar maak ik hoegenaamd geen probleem van, ik sta eveneens bekend als een inschikkelijk man).
Waar ik wel uitdrukkelijk wil op wijzen is dat ik, prestigieuze prijs of niet, absoluut niet (lees: niet) van plan ben mijn vege lijf aan een vliegmachien toe te vertrouwen (zelfs al wordt mij in alle toonaarden verzekerd dat dit tijdens zijn vlucht van Brussel naar Stockholm in geen geval het Oekraïense of het Syrische luchtruim zal schenden). Gelieve mij de datum der prijsuitreiking dus ruim vooraf mede te delen, want ik neem mij voor de reis naar Stockholm deels langs oude landwegen, deels met de pakketboot te ondernemen, en dit alles met de nodige ingebouwde rust- en bezinningsmomenten, zoals men dat van een Groot Schrijver mag verwachten. Ook sluit ik niet uit dat mijn echtgenote zich in het vooruitzicht der uitreikingsceremonie misschien nog een nieuwe jurk of dito mantelpakje zal wensen aan te schaffen (by the way: hoeveel bedraagt het Nobelse prijzengeld precies?), of eens extra bij haar kapster zal willen langsgaan. Het is u zeker ook wel bekend dat vrouwen een beetje ijdel zijn". 
Voila, ik heb aan mijn epistel nog wat meeste hoogachting en bij voorbaat dank toegevoegd, en hop, het zaakje is onderweg. Ja, succes valt niet uit de lucht, men moet het een duwtje in de rug geven: dat leert ons de Nobelprijs Literatuur 2015!

Foto: gemaakt door mijn vader, in de tuin van het huis waar ik mijn kinderjaren doorbracht (Beringstraat 16, Boortmeerbeek), in de zomer van 1958. Het tafeltje en het stoeltje die ik hier benut zijn bewaard gebleven. 

zondag 1 februari 2015

Foto


De foto boven deze tekst maakte ik op zaterdagavond 16 augustus 2014 in het Duitse stadje Bingen am Rhein. Ik heb lang geaarzeld vooraleer ik 'm hier plaatste. Want neen, hij staat hier niet als illustratie bij het één of andere verhaal dat ik uit de doeken wil doen, hij is zélf het onderwerp van dit artikel. Ik presenteer hem hier als een artistiek product,  als een staaltje van kunstfotografie. En ja, los van de vraag wat kunst en vervolgens kunstfotografie in 's hemelsnaam dan wel mogen zijn, getuigt het natuurlijk toch (vrees ik) van een zekere zelfingenomenheid om een eigen foto tot inzet te maken van een betoog dat je - eerste verzwarende omstandigheid - zelf schrijft en waarvan - tweede verzwarende omstandigheid - de strekking dan ook nog eens zal zijn dat dit toch wel een leuke en fascinerende foto is!
Gelukkig is daar de momenteel zeer trendy-zijnde Nederlandse filosoof Frank Meester (°1970) die recentelijk, onder andere in zijn boek Zie mij, Filosofie van de ijdelheid (2010), het goed staan met zichzelf helemaal uit het moralistische verdomhoekje heeft gehaald en tot deugd, ja zelfs tot motor der creativiteit heeft verheven. Zijn pleidooi om ons licht niet onder de korenmaat te zetten, en de bijval die hij daar mee oogst, hebben mij over de streep getrokken. En voilà: daar staat hij dan, mijn foto, en hier komt mijn laudatio pro domo - met dank aan Frank Meester (die doceert aan de Haagse Hogeschool, en dus zelfs een beetje een ex-collega is). Laat ik vooraf nog zeggen dat ik dit mijn beste foto van het jaar 2014 vind, alleszins voor zover het mijn kunstfotografische oeuvre betreft.
Wat is er (volgens mij) bijzonder aan deze foto? Hm, laat ik het dan eerst maar eens over de belichting hebben. "Fotograferen is schilderen met licht" heb ik iemand ooit horen zeggen. Dat was nog in de tijd van de analoge fotografie. Sinds de fotografie digitaal is gegaan worden helderheid en contrast meer achteraf, aan de computer, vastgelegd dan op het moment van de opname. Maar toch. Ik maakte mijn foto bij valavond, dus in eerder donkere omstandigheden, en aan die invallende duisternis ben ik niet gaan prutsen. Zij is mijn sterkste wapen om de avondlijke stemming op te roepen, die op haar beurt van nature een zekere weemoedigheid en droefheid aanvoert.
Wat mooi is - maar waar ik als fotograaf geen enkele verdienste aan heb - is, dat deze donkerte zich op de voorgrond situeert, waar mijn personages staan, terwijl in de achtergrond de zon nog even door de wolken breekt en een deel van de stroom en de heuvels van een uit de hemel vallende en dus wat wonderlijke, wat bovennatuurlijk aandoende klaarte voorziet. Zoals gezegd: ik claim dit contrast tussen aards donker en hemels licht niet als verdienste, het werd mij aangeleverd door de omstandigheden. De op het water vallende lichtbundels zorgen er bovendien voor dat mijn personages in tegenlicht komen te staan, hetgeen zeker bijdraagt tot het zwaarmoedige en wat unheimische karakter van de opname. Het geraffineerde spel van donkerte, licht en tegenlicht en de sfeer die deze dans tussen dag en nacht oproept, doen me - excuseer mij de vergelijking - denken aan bepaalde schilderijen van Paul Delvaux en René Magritte (zoals Het rijk der lichten van Magritte of de stationstaferelen van Delvaux).
Wat ik ook leuk (én origineel) vind aan mijn foto is dat "er zoveel op te zien is"! Veel werken der hedendaagse kunstfotografie (en der hedendaagse beeldende kunst tout court) zijn mono-thematisch: ze spitsen zich helemaal toe op één object, vaak zelfs op een detail daarvan, en vergroten dat sterk uit. Prima, kan best boeiend zijn, ik heb het ook wel gedaan, maar hebben we van deze close-up-boer inmiddels niet meer dan genoeg eieren gekocht? Tijd voor een beetje verandering dacht ik, dus waarom eens niet een long shot, zodat er weer wat méér in beeld komt?
En wat is er op mijn foto niet allemaal te zien? Helemaal rechts: het prachtige kunstwerk Kirschen van Bruno Feger (°1962) uit 2011 (zijdelings, waardoor slechts één van beide kersen te zien is). Om eerlijk te zijn: eigenlijk staat het een beetje toevallig op de foto - dat heeft te maken met de historische context waarin de opname tot stand is gekomen en die ik zo meteen toelicht. Met die kersen van Feger staat er een stevige brok materie rechts in beeld: volgens de wetten der harmonie zou men dan links enig gevaarte moeten ontwaren dat de balans van het beeld in evenwicht houdt. Dat staat er dus lekker niet. De twee pratende dames verzachten de pijn der disharmonie slechts lichtelijk, en dat is prima. Want op die linkerzijde, daar loopt het asfaltje dat op de Rijnoever ligt de onbestemde verte in (lichtelijk overdrijvend zou men kunnen zeggen: loopt deze weg de oneindigheid in). Verte, oneindigheid… die verdragen uiteraard geen obstakel, of - u hebt de keuze -  zij vormen het grootste gevaarte dat men maar bedenken kan!
In het midden van het beeld zien wij vier heren die zich verlustigen aan een kijkraam, dat een soort ingekaderd, fotografisch beeld van de Rijn biedt. Ik herinner me dat het een vrij opgewekt - misschien licht aangeschoten - gezelschap was. Waarschijnlijk net getafeld en een stevig wijntje tot zich genomen. De twee (al vermelde) dames links en de twee (nog niet vermelde) dames rechts behoorden ook tot het gezelschap, dat even later, brede adieu-gebaren makend, uiteen ging, netjes geordend in vier gemengde paren (ik durf wedden: elk naar de eigen hotelkamer).
Om het hoofdstuk "compositie" af te sluiten: let u er toch eens even op hoe het metalen hek langsheen de Rijn, de stroom zelf en de heuvels op de andere oever, al de elementen op de voorgrond (het infobord, de twee dames, de vier heren, de twee dames rechts van hen én de kersen van Feger) met elkaar verbinden. 
Een aangelegenheid die mij bij kunst- en andere foto's altijd intrigeert is wat ik de "historische context" van de opname (of eigenlijk: van de fotograaf) zou willen noemen. Daarbij gaat het mij niet enkel om plaats en datum maar ook om de vraag: waarom was de fotograaf net op dat moment net dààr aanwezig? Wat zocht hij daar, wat spookte hij daar uit? Bij veel foto's weten we daar weinig of niets van. In dit geval kan ik het u evenwel geheel onthullen. Ik was die zaterdagavond de 16de augustus van het jaar onzes Heren 2014 in Bingen samen met mijn vrouw, we keerden terug van een reis in het zuiden van Duitsland, een reis in search of Heidegger - of, wat minder literair geformuleerd: een omzwerving waarbij we plaatsen en plaatsjes hadden bezocht die van belang zijn geweest voor de Bildung en het werk van de grote Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976). Met name: Messkirch (waar ik op de Feldweg had gewandeld - én gejogd!), Kreenheinstetten, Beuron, Todtnauberg (de Hütte gefotografeerd natuurlijk) en Konstanz. Omdat de jaren dat ik op één dag vele honderden kilometers met de auto afmaalde ver achter mij liggen (een omstandigheid die ik om andere redenen dan weer zeer betreur), hanteerden we Bingen, zowel bij de heen- als bij de terugreis, als tussenstop tussen onze woonplaats en ons reisgebied. We hadden er een hotel aangetroffen met een zweempje fifties, maar voor het overige voorzien van alle hedendaags confort. 
In de heenreis waren we vanuit Bingen - dat ons natuurlijk bekend was van de middeleeuwse Hildegard (ik ben een fan van haar muziek) - met het veer de Rijn overgestoken naar het (min of meer) tegenovergelegen Rüdesheim: het is een plaatsje waar ik graag kom, omdat de vaak ten onrechte gebruikte uitdrukking "gezellige drukte" naar mijn mening hier nu wel eens echt van toepassing is, maar ook en vooral omdat het me herinnert aan mijn ouders. Zij reisden in Duitsland in de jaren vijftig (ik heb er eerder op dit blog over verteld). Mijn dode ouders liggen op het kerkhof van Boortmeerbeek. In Duitsland vind ik (bij wijze van spreken) mijn levende ouders terug. Mijn ouders van de jaren vijftig: jong, vrolijk, in gezelschap van vrienden.
Bij de terugreis ging alle aandacht van mijn vrouw en mij naar Bingen zelf. Terwijl Rüdesheim afgestemd is op vrolijkheid, Gemütlichkeit en volks toerisme, profileert Bingen zich als stad van kunst en cultuur. We bezochten er het fraai ingerichte Museum am Strom (ja Antwerpen, you're not alone) en ook de driejaarlijkse openlucht-tentoonstelling van hedendaagse beeldhouwkunst, beide op de Rijnoever (waar ze in Bingen een Kulturufer van gemaakt hebben). Hedendaagse kunst, o jee, "dat is nu toevallig één van mijn specialiteiten" (om het met Octaaf De Bolle te zeggen), en dus sloeg ik er uitgebreid aan het fotograferen. Voor een goed begrip: de kersen van Feger (zie eerder) behoorden niet tot de tijdelijke openluchtexpositie, maar hebben hun vaste verblijfplaats in Bingen (ze zijn er na de Skulpturentriennale van 2011 blijven staan). 
En dan, toen ik gestopt was met het fotograferen van enkele mij zeer aansprekende kunstwerken… de avond viel, de lichtomstandigheden waren te slecht geworden… toen viel mijn oog plots op dat gezelschap, opgewekt koutend tussen de onbestemde verte van de Rheinufer enerzijds en de Kirschen van Feger anderzijds, in tegenlicht gezet door de laatste zonnestralen op de achtergrond…


donderdag 1 januari 2015

The King and I


"Elvis Aaron Presley werd geboren te Tupelo, in de staat Mississippi, op 8 januari 1935. Zijn tweelingbroer stierf bij de bevalling, wat misschien een verklaring is voor de bijna passionele genegenheid die Elvis van zijn ouders mocht ondervinden. 
Zijn vader, Vernon, was twee jaar tevoren - toen hij amper zeventien was - getrouwd met de vijftienjarige Gladys. Gladys werd door haar man en later door haar zoon echt op de handen gedragen. De Presleys waren uitermate op elkaar gesteld en vormden in dat opzicht een biezonder gelukkig gezin.
Materieel ging het hen niet voor de wind. Vernon Presley slaagde er niet in om behoorlijk aan de kost te komen zodat Elvis' moeder vaak een of ander gelegenheidskarweitje moest opknappen om het schamele inkomen met een paar dollars te verrijken. Vernon Presley besloot ten slotte om Tupelo te verlaten voor veelbelovender oorden. De familie ging zich vestigen te Memphis, in Tennessee, waar ze enkele kamers huurde in een gore, overbevolkte woonkazerne. (…).
Al heel jong moest Elvis aan den lijve ondervinden wat het betekent arm te zijn en niet eens te kunnen hopen op een betere toekomst. Toen hij zijn ouders op een goeie dag om een fiets vroeg, was het enige wat zijn moeder hem kon geven een tweedehandsgitaar die precies 2,75 dollar kostte: 130 frank". 
Bijbels was ze… de wijze waarop Bert Brem in zijn in 1961 bij de Hasseltse uitgeverij Heideland verschenen pocketboek het levensverhaal van Elvis Presley uit de doeken deed. Een zakelijk-eenvoudig en anekdotisch relaas, maar waarbij je in elke zin voelde dat er méér stond dan er stond, dat er schijnbaar banale maar in feite zeer betekenisvolle gebeurtenissen werden opgedist, die samen de wonderbaarlijke vertelling vormden van de straatarme knaap die - volkomen argeloos - met zang en heupgewiebel uitgroeide tot de god van een nieuw soort muziek en een nieuwe cultuur.
Net als het verhaal van Jezus begon ook het verhaal van Elvis in onooglijke omstandigheden. Toen ik later een foto van Elvis' geboortehuis zag, bleek dat qua allure perfect de vergelijking met de kerststal te kunnen doorstaan. 
En dan kwamen de mirakelen. Nadat Elvis bij de Sun Records Company twee fonoplaatjes had opgenomen - telkens als geschenk voor zijn moeder en op eigen kosten - liet Sun-directeur Sam Phillips hem een contract tekenen en het liedje That's alright mama op kosten van de firma opnemen (dat gebeurde op 5 juli 1954). "Sam Phillips was wel niet zo opgetogen over zijn 'ontdekking', maar als gehaaid zakenman vertrok hij van het principe dat je nooit kunt weten hoe een koe een haas vangt". 
Phillips bezorgde de opname aan zijn naamgenoot Dewey Phillips, die als disc-jockey bij Radio Memphis voortdurend op zoek was naar nieuwe talent.  Die moet ze op 7 juli 1954 ontvangen hebben. "Om halftien dezelfde avond stuurde disc-jockey Phillips Elvis' eersteling langs Radio Memphis de ether in. Vooraf had hij de luisteraars enkele woorden smalende commentaar opgediend: wat ze nu zouden te horen krijgen was een paskwil, die ze vooral niet au sérieux moesten nemen. En toen gebeurde het. It's all right mama was amper uit of het radiostation ontving talloze oproepen om de plaat nog eens op te leggen. Binnen het eerste halfuur kwam er een vloed telegrammen aan, waarin dezelfde wens werd uitgedrukt". Elvis was wereldberoemd… in Memphis.
Een tijd later kreeg hij het bezoek van de legendarische 'kolonel' Parker (die helemaal geen kolonel was, maar - dat weten we nu - een illegaal in de States verblijvende Nederlander): "Ik neem je lot in handen. Je tekent geen enkel contract meer zonder mijn goedvinden. Over een jaar kent heel Amerika je. Ik vraag alleen 10 % commissieloon". Elvis begon aan zijn eerste tournee: "Elvis, die totnogtoe maximum 35 dollar per week had verdiend, kreeg de eerste avond dat hij optrad al 100 dollar (5.000 frank) ereloon. Hij stopte er acht van in zijn portefeuille en stuurde er tweeënnegentig naar zijn moeder met het klassiek gebleven telegram: Mams, betaal direct je schulden. Maar koop voorlopig nog niets, ik weet niet hoe het afloopt".
'Kolonel' Tom Parker wou met Elvis naar Amerika's grootste platenfirma, R.C.A. "Maar Elvis was nog gebonden door zijn contract met de Sun Records. Dan maar onderhandelen, dacht kolonel Parker. Hij wist Sam Phillips ertoe te bewegen Elvis af te staan voor een bedrag van 35.000 dollar: 1.750.000 frank. Op dat moment leek het voor Sam Phillips geen kwade zaak. Achteraf beschouwd, is Elvis toen voor een habbekras verkocht. Elvis' eerste R.C.A.-plaat werd opgenomen op 2 juli 1956. Ze bestond uit twee nummertjes: Don't be cruel en Hound Dog. Tussen die datum en eind '57 heeft R.C.A. niet minder dan vijftig miljoen Presley-platen geperst. De behoefte aan deze platen was zo groot, dat de R.C.A.-productie gedurende een hele tijd uit louter Elvis-platen bestond". 
In de tweede helft van 1956 groeide Elvis Presley uit tot het idool van een nieuwe leeftijdscategorie: de teenagers en de twens. "Intussen krijgt het Rock 'n' Roll-idool gemiddeld veertigduizend brieven per week en moet hij zijn zwembad door een politiekordon laten afzetten want almaardoor komen ontelbare bakvissen bij wijze van souvenir flessen en bekers vullen met het water waarin Elvis gezwommen heeft". Er kwamen gipsen Elvis-bustes en fosforescerende portretten van de jonge god op de markt: "Een uur nadat het licht uit is, begint Elvis' portret te gloeien en wordt de boodschap leesbaar: Warmer dan alles wat warm is"! Ook kon men zich kachelpijpbroeken, kauwgum, chocolade, waspoeder… van het merk "Elvis" aanschaffen. En Elvis-kentekens: "Je kunt insignes kopen met de slogan I like Elvis. Zoals je ook broches kunt krijgen met de contra-slogan I hate Elvis. Als je maar weet dat zowel de ene als de andere door Elvis' commerciële adviseur op de markt worden gebracht, zodat Elvis zelfs munt slaat uit de afkeer die hij bij sommigen opwekt", aldus Bert Brem.
In werkelijkheid heette die Bert Brem overigens niet Bert Brem, zo'n naam klinkt te mooi om waar te zijn. Het ging om een pseudoniem van de journalist Jef Anthierens (Brugge, 1925 - Brussel, 1999), anno 1961 hoofdredacteur van het (toen nog politiek-neutrale en zeer succesvolle) radio- en televisieweekblad Humo.
Ook zal ik de Elvis-pocket niet in het jaar van verschijnen gelezen hebben, maar enkele jaren later. Ik kocht hem op een boekenbeurs gehouden in mijn middelbare school, in het najaar van… ik gok op 1965, maar het kan ook een jaartje eerder of later zijn geweest. Tot teleurstelling van mijn leraar Nederlands overigens, die liever had gezien dat ik mij bij mijn aankopen tot de ernstige literatuur had beperkt… Elvis Presley sprak in die dagen echter meer tot mijn verbeelding dan Jos Vandeloo, Ward Ruyslinck of Hubert Lampo - en nu, zoveel culturele bagage en levenswijsheid rijker, kan ik met tegendraads genoegen besluiten: ik had toen helemaal gelijk! Want Elvis was (en is) The King,  de grootste performer ooit, de hoogste ster aan het firmament van de amusementsmuziek. Vóór ik met mijn ouders verhuisde naar onze nieuwe "villa" - dat gebeurde in de zomer van 1964 - had ik al een grote poster van hem op mijn slaapkamer hangen. Die poster heb ik (gelukkig) nog, mijn literaire boeken uit die tijd heb ik al lang geleden weggegeven. Ze behoorden niet tot het cultureel werelderfgoed, Elvis wél. Zijn levensverhaal is grootser en boeiender dan welke gesubsidieerde knutselliteratuur ook.
Met zijn eerste rijkdom deed Elvis zichzelf een auto cadeau: een roze Cadillac. "Zijn moeder vertelde later dat hij een halve nacht lang de wagen had liggen bewonderen uit zijn open raam. Bij het eerste morgenkrieken trapte hij op het gaspedaal en klapte met een vorstelijke zwaai het portier van 'zijn' wagen dicht. Even later stopte hij voor een bloemenzaak, waar hij traditiegetrouw een boeketje kocht voor zijn moeder.
Daar knoopte hij een gesprek aan met een jongedame die naar Texarkana toe moest. Elvis wou deze unieke gelegenheid niet laten ontsnappen om eventjes op te scheppen over zijn kersverse slee. Hij zou het meisje wel wegbrengen.
Zoals vele gloednieuwe wagenbezitters kon Elvis niet weerstaan aan de drang om de andere auto's als een rukwind voorbij te schieten. Op een bepaald moment haalden ze een autobus in, die echter alles in het werk stelde om bij te blijven en opeens begon te claxoneren voor het vaderland weg. Elvis lachte: 'De man is jaloers'. 
Maar de autobus bleef aandringen. Het getoeter werd zo opdringerig dat Elvis toch maar besloot om even een blik te werpen in de spiegel. In plaats van het lawaaierig vehikel zag hij alleen een dichte rookwolk. En toen werden ze allebei de brandlucht gewaar. Elvis' wagen had vuur gevat… De Cadillac kwam met gillende remmen tot stilstand en het meisje wipte er hals over kop uit.
Elvis bleef zitten. Hij wou maar niet geloven dat zijn nieuwe wagen, zijn allereerste bezit, de vernieling nabij was en probeerde uit te maken waar de brandhaard zat. Intussen was de autobus gestopt en sleurden enkele passagiers de half verdwaasde Elvis uit de val. Volkomen ontredderd moest hij toezien hoe zijn liefste bezit voor zijn ogen door het vuur werd verteerd.
Het heeft verscheidene dagen geduurd voor hij de klap te boven kwam. Ook al kon hij meteen een nieuwe Cadillac kopen, hij was sterk onder de indruk van deze gebeurtenis. Zijn hele leven had hij er van gedroomd om ooit eens zijn eigen auto te bezitten. Voor hem had deze aankoop meer betekend dan de aanschaffing van een wagen. Het was het definitieve adieu aan een leven vol ontberingen en onvervulde verlangens". 
Kort na dit dramatische voorval kocht Elvis één na één zes nieuwe Cadillacs. Zo neemt men wraak op het noodlot - een beetje toch, want de eerste roze Cadillac komt natuurlijk nooit meer terug. (De nu op Elvis' landgoed Graceland tentoongestelde pink Cadillac is dus niet zijn eerste. Volgens de Wikipedia heeft Elvis zich in de loop van zijn leven ruim 200 auto's aangeschaft, waaronder zo'n 100 Cadillacs).
Op 8 januari 2015 zou Elvis Presley tachtig zijn geworden... als hij niet in augustus 1977 overleden was. Ik was toen op reis in Afrika, heb zijn dood pas bij mijn terugkeer vernomen. Maar, zoals Luc De Vos (1962-2014) het treffend verwoordde: "sterren komen, sterren gaan. Alleen Elvis blijft bestaan". Zo is het. Elvis forever! 

BERT BREM (Karel Anthierens), Elvis Presley, Analyse van een fenomeen, reeks Vlaamse Pockets, nr. 34, uitgeverij Heideland, Hasselt, 1961.

Elvis anno 1956 in de show van (een toen zieke) Ed Sullivan… (met de quote "As a great philosopher once said…"):  https://www.youtube.com/watch?v=SdDIKONSDUM

vrijdag 27 december 2013

Witte muizen


Op oudejaarsdag gingen we "koeken zingen" - ik spreek over mijn kinderjaren, de late fifties, de vroege sixties. Dat de officiële term eigenlijk "nieuwjaarszingen" was, en dat dit folkloristisch gebruik niet enkel in mijn dorp (Boortmeerbeek) maar ook elders werd beoefend, daar had ik in dat tijdperk van zalige argeloosheid geen benul van, en het had ook geen enkel belang.
Al van kort na mijn eigen koeken-zingen-jaren hoorde ik her en der verkondigen dat het met de aloude traditie bergaf ging, dat er jaar-na-jaar minder nieuwjaarszangers opdaagden, en dat dit heel begrijpelijk was, want ach, met al die welvaart die er gekomen was… wat zouden kinderen in godsnaam nog malen om enkele koeken. Het moet nu zo stilaan een kleine halve eeuw geleden zijn dat ik dit klaaglied om de teleurgang van het koeken-zingen voor het eerst hoorde aanheffen… ik heb er in recente tijden zelf (ik beken het ruiterlijk) op deze plaats aan meegedaan (zie mijn blogtekst Winterfeesten van 16 december 2011)… en toch wordt er in ons dorp nog steeds aan "koeken zingen" gedaan!
Wel moet ik vaststellen dat de regels van het traditionele koeken-zingen door de hedendaagse jeugd niet tot in al hun volkskundige finesses worden nageleefd. Dus lijkt het me geen overbodige zaak hier nog eens uiteen te zetten hoe wij het destijds deden, en hoe het dus hoort.
In de regel trekt men in het gezelschap van één of twee leeftijdgenoten langs de deuren. Een jonger broertje of zusje dat door de ouders wordt "meegegeven" dient getolereerd - het is tenslotte net Kerstmis geweest, dus moet men nog wat van goede wil zijn. Zo zeker als wat begint het ding al na enkele straten te zeuren over "moe", "kou" of "zere voeten": geef het, indien de gelegenheid zich voordoet, bij een toevallig op de route wonend familielid in bewaring. Anders zit er niets anders op dan het persoonlijk naar huis te brengen, hetgeen uiteraard met kostbaar tijdverlies gepaard gaat.
Het liedje dat wij aan de deuren zongen was - en is nog steeds, zo stel ik telkenjare met heimelijk genoegen vast: "Oud jaar, nieuw jaar / Twee koeken is een paar / 'k Wens gelukkig Nieuwejaar". Zeer af en toe hoorde men wel eens een langer en wat gecompliceerder wijsje: "Nieuwejaarke zoete / Ons varken heeft vier voeten / Vier voeten en ne staart / Is dat genen appel waard?".
In tegenstelling tot wat dat varken in het vers zou doen geloven, waren het geenszins boerenzonen en -dochters die dit alternatieve zangstuk ten gehore brachten, maar eerder kinderen van wie de ouders in het Davidsfonds of de parochiale werken of iets daaromtrent actief waren, en die meenden origineel uit de hoek te moeten komen, en het koekenpaar beneden hun stand vonden. Dat was tenminste mijn indruk, toen. Wij hielden het bij de "twee koeken is een paar", kort en goed en democratisch, en het schoot op.
De beloning bestond in de regel uit twee koeken. Om de traditie voor de volle honderd percent getrouw te zijn moeten het, meen ik ooit eens ergens gehoord te hebben, eigenlijk petits beurres zijn, maar daar ga ik nu niet moeilijk over doen, al dient gezegd dat sommige mensen ons met wel zéér goedkope en zéér gesuikerde en gifkleurige rommel opzadelden.
Bij "bekenden" - buren, familie, kennissen - kreeg je een extra, bovenop de koeken: meestal één of twee mandarijntjes, soms "ne cent" (een muntstuk), heel soms dit alles tegelijk. Gelet op deze "ons-kent-ons"-geplogenheid verdiende het aanbeveling om er met z'n tweeën - hooguit z'n drieën - op uit te trekken, want met een gering aantal kinderen voor de deur maakte de "gever" veelal geen onderscheid tussen degene die hij supplementair wou begunstigen en zijn compagnon. Met een invasie van vijf of zes zangers, bracht je de "bekende" echter in een lastig parket, want de voorkeursbehandeling was uiteraard slechts berekend op kleine aantallen. In zo'n geval kon het gebeuren dat de "bekende" je niet kende.
Belangrijke tussenopmerking: in Boortmeerbeek werden en worden uitsluitend koeken (in de ruime zin des woords) gegeven - géén geld (behalve, zoals uitgelegd, in uitzonderlijke gevallen, als extraatje voor eigen volk).
De koeken werden door de "gever" in de grote witte linnen zak gestopt die je - met een lint rond je hals - op je buik droeg. Je hielp de weldoener een handje door je buidel lichtjes - behulpzaam, niet hebberig - te openen.
Met deze linnen koeken-zingen-buideltassen zijn we op een wat pijnlijke plek in ons verhaal beland. Mijn kinderen, ja, die hadden er nog, toen ze in de eighties en de nineties het pad van het koeken-zingen opgingen - dankzij het historisch bewustzijn, de zin voor traditie en de naaivaardigheid van hun moeder. Maar zij behoorden tot de uitzonderingen, want het moet ook al van kort na mijn eigen koeken-zingen-jaren zijn, dat de authentieke linnen zakken uit het oudejaarsdag-straatbeeld verdwenen, en uit gemakzucht vervangen werden door van die zielige plastic winkeltassen uit de supermarkt - je kan ze niet eens parmantig op je buik hangen, maar moet ze in de hand houden ("Annie, hou jij me tassie effe vast…"). Kijk, ik zeg niet dat vroeger alles beter was, maar op vlak van stijl zijn we er de afgelopen halve eeuw wis en waarachtig toch niet op vooruitgegaan - en wie daar een voorbeeld van wil, wel hier hebt u er één!
Hedendaagse kinderen bellen eerst aan, wachten tot de deur opengaat, en zingen dan hun liedje. In mijn kinderjaren liepen er zoveel zangertjes langs de straat dat de deuren nooit dicht gingen: aanbellen hoefde niet, wij dreunden meteen ons "oud jaar, nieuw jaar…" af. Stond je toch voor een gesloten deur, dan kon je er donder op zeggen dat die dicht zou blijven. Pro forma belden we dan aan - zodat men ons geen procedurefout in de schoenen kon schuiven - maar al snel hieven we ongenadig en luidkeels het speciaal op deze omstandigheden afgestemde schimplied aan: "Hoog huis, laag huis / Er zit een gierige pin in huis"! Bijna altijd ging het om een onbewoond pand.
Belangrijke slotopmerking: het koeken-zingen was en is strikt beperkt tot de voormiddag.  Om 13 uur is het onherroepelijk afgelopen, dan gaat geen deur meer open, al kweelt men een complete cantatejaargang van Johann Sebastian Bach op de stoep. Mechelse Marokkaantjes, die het koeken-zingen pas ontdekt hadden, hebben enkele jaren geleden wel beproefd om in de voormiddag in dorp A en in de namiddag in het aangrenzende dorp B te gaan kwinkeleren, maar die vlieger is niet opgegaan, en ik heb de indruk dat ze de traditie van het koeken-zingen inmiddels geheel uit hun inburgeringstraject hebben geschrapt.
Oudejaarsavond vierden mijn ouders met enkele bevriende echtparen. Ik moest op logement bij mijn groottante Emma in Mechelen - die mij verwende, hetgeen echter niet in het minst belette dat zwaar heimwee mij overviel. (Omdat ik over deze logeerpartijen zoveel misbaar maakte, werd ik bij soortgelijke ouderlijke afwezigheden ook wel eens thuis onder de hoede van mijn grootmoeder-langs-vaderskant gesteld).
Slechts één materiële bron herinnert nog aan die oudejaarsavondfeestjes van mijn ouders en hun vrienden: een fonoplaat, speciaal voor de gelegenheid gekocht in ik-weet-niet-welk-jaar - in elk geval hadden wij thuis nog geen platenspeler, het moet dus vóór mei 1961 zijn geweest - met daarop De Grote Feestpotpourri, uitgevoerd door het orkest van Tony Vess. Een langspeelplaat.
Een foto van de hoes heb ik boven deze tekst gezet. Men kan zien dat de maker van de cover zich ruimschoots heeft geïnspireerd op het schilderij De bruiloftsdans van Pieter Bruegel (de Oude) uit 1566. Pittig detail: dit werk hangt in het Institute of Arts van Detroit. Detroit…? Ja, de stad in Michigan, in het Noord-Oosten van de Verenigde Staten, ooit het hart van de Amerikaanse auto-industrie, tevens bakermat van het legendarische fonoplatenmerk Motown… En inderdaad: ook de stad die onlangs failliet is gegaan! Om de schuld van achttien miljard dollar te delgen wordt momenteel overwogen om Bruegels Bruiloftsdans - en andere kunstwerken, destijds met geld van de stad aangekocht - van de hand te doen…
In zekere zin kan De Grote Feestpotpourri als een voorloper van het karaoke-fenomeen worden beschouwd. De twee instrumentale medley's van het Tony Vess-orkest - één aan beide kanten van de plaat - bestaan uit volkse, in die tijd in het Vlaamse land zeer gekende deuntjes. Het waren schlagers uit de jaren vijftig die zich uitstekend leenden tot meezingen (en tot het dansen van de polonaise).
Zulke potpourri's van vrolijke wijsjes - aaneenrijgingen, waarin de liedjes nooit in hun geheel maar slechts gedeeltelijk werden uitgevoerd - waren in die tijd zeer populair en werden door orkesten (en orkestjes) veelvuldig uitgevoerd op kermissen en feesten.
Afgaande op de vage echo's die mij achteraf bereikten, moet er op die oudejaarsavondfeesten van mijn ouders en hun vrienden veel plezier zijn gemaakt. Eén van de hoogtepunten was de verloting van "de pakjes". Iedereen had er één meegebracht en kreeg door het lot dat van een ander toegewezen, het is een bekend recept. De inhoud moest verrassend, mocht vooral niet ernstig zijn. Eén keer staken bij het openen van zo'n pakje twee levende palingen de kop op… Het krijsen der dames moet tot in de zeer wijde omtrek te horen zijn geweest. 
Natuurlijk geeft het gebruik van dieren voor zulke grappen geen pas, laat ik daar glashelder over zijn - ik ben een fan van Gaia, al jarenlang is Michel Vandenbosch steevast mijn man van het jaar, hij komt op voor de levende wezens die op aarde het meest verdrukt, mishandeld en vermoord worden: de dieren. Maar goed, laten we zeggen dat de sensibiliteit op dit vlak in de jaren vijftig bij veel mensen niet of weinig ontwikkeld was - en daar meteen aan toevoegen dat het jammer genoeg ook in onze tijd velen ontbreekt aan inlevingsvermogen ten opzichte van het dierenleven en -leed.
En ja, ik moet toegeven, één keer heeft die ruwheid van zeden mij destijds ook wel in de kaart gespeeld. Kwam het pakje van dezelfde persoon? Had het succes van zijn palingen hem ertoe aangezet het opnieuw op de toer van de levende dieren te gooien? Wat er ook van zij: op één van die oudejaarsavondfeesten lootte mijn moeder een pakje met… een paar witte muizen! Zou het eind 1959 zijn geweest? Of eind 1960?
In elk geval verscheen in de loop van het schooljaar 1960-1961 - ik zat in het laatste jaar van de lagere school - in het leerlingentijdschrift van het Keerbergse atheneum een opstel van mijn hand, met als titel Mijn muizenpaartje. Samen met mijn relaas over onze schooluitstap naar de General Motors-fabriek in Antwerpen op 20 december 1960 (zie mijn blogstuk General Motors van 14 december 2012) behoort dit Muizen-opstel tot mijn eerste publicaties! 
Helaas kan ik niet meer achterhalen of Mijn muizenpaartje chronologisch vóór dan wel na mijn General Motors-reportage te situeren valt. Voor een goed begrip: ik besliste niet zelf om die geschriften aan de redactie van de schoolkrant te bezorgen, dat deed mijn onderwijzer. 
Met permissie gezegd: heden ten dage vind ik mijn Muizenpaartje toch een ietwat melige uiteenzetting. Maar ik zal u zelf laten oordelen. Eerst het verhaal over hoe de muizen mij via mijn moeder ten deel waren gevallen…
"In een klein glazen aquarium heb ik thuis twee witte muisjes. Hoe die bij ons zijn gekomen? Wel, gans onverwachts! Mijn ouders waren Nieuwjaar gaan vieren en volgens gewoonte werden er pakjes verloot. Toen mijn moeder koortsachtig en nieuwsgierig haar pakje opende, liet ze plots een gil van verrassing en angst! Twee witte muisjes waren uit het doosje gewipt!".
Volgens mijn opstel had ik mijn muizen de namen "Tonny (sic) en Teddy" gegeven, maar daar geloof ik niet veel van, ik denk dat het hier een louter literaire (naar mijn huidige smaak: gekunstelde) opleuking der zaak betrof! 
Na een beschrijving van de diertjes ("… een spits snuitje dat voortdurend in beweging is") en hun eetgewoonten ("iedere morgen geef ik ze te eten, melk of wat brood") volgde dan het relaas van enkele (waarachtig beleefde) muizen-avonturen …   
"Op een avond, wij zaten allen rustig te lezen, was er plots groot alarm in mijn vogelkooitje. Wat was er aan de hand? Mijn kanarie zat op zijn bovenste stokje, de bek wijdopen en riep maar steeds: "Piet! Piet!". Hij was woedend! Groot was mijn verbazing toen ik een der muizen in mijn vogelkooitje zag rondtrippelen. Hij had een nieuwe lekkernij ontdekt: vogelzaad! Sedertdien gaan mijn muisjes bijna dagelijks op bezoek. Soms breken er dan in mijn dierentuin hevige gevechten los.
Op een morgen sloeg mijn vader alarm: er was een muis verdwenen! Overal gezocht… nergens te vinden! Toen ik mijn schoenen aandeed om naar school te gaan, vond ik de oplossing. Daar zat mietje muis zowaar verscholen in mijn schoen.
Op een mooie lentedag was er weer een drukte van belang in het muizennest.  Wat was er nu weer aan de hand? Enkele dagen later slaakte ik een kreet van verbazing. In een klein nestje, verborgen achter het zaagmeel, ontdekte ik niet minder dan acht kleine pasgeboren muisjes! Ze hadden een zacht roos velletje, net kleine biggetjes.  Ze deden "Piep, piep!" toen ik ze zachtjes met mijn vinger aanraakte. Later kregen zij stilaan een witte vacht. Deze muisjes heb ik ten geschenke gegeven aan familie en vrienden".
Ik hoop dat ze er goed voor gezorgd hebben, maar ik heb zo mijn twijfels.

vrijdag 20 december 2013

Tweedracht


Laat ik de etappe in de Boortmeerbeekse dorpsgeschiedenis die ik vandaag wil afleggen aanvatten in de achter de dorpskerk gelegen herberg Het Brouwershuis. Op de foto boven deze tekst is dit het imposante gebouw in het midden. Rechts zien we het oude gemeentehuis van Boortmeerbeek: neen, niet het huidige politiekantoor dat van 1923 tot 1987 ons raadhuis was, en dat de Boortmeerbekenaren nu als "het oud gemeentehuis" bestempelen, maar de voorganger daarvan, die in de vreselijke zomer van 1914 tijdens de Duitse inval werd verwoest. Dat dit "oudste" gemeentehuis - waarin ook de gemeentelijke jongensschool huisde - op de foto voorkomt, bewijst dat deze van vóór de Eerste Wereldoorlog dateert.
Het Brouwershuis bestaat nog steeds, maar is - zoals zoveel in ons dorp - niet meer wat het geweest is. Het moet dateren van rond 1875, het jaar waarin  - misschien binnen zijn muren - de eerste Boortmeerbeekse fanfare - "Onder Ons" - werd gesticht. Alleszins heeft die er gedurende haar hele bestaan een warme thuishaven gevonden.
Het Brouwershuis werd gebouwd door Adolf De Keyser. Om een zelfs vroeger al vergeten reden werd die man "de notoor" genoemd - wat dialect is voor notaris, hetgeen hij echter geenszins was.
Naast het café omvatte Het Brouwershuis op het gelijkvloers ook een zaal, kennelijk bedoeld voor feesten (want geflankeerd door een ruime achterliggende keuken), maar jarenlang ook in gebruik als biljartzaal - én een winkel (in mijn kinderjaren: van ijzerwaren, ik ben er ooit nog nagels wezen kopen).
De gehele eerste verdieping van het Brouwershuis werd ingenomen door een pracht van een balzaal, waar orgels en orkesten en vedetten voor ambiance en plezier hebben gezorgd… waar hossende kadrils, wervelende walsen, zwoele tango's, opwindende swings en Rock and Rolls zijn gedanst… waar harten verliefd en gebroken zijn geworden… nu helaas buiten gebruik - ik heb het over de zaal - naar verluidt om reden van brandveiligheid. Ooit waren Pit Storms en zijn Zwervers er het huisorkest (in de fifties) en gingen pubermeisjes er sentimenteel onderuit voor Clark Richard and his Tropical Stars (in de sixties). Het Brouwershuis: een eeuw Boortmeerbeeks uitgaansleven.
In datzelfde Brouwershuis moet het geweest zijn dat - in het laatste decennium van de negentiende eeuw - de nog vrij jonge dokter Eugène Van Gorp (geboren 1863, arts geworden aan de Leuvense universiteit in 1889) en zijn neef en boezemvriend Jules Wouters (geboren 1867) hun Java-plan smeedden. Dat ze vaak in Het Brouwershuis kwamen lag voor de hand: eigenaar en uitbater Adolf De Keyser, "de notaris", was hun oom (hij was een broer van hun moeders). 
De dit jaar overleden Boortmeerbeekse (Heverse) heemkundige Georges Wouters (°1925) had in eigen familiekring nog een echo opgevangen van de "maandenlange en minutieuze" voorbereidingen die dokter Van Gorp en Jules Wouters zich hadden getroost… "Als knaap heb ik dat tientallen keren door mijn tante Aline (dochter van 'de notaris'), die het allemaal meemaakte, horen vertellen", schreef hij (in 1988). "Als kind kon ik geïnteresseerd en zwijgend (ze merkten mijn aandacht zelfs niet op) naar grote mensen luisteren. Thans schijnt dat niet meer te kunnen".
Het Java-plan was groots en vermetel: Jules Wouters zou met een kapitaaltje van de families Wouters en Van Gorp naar het Zuid-Oost-Aziatische eiland Java trekken, en het daar, door olie-winning, verveelvoudigen: zie mijn blogtekst Java van vorige week (13 december 2013).
Eugène Van Gorp en Jules Wouters waren opgegroeid in een bevoorrechte familiale situatie: Eugène als oudste nakomeling van de bemiddelde boer Edouard Van Gorp, Juul als oudste zoon van de op zakelijk vlak zeer geslaagde brouwerijbaas Theofiel (Théophile) Wouters (zie mijn blogstukje Theofiel Wouters van 24 mei 2013). 
Dokter Eugène Van Gorp - in familiekring "onze Jeun" genoemd - was schrander van geest en wist van aanpakken. Jules Wouters was avontuurlijk aangelegd en zo mogelijk uit nog harder hout gesneden. Ook aan de vriendschap en de onverschrokkenheid van de beide mannen bewaarde geschiedschrijver Georges Wouters een herinnering uit de eerste hand. Georges (anno 1989): "Omdat hij als verwende zoon van zeer welstellende ouders thuis vermoedelijk niet veel uit te richten had, vergezelde hij (Jules Wouters) de jonge dokter (Eugène Van Gorp) op bijna al diens ziekenbezoeken per koets. Hij oefende niet alleen de functie van koetsier uit maar was nog veel nuttiger. In die tijd verrichtte een bekwaam dokter immers zelf vele kleine operaties in de woningen van de patiënten. Dat gebeurde allemaal zonder veel verdoving en de harde en sterke Juul moest de patiënten dan stevig vasthouden zodat ze niet konden verroeren en de dokter niet hinderen bij zijn delicaat precisiewerk. Dat gebeurde ondermeer bij mijn grootouders Felix Van Eersel - Maria Van der Seypen. Hun in 1888 geboren oudste zoontje kreeg op 3-jarige leeftijd de kroep. De er in alle haast, doch veel te laat (dat gebeurde toen courant) nog bijgeroepen dokter Van Gorp probeerde het door Juul vastgehouden kleintje nog te redden door een operatie ter plaatse. Het kon niet meer baten en het knaapje bleef er in. (…). Die ultieme reddingspoging moet werkelijk zielig en hartroerend geweest zijn want minstens honderdmaal heb ik grootmoeder al wenend het verhaal horen vertellen en dan nog zoveel jaren later. Tijdens haar laatste levensnacht, dat was 67 jaar na het gebeurde, heeft ze onafgebroken de naam van het knaapje geroepen".
Het Java-plan liep faliekant af. Jules Wouters schoot er al het uit Boortmeerbeek meegenomen geld én zijn leven bij in. In juli 1898 werd de Indische Oceaan hem tot laatste rustplaats.
Het belang, de betekenis van een historisch feit wordt in de regel bepaald, niet door het gebeuren zelf, maar door zijn gevolgen. Hoe tragisch ook, Jules' onzalige Java-wedervaren had een fait-divers kunnen zijn en blijven. Het verhaal van een mislukking, punt. Ware het niet dat het - onverwacht eigenlijk - zware en verstrekkende gevolgen had. Die het tot échte geschiedenis maakten. Op Boortmeerbeeks niveau natuurlijk, alles is relatief.
Vader Wouters - "den brouwer" - werd uiteraard door de dood van zijn zoon bijzonder zwaar getroffen. Hij had zijn bedenkingen bij de rol die zijn neef Eugène Van Gorp in het Java-debacle had gespeeld. Was de dokter misschien de inspirator van het project geweest? In elk geval had hij het met de volle inzet van zijn verstand, zijn energie én zijn geldelijke middelen gesteund - terwijl vader Wouters zijn harde best had gedaan om zoon Jules de veel te riskante zaak uit het onbezonnen hoofd te praten. Pas na veel aandringen was hij, tegen heug en meug, met kapitaal over de brug gekomen.
Mogelijk speelde in vader Wouters' ressentiment tegenover dokter Van Gorp nog een oudere pijn mee: het feit dat de dokter de vier huwbare dochters van de brouwerijbaas was voorbijgelopen, en in juli 1895 zijn beloftevolle toekomst had geschonken aan de dochter van een Kampenhoutse notarisklerk (weliswaar ook nog verwant met "den brouwer", maar van ver).
De wrok van brouwer - en bewoner van het landgoed Audenhoven - Theofiel Wouters tegenover dokter Van Gorp vond weldra haar gelijke in deze van de Van Gorpen tegenover de Woutersen.
Had de familie Van Gorp haar twijfels over de wijze waarop Jules Wouters op Java met haar geld was omgesprongen? In elk geval vond boer Edouard Van Gorp dat brouwerijbaas Wouters het kapitaal dat de Van Gorpen met Jules Wouters hadden meegegeven, moest terugbetalen. (Ik heb dat altijd een vreemde redenering gevonden - wie geld belegt loopt nu eenmaal het risico het kwijt te raken - maar heb bij twee nazaten van vader Van Gorp moeten vaststellen dat die de vraag van hun grootvader toch als zeer redelijk beschouwden).
Brouwer Wouters dacht er niet aan met geld over de brug te komen. Ook toen vader Van Gorp zijn vordering milderde en niet meer zijn eigen investering maar nog enkel die van "onze Jeun" terugvroeg, bleef Wouters onvermurwbaar.
Van het één kwam het ander - wat is er allemaal gebeurd, wie zal het zeggen? - en dat ander was in dit geval een diepe vete tussen de Van Gorpen en de Woutersen. De haat ging zo ver dat dokter Van Gorp besloot de oude brouwerijbaas te bekampen op diens eigen terrein: dat van het bier brouwen! "Gij zijt te oud om dokter te worden, maar ik kan nog brouwer worden" zou een driftige Eugène Van Gorp volgens de overlevering zijn oom naar het hoofd hebben geslingerd. Ook dat zou gebeurd zijn in het Brouwershuis.
Het bleken geen ijdele woorden. Eugène Van Gorp voegde er de nodige daden aan toe, en reeds op 4 oktober 1900 werd bij een notaris te Laken de oprichtingsakte van de nieuwe brouwerij, met als naam "L'Ecluse", verleden (later werd het "L'Ecluse / Het Sas"). Dokter Van Gorp was voorzitter van de raad van bestuur, zijn jongere broer Ernest werd de directeur.
Boortmeerbeek moest partij kiezen: Wouters of Van Gorp? De muzikanten van de fanfare "Onder Ons" - waar brouwer Wouters nochtans de voorzitter van was - kozen in meerderheid voor dokter Van Gorp.
De Boortmeerbeekse burgemeester Frans (François)  Brancart koos voor… dokter Van Gorp. Hij was één van de vijf leden van de raad van bestuur van de nieuwe brouwerij. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1903 stond Eugène Van Gorp op zijn kandidatenlijst.
Adolf De Keyser, "de notaris", waard van Het Brouwershuis, schoonbroer van zowel Theofiel Wouters als Edouard Van Gorp - de beide patriarchen waren met een zuster van hem gehuwd - koos voor… dokter Van Gorp.
Merkwaardig toch dat "de gevestigde macht" (brouwer Wouters) het in zo'n sterke mate moest afleggen tegen "de uitdagers" (de Van Gorpen). Uiteraard behield Theofiel Wouters een deel van zijn aanhang - te beginnen met die Boortmeerbekenaren die in zijn brouwerij hun brood verdienden - en zo raakte het dorp verdeeld in twee vijandige "clans", twee gemeentelijke "zuilen" die elkaar het licht in de ogen niet gunden.
Theofiel Wouters overleed op 19 mei 1904. Zijn rol als leider van de Wouters-clan werd overgenomen door de aannemer van timmerwerken Jan Victor Mommens (°1868), in de volksmond "Pinneke Moemmes" genoemd - zo goed als een generatiegenoot van dokter Van Gorp. De "Onder Ons"-muzikanten die niet mee waren gestapt in de keuze voor de Van Gorpen, richtten na de Eerste Wereldoorlog de fanfare "De Moedige Vrienden" op. Op dat moment bezat elke "clan" zijn eigen brouwerij, zijn eigen politieke partij en zijn eigen fanfare. Anders gezegd: elke "zuil" bestond uit een economisch-financiële, een politieke en een sociaal-culturele component. 

Afbeelding: achter de kerk gelegen deel van het Boortmeerbeekse dorpscentrum (met de herberg en danszaal Het Brouwershuis en het gemeentehuis) vóór de Eerste Wereldoorlog, foto op prentbriefkaart, bewerkt.

Voornaamste bronnen: artikel G. WOUTERS, Vervolgreeks: De Boortmeerbeekse herbergen rond de eeuwwisseling, II. Van Freeke (of Vreke) tot bij Suske Perremans, in: Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 2 (1988), nr. 1, blz. 12-37, met name blz. 20-23; artikel F. WOLLEBRANTS, De familie Van Gorp en Boortmeerbeek, in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 2 (1988), nr. 2, blz. 48-67, en in HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 4, nr. 1 (februari 1989), blz. 6-15 en blz. 54-62; artikel G. WOUTERS, Geboorteperikelen van de vroegere brouwerij "Het Sas", in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 3 (1989), nr. 2, blz. 94-98; artikel F. WOLLEBRANTS, De geschiedenis van de Boortmeerbeekse brouwerij "Het Sas", 1900-1967, in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 3 (1989), nr. 3, blz. 122-138, en in HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 4, nr. 3/4 (november 1989), blz. 188-200; artikel J. PEETERS en G. WOUTERS, De samenhang van enkele eertijds belangrijke families te Boortmeerbeek en hun verwezenlijkingen op professioneel vlak, in Heemkring Ravensteyn v.z.w. Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 6 (1992), nr. 2, blz. 84-105.
De artikels die ik in 1988-1989 publiceerde waren hoofdzakelijk gebaseerd op gesprekken met (mijn vader) Oscar Wollebrants (1921-1989), met Adrienne Van Gorp (1903-2003, dochter van dokter Eugène Van Gorp) en met Georges Van Gorp (1904-2003, neef van dokter Van Gorp, zoon van brouwerijdirecteur Ernest Van Gorp).

vrijdag 13 december 2013

Java


Op 12 juli 1898 werd de 30-jarige Boortmeerbekenaar Jules Wouters levenloos aangetroffen aan boord van de pakketboot Sydney. Die bevond zich op dat moment op 5,58 graden noorderbreedte en 81,15 graden oosterlengte. Ik heb het even opgezocht: dat moet in de Indische Oceaan, een eindje ten zuiden van het eiland Sri Lanka (voorheen Ceylon geheten) zijn geweest. Kijkt u het veiligheidshalve maar eens na op een kaart, want aardrijkskunde is nooit mijn sterkste vak geweest, en met name dat gedoe met die lengtes en die breedtes kan ik niet meteen één van de meest genoeglijke ervaringen uit mijn secundair onderwijstijd noemen.
Was Jules Wouters een Boortmeerbeekse jongen die er voor gekozen had als zeeman aan de kost te komen? Geenszins. Hij reisde als eerste klasse-passagier!
Jules was op de Sydney ingescheept in de Engelse kolonie Singapore - maar was middels het kleinere schip La Seyne "aangevoerd" vanuit Batavia, en dat was in die dagen de hoofdstad van het uitgestrekte Nederlandse koloniale rijk in Zuid-Oost-Azië ("Nederlands Indië", Batavia heet nu Jakarta).
Het overlijden van Jules werd officieel vastgesteld om kwart na vier in de namiddag, door de kapitein van de Sydney, Jules Aubert. We kunnen vermoeden dat medepassagiers korte tijd eerder de dode - of misschien nog zieltogende - Boortmeerbekenaar aangetroffen hadden en de kapitein inderhaast naar de plek des onheils was geroepen.
Maar laten we liever niet al te veel vermoeden (alleszins nog niet op dit moment), want het aardige van de gegevens die ik tot nog toe heb opgedist, is nu juist dat ze, geschiedwetenschappelijk gesproken, een hoog zekerheidsgehalte vertonen. En dat in een affaire die aanleiding heeft gegeven tot talloze gissingen, veronderstellingen, ware en onware beweringen - en zodoende tot uren vertel-, gespreks- en roddelplezier bij huiskamerkachels en in cafés. (Even bekroop mij de lust om de dood van Jules Wouters te vergelijken met die van Kennedy of prinses Diana, maar laat ik er geen potje van maken - al zouden er op vlak van legendevorming beslist parallellen te trekken vallen).
De gegevens over de dood-op-zee van Jules Wouters komen uit zijn overlijdensakte, die een aantal jaren geleden spreekwoordelijk boven water werd gehaald door de heemkundigen Jan Peeters en Georges Wouters: geen geringe verdienste, want tot nader order is dit het enige schriftelijke document met betrekking tot de fatale reis van Jules Wouters. En in de geschiedeniswetenschap wordt het betrouwbaarheidsgehalte van geschreven en gedrukte bronnen nu eenmaal hoger ingeschat dan dat van mondelinge getuigenissen - net als aan de cafétoog, waar "het staat in de krant" ook méér indruk maakt dan "die van ons heeft dat horen vertellen bij het kraam van de groentenboer". Overigens staan er ook in kranten en andere schriftelijke bronnen véél misvattingen en abuizen, maak u daar geen illusies over.
Maar goed, in de zaak Jules Wouters lijkt de overlijdensakte - het inhoudelijk meest relevante fragment ervan heb ik als illustratie boven deze tekst gezet - toch een rots in de branding. Voor een goed begrip: wat u ziet is de tekst die in het jaar 1900 - betrekkelijk laat na de feiten dus - in de Boortmeerbeekse registers van de Burgerlijke Stand werd ingeschreven. Door de toenmalige burgemeester Brancart - of om héél accuraat te zijn: die zette er zijn handtekening onder.
In feite deed men op het Boortmeerbeekse gemeentehuis niets meer of minder dan een afschrift maken van de overlijdensakte  die was opgemaakt door de kapitein van de Sydney, en mede-ondertekend door twee van zijn bemanningsleden (de boordcommissaris en de scheepsluitenant). Een kapitein kon in bepaalde omstandigheden aan boord van zijn schip als ambtenaar van de Burgerlijke Stand fungeren en dus een officiële akte opstellen.
Jules had zijn laatste reis aangevat in Batavia. Dat blijkt uit de overlijdensakte en staat redelijkerwijs gesproken dus vast. Batavia lag op Java, destijds het voornaamste en dichtstbevolkte eiland van Nederlands Indië (nu van de staat Indonesië). Op dit punt van mijn verhaal gekomen moet ik ons geschreven document met zijn aura van betrouwbaarheid loslaten, en mij baseren op wat - onder andere ook door mij - over de Jules Wouters-zaak geschreven werd op basis van mondelinge overlevering.
Wat was onze Boortmeerbeekse Jules Wouters zo naar het einde van de negentiende eeuw toe in 's hemelsnaam in het verre Nederlandse Java gaan zoeken?  Hij was geen zeeman, dat weten we al. Een ontdekkings- of plezier-reiziger was hij evenmin. Of misschien ten dele wel, want hij had de reputatie avontuurlijk aangelegd te zijn, en dat moest je ook wel zijn om in die luchtvaartloze tijd naar zo'n afgelegen gebied te reizen. Bovendien is er een variante van zijn verhaal die hem meerdere keren naar Java laat reizen, en in dat geval is het mogelijk dat hij dat een eerste keer als toerist deed. Maar toen hij écht naar Java trok, deed hij dat om er geld te verdienen. Jules was zakenman, ondernemer - of dacht dat hij dat was. Jules ging naar Java om rijk te worden.
Om héél rijk te worden, want gewoon rijk was hij eigenlijk al. Jules Wouters was immers een zoon van de succesvolle Boortmeerbeekse brouwerijbaas Theofiel (Théophile) Wouters, in de Boortmeerbeekse volksmond "den brouwer" genoemd, die door hard werken en naarstig ondernemerschap zulke goede zaken had gedaan dat hij zich een landgoed met kasteel had kunnen kopen - zie mijn blogstukje Theofiel Wouters van 24 mei 2013.
Je zou dan verwachten dat zoon Jules Wouters zich naarmate de negentiende eeuw vorderde en zijn vader ouder werd, geleidelijk in de florerende brouwerijzaken inwerkte, om ten gepasten tijde het leiderschap over te nemen, maar neen, zulk een evolutionaire gang van zaken scheen niet aan de orde te zijn. Kwamen vader en zoon niet al te best overeen? Wou Jules bewijzen dat hij ook zelf fortuin kon vergaren?
In elk geval: Jules vatte het plan op om in Java aan olie-winning te gaan doen. Aardolie en daarvan afgeleide producten als petroleum en benzine werden door doortastende zakenlui in de late negentiende eeuw gezien als de grondstoffen van de toekomst (niet ten onrechte, zoals inmiddels gebleken is). Olie leek het nieuwe goud.
Ik heb me bij het Java-verhaal van Jules Wouters wel eens afgevraagd of het aan het eind van de negentiende eeuw een realistische optie was om met de combinatie Java-en-olie rijk te worden. Het antwoord is onomwonden: ja. Het concrete bewijs trof ik onlangs aan in de korte biografie van de Nederlandse sportman en kunsthistoricus Johann Heinrich Hermann Kessler (1891-1943), zoals die in de Wikipedia wordt geschetst. Ik citeer: "Kessler groeide op in een rijke familie. Zijn vader had met handel in olie op Java zoveel geld verdiend, dat hij en zijn kinderen niet hoefden te werken".
Als Jules Wouters inderdaad de aspiratie koesterde zijn vader in het zaken-doen naar de kroon te steken, dan begon hij toch maar minnetjes: door bij die zelfde vader een kapitaaltje - misschien een voorschot op zijn erfenis - los te pingelen. Vader Wouters zag het Java-avontuur niet zitten - of het nu zijn zoon dan wel zijn centen waren die hij niet graag zag vertrekken laat ik in het midden. Tenslotte kwam hij toch met geld over de brug.
Jules Wouters' boezemvriend én neef - hun moeders waren zussen - dokter Eugène Van Gorp investeerde stevig in de Java-onderneming, en trok bovendien zijn vader, de grote en rijke boer Edouard Van Gorp, over de streep.
Jules Wouters moet uiteindelijk met een flink pak duiten naar Java vertrokken zijn. Wat hij daar uitgericht heeft, wat er hem is overkomen, daar hebben we het raden naar. Hebben malafide figuren hem - zoals hij op zijn terugreis aan medepassagiers zou hebben verteld - opgelicht?  Wat er ook van zij: Jules moest volkomen berooid naar Europa terugkeren, hij was op Java al het geld dat zijn beleggers hem hadden toevertrouwd, kwijtgespeeld. Dàt in Boortmeerbeek te moeten gaan opbiechten, was een te zware opgave. Op dinsdag 12 juli 1898, aan boord van de Sydney, op weg naar huis, stapte Jules uit het leven. 

Afbeelding: fragment van de overlijdensakte van Jules (Julius Hubertus Prosper) Wouters (1867-1898), 1900. Met dank aan Jan Peeters.

Voornaamste bronnen: artikel F. WOLLEBRANTS, De familie Van Gorp en Boortmeerbeek, in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 2 (1988), nr. 2, blz. 48-67, en in HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 4, nr. 1 (februari 1989), blz. 6-15 en blz. 54-62; artikel G. WOUTERS, Geboorteperikelen van de vroegere brouwerij "Het Sas", in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 3 (1989), nr. 2, blz. 94-98; artikel F. WOLLEBRANTS, De geschiedenis van de Boortmeerbeekse brouwerij "Het Sas", 1900-1967, in Heemkring Ravensteyn Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 3 (1989), nr. 3, blz. 122-138, en in HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 4, nr. 3/4 (november 1989), blz. 188-200; artikel J. PEETERS en G. WOUTERS, De samenhang van enkele eertijds belangrijke families te Boortmeerbeek en hun verwezenlijkingen op professioneel vlak, in Heemkring,Ravensteyn v.z.w. Boortmeerbeek (tijdschrift van de gelijknamige vereniging), jg. 6 (1992), nr. 2, blz. 84-105.
De artikels die ik in 1988-1989 publiceerde waren hoofdzakelijk gebaseerd op gesprekken met (mijn vader) Oscar Wollebrants (1921-1989), Adrienne Van Gorp (1903-2003, dochter van dokter Eugène Van Gorp) en Georges Van Gorp (1904-2003, neef van dokter Van Gorp).

vrijdag 6 december 2013

Cruise


Altijd te vinden voor nieuwe en ongewone ervaringen… zag ik een reisje naar Midden-Europa in de (voorbije) novembermaand best zitten.
De Donau bevaren in het desolate, bijna-niemandsland tussen Slowakije en Hongarije,  de vergane glorie van Wenen, Boedapest en Bratislava aanschouwen… het kon haast niet anders of de in literaire middens vaak genoemde droefgeestigheid van Midden-Europa zou prachtig matchen met het sombere novemberweer, en vice versa. Stof voor een blogstukje over het oude Centraal-Europa in a dark and grey november - een tekst vol weemoed, zwaarmoedigheid en mistroostigheid. Dacht ik.
Maar zie, de schrijver wikt, het weer beschikt, en de werkelijkheid dient zich altijd weerbarstig en verrassend aan. Op de eerste dag van onze reis doorkruisen we Duitsland, van het westelijke Keulen tot het zuidoostelijke Passau (op de grens van Beieren en Oostenrijk)… bij stralende zonneschijn!
Net voor Regensburg zien we in de verte een oude vriend liggen: het Walhalla, de indrukwekkende tempel die de Beierse koning Ludwig I liet bouwen en waar hij alle goden van de Europese cultuurgeschiedenis in borstbeeld-vorm in opnam (we bezochten dit pantheon in 2009). Net na Regensburg, het weerzien met een andere oude vriend: de Donau.
De volgende dag: opnieuw mooi, zonnig weer, 's morgens nog vermengd met nevelslierten en laaghangende wolken op de hellingen en in de valleien van Oberösterreich. Via Linz naar Wenen. In de verte: de abdij van Melk. "Wist je dat de verfilming van De naam van de roos daar (deels) haar beslag heeft gekregen?", vraagt mijn vrouw. "Onder andere de bibliotheekscène". Wist ik niet. Je hebt die film toch gezien? Zeker. Het boek van Eco gelezen? Neen, too many words.
We rijden door het Wienerwald: de bomen in bruine, goudgele en warm-rode kleuren - zonbeschenen, Ein goldener Herbst, we beleven een prachtige nazomer in november.
Tegen de middag zijn we in Wenen, bij wijze van introductie maken we een ritje langs de ringweg die de Innere Stadt omspant. Het is 10 november 2013. Wat kan het toeval toch grappig uit de hoek komen: toen de jonge Ludwig Van Beethoven anno 1792 van zijn geboortestad Bonn naar Wenen verhuisde, arriveerde hij daar op… 10 november. Wenen was in die dagen de hoofdstad van een uitgestrekt keizerrijk, de 10de november was een zaterdag en "een grauwe herfstdag". Nu is Wenen de hoofdstad van de kleine republiek Oostenrijk, en de 10de november 2013 een zonnige zondag. Een hele week lang zullen we geen druppel regen krijgen, geen spatje.
Na het middageten gaan we te voet de stad in: de Hofburg, de Heldenplatz, de Stephansdom… De zon trekt zich nu wel snel terug, eerst achter de pompeuze gebouwen, dan helemaal. Het wordt wat killig, al gauw valt de duisternis, rond half vijf al bedekt ze de stad met een mantel van geheimenis. Maar somberheid, niet in het minst, want Wenen ontsteekt zijn lampen: op straat, in de etalages, in Café Mozart en Hotel Sacher… neen, hier kan ik geen depressieve literatuur mee aanmaken. Ik zou de woorden feeëriek en romantisch moeten gebruiken. En dan is de kerstverlichting nog in prille aanbouw.
We schepen in. De boot blijkt eigendom van een rederij uit Straatsburg, de "officiële" talen aan boord zijn Frans en Engels. Heel even doet dat een beetje vreemd aan, de Donau bevaren in het Frans en het Engels - ik had mij op van dat slepende Oostenrijks-Duits ingesteld - maar who cares, zolang we bij tijd en wijle maar wat internationaal taalgebruik tegen ons aan horen klotsen voelen we ons voldoende ontheemd en op reis. Overigens is ons cruise-gezelschap een aantal Antwerpenaren rijk, zodat er de facto drie wereldtalen op het schip zullen weerklinken. En, nog eens overigens: het personeel bestaat grotendeels uit Hongaren. Zij zullen voor de Straatburgse rederij het goedkoopst zijn geweest (vermoed ik).
Onze kajuit valt ruim uit. De verwarming ervan reageert snel en krachtig, geheel naar mijn tevredenheid (en dat wil wat zeggen, want er zijn niet veel verwarmingen in de wereld die dat doen). Prima douche (ook dat is zeldzaam).
Net als de verwarming en de douche functioneert het personeel geheel naar wens. Het kan toeval zijn geweest - te maken hebben met gehad met de ligging van onze kajuit en het parcours van hun werkzaamheden - maar elke morgen slaagden de kamermeisjes er in onze privé-vertrekken op orde te brengen in de tijdspanne waarin wij ons in het restaurant aan het uitgebreide ontbijtbuffet te goed deden. Dus: zonder dat wij ook maar het minst in onze ochtendlijke activiteiten werden gehinderd, noch bij deze die ik vóór het ontbijt uitvoer - douchen en scheren - noch bij deze die ik graag voor na het ontbijt houd - tanden poetsen. Een vorm van tact die ik zeer waardeer - want wat is er nu storender dan een personeelsklop op je deur op het moment dat je je toilet aan het maken bent (wie mij kent weet dat de ochtend in globo het slechtst denkbare moment is om mij te storen).
Ik sla één en ander over. We vaarden (deels tijdens de nachtelijke uren) naar Boedapest, daarna naar Bratislava en weer terug naar Wenen. Onderweg bezochten we Boedapest en Bratislava, nu ja, stadsbezoeken zijn niet mijn ding, ik loop liever door wouden dan door straten (die dan veelal ook nog opengebroken liggen. Waarom toch altijd overal die werken? In Boedapest was het ook weer van dat. Raken die steden nooit eens àf?).
Maar goed, ze hoorden bij het reisprogramma, die stadsbezoeken, mijn vrouw is er dol op, dus ik stiefelde maar mee, fotografeerde hier en daar het standbeeld van een dichter of een voorvechtster voor het meisjesonderwijs. Ik beken: in Boedapest heb ik mij beperkt tot Pest - Boeda heb ik gebrost, mijn vrouw is er met andere leden van ons gezelschap op uitgetrokken, ik ben prinsheerlijk op mijn bed in onze kajuit blijven liggen. 
Een prima formule van reizen, zo'n cruise, bedacht ik. Geen gezeul met valiezen, niet dat Sisyphus-ige steeds weer in- en uitpakken van bagage, je hotelkamer reist gewoon met je mee. Van op je bed zie je (als het schip varende is natuurlijk) de oevers zacht aan je voorbijglijden, als het leven zelf.
Het verblijf aan boord beviel mij uitstekend. Eén en al gezelligheid. Het glimmende koperwerk van de trapleuningen, de spiegeltegeltjes op de plafonds van de bar en het restaurant, en natuurlijk ook de flessen wijn die gul op tafel kwamen… ze hulden je in een sfeer van weldadige luxe. Er was ook een bibliotheek en daarin was zowaar zelfs een Nederlandstalig boek aanwezig - en neen, geen stationsromannetje, maar een lezenswaardig werk over de Donau.
Kort voor het middageten, in de namiddag, en 's avonds liet onze hofmuzikant - euh, ik bedoel scheepsmuzikant - Laszlo Fabian lekker nostalgische muziek uit zijn synthesizer opwellen. Zingen deed hij ook. Mijn echtgenote is jammer genoeg geen danstype, maar op één scheepse dansavond lukte het mij toch haar tot enkele slows en zowaar zelfs tot een paar Rock 'n Rolls te verleiden.
Om bij het scheepspersoneel te blijven… ook in het restaurant en de bar was de service impeccable, zoals ik na afloop op mijn evaluatieformulier heb aangetekend, met toch nog extra félicitations voor de eerder genoemde meisjes van het kameronderhoud.
Wie ik bij mijn beoordeling daarentegen, in m'n beste Frans, en volkomen terecht, onderuit heb gehaald was de kok, die duidelijk geen weet had van de nieuwste gezonde ontwikkelingen in de gastronomie: "menus démodés, trop de viande, trop de matières grasses, de sauces et de sucreries - trop peu de légumes et de crudités". Ja, dat heb ik geschreven, zo ongenadig kan ik zijn. 
Als klap op de vuurpijl was die culinaire onverlaat trouwens ook nog aan komen zetten met foie gras (ganzenlever)!  En dat tijdens het gala-diner, op onze laatste avond aan boord, nét voor het invullen van het genoemde evaluatieformulier - hoe dom kan een mens toch zijn!  "Foie gras = torture des animaux = nourriture barbare" heb ik als uitsmijter aan mijn evaluatieverdict toegevoegd. Voilà, dat zullen ze geweten hebben. Heerlijk, zo eens je gedacht kunnen zeggen.
Later leerde ik dat ik niet de enige cruiser was die aanstoot had genomen aan dat misselijk makende gerecht en het onaangeroerd naar de keuken teruggestuurd had. Tussen haakjes (en met de feestdagen in het verschiet): ganzenlever of foie gras wordt niet enkel bekomen door dierenmishandeling, maar is ook nog eens bijzonder ongezond - de lever is immers het orgaan dat het bloed zuivert van afvalstoffen: hij zit dus, zelfs bij gezonde dieren, vol gif. Bovendien kan de foie gras perfect vervangen worden door het vegetatieve en gezonde product faux gras - te verkrijgen in de bio-shop!
Terug in Wenen. Onze reisorganisatie geeft ons een half dagje vrij, andermaal baadt de stad in de zon, maar mijn vrouw en ik gaan in het Kunsthistorisches Museum live naar Pieter Bruegel kijken. Nergens ter wereld tref je zoveel topstukken van de meester zo dicht bij elkaar: de Nestenrover, de Boerenbruiloft, de Boerendans, de Kinderspelen, de Jagers in de sneeuw, de Sombere dag, het Gevecht tussen Vasten en Vastenavond… Natuurlijk ben ik met die werken van de door mij zeer geliefde Bruegel vertrouwd, maar het is toch heel bijzonder om ze in het echt te zien.
Het wordt middag en we besluiten in het restaurant van het museum een lichte lunch tot ons te nemen. We bestellen elk een broodje met zalm, tien euro per stuk. Ja, voor die prijs verwacht je toch een stevige homp stokbrood met ietwat rijkelijk beleg. De ober - ik kan niet zeggen dat hij vriendelijk is, ook niet dat hij onvriendelijk is, het is gewoonweg een Mann ohne Eigenschaften - brengt ieder van ons een bordje met twee kleine, dunne sneetjes wit brood, waar de korstjes keurig van afgesneden zijn, en een zuinig plakje zalm en enkele kruidensnippers werden ingevoegd. De duurste boterham uit ons leven! Bruegeliaans allesbehalve, Pieterig zeker en vast. Met de drankjes erbij moeten we 28 euro betalen. Mijn vrouw geeft dertig euro, de Mann ohne Eigenschaften vraagt of ze de twee euro wisselgeld wil hebben. Hij blijkt dus toch een karaktertrek te vertonen: een zielige bedelaarsmentaliteit.
In de namiddag bezoeken we - in groepsverband - de abdij van Heiligenkreuz. Ik zie de kans schoon om in ultimo inspiratie op te doen voor een in-triest blogstukje over november in Midden-Europa, want in de Wikipedia heb ik gelezen dat Maria Vetsera (officieel: Marie von Vetsera), de jonge vrouw die - samen met haar minnaar, de Oostenrijkse kroonprins Rudolf - anno 1889 tragisch ten onder ging in het befaamde drama van Mayerling, haar laatste rustplaats vond op het "kloosterkerkhof van Heiligenkreuz". Ik instrueer mijn vrouw niet te vergeten mij bij het graf te fotograferen, en neem mij voor zeer somber in de lens te kijken.
Ter plaatse gekomen blijkt het kerkhof van de abdij echter uitsluitend Cisterciënzermonniken te bevatten. Kennelijk heeft men hun eeuwige rust niet op het spel willen zetten door de mooie Maria Vetsera in hun midden ter aarde te bestellen: haar graf bevindt zich, volgens onze gids, op het dorpskerkhof van Heiligenkreuz - dat ligt zeker een kilometer verderop, en ja, daar hebben we nu geen tijd meer voor… 
Terug thuis. Eind november, op de weegschaal: lieve deugd, drie kilo bijgekomen! De schuld van die scheepskok natuurlijk. Ik zal weken moeten leven als een pater en mogen joggen dat mijn oren er af vliegen, voor ik die kilo's weer kwijt ben! Diepe droefgeestigheid overvalt mij.

Foto: "ons schip", de MS Vivaldi, op de Donau in Boedapest, 12 november 2013, eigen opname.