vrijdag 8 november 2013

Proust


Honderd jaar geleden, op 14 november 1913, publiceerde Marcel Proust (1871-1922) het eerste van de zeven delen van het werk met de volgens mij mooiste titel uit de wereldliteratuur: A la recherche du temps perdu.
Wie mijn Zand-in-je-hand-blog een beetje kent zal het geenszins verbazen: ik ben een fan van Proust. En bij tijd en wijle, en alle verhoudingen in acht genomen, een navolger, in die zin dat ook ik graag op zoek ga naar de vervlogen tijd, en mij uitgedaagd voel om wat geweest is en nooit meer terugkomt, in detail en met precisie in geschreven woorden op te roepen. En vast te leggen, "voor de eeuwigheid". Zodat stukjes van die vervlogen tijd - als de scherven van een Oud-Griekse vaas - bewaard blijven.
Niet dat ik de hele Recherche gelezen heb, verre van. Mijn lectuur beperkt zich tot delen van De kant van Swann, met name dan het begin (ruim genomen) en natuurlijk ook de vermaarde bladzijden over het madeleine-koekje. (Wie enigszins met Proust vertrouwd is weet wat ik bedoel, de anderen kunnen er best eerst even het lemma Marcel Proust in de Wikipedia op nalezen vooraleer zij de lectuur van dit enige Proustiaanse voorkennis veronderstellende betoog voortzetten. Toen ik, inmiddels bijna drie jaar geleden, met dit blog begon had ik geen didactische bedoelingen, het was mij te doen om de lust van het schrijven, en om de sensatie van wat men al schrijvende - onder andere over zichzelf - ontdekken kan).
Ik weet nog goed dat ik de Côté de chez Swann beginnen lezen ben op de trein naar Leuven, in de tijd dat ik student was aan het RITCS in Brussel - dat moet dus in de jaren 1967-1971 zijn geweest. Ik kon zowel via Mechelen als via Leuven naar Brussel sporen, maar in mijn geheugen zit mijn eerste leeservaring van Proust verankerd met het traject naar Leuven. Voorts associeer ik haar met een tijdstip in de late namiddag of in de vooravond van een donkere, herfstige dag. Kennelijk toog ik omwille van één of andere avondlijke activiteit naar Brussel. Het schrale licht in de trein, en de omstandigheid dat mijn ogen - zoals zo vaak - vermoeid waren, maakten dat de lectuur eerder moeizaam verliep.
Ik was rond de twintig, en in mijn jeugdige overmoed las ik Proust in het Frans: dat moet op zijn beurt tot de moeizaamheid hebben bijgedragen. En tot het feit dat mij een pak finesses ontglipten. Maar het voegde ook een laag wazigheid en geheimenis aan de tekst toe, en onduidelijkheid en onbekendheid intrigeren en wekken interesse - bij mij toch. Dan ontstaat de drang om méér te weten, en kondigt zich de lust van het ontdekken aan.
Later heb ik die aanvangsbladzijden van de Recherche in de Nederlandse vertaling van C. N. Lijsen (uit 1979) gelezen. Toen werd me duidelijk hoe Proust in die eerste bladzijden van zijn Recherche een waaier van bewustzijnservaringen oproept, zich situerend (a) materieel gesproken: in zijn kamer, in zijn bed, bij het slapengaan en het ontwaken, en (b) geestelijk gesproken: tussen de diepe slaap (de totale onbewustheid) enerzijds en het heldere wakker-zijn anderzijds. Proust penseelt een landschap van half-slapende en half-wakende toestanden die hij in de slaapkamers van zijn kinder- en zijn latere jaren beleefde. En waarin de herinneringen aan vroegere kamers en levenservaringen welig opschoten. Want herinneringen mogen dan constructies van latere datum (of van het heden) zijn, ze hebben toch ook te maken met beelden en woorden en gevoelens die diep in onze hersenen liggen opgeslagen, en die op momenten dat het dagdagelijkse, actieve, controlerende bewustzijn het laat afweten, de kans schoon zien om zich in dromen en dromerijen een weg naar de oppervlakte van ons weten te banen.
Overigens kunnen vervlogen tijden ook zonder bijzondere toestand van ons bewustzijn tijdelijk bezit van onze aandacht nemen. Bij Proust gebeurt dat in de beroemde passage met het Madeleine-gebakje, waar de smaak van "een lepeltje thee waarin ik een stukje madeleine gesopt had" hem plots - in the cold light of day deze keer - in een soort herinnerings-extase brengt. Een gewone sterveling zou opmerken dat de combinatie van de smaak van het koekje en de thee hem bekend voorkomt, maar hij die toch niet meteen thuisbrengen kan. Proust echter gaat ettelijke alinea's - bladzijden-lang zelfs - in op de koortsachtige zoektocht die zijn geest onderneemt om de oorsprong van zijn smaakervaring op het spoor te komen. "En opeens schoot de herinnering mij te binnen. Het was de smaak van het stukje madeleine, dat tante Léonie mij zondagsmorgens in Combray (…) als ik haar in haar kamer goedemorgen kwam zeggen, gaf, nadat ze het in lindebloesemthee had gedoopt"!
Het fragment van het Madeleine-koekje is mij goed bekend, omdat ik het als docent wel eens aan bod heb laten komen in mijn lessen over de cultuurgeschiedenis van de 19de en 20ste eeuw. Anno 2003 tracteerde ik bij die gelegenheid mijn laatstejaars-studenten zelfs op een authentiek Madeleine-gebakje. Ik vond dat een hoogstandje van didactische creativiteit. Mijn studenten waren inderdaad één en al bewondering: naar naderhand bleek omdat ik het aangedurfd had ze een aanzienlijke hoeveelheid gebakjes te laten uitpakken en verorberen in een auditorium waar het - bordjes her en der wezen er met grote nadruk op - ten strengste verboden was voedsel of drank binnen te brengen, laat staan te verbruiken! Ach, wie nooit regels overtreedt heeft een saai leven.
Het verhaal van het Madeleine-koekje geldt als voorbeeld van la mémoire involontaire: we hebben allemaal wel eens de ervaring dat een smaak, een geur, een stukje muziek, een verbale uitdrukking… onverhoeds herinneringen in ons wakker roept (zoals het woord voorplaats mij onlangs nog aanwaaide: zie mijn stukje Beethoven van 25 oktober 2013). Maar er is natuurlijk ook la mémoire volontaire: we kunnen herinneringen ook triggeren, ze uitlokken door plaatsen, foto's, prenten, boeken, liedjes, objecten… op te zoeken waarvan we verwachten dat ze ons herinneringsgewijs één en ander te bieden hebben. Het is een techniek die ik bij mijn blogschrijverij geregeld toepas.
Lezers laten me wel eens - bij wijze van compliment, neem ik aan - weten dat de herinneringen die ik ophaal voor hen "zeer herkenbaar" zijn - en knopen er soms eigen reminiscenties aan vast. Want ja, ook de souvenirs van anderen kunnen als trigger van eigen herinneringen fungeren. Zo vind ik zelf in De kant van Swann, en met name dan in die eerste bladzijden waar ik ooit op de trein mee worstelde, één en ander terug dat mij aan eigen jeugdbelevenissen doet denken. Net als Marcel Proust ben ook ik van in mijn kinderjaren een slechte slaper. Hoewel van Proust verteld wordt dat hij tijdens zijn latere leven hele dagen in bed lag - er aan zijn Recherche schreef - had hij, net als ik, als kind een hekel aan wat in de opvoeding eufemistisch "bedtijd" werd genoemd, maar botweg neerkwam op wreed ontrukt worden aan de gezelligheid van de woonkamer, de nabijheid van je ouders en het plezier van de (spel)activiteiten waar je geheel in opgegaan was. Om dan eenzaam (ik was enig kind) in een kamer te moeten liggen, in het halfduister (op de overloop mocht de lamp aan blijven), met niks omhanden. Teruggeworpen op jezelf. O ja, je werd verondersteld te slapen. Maar hoe moe ik lichamelijk misschien was: mijn geest was zo fris als een (pas gewassen) hoentje en voelde - allicht ook vanuit een hem aangeboren hekel aan verplichtingen - niet de minste geneigdheid om zichzelf uit te schakelen en in de slaap en de vergetelheid te verzinken. Nu, zovele jaren later, denkt hij daar 's avonds nog altijd zo over.
"Mijn enige troost, als ik ging slapen, was dat mama naar boven zou komen om mij een kus te geven als ik in bed lag", schrijft Proust. "Maar dit goedenachtzeggen duurde maar zo kort, zij ging zo vlug weer naar beneden…". Ja, een soortgelijk ritueel hield ik er als kind ook op na - in mijn geval was het mijn vader die moest beloven dat hij later op de avond "nog eens zou komen". Een kind heeft altijd iets nodig om naar uit te kijken, zelfs als het voor de muur van de slaap staat. (Een mens heeft altijd iets nodig om naar uit te kijken, zelfs als hij dicht bij de muur van de eeuwige slaap staat).
Net als Proust kan ik mij de slaapkamers van mijn kindertijd nog goed voor de geest halen. In mijn allereerste jaren sliep ik op "het klein kamertje" dat ik eerder op dit blog al beschreven heb (zie mijn tekst Auctor van op 30 maart 2012).
Toen ik te groot werd voor het Bretoens kinderbedje op het "klein kamertje", verhuisde ik naar een - eveneens aan de straatzijde gelegen - aanpalende grote kamer, waar ik in het eerste slaapkamermeubilair van mijn ouders terechtkwam. Zelf hadden ze een nieuwe, "chiquere", slaapkamer gekocht en waren ze naar de achterkamer verhuisd (waar eerder een ijzeren bed stond, door mijn vader meegebracht uit zijn voorhuwelijkse tijd).
Zo sliep ik van dan af in het bed waarin ik (naar ik aanneem) verwekt was geworden. Recht voor me uit zag ik, van links naar rechts: een rode zetel (waarop mijn kleren lagen), een marmeren schoorsteenmantel en een sierkastje met een grote spiegel. In de muur rechts van mij: twee ramen die uitkeken op de straat en op de hoge kastanjebomen aan de overkant. Waar hingen de twee ingekaderde prenten die bewaard zijn gebleven: één, in zwartwit, met een sneeuwlandschap, de andere, in kleur, met een forelvisser? Aan de muur met de twee ramen? Of op de wand achter mijn bed?
Kennelijk lag ik in mijn bed vooral op mijn linkerzij - de slaaphouding nu aanbevolen aan zwangere vrouwen, maar dit geheel terzijde - want het beeld dat in die jaren van kinderlijke slapeloosheid zich het sterkst in mijn geheugen heeft vastgezet is toch dat van de kleerkast die links van mijn bed stond. Ik heb er een foto van boven deze tekst gezet, want mijn vrouw is dit meubelstuk niet genegen, en ik vrees dat het na mijn dood snel de weg van sloop en destructie zal gaan. Jammer, want deze kast - een fraai stukje design uit de forties overigens - verdient dat afschuwelijke lot niet: ze is de stille en geduldige getuige geweest van mijn kinderlijke en jeugdige gedachten en gevoelens, van angsten en zorgen, van plannen en fantasieën, van eenzaamheid en gesprekken met mezelf. Dat ik vaak naar de grote ruit en het wilde lijnenspel op deze kast heb liggen turen, zal ook wel te maken hebben gehad met het feit dat ze dicht bij de slaapkamerdeur stond, die open bleef, en langs waar de lamp van de overloop een deel van haar warme gele licht in mijn kamer liet schijnen. Straks, als ze zelf naar bed gingen, zouden mijn ouders die lamp doven. Ze namen dan hun intrek in de kamer net naast (achter) de mijne. Dan was ik niet meer zo alleen.

Foto: ouderlijke kleerkast uit de jaren veertig, met Proustiaanse betekenis - eigen foto, 3 november 2013.

M. PROUST, Op zoek naar de verloren tijd, De kant van Swann, Combray, vertaling C. N. Lijsen, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 1979.

vrijdag 1 november 2013

Zeven in één slag


In mijn stamboom komen nogal wat kleermakers voor - onder anderen mijn grootvader en overgrootvader beoefenden dit ambacht. Vandaar dat verhalen en prenten van kleermakers altijd op mijn belangstelling kunnen rekenen. En wat kan er beter de sombere 1 en 2 november-stemming wat gezelliger maken dan wafels of pannekoeken - zie mijn blogstukje Allerzielen van 2 november 2012 - én een oud volkssprookje boordevol fantasie?  
"Meester Jan zat voor zijn venster te naaien en te zingen. Want Jan was kleermaker van beroep en blijmoedig van inborst. Daar kwam eene boerin die boschbessen verkocht. Onze Jan wou die proeven en kocht een half pondeken. Ze geuren toch zoo goed! mompelde hij terwijl hij de bessen op eene snede brood pletterde en er een greep suiker over strooide. Wat zullen ze me smaken! Doch eerst moet ik het vest van den burgemeester klaar hebben".
Afgezien van die (ongezonde en dikmakende) suiker vind ik dit een mooi begin, en daar zit die lekker ouderwetse taal zeker voor iets tussen. 
Een bijkomend bezwaar tegen suiker is dat hij wespen en vliegen aantrekt. Weldra krioelde het op en rond Jans bosbessenboterham van de insecten. "Zich gram makende over zooveel ongemanierdheid, nam Jan het vest op waaraan hij naaide en sloeg ermede naar de azende insekten. En… weet ge hoeveel slachtoffers die slag maakte? Zeven vliegen lagen morsdood op de tafel, ja, zeven, niet minder dan zeven! Zeven in één slag!". Hm, ik ben tegen het doden van dieren, behalve in twee gevallen: ten eerste wanneer muggen met hun uitermate irriterend gegons en gesteek mij het slapen beletten, en ten tweede wanneer vliegend ongedierte het op de boterham met bosbessen van een kleermaker gemunt hebben. 
Wat ik dan weer niet goed kan keuren, is dat kleermaker Jan er ook nog eens trots op was dat hij in één klap zeven vliegen had geveld. Maar ja, men mag oude verhalen bij het navertellen gerust wat inkorten, zelfs er hier of daar een vleugje verbeeldingskracht aan toevoegen… ze op wezenlijke punten wijzigen is natuurlijk uit den boze (daarom ook: handen af van Zwarte Piet, lelijke zeurpieten). 
En dus kan ik niet anders dan melden dat Jan zijn meervoudige doodslag voor een heldendaad hield, en vond dat de hele wereld er kennis moest van nemen. Hij sneed "van zijn schoonste zwart laken een breeden gordel, stikte er op met groote witte letters: zeven in één slag!, paste zich den band om de lenden en wou de wijde wereld in". Ja, dat is wel een hele ommekeer in ons verhaal: van een boterham met bosbessen en het naaien aan een kledingstuk voor de burgemeester - oeps, zo maar holderdebolder en pardoes de wijde wereld in.  
Toch even vermelden dat meester-kleermaker Jan, vóór hij vertrok, eerst nog zijn boterham met bosbessen opat, en vervolgens uit zijn provisiekast een vers stuk kaas tevoorschijn toverde, dat hij - als proviand voor onderweg - in zijn zak stak.
Net buiten de stad gekomen, zag Jan een vogel die verstrikt zat in een net. Hij bevrijdde het arme dier, en stak het in zijn zak, bij de kaas. Niet zo prettig voor onze gevleugelde vriend, maar we hebben hem zo meteen in ons verhaal nog nodig, en Jan had helaas geen kooitje bij de hand (maak u geen zorgen: alles loopt goed af). 
"De weg ging bergwaarts. Boven, op den hoogsten top van het gebergte, zat een reus. Jan ging parmantig tot hem toe: Dag kameraad, ge zit daar zo te turen? Ik ga de wijde wereld in. Wilt ge mee?". Een vriendelijke invitatie, ja toch? De reus was echter verwaand - zoals de meeste reuzen. "Gij nietige worm, hoe durft ge me aan te spreken?", bromde hij uit de hoogte. 
Jan richtte het hoofd op, knoopte zijn jas los… toonde zijn gordel, waarop te lezen stond: "Zeven in één slag!".
Naast verwaand was de reus ook een beetje dom: hij meende dat het om mensen ging, en was onder de indruk. "Zeven! Dat begint te tellen… Maar zeg, kunt ge dàt ook?". De reus nam een steen en kneep er zo hard in dat er water uit sijpelde. Meester Jan glimlachte, nam de kaas uit zijn zak, perste het vette vocht eruit! De reus, die niet enkel verwaand en een beetje dom was, maar ook bijziend, hield de kaas voor een steen en was nog meer onder de indruk.
"Dan nam de reus een tweeden steen en wierp dien zoo hoog de lucht in dat 's menschen oog hem moeilijk volgen kon. Uw steen is hoog gevlogen, maar toch teruggekomen, zwetste Jan, de mijne gaat zoo hoog dat hij niet weerkomt. Hij gooide den gevangen vogel op, welke, zich vrij gevoelend, hooger en hooger de lucht invloog". Dient het gezegd dat de reus nu zéér onder de indruk was?
"Onze Jan ging dan voort, op den wind af, altijd zijn spitsen neus volgende. Na langen tijd kwam hij in een schoonen hof; 't was warm en hij was vermoeid; geen wonder dus dat hij, in 't lommer van dichte boomen, weldra insliep, niet vooraleer zijne jas te hebben losgeknoopt, zoodat de menschen die voorbijgingen op zijnen gordel lezen konden: Zeven in één slag!. Dat moet een groot krijgsheld zijn, meenden de voorbijgangers". En ze lieten hun koning weten dat zo'n man goed van pas zou komen in het leger. Waarop de vorst meteen enkele hovelingen de opdracht gaf Jan op het koninklijk paleis uit te nodigen. Het werd een positief en constructief gesprek, aan het eind waarvan de koning de meester-kleermaker een topfunctie in zijn leger aanbood.
"Wel, 't is daarvoor dat ik gekomen ben, zei onze held. Maar, de andere krijgslieden waren met zoo'n kameraad niets opgezet. Daar kunnen wij niet tegen op, spraken ze tot den koning, zulk een maait al 't gras voor onze voeten weg, en, moesten wij met hem in ruzie geraken, dan maakte hij ons allen van kant. Denk eens na: zeven in één slag. U moet kiezen tusschen hem en ons".
De koning… ja, die wou zijn doorgewinterde vechtjassen niet kwijt… maar durfde ook Jan niet voor het hoofd stoten. "Luister, zei hij, in 't woud, ginds op de grens van mijn koninkrijk, wonen twee reuzen die de reizigers plunderen en veel onheil stichten. Niemand tot hiertoe dierf hen aanvallen, maar gij, onversaagde, zult hen wel baas kunnen. Zoo gij de reuzen van kant maakt, schenk ik u mijne dochter en de helft van mijn rijk". Uiteraard was dit een valstrik, bedacht door de kabinetschef van de koning, om zich van onze kleermaker te ontdoen. De koning en zijn kabinetschef wisten drommels goed dat de reuzen buitengewoon sterk waren, en geen mens tegen hen opkon. Wat de koning en zijn kabinetschef niet wisten: dat ook deze reuzen verwaand, een beetje dom en bijziend waren. 
Honderd ruiters begeleidden Jan tot aan de rand van het bos. "Doen jullie hier maar een dutje", zei Jan, "ik zal dit klusje verder op mijn eentje klaren". De ruiters, die het statuut van vastbenoemde ambtenaren genoten, gaven graag gevolg aan dit verzoek. Jan stak zijn zakken vol keien en stapte opgewekt het woud in.
Hij was nog niet ver, of hij hoorde reeds een vreemd geluid… Toen hij naderbij sloop, bemerkte hij de twee reuzen: ze lagen onder een boom te snurken! 
Jan "kroop stillekens op den boom, boven de slapenden. Op de borst van één der reuzen liet hij steen voor steen vallen tot deze, ontwakend, zijn gezel toornig toesprak: Waarom slaat ge mij? Ik sla u niet, ge droomt. Ze draaiden zich om, en ronkten opnieuw, maar nu schoot het kleermakerken op den tweeden reus zijnen steen af.
Te deksel! Ge werpt met steenen? Niets van waar, bromde de eerste, nu zijt gij het die droomt. En ze sliepen voort. Maar niet lang. Jan pakte zijn diksten steen en smeet dien, met alle geweld, op den eersten reus. Bylo! dat begint me te vervelen, valschaard, riep deze, pakte zijn gezel vast en duwde hem met zooveel geweld tegen een naburigen boom dat de stam ervan kraakte.
De tweede, den eerste met gelijke munt betalende, bonsde en beukte, trok heele boomstammen af, sloeg ermede of weerde de slagen zijns tegenstrevers af, tot ze eindelijk op mekaar storm loopende, hun groote hoofden beukten en allebei dood ten gronde neerstortten".
Kreeg onze Jan de dochter van de koning en de helft van het rijk? Neen! "De koning had zeker gemeend dat Jan in dien strijd het leven zou gelaten hebben en was niet zinnens het beloofde toe te kennen". Hij liet nieuwe opdrachten bedenken, in de hoop dat Jan er het hachje zou bij inschieten: het vangen van een eenhoorn en van een everzwijn. Onverwijld bracht Jan ze tot een goed einde.
"Onze kleermaker, voor al die heldendaden, kreeg eindelijk 's konings dochter tot bruid en de helft van 't rijk tot bruidschat. Maar nog waren zijn avonturen niet ten einde". De boosaardige koning smeedde immers een plan om Jan 's nachts van kant te maken: "gedurende zijn slaap zouden de lijfwachten 's konings schoonzoon binden, op een schip brengen en op een afgelegen eiland achterlaten. Ja, maar! Jan had reeds een vriend aan het hof en die verwittigde hem van 't snoode plan. 'k Zal er wel een steksken vóór steken, zei Jan.
's Avonds nu lei Jan zich te bed volgens gewoonte en gebaarde of hij sliep. Als de schakers zijn kamer wilden binnentreden, begon onze held luidop te droomen: Sjongens, sjongens, da's een pleizier (sic) te vechten en te kampen! Ik sloeg er zeven in één slag, doodde twee reuzen, temde een woedenden eenhoorn en vong een razenden ever, en ik zou ze vreezen die daar achter de deur staan! Laat ze komen, laat ze komen, 't feest gaat beginnen! Als de mannen dit hoorden overkwam hen zulke vrees voor Jan's kracht dat ze op de vlucht sloegen en niemand waagde het nog hem iets in den weg te leggen". Onze kleermaker - men noemde hem "Jan Onversaagd, die er zeven in één slaa(g)t" - leefde nog lang en gelukkig…
Ik trof het verhaal van Jan de kleermaker aan in Grimm's Sprookjes - een boek dat mijn vrouw onlangs opdiepte uit de schoolboekenverzameling van wijlen mijn vader, toen ze daarin op zoek was naar oude bloemlezingen (zie mijn blogstukje De Oortjesschool van 4 oktober 2013). De sprookjesverzameling werd uitgegeven in 1926, door de abdij van Averbode.
Mogelijk kreeg mijn vader Oscar Wollebrants (1921-1989) het vrij lijvige boek in zijn kinderjaren cadeau. Waarschijnlijker is dat hij het gebruikte in de loop van zijn opleiding tot onderwijzer (aantekeningen in het werk, en de plaats waar mijn echtgenote het aantrof, wijzen in die richting). Gelukkig heeft mijn vader er zijn naamstempel in gedrukt, zodat ik met zekerheid weet dat het van hem afkomstig is.
Allicht heeft hij er nadien ook als "meester" in zijn eigen klas een beroep op gedaan. Ik herinner me dat, toen ik tijdens het schooljaar 1956-1957 bij mijn eigen vader in de klas - het tweede leerjaar - zat, "onze meester" het laatste lesuur van de zaterdag steevast voorlas uit één of ander sprookjesboek. Zou Grimm's Sprookjes toen niet één van zijn bronnen zijn geweest? Misschien samen met Klein Duimpje, een veel dunner boekje dat ik onlangs ook tussen zijn nagelaten archivalia aantrof?
In elk geval klinkt het verhaal van de onversaagde kleermaker die een kaas uitkneep en een vogel de lucht in gooide, mij niet onbekend in de oren… En met de lotgevallen van Klein Duimpje ben ik ook vertrouwd. Wist u overigens dat Klein Duimpje het zoontje was van een kleermaker? 

A.V.Z. (Anna Van Zalen), Van Jan onversaagd die er zeven ineens slaa(g)t!, in: Grimm's Sprookjes, Vrij naar het Duitsch bewerkt door A. Walschap-Theunissen en Anna Van Zalen, met illustraties van Mohn, Claudius, Votteler, Schnorr en anderen, in de reeks Lenteweelde Bibliotheek Reeks B, uitgeverij Drukkerij der Abdij van Averbode, Averbode, 1926, blz. 90-94 In het boek zelf luidt de titel: Grimm's Sprookjesboek. Het gaat om een verzameling van 40 sprookjes. De afbeelding boven deze tekst - Jan de kleermaker, zittend op zijn werktafel - komt uit het boek (blz. 90). 

vrijdag 25 oktober 2013

Beethoven


Dinsdag 15 oktober jongstleden nog eens een boeiende en onderhoudende voordracht bijgewoond: Jan Caeyers over Beethoven. Een lezing in het kader van de Leuvense Universiteit voor de Derde Leeftijd (UDL), in het aangenaam gezelschap van Jules, Arthur, Cyriel en Renild.
Eén, of is het al twee winters geleden (tempus fugit), hadden mijn vrouw en ik Caeyers al opgenomen in ons cultureel programma, maar - lag het aan ziekte van één van ons, of aan gladde wegen, ik weet het niet meer - de toegangskaartjes zijn toen ongebruikt blijven liggen. Ook was ik al geruime tijd van plan mij Caeyers' veelgeroemde Beethoven-biografie aan te schaffen, maar dat was er evenmin van gekomen. Dit wordt dus het verhaal van een uitgestelde belangstelling.
Jan Caeyers is een briljant man: ik ga hier niet zijn biografie uit de doeken doen, dat zou louter afschrijfwerk zijn, want ze is - weliswaar wat her en der en dus in stukken en brokken - gemakkelijk te vinden op het internet (en ik probeer hier altijd een tikje origineel te zijn, iets aan het www toe te voegen, liever dan te herhalen wat elders al staat).
Vreemd is wel (en ik ben niet de eerste die dit opmerkt) dat Caeyers' geboorteplaats en -jaar nergens aan te treffen vallen. Houdt hij ze - met name dan zijn leeftijd - liever geheim? Toch een beetje een ijdele man? So what, zijn palmares als musicoloog, Beethoven-specialist, stichter en dirigent van eerst de Beethoven Academie (1993-2006) en nu Le Concert Olympique (sedert 2010), oogt indrukwekkend. (Tussen haakjes, ik ben zeer ruimdenkend, maar waarom een Vlaming zijn ensemble zo nodig een Franse naam moet geven is mij niet duidelijk).
Jan Caeyers beheerst de trucs van de voordrachtkunst ten volle, dat werd me al gauw duidelijk - ik ken ze namelijk zelf ook, heb ze in mijn docenten-jaren volop toegepast, en weet dat ze drommels goed werken. Zal ik er een paar uit de doeken doen? Haal de aandacht van je publiek meteen binnen door uit te pakken met een sterk verhaal, een eyecatcher noemen de reclamejongens (en -meisjes) dat, maar bij een lezing gaat het uiteraard meer om een oor- dan om een blikvanger. Bij Caeyers was dit de (relatief) schokkende mededeling dat het volkslied van de Europese Unie, waarvan wij allen dachten dat het de finale van de negende symfonie van Ludwig Van Beethoven (de beroemde Ode an die Freude) was, eigenlijk niet van Beethoven is, maar dat elke keer dat dit wijsje weerklinkt - en u kan zich voorstellen dat dit nog al eens gebeurt - de kassa rinkelt bij de erfgenamen van… neen, niet Beethoven, die heeft er trouwens geen meer, maar van…
Hm, ik neem aan dat Jan Caeyers deze wetenswaardigheid ook in de volgende uitvoeringen van zijn Beethoven-discours nog wil opdissen, laat ik het gras niet voor zijn voeten wegmaaien, zijn toekomstige toehoorders hun verbazing niet vergallen… en daarom nu overstappen naar een andere kneep uit de oratorische trukendoos: maak uw persoonlijke betrokkenheid bij uw onderwerp duidelijk door het toevoegen van iets uit uw eigen leven - een jeugdherinnering bijvoorbeeld, die doet wonderen.
Want ja, ook ik spitste de oren toen Caeyers vertelde waar de kiem van zijn liefde voor Beethoven gelegen had: in de voorplaats van zijn ouderlijk huis. Daar stond een buffetpiano, en daarop prijkte het borstbeeld van een getormenteerde en streng kijkende Ludwig. Wat mij in het verhaal van Caeyers trof was niet die piano met dat Beethoven-beeld, die vorm van Gesamtkunst is maar al te bekend - maar het woordje voorplaats.
Ja, in mijn ouderlijk huis in de Beringstraat hadden wij ook een voorplaats (voor mijn Nederlandse lezers: een voorkamer). Daar stonden drie zware zetels - fauteuils - en een rond tafeltje, en ook het bureau-meubilair van mijn vader (zijn boekenkast stond wegens plaatsgebrek evenwel in de aanpalende gang).
In juli 1964 zijn we verhuisd naar de Bredepleinstraat: daar hadden we geen voorplaats meer, maar een salon en een eetkamer in één grote living. En had mijn vader zijn eigen bureaukamer, op de eerste verdieping. Het is best mogelijk dat ik het woord voorplaats sinds 1964 niet meer gehoord had…
Derde kunstgreep van de ervaren spreker: doorbreek het louter particuliere karakter van je onderwerp, plaats het in zijn culturele en maatschappelijke context en - kers op de taart - breng het waar mogelijk en zinvol in verband met algemeen-menselijke gedragingen en ervaringen. Eigenlijk zijn we hiermee het niveau van de retorische handigheidjes gepasseerd, en zijn we bezig onze uiteenzetting diepte en relevantie te geven. Caeyers deed dit door mythes en scheeftrekkingen in de beeldvorming rond de Beethoven-figuur te ontmaskeren (of te nuanceren), door de invloed van de sociale elite en de impact van commercie en marketing (ja, ook toen al) op het oeuvre en het imago van de maestro aan te wijzen, door de rol van de omstandigheden en het toeval op zijn weg naar het geniale te belichten… Op een subtiele manier maakte hij duidelijk dat de wijze waarop de geschiedenis (en wij) tegen figuren (genieën, helden of schurken) uit het verleden aankijken evenzeer bepaald wordt door heug en meug van biografen, historici en schrijvers allerhande als door de dramatis personae zelf. Op dat soort relativeringen ben ik dol (en ze zijn meer dan terecht).
Dit alles gezegd zijnde zal het u niet verbazen dat ik de dag na deze eye-openende voordracht - op woensdag 16 oktober dus - mijn al lang gekoesterde voornemen sofort uitvoerde en mij de Beethoven-biografie van Jan Caeyers via het internet aanschafte. Correctie: ik liet ze kopen door mijn vrouw, want in zaken van inkopen en betalen via internet ben ik eerder onkundig.
En warempel, weer een dag later - het is inmiddels donderdag 17 oktober - werd het boek reeds door een medewerker van het koerierbedrijf TNT aan huis besteld. Ik sta er altijd weer versteld van hoe snel en goed die private postbezorgers werken - via Bpost was mijn Beethoven minstens een week later en op een verkeerd adres afgeleverd (ik spreek uit ervaring - Johnny Thijs heeft nog veel werk voor de boeg vooraleer zijn exorbitant hoge verloning zelfs maar ten dele te verantwoorden valt).
Nu, met mijn Caeyers-boek mogen de lange winteravonden eraan komen, ik zal mij niet vervelen, want het is een kanjer van meer dan zeshonderd pagina's (en dan tel ik de noten, de bibliografie en de registers er nog niet eens bij). Ik dus met Beethoven in bed, want mijn favoriete plaats van lectuur blijft toch mijn matras.
En wat lees ik daar verdorie al meteen op de eerste bladzijde, in de Proloog? Een verre voorvader van de grote componist, een zekere Hendrik Van Beethoven… "had het tot grootgrondbezitter gebracht in Boortmeerbeek, een dorp tussen Mechelen en Leuven"! Mijn woonplaats en heimat nota bene! Ik wist natuurlijk wel dat de Beethovens afkomstig waren uit mijn streek, maar dat er ooit ook eentje in mijn dorp had gewoond, dat wist ik niet (of ik had het ooit geweten maar was het vergeten, dat kan ook). Voor een goed begrip: er woonden in de tijd van die Hendrik Van Beethoven nog geen Wollebrantsen in Boortmeerbeek.
Wat mij wél bekend was: dat de oudst getraceerde voorvaderen van de grote Ludwig in Kampenhout leefden. Het ging (zo lees ik op de website van de gemeente Kampenhout) om Jan (geboren ca. 1485), Mark (°1510), Aert (°1535), Hendrik (°1572), Mark (°1601) en Corneel (°1641, hij trok naar Mechelen).
De vrouw van Aert Van Beethoven, Josyne Van Vlasselaar, werd in augustus 1595 op 50-jarige leeftijd te Kampenhout aangehouden op verdenking van hekserij, en in september op de Grote Markt te Brussel op de brandstapel terechtgesteld. "Deze traumatische ervaring staat diep gegrift in het geheugen van de Van Beethovens, die aan deze geschiedenis een diepgeworteld scepticisme ten aanzien van de medemens hebben overgehouden", schrijft Caeyers. Begrijpelijk.
Ik neem aan dat de in het lijstje voorkomende Hendrik (°1572) de man was die het in Boortmeerbeek tot grootgrondbezitter bracht. Zijn achterkleinzoon Michiel Van Beethoven (°Mechelen, 1684) was bakker, handelde in kant, oude meubelen en schilderijen en runde kennelijk ook een soort immo-kantoor avant-la-lettre, want hij bezat ettelijke huizen in de Dijlestad (deels gekocht met geld van zijn vrouw Louise Struyckers).
Michiels zoon Ludovicus (Lodewijk, Louis) (°Mechelen, 1712) was kennelijk de eerste bij wie het muzikaal talent van de Van Beethovens naar boven kwam. "Als zesjarige werd hij omwille van zijn mooie stem opgenomen in de koorknapenschool Het Koralen Huis aan de St.-Romboutskathedraal in Mechelen", aldus Caeyers. "Na de stembreuk van zijn zoon heeft Michiel Van Beethoven een privé-leerlingencontract afgesloten met de kathedraalorganist Antoine Colfs, met de bedoeling Louis zich verder te laten bekwamen in het orgelspel en de basso continuo". In 1727 liep het contract af, niet lang daarna ging Ludovicus zijn muzikaal geluk beproeven in Leuven, vervolgens in Luik en uiteindelijk in Bonn.
Zéér belangrijk: in de tijd - pakweg de vroege 18de eeuw - dat Michiel Van Beethoven (overgrootvader van de grote componist) en de kleine Ludovicus Van Beethoven (grootvader van Ludwig) in Mechelen rondwaarden, woonde daar ook mijn verre maar rechtstreekse voorvader Andreas Martinus Wollebrants. Dat schept een band natuurlijk. Wat chronologie betreft weet ik enkel dat Andreas Martinus in 1711 in Mechelen huwde (met Maria Anna Pinçet), en er anno 1726 overleed. Het is dus niet onmogelijk dat hij Michiel Van Beethoven bij tijd en wijle in de stad tegen het lijf is gelopen...
"Ha, die Michiel!"
"Dag Andreas Martinus, hoe gaat het ermee?".
Zou kunnen hé. In de wat latere 18de eeuw ging het met de zakendoenerij van Michiel Van Beethoven bergaf, en in maart 1741 verliet hij Mechelen met stille trom én achterlating van een flink pak schulden. Hij muisde er vanonder naar Bonn, waar toen al twee van zijn zonen (één van hen was de reeds genoemde Ludovicus) woonden. Zou het misschien deze Michiel Van Beethoven zijn geweest die, vertrokken uit Mechelen en met een nog lange reis naar Bonn in het verschiet, te Boortmeerbeek logeerde in de herberg "In den Wildeman" (gelegen aan het Dorpsplein, op de westelijke hoek met de Vosweg) - en daar vertrok zonder te betalen? 
In elk geval deed in Boortmeerbeek sinds aloude tijden, en tot kort vóór mijn generatie, het verhaal - zeg maar: de legende - de ronde dat er in "De Wildeman" ooit een zekere Beethoven verbleef, en deze onverlaat bij zijn vertrek "vergat" de rekening te vereffenen… Ik hoorde die geschiedenis het eerst van mijn vader, en ze komt ook voor - ongetwijfeld opgetekend uit een mondelinge bron, en in een fantasierijke vorm - in het boekje Boortmeerbeek van heerlijkheid tot gemeente (uit 1979). 
Michiel Van Beethoven overleed in 1749 in Bonn. Zijn kleinzoon Johan (Jean) (°1739) huwde er in 1767 met Maria Magdalena Keverich. Uit dit huwelijk zal in december 1770 - als tweede van zeven kinderen - Ludwig Van Beethoven worden geboren.

Geraadpleegde bronnen.
J. CAEYERS, Beethoven, Een biografie, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, zesde druk, 2012 (eerste druk 2009); artikel Kampenhout, bakermat van Beethovens stam, op website Kampenhout digitaal, www.kampenhout.be/historisch/beethoven.php, geraadpleegd oktober 2013; artikel R. en R. VAN MELDERT, Josijne Franciska Van Vlasselaer, tovenares, 2002, op website Van Meldert, Genealogische site, users.skynet.be/van.meldert/histories/josijne.htm, geraadpleegd oktober 2013; artikel M. 'T HART, Een hedendaags heksenproces, 2006, op website nrc.nl, vorige.nrc.nl/nieuwsthema/luciadeb/article1730533.ece/Een hedendaags heksenproces, geraadpleegd oktober 2013; artikel Familie Van Beethoven, op website Mechelen Mapt, mechelen.mapt.be/wiki/Familie Van Beethoven, geraadpleegd oktober 2013; M. FIERENS, Boortmeerbeek van heerlijkheid tot gemeente, z.p. (Boortmeerbeek), z.j. (1979), blz. 123.
Fierens schrijft (over herberg In den Wildeman): "… en waar, naar verluidt, Ludwig Van Beethoven meermalen overnachtte tijdens zijn doorreis naar Mechelen. Hij zou daar een schuld achtergelaten hebben van meer dan 200 gulden!". De zwartlogeerder zal in geen geval Ludwig Van Beethoven zijn geweest, aangezien die nooit naar zijn voorvaderlijke stad Mechelen is gereisd.

Foto boven de tekst: geboortehuis van Ludwig Van Beethoven in Bonn, het beroemde Beethoven-Haus in de Bonngasse, nu museum en bedevaartplaats voor Beethoven-bewonderaars - eigen dia, donderdag 18 juli 1996. In de deuropening: mijn vrouw en onze twee oudste kinderen. In feite woonde het Beethoven-gezin in een achterbouw van het huis.

vrijdag 18 oktober 2013

Matante 2


Najaar 1934. Na hun tocht door Zwitserland (zie mijn blogbericht van vorige week) reisden mijn vaders suikertante Marie Vandenbossche, alias "matante", en haar echtgenoot Ferdinand Tobback, alias "Nante", naar Frankrijk. Op woensdag 24 oktober (datum poststempel) stuurden ze vanuit het Zuid-Franse Nice deze ansichtkaart naar mijn vader - toen 13 jaar en wonende bij zijn ouders in de "rue Behring" (sic), de Beringstraat, in Boortmeerbeek. 
Ik vind het een prachtig kaartje, omwille van de felle kleuren en ook omwille van de zalige rust die het uitstraalt: Europa was toen nog niet overbevolkt, zelfs niet op zijn meest toeristische plekken. Slechts een drietal auto's op de weg (links in de verte). Idyllisch. Bootjes op mensenmaat (rechts). Catamarans? Nooit gehoord van die gedrochten! Protserige luxejachten? Nergens te bekennen. 
Ik denk dat het gaat om een opname die de fotograaf in zijn studio in- of bijgekleurd heeft - en misschien waren de Zwitserse ansichtkaartjes waarvan ik me vorige week afvroeg of het nu echte foto's dan wel schilderijtjes waren ook wel volgens die werkwijze tot stand gekomen. 
Los van dit fototechnische probleem, riepen de Zwitserse en Franse prentbriefkaarten van "matante" bij mij een vraag van een heel andere orde op. Waren Marie en Ferdinand na hun omzwervingen in Zwitserland meteen doorgereisd naar Frankrijk? Of waren ze eerst naar Boortmeerbeek teruggekeerd en korte tijd later naar Frankrijk vertrokken?
Het laatste kaartje dat ze uit Zwitserland naar mijn vader stuurden werd in Genève afgestempeld op (donderdag) 18 oktober 1934. Het eerste uit Frankrijk is het hierboven afgebeelde kaartje uit Nice, zoals gezegd afgestempeld op 24 oktober. Tussen 18 en 24 oktober: een week - alle tijd om van Genève naar Nice te reizen, maar ook ruim de tijd om van Genève naar Boortmeerbeek terug te komen, en dan, enkele dagen later opnieuw te vertrekken, naar het Zuiden van Frankrijk. Des te meer daar "matante" en haar man zich - zoals vorige week toegelicht - zeer waarschijnlijk met de trein verplaatsten. 
Vanzelfsprekend loopt de snelste weg van Genève naar Nice niet via Boortmeerbeek, maar als het om georganiseerde (trein)reizen ging (al dan niet in groep) dan is het natuurlijk perfect mogelijk dat Marie en Ferdinand zich voor twee afzonderlijke, maar kort op elkaar volgende reisavonturen inschreven.
Ik doe er een gokje op dat "matante" en "Nante" hun tocht door Frankrijk aangevat hebben in het Italiaanse Ventimiglia, van oudsher een knooppunt van spoorlijnen en een uitvalsbasis naar de Franse Azurenkust. Ik meen me te herinneren dat in mijn jongere jaren een nachttrein van Brussel rechtstreeks naar Ventimiglia reed, wie weet was dit ook in de jaren dertig al niet het geval…
Waarop baseer ik mijn gokje? Tussen de ansichtkaartjes die "matante" niet verstuurde, maar (onbeschreven) in haar bagage meebracht trof ik er twee aan met beelden van het Italiaanse grensplaatsje Grimaldi-Ventimiglia. Het eerste toont ons het Hotel Miramar - zouden Marie en Ferdinand daar gelogeerd hebben? Het tweede geeft een aandoenlijk eenvoudig zicht op de "Doganieri Francese e Italiani al Ponte S. Luigi", de Frans-Italiaanse douanepost aan de San Luigi-brug. Een Italiaanse en een Frans grenswachter reiken elkaar de hand. Alles peis en vree, geen voertuig te zien.
Eénmaal de Italiaans-Franse grens gepasseerd, moet hun traject onze reizigers via het nabijgelegen Menton - ik vond een (niet verzonden) kaartje van de kennelijk aan de zee palende "vieille ville" van Menton - naar Nice hebben gevoerd, waar "matante" haar eerste Franse ansicht op de bus deed, met daarop de kleurrijke "Niçoises au Quai des Ponchettes" die we boven deze tekst kunnen bewonderen. 
Vermoedelijk spoorde ons Boortmeerbeekse duo vervolgens naar Marseille, want twee (niet verzonden) ansichten geven een beeld van "La Corniche, Malmousque et les Iles" en "Le Phare Ste-Marie et l'Entrée des Ports" - allemaal in Marseille. 
Kennelijk vormde de Zuid-Franse Côte d'Azur - met haar ook in voor- en najaar doorgaans milde klimaat - het zwaartepunt van de Frankrijk-reis, want na Marseille wikkelde men de rest van de route kennelijk met zevenmijlslaarzen af. Op dinsdag 30 oktober werd in Bordeaux een ansichtkaartje afgestempeld. Aan de voorzijde "La Place des Quinconses", een uitgestrekt en nagenoeg leeg plein in de stad. Een derde en laatste kaartje werd op vrijdag 2 november verstuurd vanuit Versailles. Allicht bezochten "matante" en "Nante" daar het beroemde paleis, alleszins kon mijn vader op het hem toegezonden kaartje een "Panorama du Château et des Jardins" bewonderen.
Zouden hun Zwitserse en Franse expedities van 1934 de eerste reisavonturen van "matante" en "Nante" buiten België zijn geweest? Noch in het archief van mijn grootouders, noch in dat van mijn vader, vond ik ansichten of andere bronnen die naar eerdere buitenlandse reizen van het duo verwezen. Wél trof ik prentbriefkaarten aan die herinnerden aan dagtrips in eigen land - en niet zelden bleek mijn vader daarbij van de partij! Zo mocht hij als knaap met zijn "matante" en haar echtgenoot mee naar de kustplaatsen Oostende (september 1931), Blankenberge (augustus 1932) en Zeebrugge (augustus 1933).
Zoals vorige week reeds verteld heeft Ferdinand, alias "Nante", Tobback zijn buitenlandse reiservaringen van 1934 niet lang overleefd: hij stierf een jaar later, op woensdag 16 oktober 1935, op 56-jarige leeftijd. Over oorzaak of omstandigheden van zijn overlijden is mij niets bekend. 
Na de dood van haar echtgenoot zou "matante" - voor zover mijn ansicht-bronnen het vertellen - nog één keer naar het buitenland reizen: in augustus 1947, naar Nederland. Mijn grootouders stuurde ze een kaartje met een (zwartwit) foto van de Keizerstraat in Rotterdam. Mijn vader kreeg ansichten uit Rotterdam, Scheveningen en Haarlem. Waarschijnlijk hield "matante" rekening met mijn vaders belangstelling voor het voetbal, want op één van de twee Rotterdamse kaartjes is het Feijenoord-stadion te zien. Mijn vader was inmiddels gehuwd en verhuisd naar een andere woning, echter ook in de Beringstraat gelegen. En dus kon "matante" onverstoord doorgaan met op de adreszijde van haar kaartjes naar zowel mijn grootouders als mijn ouders "Behringstraat" te schrijven!
Zelf verwisselde "matante" na het heengaan van haar echtgenoot hun riante huis aan de Rijmenamsebaan voor een kleinere woning in de Zellaarstraat. Armoede moet ze geenszins geleden hebben, want het vrij grote perceel grond dat zij en haar echtgenoot in de Bredepleinstraat in eigendom hadden, werd na haar dood door een familielid - ik vermoed een zus - geërfd. En omzeggens meteen verkocht. Toeval: het was deze zelfde lap grond die mijn ouders later - in maart 1956 - aankochten en waarop zij in de vroege jaren zestig hun villa bouwden.
Op mooie dagen trok "matante" in de namiddag naar die tuin - er was een zitbank voorzien. Uit de tijd dat het door een haag afgegrensd terrein het eigendom van mijn ouders was geworden - wij spraken toen van "de groten hof" - herinner ik mij dat er velerlei fruitbomen stonden. Onder andere een mispelboom. Ook was er een prieeltje: vier gemetselde zuilen, bedekt met houten balken, het geheel begroeid met druivenranken. En een tuinhuisje, in metselwerk, met aan één kant een groot raam. Meer dan waarschijnlijk dateerde dit alles uit de tijd van "matante".
Marie Vandenbossche overleed op maandag 28 februari 1949 in haar huis in de Zellaarstraat. Ze was 71 jaar oud. Mijn grootmoeder Maria Ceuleers kreeg met het heengaan van "matante" voor de tweede keer op korte tijd het overlijden van iemand die haar zeer nabij was te verwerken: in december 1948 was onverwacht haar echtgenoot (mijn grootvader) Frans Constant Wollebrants gestorven. 
Marie Vandenbossche werd te Boortmeerbeek begraven op donderdag 3 maart. Het statige graf bestaat nog steeds - gelukkig maar, zo kan ik er af en toe eens bij verwijlen, Marie en "Nante" bedanken voor wat ze voor mijn vader hebben betekend, en hen zeggen dat ik die levenskunst van hen wel weet te smaken. Het graf draagt het opschrift: "Grafstede van Mr Ferdinand Tobback 1879-1935 en zijne echtgenote Mvr Maria Vandenbossche 1877-1949".
Ik was nog een kind toen ik van mijn vader hoorde hoe zijn "matante" de goede dingen van het leven had weten te cultiveren. Hoe ze zelfs op haar sterfbed nog champagne had laten aanrukken… een verhaal dat indruk op mij maakte. Toen al begreep ik dat "matante" een bijzondere vrouw moest zijn geweest. 

Voornaamste bronnen (van Matante 1 en 2).
De in de tekst genoemde ansichtkaarten; gesprek met (mijn vader) Oscar Wollebrants, 25 januari 1987; schriftelijke inlichtingen verstrekt door (mijn vader) Oscar Wollebrants, 1984-1989; gesprekken met (mijn moeder) Maria Budts, 1 en 6 januari 1990; gesprek met (mijn vaders nicht) Agnes Mommens, 3 november 1998; gesprekken met (mijn moeder) Maria Budts, 15 en 17 juni 1999; gesprek met (mijn vaders nicht) Yvonne Mommens, 16 oktober 2013; huwelijksakte van (mijn grootouders) Frans Constant Wollebrants en Maria Josepha Ceuleers; bidprentje Maria Louisa Vanden Bossche (sic); verkoopakte van de grond gekadastreerd wijk E nummer 83 k, notaris Hubert Davidts te Werchter, 22 maart 1956.

vrijdag 11 oktober 2013

Matante 1


Ik kan haar het best omschrijven als: de suikertante van mijn vader. Strikt genomen was ze zijn tante niet, ze was immers geen zus maar een nicht van zijn moeder. Om een mij onbekende reden - ik vermoed dat haar ouders overleden waren - was zij in het gezin van mijn vaders moeder (mijn grootmoeder) Maria Ceuleers "grootgebracht" (opgevoed). Hoewel ze tien jaar ouder was dan mijn grootmoeder waren de twee "als zussen". Dat mijn grootmoeder zelf enig kind was zal daar wel toe bijgedragen hebben.
Ze heette Marie Vandenbossche, officieel Maria Ludovica Vandenbossche - het zal u niet verwonderen dat men haar familienaam in de historische bronnen soms in één, soms in twee, soms in drie woorden gespeld vindt. Marie was te Boortmeerbeek geboren op 23 september 1877, als dochter van Pieter Frans Vandenbossche en Maria Theresia Crols. Laatstgenoemde was een zus van de moeder-van-mijn-grootmoeder (mijn overgrootmoeder) Coletha Josephina Crols.
Marie Vandenbossche was gehuwd met Ferdinand Tobback (°1879). Hij werkte bij de spoorwegen, en wie "aan den ijzeren weg" was, die had zijn schaapjes op het droge: hij was meteen ook "aan de staat" (de Belgische spoorwegen waren een overheidsbedrijf), genoot zodoende van werkzekerheid voor de rest van zijn dagen, en werd zeer behoorlijk vergoed.
Toen mijn grootouders Maria Ceuleers en Frans Constant Wollebrants in april 1913 in het huwelijksbootje stapten, trad Ferdinand Tobback op als mijn grootmoeders getuige - hij is dan ook al eens eerder op dit blog aan bod gekomen, in het stukje dat ik in 2012 over het huwelijk van mijn grootouders-langs-vaderskant heb gepubliceerd (zie mijn artikel Huwelijk van 20 april 2012).
Ferdinand Tobback was anno 1913 "treinwachter, wonende te Arlon" (Aarlen). In de mondelinge overlevering heet het dat hij chef gard' was - een benaming die zijn professionele aureool nog iets meer glans verleent. Het zal om beroepsredenen zijn geweest dat hij toen in Aarlen verbleef, want hij was een geboren en getogen Boortmeerbekenaar, en stond in ons dorp bekend als "Nante van den boei" (dat "boei" had hij geërfd van zijn vader, die postbode was geweest).
Wat later zal het echtpaar Tobback-Vandenbossche trouwens in Boortmeerbeek wonen, in een fraai huis - even buiten het dorp, op de Rijmenamsebaan - dat het huurde van de brouwerij Wouters. Daar was het gevestigd in de kinderjaren van mijn vader - de jaren twintig - en daar mocht hij in die dagen elke zondagvoormiddag langs gaan om zijn "zondagspree" op te strijken: die bedroeg twee frank en dat was in die tijd geen onbeduidend bedrag ("daar kon je al heel wat snoep mee kopen", aldus mijn vader in 1987).
Overigens was mijn vader niet de enige die er 's zondags een geldelijke tegemoetkoming mocht gaan ophalen, ook met drie andere kinderen uit het dorp was dat het geval: waaraan "Sja Pijp" (Karel Verstraeten) en de meisjes Renée en Georgette "Pijp" (Verstraeten) hun wekelijkse beloning te danken hadden is niet duidelijk. Familie waren ze niet - daarom kregen zij trouwens maar één frank, maar ook die loonde de moeite om elke week trouw op post te zijn. Marie Vandenbossche zag graag kinderen. Zelf had zij er geen. Hoort dat niet per definitie bij een suikertante, dat zij geen eigen kinderen heeft?
Marie en mijn grootmoeder Maria Ceuleers kwamen zeer geregeld bij mekaar over de vloer. Voor mijn vader was Marie Vandenbossche "matante", of ook wel "tajnke Marie". Zelf heb ik "matante" nooit gekend - ze overleed een drietal maanden voor mijn geboorte - maar ik heb mijn vader wel herhaaldelijk over haar horen vertellen. 
In het najaar van 1934 reisden "matante" - zij was toen 57 jaar - en haar "Nante" naar Zwitserland en Frankrijk. Het is niet duidelijk of het om één grote reis ging, die het echtpaar eerst naar Zwitserland en vervolgens naar Frankrijk bracht, dan wel om twee afzonderlijke, snel op elkaar volgende reizen.
Dat "gewone mensen" naar het buitenland trokken was in de jaren dertig zeker nog iets bijzonders. Zo heel gewoon waren Marie en haar man echter niet. Dankzij Ferdinands mooie betrekking bij de spoorwegen zat het echtpaar Tobback-Vandenbossche er warmpjes bij. Het genoot met volle teugen van die relatieve rijkdom, liet "de centen rollen", gaf geregeld prachtige feesten voor zijn vriendenkring, maakte uitstapjes, beoefende de kunst van het savoir-vivre…  En dat in een tijd dat de meeste mensen erg zuinig en ja… eigenlijk zeer "duurzaam" leefden, want de golden sixties en de consumptiemaatschappij lagen nog in de toekomst.
Dat Marie en Ferdinand "de wijde wereld" introkken pleit voor hun ondernemingszin, en moeten we hen zeker gunnen. Des te meer daar Ferdinand één jaar later, in oktober 1935, op slechts 56-jarige leeftijd zal overlijden…
Mijn vader heeft de reisactiviteiten van "matante" nooit ter sprake gebracht, maar na zijn dood ontdekte ik in zijn bureau een aantal ansichtkaarten die er getuigenis van afleggen. Er zijn kaarten bij die "matante" vanuit Zwitserland en Frankrijk naar mijn - toen dertienjarige - vader gestuurd heeft, maar ik vond ook een aantal onbeschreven, niet-verstuurde exemplaren: ik vermoed dat ze die voor mijn vader heeft meegebracht.
Laat ik het vandaag hebben over de Zwitserse prentbriefkaarten - volgende week komen dan de Franse aan bod. Ik beperk me tot de ansichten die effectief verzonden werden: de plaatsen en data op de poststempels leren ons met zekerheid waar het echtpaar Tobback-Vandenbossche geweest is, en wanneer.
Voor wat Zwitserland betreft gaat het dan om drie prentbriefkaarten. Een eerste werd afgestempeld in Luzern, op (maandag) 15 oktober 1934 in de voormiddag - misschien werd het een dag eerder gepost.  Op de voorzijde prijkt een fraaie kleurenfoto van "Luzern mit Pilatus" (de Pilatus is een meer dan 2100 meter hoge berg, gelegen ten zuiden van Luzern).
Een tweede ansichtkaartje, afgestempeld op (dinsdag) 16 oktober in Spiez toont ons, in kleur, "Spiez mit Blüemlisalp (3669 m) und Niesen (2366 m)" - zie de afbeelding boven deze tekst! Ik heb de indruk dat het eerder gaat om een schilderijtje dan om een echte foto. Spiez ligt aan de zuidelijke oever van het Thunermeer.
Een derde kaartje werd op (donderdag) 18 oktober 1934 afgestempeld in Genève, maar toont ons, ook in kleur, de "Chemin de fer Rochers de Naye et la Dent de Jaman (1878 m)". Opnieuw vraag ik me af of het niet eerder om een schilderij dan om een foto gaat. De Dent de Jamar ligt in de omgeving van Montreux, aan de oostzijde van het Meer van Genève - Genève zelf ligt aan de westkant van hetzelfde meer. 
De volgorde van de ansichten suggereert dat "matante" Zwitserland van oost naar west bereisde.
Als afzenders staan op de keerzijde van het eerste kaartje "F. M. Tobback" vermeld, en op het tweede en derde de namen Marie en Ferdinand.  Mijn vader woonde toen met zijn ouders in de Boortmeerbeekse Beringstraat, maar "matante" schreef stelselmatig "Behring". Een huisnummer vermeldde ze niet. Sporen van duimspijkers wijzen er op dat de kaartjes van "tajnke Marie" ten huize Wollebrants aan de wand hebben gehangen.
Ik ga ervan uit dat het echtpaar Tobback-Vandenbossche met de trein reisde: ik heb nooit gehoord dat het autobezitters waren, en gelet op Ferdinands betrokkenheid bij de spoorwegen, ligt het voor de hand dat ze er via het spoor op uittrokken. Deden ze dat onder hun beidjes, of in groep? Ging het misschien om een door de Belgische spoorwegen georganiseerde reis? Vergeefse vragen. De ansichtkaartjes geven er geen antwoord op. Maar mooi zijn ze wel, en lekker nostalgisch. En ze hebben ervoor gezorgd dat de reis/reizen van "matante" naar Zwitserland/Frankrijk niet zijn opgeslokt door het duister van de vergetelheid, waarin zoveel menselijke aangelegenheden verdwijnen… 

Alle in dit artikel verwerkte informatie komt uit de door mij geschreven familiekroniek.

vrijdag 4 oktober 2013

De Oortjesschool


"Mij dunkt, ik zie die lange juffrouw Monnier nog op den dorpel staan, met haren grooten schuithoed op, haar gebloemd kleed aan…".
"Voor zijnen welkom roofde men den nieuwe zijne klak…".
Deze twee zinnen - eigenlijk zijn het zinsneden - heb ik wijlen mijn moeder meer dan eens weten aanhalen. Ze maakten deel uit van haar herinneringen, maar hadden ook - misschien zelfs vooral - met mijn vader te maken. Hoe dat zat, hoe de verbinding tussen de citaten enerzijds, en mijn moeder en mijn vader anderzijds, er precies uitzag… neen, ik slaag er niet in dat aan de hand van mijn eigen geheugen te reconstrueren. In elk geval moet ook mijn vader met juffrouw Monnier, haar grote schuithoed en haar gebloemde jurk te maken hebben gehad. Niet rechtstreeks, maar literair gesproken.
Natuurlijk ben ik, dankzij mijn liefde voor de negentiende eeuw en haar letterkunde de herkomst van de zinnen al jaren geleden op het spoor gekomen. Ze stammen uit het zeer genietbare boek Ernest Staas, advocaat van de Lierse schrijver Anton Bergmann. Daarin zwaaide juffrouw Monnier (ook letterlijk) de plak over de zogenaamde "Oortjesschool", een lagere school gelegen in het negentiende-eeuwse begijnhof van Lier. De auteur situeerde ze "op den hoek van het Hemdsmouwken", naar ik vermoed omwille van de pittoreske naam van dat steegje, want in werkelijkheid moet ze in een bredere straat - net achter de ingang van het begijnhof - hebben gelegen. Het schooltje heeft dus "echt bestaan"!
In zijn familie- en vriendenkring werd Anton Bergmann Tony genoemd en het is met die auteursnaam dat zijn boek Ernest Staas, advocaat in 1874 werd gepubliceerd. Het werk geldt als hét voorbeeld van het negentiende-eeuwse realisme in de Vlaamse literatuur, en vormt als zodanig het Zuid-Nederlandse equivalent van de Noord-Nederlandse Camera Obscura van Hildebrand. Hildebrand, alias Nicolaas Beets, was overigens een fan van Bergmann. Over Ernest Staas schreef hij: "In alle waarheid en oprechtheid kan ik u getuigen onder de boeken van dezen onzen tijd er in lang geen gelezen te hebben, dat mij zoo smaakte".
Anton Bergmann was in Lier geboren op 29 juni 1835, studeerde Rechten in Gent en Brussel, en vestigde zich anno 1858 - naar het voorbeeld van zijn vader - als advocaat in zijn geboortestad. In hetzelfde jaar trouwde hij met de notarisdochter Eliza Van Acker. Het echtpaar woonde in het huis "De Sevensterre" op de Grote Markt in Lier (het pand zal in de begindagen van de Eerste Wereldoorlog worden verwoest), en kreeg een dochtertje. Bergmann was liberaal en Vlaamsgezind. In zijn vrije tijd wijdde hij zich aan de literatuur en de plaatselijke geschiedenis. Een man naar mijn hart.
Ernest Staas, advocaat - is een deels autobiografisch werk. Strikt genomen is het geen roman, maar een verzameling verhalen: Schetsen en beelden, zoals de ondertitel luidt. Er zitten humor en weemoed in. De twee zinsneden die mijn moeder zo levendig waren bijgebleven staan te lezen in het hoofdstuk Lieve Bertha.
Het boek zelf heb ik nooit in de boekenkast van mijn ouders weten staan. Een combinatie van vermoeden en vage herinnering fluistert mij in dat het tijdens hun studies en langs de weg der bloemlezingen Nederlandse literatuur moet zijn geweest dat ze met juffrouw Monnier en haar schooltje in contact waren gekomen. En dus ging ik op zoek naar bloemlezingen uit pakweg de jaren dertig… (met dank aan mijn vrouw die haar medewerking aan deze research verleende). 
Zo'n moeilijke klus was dat niet, want mijn vader - die onderwijzer was - heeft een collectie oude schoolboeken nagelaten, en daarin waren niet minder dan drie exemplaren van bloemlezingen te vinden waarin de Oortjesschool haar opwachting maakte.
Wat een heerlijk genre toch, die schoolse bloemlezingen, met hun zo rijke en tijdsgebonden variatie aan gedichten en prozafragmenten! De titels van de twee reeksen die in mijn vaders boekenkast op herontdekking stonden te wachten, klonken mij als echo's uit een ver verleden in de oren: Dicht en Proza, en De Gouden Poort. 
Dicht en Proza kende ik enkel uit conversaties tussen mijn ouders die ik in mijn kindertijd toevallig opving. Uit de toon die ze daarbij hanteerden kon ik opmaken dat het voor hen om een vertrouwd en gedeeld souvenir ging - dat ik echter in het geheel niet kende, en voor mij dus gehuld was in een waas van geheimzinnigheid. Ik vermoed dat die dualiteit in mijn luisterervaring er voor zorgde dat de naam Dicht en Proza zich diep in mijn geheugen nestelde. Zijn het niet vaak zulke ambivalenties die aan de basis liggen van onze herinneringen?
Van de "nieuwe uitgave" van Dicht en Proza uit 1930 trof ik in mijn vaders schoolboekencollectie twee exemplaren aan, één met een zachte, het andere met een harde omslag. Ondertitel: "Nederlandsch Leesboek voor Lager Normaalonderwijs, Middelbare Scholen en Athenaea". Samenstellers: M. Brants, "Leeraar aan het Koninklijk Athenaeum en de Middelbare Staatsnormaalschool te Brussel" en O. Van Hauwaert, "Eere-Inspecteur van het Middelbaar Staatsonderwijs, Bestuurder der Staatsnormaalscholen te Gent". Uitgeverij: "Office de Publicité", gevestigd in de Brusselse Nieuwstraat op nummer 36.
Op één van de eerste pagina's prijken de portretten van "Zijne Majesteit Koning Albert" en van "Hare Majesteit Koningin Elisabeth". In het boek met de zachte cover heeft mijn vader tussen deze beide koninklijke foto's zijn naamstempel gedrukt: "OSCAR WOLLEBRANTS". Boven de titel van het inleidend gedeelte ("Inleiding tot de letterkunde") heeft hij "O. WOLLEBRANTS" gestempeld, en met een rood potlood een groot cijfer "4" geschreven. Er kan weinig twijfel over bestaan dat dit exemplaar van Dicht en Proza aan mijn vader heeft toebehoord.
Het ligt voor de hand aan te nemen dat het exemplaar met de harde omslag het bezit van mijn moeder is geweest, maar om diverse "technische" redenen - u zou me een zeurkous vinden als ik ze zou uiteenzetten - ben ik daar allerminst zeker van.
In de Dicht en Proza-uitgave van 1930 vindt men het Oortjesschool-fragment uit Ernest Staas op de bladzijden 34 en 35, onder de titel "De eerste Dag in de Oortjesschool". De twee door mijn moeder geciteerde zinsfragmenten komen er in voor.
De Gouden Poort: had ik daar als leerling in het middelbaar onderwijs zelf niet nog mee te maken gehad? Inderdaad: mijn schriftjes "Nederlands / Verklarend Lezen" uit de "Vde Latijnse" (schooljaar 1962-1963) en de "IVde Grieks-Latijnse" (1963-1964) tonen aan dat mijn mannelijke intuïtie het bij het rechte eind had. Het zal wel om een jongere editie van De Gouden Poort zijn gegaan dan deze die in de collectie van mijn vader zit. Om een mogelijk misverstand in de kiem te smoren: de nummers van de leerjaren liepen in mijn atheneumjaren af... ik ben mijn middelbaar onderwijs begonnen in het zesde jaar en heb het - met een zucht van verlichting - beëindigd in het eerste ("de retorica"). In de vijfde Latijnse maakten we bij het "Verklarend Lezen" kennelijk ook gebruik van de bloemlezing De Bron (een schoolboekenreeks waar ook in mijn schrift "Verklarend Lezen" uit de zesde Latijnse naar verwezen wordt) - maar dit terzijde.
De uit 1935 daterende "vijfde druk" van de bloemlezing De Gouden Poort uit mijn vaders schoolboekenverzameling bestaat uit drie delen (A, B en C). Wij kunnen ons hier beperken tot deel A, want het is daarin dat wij, op de pagina's 69-73, het etablissement van juffrouw Monnier "met haren grooten schuithoed" aantreffen. De Oortjesschool is nu de Oordjesschool geworden, met een "d" dus, en in een voetnoot wordt verklaard dat een oordje een muntstukje was, "dat een waarde had van twee duiten = 2,5 centiem".
De Gouden Poort presenteerde zichzelf als "Bloemlezing ten dienste van Middelbaar- en Normaalonderwijs / door Julien Kuypers / inspecteur van het Normaalonderwijs". Ze was uitgegeven bij "De Sikkel, Kruishofstraat 223, Antwerpen". De drie delen in de collectie van mijn vader zijn alle van zijn naamstempel voorzien. 
Julien Kuypers laat zijn fragment uit Ernest Staas iets eerder aanvangen dan de samenstellers van Dicht en Proza, waardoor we een uitvoeriger beschrijving krijgen van het Lierse begijnhof. Anderzijds houdt hij één paragraaf eerder op. Een minder goede keuze dan die van Dicht en Proza - vind ik - want dat begijnhof doet in het verhaal niet veel ter zake, en door de tekst één paragraaf eerder af te breken, onthoudt Kuypers zijn lezers deze betekenisvolle verzuchting van Tony Bergmann over zijn dagen in de Oortjesschool: "Gezegende leeftijd!... Is er wel een tijd, waarin de mensch talrijker, levendiger gewaarwordingen heeft, waarvan hij dieper indrukken bewaart, dan die van de Oortjesschool! Een namiddag verlof schijnt een hemel van genoegen, twee uren school eene eeuwigheid van treurigheid en verveling".  
Het Oortjesschool-fragment in mijn vaders Gouden Poort werd intens bewerkt met pen en potlood: er werden allerlei aanduidingen in aangebracht, die er op wijzen dat de tekst op vlak van taal en dictie grondig werd uitgevlooid. Had mijn vader het prozastuk (of een deel ervan) in de loop van zijn Lierse normaalschooljaren moeten voordragen - misschien wel "van buiten" (uit het geheugen) leren? Had hij daar water en bloed bij gezweet en was deze tekst daarom in het collectieve geheugen van mijn vader én moeder terechtgekomen?
Laat ik nog vermelden dat zowel in Dicht en Proza als in De Gouden Poort het Oortjesschool-verhaal geïllustreerd werd met een (zwartwit) beeld. In Dicht en Proza was dat het schilderij "Een winterdag in het begijnhof, te Lier" van de Lierse kunstenaar Isidoor Opsomer - in De Gouden Poort ging het om de foto "Begijnhof te Lier: Het Hemdsmouwken".
Meer dan tijd nu om u de Oortjesschool nader voor te stellen… "In mijne jonge jaren", aldus Tony Bergmann, "waren er in 't Begijnhof niet dan gesluierde, geprofeste, zwartgekleede en witgedoekte, erkende, oprechte Begijntjes… en kinderscholen. 
Juffrouw Monnier hield er, op den hoek van het Hemdsmouwken, - schilderachtige naam voor een Begijnhofstraatje! - in een vervallen huisje met kleine ruitjes, vooruitspringend dak en bouwvallige arduinen trap, een soort van gesticht, dat zij haar 'Etablissement pour l'éducation des deux sexes' noemde. 
Wij heetten het eenvoudig 'de Oortjesschool'; en, ondanks den hoogklinkenden Franschen naam, was het, naar oud gebruik, met de oortjes af te halen, dat elken dag de werkzaamheden begonnen. 
Men leerde er spellen in Kruisken A, lezen in den Heelen en halven geschrifte, catechismus opzeggen, fabeltjes voordragen, maar vooral neigen en buigen, serviteurkens en servantjes maken. 
Tante, die vond dat ik te groot en te ongedurig werd en de tijd van leeren aankwam, koos in hare hooge wijsheid die oortjesschool uit, om er mijne eerste opleiding te ontvangen.
Mij dunkt, ik zie die lange juffrouw Monnier nog op den dorpel staan, met haren grooten schuithoed op, haar gebloemd kleed aan, en haar geducht reglet in de hand, toen ik, schuchter en bloode, vastgeklampt aan den mantel van Tante, de gebrekkige trap opstapte. 
'Op de vierde bank!' riep Mamesel, die mij van Tante losrukte, met den arm voortduwde en nederzette te midden van een troep bengels, jongens en meisjes, die tierden en raasden, schreeuwden en gilden, dat mij hooren en zien vergingen.
Voor zijnen welkom roofde men den nieuwe zijne klak, trok hem aan den kiel, greep hem bij de haren, zoodanig dat ik, gepijnigd en bevreesd, luidkeels aan 't weenen viel"… 
Anton Bergmann, alias Tony, overleed op amper 38-jarige leeftijd - op 21 januari 1874, enkele dagen na het verschijnen van zijn Ernest Staas, advocaat. 

Foto: de poort van het Lierse begijnhof aan de binnenzijde, in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Links het gebouw waarin de Oortjesschool in Anton Bergmanns kinderjaren in werkelijkheid gevestigd was. Foto van B. Janssens, overgenomen uit de geannoteerde uitgave van Ernest Staas, advocaat uit 1936. In de inzet: portret van Anton Bergmann, overgenomen uit hetzelfde boek. 

Bronnen: de in de tekst beschreven bloemlezingen; C. H. PEETERS, Tony's 'Ernest Staas', volledige tekst voorzien van aanteekeningen, uitgeverij G. Michiels-Broeders, Tongeren, 1936.

vrijdag 27 september 2013

Borstnummers


Jawel, beste lezers, bekijkt u de bovenstaande foto maar eens goed. Een uniek historisch document, het zal nog niet zijn zeker! Vorige week zondag (22 september) beleefde Boortmeerbeek de 17de editie van zijn grote Herfstjogging, georganiseerd door de gemeente en door onze joggingclub Icarus! En hier ziet u verenigd - in het blauw en breed lachend -  het eerste vrouwelijk én het eerste mannelijk clublid uit de uitslag van de 3,5 kilometer-race (er werden ook wedstrijden over andere afstanden betwist, maar die zijn van minder belang). 
Dat Sarah (links) als eerste Icarus-vrouw over de eindstreep rende hoeft ons niet te verbazen: zij kan hard lopen en eindigde trouwens als tweede van àlle deelnemende dames. Maar ik (rechts) de eerste Icarus-man? 
Het was mijn echtgenote die de bijzondere ontdekking deed toen ze de uitslag van de 3,5 kilometer loopkoers onder ogen kreeg: "je bent als eerste man van de club over de streep gekomen", constateerde ze. Mijn tevredenheid, die al groot was - ik had een naar mijn persoonlijke maatstaven goede tijd gelopen - kreeg er ogenblikkelijk een extra boost bij. Want ja, de eerste Icarus-man in de grote Herfstjogging, dat is toch zoiets als de eerste Belg in de Ronde van Frankrijk. Ongeveer.
Weliswaar kan opgemerkt - elke grote prestatie kan altijd wel gedownplayd worden als men van slechte wil is - dat enkele coryfeeën van onze club verstek hadden (moeten) laten gaan, wegens betrokkenheid bij de organisatie, of wegens gekwetst. Mogelijk was ik zelfs de enige Icarus-man in het deelnemersveld, dat heb ik nu even niet nagekeken, wil ik ook liever niet weten, en heeft bovendien geen enkel belang. Want om de vergelijking met de Ronde van Frankrijk door te trekken, en zoals de organisatoren van de Tour het altijd formuleren: het zijn niet de al dan niet aanwezige vedetten die de wedstrijd groot maken, het is de wedstrijd die de renners tot vedetten maakt.
Tussen haakjes, wat mijn goede tijd betreft: anderhalve minuut sneller dan bij de vorige editie! Als ik op deze schaal progressie blijf maken doe ik binnen zes à zeven jaar mee voor de overwinning. Sarah zal dan - daar ben ik omzeggens zeker van - hoge toppen scheren in het Diamond League-circuit of op de Olympische Spelen. Om zelf de wereld der internationale atletiek binnen te treden, dat zie ik niet zo zitten (al zal daar, nu ik getooid met het aureool van eerste Icarus-man door het leven ga, van de club uit misschien op aangedrongen worden). Niet dat ik er mij te oud voor voel, wel zie ik op tegen de vele verplaatsingen die daar aan vasthangen. Vrienden en goede bekenden weten dat ik niet van vliegmachienen hou: te weinig beenruimte, en soms storten ze neer. Niks voor mij.
De foto werd gemaakt net vóór de wedstrijd, daarom zien we er nog zo fris uit. Na de wedstrijd was dit een beetje anders, met name in mijn geval. Let eens op de bange blikken in de ogen van sommige ons omringende deelnemers: wat een contrast met onze vrolijke en onbekommerde gelaatstrekken. Ik vermoed dat die wat vertwijfelde collega-lopers onlangs nog aan competitie hadden gedaan. Sarah en ik hadden ons al sedert geruime tijd niet meer in het wedstrijdcircuit begeven, en waren bijgevolg glad vergeten aan wat voor beproeving je je daarbij blootstelt. 
Toegegeven: ik paste op het foto-moment ook wel wat de tactiek toe die ze in het Engels zo treffend beschrijven als: to put on a brave face. Mijn brede lach verbergt - zoals bijna elke lach op bijna elke foto - een portie ellende. Want mijn trainingsprogramma voor de Herfstjogging was allesbehalve hindernisloos verlopen, en eigenlijk kondigde de wedstrijd zich voor mij onder een somber gesternte aan. Enkele weken eerder was ik, bij het snoeien van hagen en struiken in de tuin van één van mijn nazaten, weer eens te enthousiast en te langdurig van stapel gelopen. Gevolg: lelijk op de sukkel met een spier of een gewricht in mijn heup. Ontstoken, gescheurd… wie zal het zeggen?
Ik had geen zin om mij in het medisch circuit te gooien: echografie, verplichte rust, kinesist… zoveel tijdverlies, ik had nog maar net een kies laten trekken, mét complicaties, dat leek me voor een tijdje alweer ruimschoots voldoende op het vlak van gezondheidskundige aan-mijn-lijf-zitterij. Bovendien hoorde ik onlangs een jonge arts uit mijn omgeving nog de stelling poneren dat negen op de tien kwalen ook zonder medische interventie genezen. Mét een dokter erbij gaat het misschien iets sneller. Hm, dacht ik, en bij elk tiende mankement op tien gaat de patiënt dood - met dokter of ziekenhuis erbij misschien iets sneller.
Goed, eigenwijs als ik ben rekende ik mijn heup bij de negen op de tien aandoeningen die zichzelf reguleren - zodoende modder ik tot op de dag van vandaag aan met lage rugpijn, vooral bij het bukken.  Je gaat dan je voeten lichtjes anders zetten, je beenspieren onnatuurlijk belasten… de eerste tekenen van kreupelheid kondigen zich aan… Met het oog op de race had ik mijn heup stevig ingetaped: het had iets van een amechtige poging om het uiteenvallen van mijn lijf en leden alsnog te beletten. 
Naast deze dieperliggende heup-problematiek kreeg ik, net voor de aanvang van het wedstrijdgebeuren, ook nog met een complicatie van geheel praktische aard af te rekenen. Een verwikkeling waar ik mij bij elke wedstrijd wel in meer of mindere mate mee geconfronteerd zie: het bevestigen van mijn borstnummer (er zijn in onze club ooit debuterende leden geweest die verkeerdelijk meenden dat het om een rugnummer ging: zij hebben zich in achterwaartse positie over de eindstreep moeten bewegen om in de uitslag van de betreffende wedstrijd te worden opgenomen).
In de regel tref ik na het in ontvangst nemen van mijn wedstrijdnummer toevallig altijd wel één of ander welwillend vrouwelijk Icarus-lid dat - ten gronde ingewerkt in de gebreken der man en dus vol begrip voor mijn tekort aan fijne motoriek - spontaan of na een hulpeloze blik van mijnentwege, mij haar assistentie aanbiedt. De term "assistentie" dient hier overigens eerder als een eufemisme beschouwd, want het komt er al snel op neer dat zij mij het gepruts met die veel te kleine veiligheidsspelden geheel uit handen neemt en de klus gauw zelf even klaart.
Vorige zondag evenwel - ik was nogal laat om in onze Boortmeerbeekse sporthal mijn nummer af te halen - bleek daar geen enkele Icarus-deelneemster meer voorhanden. Mijn echtgenote had reeds aan de aankomstlijn post gevat. Dan maar een wildvreemd element van een andere club aanspreken? Dat vond ik beneden mijn waardigheid. Ik kan het zelf, dacht ik. Laat ik de zaak met overleg aanpakken, dan wordt dat een fluitje van een cent.
Weet je wat, zo zette ik mijn positieve gedachtengang voort, in plaats van hier op mijn buik met die speldjes staan te klungelen… ik trek mijn truitje even uit, leg het op een hoek van één van de inschrijvingstafels, en bevestig er in alle rust en degelijkheid mijn nummer op. Zo gezegd, zo gedaan. Ik leek op weg naar een succeservaring nog vóór er ook maar één wedstrijdmeter gelopen was, des te meer daar mijn naakte torso zelfs al een bewonderend "amai zeg" bij één van die wildvreemde (en dus toch best genietbare) dames uitlokte. 
Helaas, de Oude Grieken noemden het hybris - overmoed - en lieten in hun theaterstukken zien dat het daar in de regel niet goed mee afloopt. En inderdaad, toen ik mijn keurig benummerd shirtje weer over het hoofd wou trekken, lukte dat niet. Hoe ik aan het blauwe ding ook sleurde, in welke bochten ik mij ook wrong… verder dan enige schamele schouderbedekking kwam ik niet. 
Gelukkig zat Erna achter één van de inschrijvingstafels (zij had mij trouwens mijn nummer - 259 - overhandigd). Erna, de echtgenote van de heer secretaris van onze club en tevens - hetgeen veel belangrijker is - een trouwe lezeres van mijn blog, kon mijn gehaspel niet langer aanzien, en schoot mij ter hulp. Shirtje terug van de schouders gehaald… en wat bleek? Met mijn als naar gewoonte iets té doortastende aanpak had ik niet enkel mijn borstnummer vastgespeld, maar met één van de goudkleurige speldjes tevens de voor- en de achterzijde van mijn outfit aan elkaar bevestigd, waardoor het niet meer mogelijk was deze derwijze over mijn hoofd te trekken dat de voorzijde ervan zich tegen mijn borst-, en de achterzijde ervan zich tegen mijn rugzijde aanvleide.
Tja, hoe vaak heb ik al niet moeten vaststellen dat de materële wereld zich tegenover mijn persoon weerbarstig gedraagt en mij met sardonisch genoegen het geringste foutje betaald zet… (zie in dit verband bijvoorbeeld mijn blogstukje Stopverf van 1 april 2011 - één van mijn bestsellers overigens, waarin mensen nog geregeld soelaas zoeken voor de kennelijk veelvuldige problemen die zich met deze substantie voordoen). Daarenboven ben ik nooit een Handige Harry geweest, dat moet ik toegeven, en om er nu nog één te worden… ach, men doet zijn persoonlijke geaardheid beter niet te veel geweld aan, denk ik. 
Erna maakte het verkeerdelijk gespeld voorwerp-mijner-zorgen weer los, ik trok mijn shirtje aan, waarna mijn Reddende Engel het nummer live begon op te spelden. Met lichtjes toegeknepen ogen - om scherper te zien - vervulde ze dit hachelijk werkje. Bij haar echtgenoot zou ze ongetwijfeld wat sneller en nonchalanter van stapel zijn gelopen, maar nu de tere borsthuid en dito tepeltjes van haar Geliefde Schrijver in het geding waren, verrichtte ze haar goede daad met bewonderenswaardige omzichtigheid (dat was ten minste mijn indruk). Nogmaals dank, Erna, God zal het u lonen en ik zal het niet vergeten.
Wel dien ik er op te wijzen, Erna, dat - de foto van mijn verschijning aan de startlijn bewijst het - mijn borstnummer zich niet volkomen perfect in het midden van mijn truitje bevond, maar zich een ietsje meer op mijn rechter- dan op mijn linkerhelft situeerde (op de foto is dat dus iets meer naar links dan naar rechts). Bovendien bleek de onderste rand van het nummer niet geheel strak te zitten: hier had je, Erna, de spelden beter een, laten we zeggen, kleine halve centimeter verder uit elkaar geplaatst. Nu vormde zich onderaan het nummer een soort holte, die nergens voor nodig was en een weinig afbreuk deed aan de esthetiek van het geheel.
Alles kan beter natuurlijk, dat is waar. Ik ben hoegenaamd geen moeilijk mens, en ik probeer geregeld in te gaan tegen mijn aangeboren perfectionisme, maar wat mij bijvoorbeeld van meet af aan toch enigszins stoorde was dat het clubbestuur de borstnummers in een soort dunne plastic folie had gewikkeld, hetgeen, naar ik vermoed, te maken had met één of andere vorm van recyclage (ik denk dat ze al eens gediend hadden, en men er misschien een volgende keer opnieuw wil mee uitpakken).
Eerst flitste mij nog de gedachte door het hoofd dat het plastic hoesje bij wijze van hygiene rond de nummers was aangebracht, en het de bedoeling was het met een kort en krachtig handgebaar open te scheuren (zoals men dat doet bij tijdschriften, die de jongste tijd vaak ook in een plastic omhulsel tot ons komen) - maar goddank kreeg ik nog tijdig in de gaten hoe menig deelnemer reeds voorzien was van een in ongeschonden plastic verpakking gevat borstnummer.
Geacht Icarus-bestuur, ik zie mij verplicht u er in alle eerlijkheid en bescheidenheid - en met niets anders dan het clubprestige voor ogen - op te wijzen dat zo'n dun en met een zekere waas en beduimeldheid bedekt plastic omhulsel ten koste gaat van de frisse kleur en de uitstraling van de nummers (en van onze vereniging).
Bovendien was - door mijn aanvankelijk geknoei bij het opspelden - hier en daar al een flardje van het plastic bekleedsel losgekomen, hetgeen, gevoegd bij de niet geheel centrale positie en de holte onderaan, mijn borstnummer uiteindelijk toch een lichtelijk slordig en niet geheel bevredigend uitzicht gaf. Weinig toeschouwers zullen deze imperfecties opgemerkt hebben, maar dat zij in het geheel niet van invloed zijn geweest op mijn loopprestatie zou ik niet boudweg durven beweren. De menselijke geest, én zijn verbinding met het lichamelijke (zeg maar: het psycho-somatische aspect van ons menszijn) zijn ingewikkelde en subtiel-functionerende fenomenen. 
Wat er ook van zij, met het oog op de Herfstjogging van volgend jaar staat mijn besluit nu reeds vast: in plaats van de ik-kan-dat-zelf-ook-wel-man (die ik toch niet ben) uit te hangen, zal ik mij, na het in ontvangst nemen van mijn deelnemersnummer, terstond, stante pede en resoluut naar Erna begeven, om het door haar te laten opspelden. Uiteraard, Erna, twijfel ik er niet aan dat je de twee hier besproken aandachtspuntjes in verband met de kunst van het borstnummers-spelden (mooi in het midden en goed strak), dan ter harte neemt, en je zal zien: niemand zal beter bespeld aan de start verschijnen dan ik, uw geliefde schrijver.
Geacht bestuur, u zou ik willen vragen, naast de verschillende prijzen voor de snelst lopende en de oudste deelnemers, tevens een onderscheiding voor de mooist bespelde man en vrouw uit te loven.
Voor wat hoort wat natuurlijk, een club is als een huwelijk, men moet nemen en geven, ik ben geen profiteur, en dus verklaar ik mij bij deze bereid om bij onze volgende Herfstjogging de vrouwelijke Icarus-leden die dit wensen hun borstnummer op te spelden. Ik zal dit doen zoals Erna het dit jaar bij mij heeft gedaan: live, met lichtjes toegeknepen ogen (om scherper te zien), net zo nauwgezet en behoedzaam, en met evenveel consideratie voor hun tedere borsthuid en dito tepeltjes. Ik zal er ook voor zorgen dat het nummer mooi in het midden en goed strak zit. Mijn vrouw vraagt zich inmiddels af waarom in het runners-circuit geen gebruik wordt gemaakt van zelfklevende borstnummers?

Foto: enkele deelnemers aan de start van de Herfstjogging van Boortmeerbeek, 22 september 2013. Met dank aan Icarus-lid en vriend Frans Verstraeten. 

Over mijn beslommeringen met joggingclub Icarus schreef ik eerder al de blogstukjes Apetrots (2012, juni), Geen excuses (2012, september) en De Icarus-bus (2013, maart). Gemakkelijk terug te vinden via het menu in de marge.  

Mannen/vrouwen uit Boortmeerbeek en omgeving, van welke leeftijd ook, die enigszins sportief zijn (of overwegen het te worden) en graag met ons mee willen joggen… gewoon op dinsdag- of vrijdagavond tegen half acht naar de sporthal aan de Sportveldweg komen… Ook in de najaars- en wintermaanden gaan wij vrolijk door! Meer info op de website van onze club: http://www.joggingclubicarus.be/