vrijdag 22 april 2011

Lentefeest


Pasen : het grote lentefeest !  De boze wintergeesten zijn verjaagd, de groeikracht van de natuur is weer tot leven gewekt.  Op de bomen : de bloesem en het frisse groen.  Jonge dieren worden geboren.  Het gras groeit opnieuw.  Het mooie seizoen is begonnen… En zeker dit jaar zijn we verwend met uitzonderlijk zachte en zonnige lentedagen !
Onze Germaanse en Keltische voorouders ontstaken rond deze tijd hun lente-vuren, waarin ze al de narigheden van het verleden symbolisch verbrandden.  Mensen en dieren voelden zich gezuiverd en als herboren.  Jongens en meisjes die hand in hand de sprong over het vuur waagden, zouden voor altijd samenblijven.  De warmte van de lentevuren stak de zon een handje toe bij het doen kiemen van het zaai- en plantgoed op de velden.  Al dagen voor het lentefeest was men druk in de weer om zoveel mogelijk takken en sprokkelhout voor de mijt bijeen te brengen.  Hoe hoger en groter de stapel, hoe sterker het effect van het vruchtbaarheidbrengende vuur.   Om zijn kracht uit te dragen ontstaken jongens en jongemannen fakkels aan het lentevuur, en liepen er mee door velden en boomgaarden.
In de nacht vóór het lentefeest bezat al het stromende water een wondere kracht.  Het kon niet bederven, het genas oogkwalen en wonden, het deed huiduitslag, wratten en sproeten verdwijnen.  Jonge meisjes trokken rond middernacht naar een nabijgelegen beek of bron om dit magische, heilvolle water te scheppen.  Onderweg mocht er geen woord gesproken worden (een hele opdracht natuurlijk), anders verloor het water onherroepelijk zijn kracht.  Wie zich voor zonsopgang in de beek ging wassen, mocht er op rekenen heel lang heel mooi en heel jong te blijven !  (Of dit nu nog geldt voor de hier in mijn buurt stromende Molenbeek kan ik u echter niet garanderen).
Als op paasdag de zon opkwam, maakte ze, zo werd verteld, drie vreugdesprongen : één naar het oosten, één naar het zuiden, één naar het westen !  Onze voorouders waren vroeg uit de veren om deze wulpse buitelingen van de ochtendlijke zon mee te maken.  Die vroege veren zijn aan mij in de regel niet zo besteed, ik ben eerder een nachtmens, maar ja, toch ook een "kind van de zon" - geboren in de zomermaand juni, op een zonnige Pinkstermaandag.  En zoals mijn vrouw al meer dan eens opgemerkt heeft (vorig weekend nog, toen we in Sint-Amands aan de Schelde stonden) : de zon, -zeker in combinatie met de zee, het strand, de bergen, het zonovergoten landschap...-, tilt mijn humeur, mijn energie en levenslust meters de hoogte in ! 
Van veel van onze hedendaagse kalenderfeesten dient de verre oorsprong gezocht bij de vóórchristelijke, zogenaamd "heidense", feesten en rituelen van onze verre Germaanse en Keltische voorouders.  Bij het lentefeest vereerden die de god Donar (zijn naam leeft voort in onze donderdag) en zijn zuster Ostara, de godin van groei en bloei (haar naam leeft voort in het Duitse Ostern en het Engelse Easter).  Toen in de eerste eeuwen van onze tijdrekening het Christendom in opmars was en de hele bevolking in zijn greep wou krijgen, probeerde de Kerk die oude erediensten uit te roeien.  Dat ging niet zonder slag of stoot.  De eeuwenoude Keltische en Germaanse riten stonden immers, net als de mensen van toen, dicht bij de natuur en de grond.  Onze voorouders beseften zeer goed dat ze voor hun voortbestaan van de levenskracht van Moeder Natuur afhankelijk waren.  Hun rituelen waren in wezen een eerbetoon aan de zon, die licht en warmte geeft - aan de vruchtbaarheid van de velden, de dieren en de mensen…  Zulke rituelen ervaarde men als betekenisvol, en vergeleken daarmee was het Christendom een volksvreemde nieuwlichterij die maar weinig met de werkelijkheid van alledag te maken had.
De bekering tot het Christendom (vroeger noemde men dat : "de kerstening") van onze streken gebeurde grotendeels in de 7de en 8ste eeuw, en was het werk van zendelingen, monniken en bisschoppen.  Vooral die christelijke zendelingen moeten religieuze fanatici zijn geweest, die, -overtuigd van de superioriteit van hun opvattingen-, met bezieling, doortastendheid en agressiviteit te werk gingen.  Ik gaf aan mijn studenten wel eens het voorbeeld van de missionaris die in een Germaans dorpje het vereren van de aloude Wodanseik uitroeide door een bijl te nemen en de boom stante pede om te hakken !  Maar... men kan zich ook (en zelfs met enige sympathie) voorstellen dat één van de dorpelingen vervolgens op zijn beurt de bijl ter hand nam en de zendeling omhakte !  Nogal wat van die christelijke pioniers eindigden hun dagen inderdaad voortijdig als martelaar.  Later zijn die zendelingen door de Kerk tot heiligen uitgeroepen : Amandus, Eligius (Elooi), Lambertus, Hubertus...  Hun namen leven voort in de benamingen van plaatsen, kerken en parochies.  Hun bekeringswerk kon echter niet beletten dat de oude tradities en gebruiken in de volkse lagen van de samenleving nog eeuwenlang bleven voortleven.
Naast die agressieve, was er trouwens ook een meer diplomatische bekerings-aanpak, die door paus Gregorius (eind 6de, begin 7de eeuw) werd "gepromoot".  Hij zag in dat men met azijn geen vliegen vangt, en stond een bekeringsmethode voor waarbij de oude Germaans-Keltische feesten en gebruiken niet met de harde hand werden onderdrukt, maar werden "verchristelijkt" - in de christelijke eredienst ingepast.  "Als men het volk op deze wijze wat uiterlijke genoegens gunt, zal het zich des te gemakkelijker voor de innerlijke openstellen", aldus de gewiekste paus.  "Wie de top van een hoge berg wil bereiken, doet dat langzaam, stap voor stap, en niet met sprongen".  Door die "sluipende" aanpak raakten heel wat aloude Germaans-Keltische tradities en feesten, die kennelijk zo sterk in het leven van onze voorouders verankerd waren dat ze zich niet "zomaar" lieten uitroeien, met een christelijk sausje overgoten.  Onder dat laagje vernis zitten nog de oeroude verhalen en tradities van onze voorouders. 
Aangezien het lentefeest vanouds het feest van de hergeboorte van het leven was, was het logisch dat de Kerk het feest van Christus' heropstanding uit de dood, Pasen dus, op die dag plaatste. De dag waarop dat christelijke Paasfeest moest worden gevierd was in de eerste eeuwen van onze tijdrekening overigens de inzet van een heftige strijd tussen de Westerse kerk, die Pasen altijd op een zondag vierde, en de kerken van Klein-Azië, die hun paasfeest lieten vallen op de veertiende dag van de maand die Nisan heette, waardoor het slechts af en toe op een zondag viel.  De knoop werd doorgehakt op het Concilie van Nicea, in het jaar 325.  Van dan af valt Pasen op de zondag volgend op de eerste volle maan na de lente-evening van 21 maart.  En jawel, enkele dagen geleden werd ik 's nachts gewekt door de (bijna) volle maan die mij door het raam in het aangezicht priemde : het klopt dus !  Even later zat die maan trouwens alweer achter het nachtelijke wolkendek…
Aangezien de kippen in de lente met hernieuwde ijver eieren beginnen leggen, en het ei het vruchtbaarheidssymbool bij uitstek is, hoeft het ons niet te verbazen dat eieren van oudsher een belangrijke plaats in de paastraditie innemen.  Dat komt onder andere tot uiting in het paaseieren rapen (door peuters en kleuters), een traditie die ook binnen onze familie in ere is gehouden.
Bij mij waren het "de klokken van Rome" die de paaseitjes brachten : ik raapte ze in onze tuin en ook in die van mijn meter, waar ze tussen de bloemen en planten langs "den hofweg" (het tuinpad) lagen.  Het ging deels om chocolade eieren, maar deels ook om echte eitjes, die door mijn vader en/of moeder beschilderd waren - zoals ook onze verre voorvaderen de eieren op het lentefeest van een rune-teken voorzagen of op een andere manier versierden.
Die "klokken van Rome" waren overigens in het geheel niet "van Rome" : het ging om de klokken uit onze eigen dorpskerk die op Witte Donderdag naar de kerkelijke hoofdstad vlogen, en op zondagvoormiddag van daaruit terugkeerden (een soort city-trip als het ware).  Met verwondering lees ik in het boek van K. C. Peeters over het Vlaamse volksleven, daterend uit 1946, dat het paaseieren rapen op zaterdag gebeurde.  Ik heb altijd geweten dat de klokken op zondag, na de verrijzenis van Christus, in ons dorp arriveerden, en dan, in alle vroegte, de paaseitjes tussen het groen in de tuinen dropten - waarna ze hun plaats in de toren van de kerk weer innamen en bij aanvang van de hoogmis vrolijk bim-bammend lieten horen dat ze terug thuis waren.
Bij onze eigen kinderen was het de paashaas die voor chocolade eieren en, in toenemende mate, ook voor speelgoed zorgde.  Als jonge ouders vonden mijn vrouw en ik een haas toch "natuurlijker", -en ook wat minder klerikaal-, dan die voyagerende klokken.  Onze telgjes raapten paaseieren in onze tuin en in die van mijn ouders (zie foto : 12 april 1998, onze jongste zoon Ewald - foto van dia).  Mijn vrouw heeft aan de familietraditie van het paaseieren rapen nog een mooi luik toegevoegd, door telkenjare voor een rijkelijk ontbijt aan een smaakvol versierde paastafel te zorgen. 
De paashaas werd, als leverancier van de paaseieren, bedacht door de Duitse protestanten, die niet zo op cadeautjes uit Rome gesteld waren.   Volgens de mythologie was de haas een vogel die van gedaante was veranderd : door dat vroegere vogelbestaan was het niet onaannemelijk dat hij voor eieren kon zorgen.  Maar uiteraard was de haas als dier met een snelle voortplanting en groei ook  een geschikt vruchtbaarheidssymbool.
Vroeger propten sommige mensen zich bij het Paasfeest vol met eieren.  Nu echter weten wij dat eieren bijzonder slecht zijn voor de cholesterolbalans, en dus voor de bloeddruk, en dus voor hart- en bloedsomloop !  Bovendien wordt in de bio-industrie op zo'n wreedaardige manier met kuikentjes en kippen omgesprongen, dat we ook om die reden ons eierverbruik best heel sterk beperken.  (En dan heb ik nog niks gezegd over al de chemische rotzooi die door gewetenloze producenten in het industriële pluimvee wordt gestopt).  Maar één gekookt eitje met Pasen, dat moet kunnen, zeker als het van een scharrelkip afkomstig is. 
Ik wens u een aangenaam lentefeest toe, met veel zon over de velden, de bossen en de tuinen - en in uw hart ! 

Voornaamste bronnen :
- Teksten door mij geschreven in 1977 voor mijn radioprogramma "Brabants Getijdenboek" (waar ik de in deze teksten verwerkte informatie precies haalde heb ik toen helaas niet genoteerd).
- Mijn cursus "Middeleeuwen" uit de lerarenopleiding : F. WOLLEBRANTS, Geschiedenis van de Middeleeuwen, tweede uitgave, Uitgeverij Acco, Leuven, 2004.
- N. VAN DEN EERENBEEMPT, Reizen over de regenboog, Uitgeverij Bert Bakker, Den Haag, 1974 (ik kocht dit boekje in november 1976).

vrijdag 15 april 2011

Erres

Een tijdje geleden verraste en verblijdde mijn vrouw mij met het terugvinden van dit prachtige radiotoestel (zie foto). Het is de radio die mijn ouders kochten niet lang nadat zij, -rond Pasen 1946-, hun intrek hadden genomen in het huis in de Boortmeerbeekse Beringstraat, nummer 16, waar ik naderhand mijn kinderjaren heb doorgebracht (van 1949 tot 1964). Ik ken dit "Erres"-toestel zeer goed - heb er zelf ook nog volop naar geluisterd, tot ik, in de vroege jaren zestig, mijn eigen draagbare radiootje kocht.
Het huis nummer 16 was eigendom van mijn grootouders-langs-vaderskant Frans Wollebrants en Maria Ceuleers, die het in het najaar van 1938 hadden gebouwd, als een investering, -mijn grootvader had goede zaken gedaan, maar was ook een opvallend harde werker-, én met de bedoeling dat hun (toen zeventienjarige) zoon Oscar er ooit met zijn gezin zou gaan wonen.
Mijn ouders, Oscar en Maria Wollebrants-Budts, huwden in juli 1945. Ze konden echter niet meteen "in de 16" terecht : de huurders weigerden te vertrekken! Pas na ettelijke maanden, en na tussenkomst van de vrederechter, kwam de woning vrij. Rond Pasen 1946 beschikten mijn ouders eindelijk over hun "eigen nestje", en, naar mijn moeder mij ooit vertelde, dateerde de aankoop van deze radio van korte tijd later.
Ik ben dus opgegroeid met dit toestel (zoals kinderen nu groot worden in het gezelschap van het televisietoestel en de computer). De zenderschaal is ronduit indrukwekkend : "Warszawa, Paris, Leipzig, Milano, Bucuresti, Berlin, Prag, Paris, Roma, München, Budapest, Oslo, London…". Of men de zenders uit al die steden werkelijk kon ontvangen, betwijfel ik, maar de namen spraken wel tot de verbeelding. De sterkste retro-ervaring ondervind ik echter bij plaatsnamen die ik sinds mijn kinderjaren nooit of nauwelijks nog heb gehoord  : Beromünster, Kalundborg, Droitwich! Natuurlijk staan ook Brussel, Luxemburg en Hilversum op de schaal : dat waren de zenders waar effectief naar geluisterd werd.
De grote draaiknop aan de rechterzijde diende om op een bepaald radiostation af te stemmen. Hij stond in verbinding met de afstemnaald die onder de (doorschijnende) zenderschaal liep en van het ene naar het andere station schoof. Rechts en links van de zenderschaal brandde een lichtje : ik vermoed dat het ene rood was en aanduidde dat het toestel aan stond, en dat het andere groen was en harder brandde naarmate de afstemnaald de frequentie van een zender preciezer trof en de ontvangst dus beter werd. Het toestel stond, zo herinner ik me, op een sierlijk, groen gekleurd, ijzeren schapje, met een dikke glazen plaat als draagvlak. Het hing aan de muur in de woonkamer, naast de deur naar de keuken.
Oude radio's zijn, zo leert het internet mij, op dit moment museumstukken en gegeerde verzamelobjecten geworden (maar, u raadt het al : ik zou mijn ouderlijk toestel natuurlijk nog voor geen miljoen verkopen). Dankzij gedreven en deskundige radio-liefhebbers, kom ik nu over mijn Erres-ontvanger zaken te weten waar mijn ouders allicht zelfs geen vermoeden van hadden. Zo verneem ik dat de naam "Erres" afkomstig is van de initialen van de Rotterdamse zakenman R. S. Stokvis, die al sinds de negentiende eeuw allerhande technische producten aan de man bracht. Rond 1923 begon de handelsmaatschappij R. S. Stokvis & Zn. met het verkopen van radiotoestellen. In dat jaar verscheen in het blad Radio-Wereld de eerste advertentie voor de "Erres 1". Aanvankelijk betrok de firma Stokvis haar verkoopwaar bij verschillende Nederlandse bedrijven, maar van februari 1927 af (en dit tot eind 1966) werden haar Erres-radio's allemaal geproduceerd door het bedrijf Van der Heem uit Den Haag.
Op de achterzijde van onze Wollebrants-Erres (die 51 x 32 x 24,5 cm groot is) zie ik dat deze van het type KY466 is - "het gevoeliger en luxueuzer broertje van de Erres KY465". Dit Erres-type werd door Van der Heem gebouwd vanaf 1 november  1946. Het verbruikte 60 Watt. De luidspreker (die van Philips kwam) had een diameter van 21 cm. Men kon afstemmen op de lange, de midden-, en de korte golf. Wie wou kon op het toestel een platenspeler en een extra luidspreker aansluiten, maar ik denk niet dat mijn ouders dat ooit hebben gedaan. In de omschrijving "KY466" betekende de K dat het ging om een in een radiokast ingebouwd apparaat. De letter Y stond voor ijzer, omdat het eerste toestel in de reeks in een metalen omhulsel stak. In de cijfercode 466 stonden de twee eerste cijfers voor het jaar (19)46, en verwees de laatste 6 naar de productie-serie.
Het toestel van mijn ouders zit in een stijlvolle houten kast (waarvan het glanzende hout bij het maken van foto's echter sterk reflecteert). En voorwaar, ik bezit ook nog de originele verpakking : een grote kartonnen doos, met op de voorkant de afbeelding van een zingende kanarie (op een blauwe achtergrond), en de tekst "Staande stuwen / Erres radio". Het kanarie-logo was een ontwerp van de Amsterdamse kunstenaar Dirk Hart (1).
Spelen doet onze Erres-radio spijtig genoeg niet meer. Dat weet ik al sinds de jaren zeventig, toen ik hem een eerste keer van de zolder heb gehaald (mijn liefde voor het retro-goed dateert dus minstens uit die tijd). Ik heb het toestel toen naar een oude-radio's-verzamelaar-en-deskundige gebracht, in de hoop dat die hem weer aan de praat (en vooral aan de muziek) zou krijgen, maar helaas bleek één van de lampen stuk en beschikte de man niet over het precieze vervangexemplaar. Maar goed, er is genoeg fifties- en early-sixties-muziek voorhanden om voor een simulatie te zorgen, en dat die dan niet exact klinkt als op zo'n authentieke oude radio, ach, zo'n sound-maniak wil ik niet zijn.
Van wat er via deze Erres-ontvanger allemaal in onze huiskamer is gekomen, kan ik uiteraard slechts een fragmentair beeld ophangen, hoofdzakelijk samengesteld uit verhalen van mijn moeder en uit eigen herinneringen. Naar muziek werd vooral door mijn moeder geluisterd. Ze hield van licht klassieke muziek, maar stemde ook af op de "bonte avonden" die al van vóór de Tweede Wereldoorlog een populair genre vormden. In die programma's werden live-optredens van zangers en zangeressen afgewisseld met "sketches" door, zoals ik mij herinner, komische duo's als Charel Janssens en Co Flower, en Theo Van den Bosch en Suzy Marleen. Een bijzonder populair bonte-avond-programma dat aan het begin van de jaren vijftig werd uitgezonden (maar waar ik geen persoonlijke herinneringen aan heb), moet "Het hele Dorp" zijn geweest, elke vrijdagavond om acht uur op "Radio Hasselt", met vedetten als presentator Pol Cabus, zanger Tony Geys, accordeonist Jos Termonia, zangeres Jenny Verdonck…
Een enigszins ander genre was het radio-cabaretprogramma "Kop en Staart", dat, als ik het me goed herinner, werd uitgezonden op zaterdagavond, en waarin Renaat Grassin zijn "ketje" neerzette - een Brussels typetje dat niet op zijn mondje was gevallen (en dat overigens ook al van vóór de oorlog dateerde). Hoorspelen ("luisterspelen") waren een ander, ook bij mijn moeder geliefd, genre. Zelf hoorde ik in mijn kinderjaren ooit "De moeder en de drie soldaten" van Ernest Claes op de radio (maar ik weet niet meer of het om een bewerking tot hoorspel ging, dan wel of het verhaal gewoon voorgelezen werd).
Natuurlijk ontkwam men niet aan de nieuwsuitzendingen - met name herinner ik me ellenlange bulletins uit de tijd van de grote staking tegen de "eenheidswet" in de winter 1960-1961 (ik denk dat men, toen de staking afbrokkelde, opsomde in welke bedrijven het werk hervat werd). Ik vermoed dat mijn vader bij gelegenheid ook wel naar reportages van het voetbal en van de Ronde van Frankrijk zal hebben geluisterd, maar daar heb ik geen concrete herinneringen aan. Wél weet ik nog hoe elke zondag, "na het nieuws van één uur", het opera- en belcantoprogramma van Etienne Vanneste "in de ether" ging, met als indicatief een fragment van het Zigeunerkoor uit "Il Trovatore" van Verdi (2).
Al die programma's werden uitgezonden door "Vlaams Brussel" - of door de verschillende gewestelijke omroepen op "de kleine post" (zenders werden "posten" genoemd). Maar natuurlijk luisterden we ook naar de Nederlandstalige uitzendingen van de commerciële Radio Luxemburg, die toen in Vlaanderen zeer populair waren, en die elke dag in de voormiddag en 's zondags ook tijdens de middaguren op antenne gingen. Eén van de voormiddag-presentatoren was (van 1960 af) de legendarische Stan Haag, die later (van 1968 af) aan de slag zou gaan bij de al even legendarische "piraatzender" Radio Veronica.
Van de zondagse programma's van Radio Luxemburg herinner ik me de kwis-met-publiek "Alles of Niets", gesponsord door de firma "L' Oréal", die daarbij volop reclame maakte voor haar "Shampoo Dop". Het programma werd (van 1958 af) gepresenteerd door de onlangs overleden Jef Burm. Wat later op de zondagmiddag, tussen 13 en 14 uur, liep op dezelfde zender "Tiener Topper Tijd", met Guus Jansen junior, gesponsord door het tienermagazine "Muziek Parade" en met het liedje "Ready Teddy" van Cliff Richard (en een stel wild gillende meisjes) als intro. In dat programma werd, van half twee af, de hitparade van de Benelux uitgezonden. Als "teenager" heb ik vaak naar dat programma geluisterd (3).
Niet lang voor we, in juli 1964, uit de Beringstraat verhuisd zijn, kocht ik een eigen radiootje (dat ik overigens ook nog bezit!). Naar de mode van die tijd was het een "draagbare" of "transistor-" radio. Die werkte niet, -zoals het Erres-toestel-, op stroom uit het stopcontact, maar op "pillen" (batterijen). In ons "nieuw huis" in de Bredepleinstraat heeft de oude Erres-radio geen plaatsje meer gekregen, behalve dan op "het klein zolderke". Na de verhuis hebben mijn ouders ook een transistor-radio gekocht. De tijd van de lampenradio's was voorbij.  All things must pass…

Tenzij anders in de voetnoten vermeld komt de informatie in deze tekst uit de door mij geschreven familiekroniek en uit eigen kennis en herinnering.  Enkele feitelijke gegevens werden her en der gesprokkeld.
(1) Dit deel van de tekst, met technische gegevens over het toestel, werd aangepast in september 2011. Bronnen : internet (www), website Vintage Radio Web,  http://www.vintageradio.nl/index.htm, geraadpleegd april 2011 ; internet (www), trefwoord "Erres" in internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige versie), http://nl.wikipedia.org/wiki/Erres, geraadpleegd april 2011 ; internet (www), website Welcom (sic) bij Kees van Dijke's Radio Verzamelinghttp://kvdijke.radiocollection.net/nl/, geraadpleegd april 2011 ; internet (www), website van het Rotterdams Radio Museum, http://www.rotterdamsradiomuseum.nl/, geraadpleegd april 2011 ; e-mail van de heer Ger Fust, 3 september 2011 ; internet (www), website Van der Heem N. V., http://www.vanderheem.info/index.html, geraadpleegd september 2011.
De foto boven dit artikel werd in september 2011 overgenomen op de website Van der Heem N. V., samen met een foto van de kartonnen doos (met de afbeelding van de kanarie) : http://www.vanderheem.info/ky466.html
(2) Uitvoering door het Slovak Philharmonic Choir op You Tube : http://www.youtube.com/watch?v=NElLkW7wF_4
http://www.icce.rug.nl/~soundscapes/VOLUME05/Radio_Luxembourg03.shtml
(3) Heel wat informatie over de vroegere Nederlandstalige uitzendingen van Radio Luxemburg is te vinden op de website Soundscapeshttp://www.icce.rug.nl/~soundscapes/VOLUME04/Radio_Luxembourg02.shtml - en : 
http://www.icce.rug.nl/~soundscapes/VOLUME05/Radio_Luxembourg03.shtml
Over Stan Haag, zie ook de website Een radiolegende… Een hommage… Stan Haag…


vrijdag 8 april 2011

Rousseau


"Van alle plaatsen waar ik gewoond heb (en daar waren heel charmante bij), heeft geen enkele mij zo werkelijk gelukkig gemaakt en een zo zoet heimwee bij mij nagelaten als het Sint-Pieterseiland, midden in het meer van Biel", aldus de 18de eeuwse Franse schrijver en philosophe Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) - boegbeeld van de Verlichting en pionier van de Romantiek.
Het Meer van Biel (de Bielersee) ligt, zoals zijn naam het zegt, bij de stad Biel (in het Frans : Bienne), in het noord-westen van Zwitserland.  Midden in het meer ligt een eiland : het Sankt-Petersinsel, het Sint-Pieterseiland.  Rousseau zocht er een toevlucht op de 12de september 1765, en verbleef er tot de 25ste oktober van dat jaar.  Hij was toen 53 jaar. 
Wat was het dat hem op dit Zwitserse eilandje zo gelukkig had gemaakt ?  Waarin is het geluk gelegen ?  Waarin is het te vinden ?  Het ging niet om "korte ogenblikken van vervoering en hartstocht", aldus de schrijver, want die zijn "juist vanwege hun hevigheid niet meer dan  dungezaaide punten op de levenslijn".  Neen, het ging om een "eenvoudige en duurzame toestand die op zichzelf niets heftigs" had.  Dat geluk op het Sint-Pieterseiland, zegt Rousseau : "ik zou het alle mensen van deze tijd willen laten ontdekken aan de hand van de beschrijving van het leven dat ik er leidde". 
Het relaas van die zes gelukkige weken van Jean-Jacques Rousseau is terug te vinden in een boekje dat mij lief is (ik zie dat ik het kocht op 5 februari 1987) : "Les rêveries du promeneur solitaire" - de dromerijen van de eenzame wandelaar, in de (niet altijd gelukkige) Nederlandse vertaling uit 1981 : "Overpeinzingen van een eenzaam wandelaar" (1).  Amusant detail : Rousseau deelde het boekje niet in in hoofdstukken, maar in "wandelingen".  Hij schreef het in de jaren 1776-1778, het verscheen postuum in 1782.  De "vijfde wandeling" bevat het verhaal over de weken op het Sint-Pieterseiland, en over het geluk dat hij daar had gevonden - ruim tien jaar eerder.  Dat laatste lijkt me niet onbelangrijk : is het in de regel niet achteraf dat we het geluk herkennen dat we daar-en-toen hebben gekend ?  
Natuurlijk wil u graag weten wàt de schrijver op dat eiland in de Bielersee dan wel zo gelukkig heeft gemaakt.  Ik zal u niet op uw honger laten.  Samengevat (maar daarmee doe ik de tekst van Rousseau, die zalig om lezen is, zwaar onrecht aan) kwam het neer op drie "levensomstandigheden" waar Rousseau op het eilandje in de Bielersee kon van genieten.  Het eerste aspect van het gelukkige leven : het far niente - het niets-doen.  Vooral dan in de zin van : het zich (zoveel mogelijk) onttrekken aan maatschappelijke verplichtingen… "Als vervelende brieven mij noopten de pen ter hand te nemen om ze te beantwoorden, leende ik mopperend het schrijfgerei van de rentmeester en ik haastte mij het terug te brengen in de ijdele hoop het niet nogmaals te behoeven lenen".  Het tweede aspect stipt Rousseau niet expliciet als zodanig aan, maar valt herhaaldelijk tussen de lijnen te lezen : de afzondering.  Naar het bekende Franse spreekwoord : "pour vivre heureux, vivons cachés"…  "Op het eiland staat slechts één huis", vertelt Rousseau, "dat echter groot, aangenaam en gerieflijk is, dat evenals het eiland toebehoort aan het gasthuis van Bern, en waar een rentmeester woont met zijn gezin en zijn bedienden.  Hij heeft er een omvangrijke hoenderhof, een volière, en vijvers voor de vis". 
Met de hoenders, de vogeltjes en de vissen zijn we meteen bij het derde aspect beland - het facet van het geluk dat het overgrote deel van het verhaal in beslag neemt en waar Rousseau prachtige zinnen aan wijdt : het leven in en met de natuur.  Dit leven begint met het nauwgezet bestuderen van de natuur…  "Naar verluidt heeft een Duitser een boek geschreven over een citroenschilletje : ik zou er een geschreven hebben over een grasje uit de wei, over een mosje uit het bos of over een korstmosje dat de rotsen bekleedt : kortom, ik wilde niet dat er ook maar een grassprietje of een plantendeeltje zou overblijven dat ik niet uitvoerig beschreven had.  Overeenkomstig dit goede voornemen ging ik iedere ochtend na het ontbijt, dat wij allen gezamenlijk gebruikten, met een loep in de hand en mijn Systema naturae onder de arm een bepaald gedeelte van het eiland bezoeken…".
Maar Rousseau neemt ook deel aan het leven en het werk van de landman (geen volstrekt far niente dus - dat zou, denk ik, op verveling uitlopen).  "De rest van de ochtend gebruikte ik om met de rentmeester, diens vrouw en Thérèse het werkvolk te gaan opzoeken bij het oogsten.  Meestal stak ik dan met hen de handen uit de mouwen en dikwijls hebben mensen uit Bern die mij kwamen opzoeken mij aangetroffen boven in een hoge boom, omgord met een zak die ik vulde met vruchten en vervolgens aan een touw op de grond neerliet.  De beweging die ik had gehad in de ochtenduren en het goede humeur dat daar onafscheidelijk mee samengaat, maakten de rust van het noenmaal voor mij bijzonder aangenaam…".
Het water rond het eiland leverde kostelijke uren op.  Een boottochtje in de namiddag bijvoorbeeld : "languit liggend in de boot, de ogen naar de hemel gericht, liet ik mij meevoeren en langzaam wegdrijven waarheen het water maar wilde…".  Of zich door "het heldere water en de koele schaduwen" laten verleiden tot… baden !
Maar de diepste gelukservaring kwam toch voort uit het… (dromend) kijken naar de natuur en naar het landschap.  De blik "laten dwalen over het schitterende en betoverende landschap van het meer en zijn oevers, waarachter aan de ene kant nabijgelegen bergen oprezen om zich aan de andere kant te verruimen tot rijke, vruchtbare vlakten waarover men uitzag tot aan de blauwige bergen verderweg…". 
Of, 's avonds, zittend "op een verscholen plekje aan de waterkant"… en oren en ogen geheel laten innemen door "het geluid van de golven en de woeling van het water".  Rousseau gebruikt de termen niet, maar wat hij beschrijft komt neer op : contemplatie en meditatie.  Toch was ook bij hem de zand-in-je-hand-gedachte nooit helemaal weg : "Bij tijd en wijle doemde er een vluchtige en kortstondige gedachte bij mij op over de onbestendigheid van de dingen dezer wereld…". 
Zoals gezegd kocht ik de "Rêveries du promeneur solitaire" in februari 1987.  Het was dus geen toeval dat in datzelfde jaar, mijn vrouw en ik, met onze (toen) drie kinderen Willem (5 jaar), Ingrid (3 jaar) en Wouter (2 jaar), op terugreis van een verblijf in het Zwitserse Disentis, op donderdag 13 augustus een bezoek brachten aan het idyllische Sint-Pieterseiland.  We parkeerden onze auto in Erlach, aan de oever van het Bielse meer, en gingen van daar te voet het eiland op.  "Te voet" inderdaad, want het Sint-Pieters-eiland bleek eigenlijk geen echt eiland (meer),  maar door een soort  landtong met de oever van het meer verbonden (op Google-Maps zie ik nu dat het zelfs een vrij brede landtong is).  We volgden een lang, rechtuit lopend pad, aan weerszijden omgeven door hoge vegetatie, die ophield waar (zo vermoed ik) het eigenlijke eiland begon. 
Op het eiland : een mooie afwisseling van groene, zonovergoten velden en lommerrijk bos.  Die variatie was ook Rousseau al opgevallen : "men vindt er akkers, wijngaarden, bossen, boomgaarden en grazige weiden, beschaduwd door kleine bosjes en omzoomd door allerhande struiken die door de nabijheid van het water hun frisheid behouden".  De rentmeesterswoning uit de tijd van Rousseau (die eerder een priorij moet zijn geweest) was een horecazaak geworden (herberg-restaurant-hotel).  We hebben er op het binnenpleintje iets gedronken - misschien ook gegeten, dat weet ik niet meer.  Er waren nog wat bezoekers. 
In het bos ontdekten we een borstbeeld van Rousseau (zie foto), met op de sokkel de tekst "J.-J. Rousseau a séjourné ici en 1765".  Natuur, cultuur, (jonge) vrouw en (jonge) kinderen : ik (toen ook nog redelijk jong) beleefde op het Sankt-Petersinsel op mijn beurt gelukkige uren.  Het was een mooie zomerdag.
We merkten dat er een bootverbinding van het eiland naar de oever van het meer liep, en besloten onze terugtocht op varende wijze te ondernemen.  Fijn was het, om na het autorijden en het stappen, ons te laten meevoeren op het water.  De boot bereikte de oever van het meer, we zetten voet aan wal…   Wat we over het hoofd hadden gezien : de eiland-oever-verbinding had verschillende aanlegplaatsen.  We waren van boord gegaan in La Neuveville, op de westelijke oever van het meer.  Onze auto stond in Erlach, aan de zuidelijke oever - een heel eind verder !  De avond viel…
In La Neuveville (in het Duits : Neuenstadt) hebben we, met de drie kleine en vermoeide kinderen, onze intrek genomen in het (dichtstbijzijnde) "Hôtel du Faucon", waar we over een grote, maar ouderwetse kamer konden beschikken.  Vervolgens is vader, te voet, naar Erlach getrokken, zoveel mogelijk de oever van het meer volgend (een stevige afstand, ik kan het u verzekeren) en dan, in de nacht, met de auto naar zijn gezin in La Neuveville teruggekeerd.  Tja, klein (soms groot) onheil ligt altijd wel ergens op de loer : of geluk als een "duurzame toestand" mogelijk is, daar heb ik mijn twijfels over.  De grote Rousseau trouwens ook, want hij schrijft : "op dit ondermaanse vindt men dan ook eigenlijk alleen maar genoegens die voorbijgaan : voor wat betreft het geluk dat blijvend is, ik twijfel eraan of men dat kent".  Tenslotte had zijn verblijf op het paradijselijke eiland ook maar zes weken geduurd (en had hij er de winter niet meegemaakt).
Er vallen bij het geluksrecept van Rousseau uiteraard nog andere kanttekeningen te maken.  Ik ga dit hier nu niet doen : men moet (vind ik) ook al eens "de dingen gewoon de dingen laten zijn", en zo ook "de geschriften zichzelf laten zijn" - ervan genieten, ze op je laten inwerken, niet altijd meteen klaarstaan met al te veel kritische commentaar.  En dat een far niente (in de zin van : geen drukkende verplichtingen), én een intens contact met de natuur ons leven heel wat aangenamer kunnen maken, dat is volgens mij zeker waar. 
 
(1) J.-J. ROUSSEAU, Overpeinzingen van een eenzaam wandelaar (oorspr. Les rêveries du promeneur solitaire), vertaling J. A. Van den Bosch en A. De Greef, reeks Prisma Klassieken, uitgeverij Het Spectrum Utrecht-Antwerpen, 1981.  Bij het weergeven van de citaten heb ik de vertaling hier en daar naar eigen inzicht aangepast.
De originele tekst is te vinden bij (de Franse versie van) Wikisource, de verzameling bronnen van de onvolprezen internet-encyclopedie Wikipedia :
http://fr.wikisource.org/wiki/Les_R%C3%AAveries_du_promeneur_solitaire

vrijdag 1 april 2011

Stopverf


Nog maar enkele blogs geleden heb ik hier mijn beklag gedaan over de definitiviteit van de dood, en jawel, vandaag moet ik mijn ergernis luchten over weer een ander aspect der schepping - aldus het risico lopend door mijn talloze lezers weldra voor een angry young man te worden versleten !  Mijn ongenoegen betreft deze keer de stopverf.  Ja, u leest het goed : de "ouwe trouwe stopverf", zoals ze op de website van een doe-het-zelf-zaak vergoelijkend wordt voorgesteld.  Het nu volgende verhaal zal u duidelijk maken dat we warempel niet altijd bij Schopenhauer, Nietzsche of Heidegger moeten zijn, maar dat ook stopverf ons een scherp en diepgaand inzicht in de ware aard der werkelijkheid verschaft ! 
Ik heb het opgezocht, want u weet al dat ik van precisie hou, zeker als het op chronologie aankomt : het was op maandag 8 november 2010 dat ik de voorbereidende werkzaamheden aanvatte ter vervanging van een ruit in het zijraam van onze garage (zie foto, het corpus delicti bevindt zich links).  Al geruime tijd zat er een stevige barst in die ruit.  En ja, de zaken hadden zich ontwikkeld naar analogie met die tot de verbeelding sprekende reclamespots van Carglass-herstelt-Carglass-vervangt.  U weet wel : het begint met een pietluttig sterretje, de argeloze automobilist denkt : ach zo'n sterretje, niks aan de hand, het zal mijn tijd wel duren, en jawel, voor hij het weet zit hij met een zwart gat in zijn voorruit waar zelfs Stephen Hawking niet goed zou van worden, en moet de hele ruit vervangen worden (dat is tenminste wat Carglass ons wil doen geloven).  Net zo was ook de barst in onze garageruit spontaan uitgegroeid tot een stevige spleet.  De winter met zijn gure winden en ijzige neerslagen stond voor de deur, en dus besloot ik, in een bui van voluntarisme, de ruit vóór de winter "nog snel even" te vervangen - zodat onze auto en de verdere garage-inboedel een hele winter lang lekker droog, warm en fijn uit de tocht zouden staan !
Klussen is niet zo mijn ding, dat moet ik toegeven.  Ik doe het eigenlijk niet graag.  Toch heb ik in mijn leven al heel wat afgeklust.  Meestal zijn het bittere noodzaak en een soort plichtsbesef die mij er toe drijven : omdat ik niet graag tegen aanslepende tekenen van verval aankijk, omdat toch iemand het moet doen, omdat "stielmannen zo moeilijk vast te krijgen" zijn, omdat ze "stukken van mensen kosten"… 
Ik ben ook niet goed in klussen.  De enige klus waar ik ooit een zekere vaardigheid in heb ontwikkeld is het ophangen van verlichtingslampen - dat gepruts met die "suikerkes" enzo, dat had ik na een tijdje goed onder de knie, dat mag gezegd worden.  Maar van het ogenblik dat er verf, pleistergips of cement aan te pas komen, kan je er donder op zeggen dat mijn geklus, dat ik nochtans altijd met veel goede moed en veel zorg aanpak, ontaardt in geknoei - én in frustratie over de weerbarstigheid van de materiële wereld.  Waarom toch neemt de materie niet uit zichzelf de door mij gewenste, perfecte vorm aan ? Of werkt ze tenminste eens niet een beetje mee ?  Maar nee, het gips vertikt het zich tot een volmaakt egaal oppervlak te laten uitstrijken, de mortel verslapt en verzakt als de buikspieren van een man op middelbare leeftijd (weer te veel water bijgevoegd), de verf die zich in al haar kleverigheid moeizaam laat uitstrijken, drupt en druipt wél met tomeloze gretigheid op alles wat niet tot het te beschilderen object behoort ! 
To the point nu…  U herinnert zich nog dat ik op maandag 8 november 2010 mijn werkzaamheden aan het garageraam begon : nader bepaald verwijderde ik toen de gebroken ruit.  Na vervolgens de nodige schilderwerken aan het raam te hebben verricht, na mij uitvoerig bezonnen te hebben over de meest doelmatige aanpak der klus, en na in een rommelige bricolage-zaak de noodzakelijke benodigdheden te hebben aangekocht, brak op dinsdag 23 november de dag aan waarop de klus zou worden geklaard.
Ik had er voor geopteerd de ruit in het raam te bevestigen met "ouwe trouwe stopverf", en niet met van dat nieuwerwetse siliconengedoe (dat is voor in borsten, en wat mij betreft zelfs daar liever niet - maar dit geheel terzijde).  Onbewust zal (zo heb ik achteraf bedacht) aan mijn keuze voor stopverf waarschijnlijk nog een vleugje jeugdsentiment vastgezeten hebben.  In mijn jeugdjaren was ik bevriend met de zoon van een huisschilder en daar had ik vaak genoeg horen praten over het "even gaan inzetten van een nieuwe ruit", met aanwending van wat in het toenmalige professionele schildersmilieu overigens niet stopverf maar "mastiek" werd genoemd. 
Het inzetten van de ruit verliep nog relatief voorspoedig.  Natuurlijk had ik het raam nauwgezet opgemeten.  Ook had ik alle afmetingen zorgvuldig met drie millimeter verminderd, want er moest aan alle vier de zijden ook plaats zijn voor een strookje stopverf (en ik wou zeker niet het risico lopen dat de ruit te groot zou zijn voor het raam).  Na de gehele omtrek van het raam te hebben voorzien van een laagje stopverf (het plakkerige goedje liet zich overigens niet al te makkelijk manipuleren en uitstrijken), zette ik de ruit op haar plaats.  So far, so good, de ruit paste perfect !  Maar wat gebeurde er toen ?  Aan de onderste rand zakte het zware glas diep weg in de weke stopverf - van de door mij voorziene millimeters stopverf bleef daar weinig of niks over.  Als gevolg daarvan ontstond aan de bovenzijde een spleet tussen het raam en de ruit - minstens even groot dan de barst in het verwijderde raam, en met minstens even veel ongewenste "verluchting".  Ik begreep dat ik de ruit onderaan moest ondersteunen door in de stopverf een staafje ijzer of hout aan te brengen, om ze zo op de juiste hoogte te brengen.  Dat was sneller bedacht dan gedaan, want het toeval wou dat ik enkele weken eerder de garage een zo grondige opruim- en schoonmaakbeurt had gegeven, dat er daar in de verste verte geen overbodig spijltje, brokje of stokje meer te bekennen viel !  Gelukkig wist mijn vrouw onverhoopt nog "van ergens" een smal plastic staafje op te diepen, zodat ik de ruit dan toch nog in een, weliswaar nipte, "raam-bedekkende" positie kreeg. 
De klus leek geklaard.  De ruit stond in het raam, stevig verankerd dankzij de aan de vier kanten aangebrachte "ouwe trouwe stopverf".  Er was trouwens nog wat van over.  "Het heeft niet veel zin dat te bewaren", sprak ik deskundig tot mijn echtgenote, "zo'n stopverf droogt snel op, dus tegen de volgende keer dat we ze nodig hebben is dat restantje al lang uitgedroogd".  Profetische woorden !
De volgende dag ging ik het garageraam met de na gedane klusarbeid onvermijdelijke zelfgenoegzaamheid bekijken.  Het zag er allemaal prima uit !  Ik had de vers aangebrachte stopverf niet aan weer en wind willen blootstellen, en het raam dus, naar binnen gekeerd, open gelaten.  (Grotendeels) genietend van de droge ruimte van de garage, zou de stopverf snel drogen.  Dacht ik.  Niet dus !  De dagen gingen voorbij.  Het werden weken…  de stopverf op het garageraam bleef fris als een hoentje - even week en kneedbaar als de dag waarop ik ze had aangebracht !  Heel de tijd liet ik het raam (naar binnen gekeerd) openstaan, om de stopverf zoveel mogelijk uit het winterse weer te houden en ze zodoende sneller te doen drogen.  Af en toe ging ik ze behoedzaam met een vinger beroeren : ze voelde aan als een crème brûlée… en mijn vingerafdruk bleef er in achter.  Om de stopverf nog beter tegen de veelvuldige sneeuwbuien van december te beschermen, drapeerde ik liefdevol een deken over het raam.  Maar ook deze verwennerij bracht de stopverf niet tot andere gedachten.  Het nieuwe jaar brak aan, januari vlood voorbij…  Als een echte Jane Fonda bleef de stopverf haar jeugdige teint en zachtheid behouden.  Halsstarrig weigerde ze hard en droog te worden !
Mijn ruitvervanging, "gauw nog even" voor de winter, zodat onze garage en onze auto dan lekker droog en warm het slechte seizoen zouden doorkomen, was inmiddels oogverblindend contra-productief geworden natuurlijk.  Het open raam liet onzeggelijk veel meer kou én vocht én tocht binnen dan de al bij al nu ook weer niet zo grote barst waar het allemaal om begonnen was !  Toen de eerste voorjaars-zonnestralen zich lieten gevoelen heb ik het raam gesloten.  Was de stopverf droog ?  Geenszins.  Is de stopverf nu droog ?  Geenszins.  Met véél goede wil, een zéér positieve levenshouding én enige fantasie, kan gesteld worden dat de stopverf op dit moment misschien een ietsje harder is dan toen ik ze aanbracht…  Ik hoop nu op een uitzonderlijk hete en droge zomer.  En als ik nog eens een ruit moet vervangen, ga ik toch eens dat nieuwerwetse siliconenspul uitproberen.
Tijd voor een besluit.  Wat hebben wij vandaag geleerd ?  Ten eerste : denk nooit een klus nog "gauw even" voor de winter te klaren, zeker niet als er stopverf aan te pas komt.  Ten tweede :  klassieke stopverf droogt "langzaam" (zo staat het in de Wikipedia, trefwoord "stopverf" - natuurlijk nu pas gelezen).  Ten derde : vergeet nooit de vaak aan Murphy toegeschreven wet (maar die eigenlijk van John W. Campbell is) : als iets mis kan gaan, dan zal het mis gaan.  Voeg hier nog mijn eigen klus-amendement aan toe : ook als je dacht dat er niks mis kon gaan, zal er toch iets mis gaan.  Mensen die mij een pessimist vinden, hebben waarschijnlijk nog niet veel geklust.


vrijdag 25 maart 2011

Andreas Martinus


In den beginne was… er het huwelijk van Andreas Martinus Wollebrants met Maria Anna Pinçet, gesloten in de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen, op vrijdag 27 maart van het jaar 1711.  Gedenkwaardig - want het gaat hier om de oudst bekende gebeurtenis uit de geschiedenis van onze familie, die hier in zekere zin dus haar aanvang mee nam.  Op zondag 27 maart 2011 is/was dat precies driehonderd jaar geleden !  Drie eeuwen Wollebrantsen !  Om dit heuglijke feit de nodige luister bij te zetten steek ik hier een stukje vuurwerk af op de plaats waar het allemaal begon !
Het huwelijk werd opgetekend in de registers van de Sint-Romboutsparochie van Mechelen.  Naar de gewoonte van die tijd : zeer summier.  Mijn (latere) echtgenote en ik ontdekten de aantekening op 2 september 1980 op het Stadsarchief van Mechelen, (toen nog) gevestigd in het "Oud Schepenhuis", waar we (toen nog) de originelen van de Mechelse parochieregisters konden inkijken. 
Hoe oud waren Andreas Martinus en Maria Anna toen ze trouwden ?  Was het hun eerste huwelijk ?  Waren ze in Mechelen geboren, of elders ?  Wie waren hun ouders ? Ik weet het niet.  Ondanks doorgedreven "research", -om te beginnen in Mechelen uiteraard-, ben ik er niet in geslaagd een historische bron te ontdekken die informatie over Andreas Martinus of zijn afstamming verschaft, ouder dan het huwelijk van 1711. 
Zodoende is Andreas Martinus de meest verre voorvader van wie ik het bestaan heb kunnen achterhalen.  Hij mag met recht en reden de stamvader van alle Wollebrantsen in de Zuidelijke Nederlanden worden genoemd, want van hem af loopt er een duidelijke, -aan de hand van schriftelijke bronnen aan te tonen-, afstammingslijn naar alle latere en huidige dragers van onze familienaam. 
Uit het huwelijk van Andreas Martinus en Maria Anna werden zes kinderen geboren, drie jongens en drie meisjes : Joanna Theresia (1712), Anna (1714), Joannes Jacobus (1716), Anna Margarita (1718), Petrus (1721) en Egidius (1724).  De drie laatste kinderen stierven echter zeer jong : Anna Margarita werd slechts twee jaar, Petrus anderhalf jaar, en Egidius hooguit één of twee dagen.  Uitzonderlijk was dat in die dagen zeker niet : in het Brabant van de 18de eeuw stierven 60 tot 65 % van de baby's in de week die volgde op hun geboorte.  Van elke 1.000 Brabantse borelingen die tussen 1700 en 1740 ter wereld kwamen bereikten er gemiddeld slechts 634 hun tiende verjaardag.  In vergelijking met de rest van Europa was dit, volgens de deskundigen, dan nog "een meer dan fatsoenlijk resultaat" (1) !
Waar in Mechelen hebben Andreas Martinus en Maria Anna gewoond ?  Aangezien hun huwelijk en de dopen van hun zes kinderen genoteerd staan in de registers van de Sint-Romboutsparochie, mogen we besluiten dat zij alleszins vanaf hun huwelijk in die parochie woonden.  Bij de begrafenissen van hun drie jongste kinderen werd in de parochieregisters ook de straat vermeld waarin het gezin toen gehuisvest was.  Zo weet ik dat het in januari 1721 in de Molenstraat (de huidige Thaborstraat) woonde, in oktober 1722 aan de Melaanbrug (ook Villerse Brug genoemd, de plaats waar men thans van de Persoonshoek overstapt in de Drapstraat), en in juli 1724 in de Koeistraat (de huidige Frederik de Merodestraat).
In wat voor een tijd hebben Andreas Martinus Wollebrants en Maria Anna Pinçet geleefd ?  Enkele historische "pennetrekken" om een beeld te schetsen…  Ik weet niet of Andreas Martinus en Maria Anna reeds voor hun huwelijk in Mechelen woonden, maar de uitzonderlijk strenge winter van begin 1709 zullen ze meer dan waarschijnlijk hebben meegemaakt, want die teisterde niet enkel onze streken, maar een groot deel van Europa.   Een kroniekschrijver uit Dendermonde die de gruwelijke koude zelf meemaakte, noteerde hoe "eene vrouw ende dry kinderen" doodgevroren langs de weg werden gevonden.  "Terwijl ik dit schryve voor het vier zittende, vriest den inkt in de penne..." voegde hij er aan toe (2).
In de aantekeningen van de Mechelse kroniekschrijver G. D. de Azevedo (1712-1782) lezen we : "Tseedert den nacht van den 5 januari tot diep in meert ist soo fellen winter geweest datter vele menschen ende beesten van koude gestorven sijn.  Int selve jaer, in de maend meert, sijn de wateren seer hoogh geweest, waer door groote schaede overal veroorsaeckt is, soo wel door het ijs als door de hooge waters".  Op die buitengewoon strenge winter volgde "eenen overgrooten dieren (dure) tijd van graenen door dien sij meest alle bevrosen syn geweest", aldus Azevedo (3).  De hoge prijs van het graan, -toen het basisvoedsel-, maakte dat er onder de gewone mensen honger werd geleden.
Op vrijdag 3 mei 1715 deed zich een zonsverduistering voor - een spectaculair gebeuren dat door Andreas Martinus met verwondering, -misschien ook wel met angst-, zal zijn waargenomen.  "Het begin was smorgens ten 9 uren, de gheele verduysteringh ten 10 uren soo doncker dat men alsdan de sterren heeft gesien in het firmament, ende de priesters tot het celebreren der missen licht noodigh hadden om te connen sien de letteren in den missael", aldus Azevedo (4). 
Op politiek vlak beleefde Andreas Martinus de overgang van onze gewesten, de Zuidelijke Nederlanden, van het Spaanse naar het Oostenrijkse gezag.  Anno 1700 waren het nog de Spaanse koning, een telg uit het geslacht van de Spaanse Habsburgers, én zijn landvoogd (de "gouverneur-generaal") die de plak over onze streken zwaaiden.  Op 1 november 1700 overleed de Spaanse koning Karel II echter zonder rechtstreekse erfgenamen na te laten.  Onenigheid over wie hem mocht opvolgen leidde tot de "Spaanse Successieoorlog" (1701-1713), uitgevochten  tussen Frankrijk (enerzijds), en een coalitie van andere Europese landen (anderzijds).  Onze gewesten werden in die tijd geheel tot speelbal van de toenmalige grote mogendheden.  In een eerste fase kwamen ze in de greep van het Frankrijk van "de zonnekoning" Lodewijk XIV, in een tweede fase in die van Frankrijks tegenstanders Engeland en Nederland (de Noordelijke Nederlanden, die toen de "Republiek der Verenigde Provinciën" heetten). 
Met (één van) de internationale verdragen uit 1713, die een eind maakten aan de "Spaanse Successieoorlog", en een aanvullende overeenkomst uit 1715, kwamen de Zuidelijke Nederlanden onder het bewind van de Oostenrijkse keizer Karel VI - een telg uit het geslacht van de Oostenrijkse Habsburgers.  Op het Europese politieke toneel was vanaf die tijd niet langer Frankrijk, maar Engeland de belangrijkste grootmacht. 
De winter van 1715-1716 was opnieuw bijzonder koud.  Ook moet er veel sneeuw zijn gevallen.  In Mechelen gebood de overheid de sneeuw die bij hopen in de straten lag, in de Dijle te storten.  Een onzalig besluit, zo bleek toen in februari de dooi intrad.  De sneeuw die het stadsbestuur in de Dijle had laten gooien stremde de loop van de vlietjes (die er in uitmondden), en een groot deel van Mechelen raakte overstroomd !  Veel inwoners moesten naar de bovenkamers of zolders van hun huizen vluchten.  Het stadsbestuur, zo vertelt de Mechelse kroniekschrijver J.-B. Rijmenans (1748-1840), die de kroniek van Azevedo aanvulde, liet van half februari af, "rond reyden met de stadts karre om eene groote menigte arme menschen, besloten in hunne huysen door den grooten watervloet, te voorzien van brood ende bier" (5).
In september 1717 heerste in Mechelen, en ongetwijfeld ook elders in onze streken, grote feestvreugde.  Men vierde "het innemen van Belgrado, alwaer in een gevecht in de vlackte van Belgrado, beginnende van 5 uren des smorgens, durende tot den 3 uren namiddagh, het Turcks leger soodanig geslagen wiert datter meer als 30.000 Turcken syn doot gebleven, waer over de vrolykheyt der borgerye soos was uytstekende als men oyt gesien heeft" - aldus Azevedo (6).  De man die de Turken in de slag bij Belgrado zulk een verpletterende nederlaag toebracht, was niemand minder dan prins Eugeen van Savoie, de toenmalige landvoogd van onze gewesten !  Dat zal wel een bijkomende reden geweest zijn waarom de Oostenrijkse (christelijke) overwinning op de (mohammedaanse) Turken bij ons zo uitbundig werd gevierd.
Omdat hij volop betrokken was in de strijd tegen de Turken liet landvoogd Eugeen van Savoie het feitelijke bestuur van de Zuidelijke (Oostenrijkse) Nederlanden over aan een "gevolmachtigd minister", de markies van Prié, die in onze geschiedenis geboekt staat als een corrupt en gehaat regeerder.  De eerste tien jaren van het Oostenrijkse bewind, de periode 1715-1725 dus, heersten ontevredenheid en onrust in onze gewesten.  Uiteenlopende plaatselijke grieven staken het vuur aan de lont : het kwam tot opstanden in Brussel, Antwerpen, Leuven, Gent...
En ook in Mechelen !  Hier waren het de lijn- of scheepstrekkers, de buildragers en de korenmeters - mensen werkzaam in de graanhandel - die het voortouw namen.  Bij het oproer, dat van 13 tot 22 juni 1718 woedde, moeten echter brede lagen van de bevolking betrokken zijn geraakt.  Zelfs twee volksvrouwen, met de tot de verbeelding sprekende namen Trien Koey en Terees Aberdaen, speelden er een opgemerkte rol in.  We mogen geredelijk aannemen dat deze gebeurtenissen, die de stad in rep en roer zetten, aan Andreas Martinus niet onopgemerkt voorbij zijn gegaan.  Misschien heeft hij er wel aan deelgenomen... ?
Koude, honger, armoede, kindersterfte… een sociaal-economische en maatschappelijke ongelijkheid waaruit niet te ontsnappen viel… de verwende mensen die wij nu zijn kunnen zich eigenlijk niet echt meer voorstellen in wat voor omstandigheden onze voorouders hebben geleefd - vooral als zij tot "het gewone volk" behoorden, wat met onze familie zeker het geval was.
Op 29 december 1725 werd Maria Anna Pinçet opgenomen in het Mechelse Onze-Lieve-Vrouwgasthuis, toen gelegen in de Onze-Lieve-Vrouwstraat (de gebouwen werden afgebroken in de negentiende eeuw).  Ze overleed er dezelfde dag.  Aangezien ze anderhalf jaar eerder nog een kind ter wereld had gebracht (de als baby gestorven Egidius) kan ze geen hoge ouderdom hebben gehad. 
Zes maanden later, op 13 juni 1726, hertrouwde Andreas Martinus in de Mechelse Sint-Janskerk met Jacoba Ackers.  Dit tweede huwelijk was echter van zeer korte duur.  Op 2 september 1726 sloeg de dood weer toe, en deze keer was Andreas Martinus haar prooi. 
Andreas Martinus liet bij zijn dood (vermoedelijk) drie kinderen achter : zijn dochters Joanna Theresia (bijna 14 jaar) en Anna (12 jaar), en zijn 10-jarige zoontje Joannes Jacobus.  Allicht heeft zijn weduwe, Jacoba Ackers, zich het verdere lot van deze kinderen aangetrokken...  tot aan haar eigen dood eind maart 1735.  Joannes Jacobus, de enige mannelijke nakomeling van Andreas Martinus die in leven was gebleven, zal in 1751 huwen : hij zal de stamboom voortzetten en de familienaam aan een volgende generatie doorgeven.
We zijn nu, pakweg, drie eeuwen later…  In de negentiende eeuw kende onze familie, die toen hoofdzakelijk in Rijmenam woonde,  een relatief grote numerieke expansie.  De twintigste eeuw, met haar krimpende gezinnen, veroorzaakte echter een fikse daling.  De momenteel jongste generatie, die de tiende is sinds Andreas Martinus, telt nog maar acht naamdragers (vijf mannelijke en drie vrouwelijke), geboren tussen 1978 (An) en 1994 (Ewald).  Laten we er geen doekjes om winden : numeriek gezien ziet de toekomst er somber uit.  Onze "stam" is met uitsterven bedreigd ! 
Schreef ik "tiende generatie sinds Andreas Martinus" ?  Fout !  Want sinds 26 december 2009 vormt Kaat(je) Wollebrants, dochtertje van Erik en Katleen en kleindochter van Jan en Godelieve, de elfde generatie naamdragende afstammelingen van Andreas Martinus !  En dat helemaal op haar eentje !  Ik hoop dat ze gauw veel gezelschap krijgt, zodat het ondergangsscenario alsnog kan worden omgebogen… 

Alle in dit artikel verwerkte informatie is geput uit de door mij geschreven familiekroniek.  Enkel bij citaten wordt naar de oorspronkelijke bronnen verwezen.
Foto : Ad Meskens, via Wikimedia Commons.(1) C. BRUNEEL,  De bevolkingsgroei,  in : H. HASQUIN,  Oostenrijks België, 1713-1794, De Zuidelijke Nederlanden onder de Oostenrijkse Habsburgers,  Brussel, 1987, blz. 163-200, met name blz. 185.
(2) Aangehaald in J. BUISMAN, Bar en Boos, Zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen, Baarn, 1984, blz. 137.
(3) AZEVEDO-RIJMENANS, Handschriftelijke aantekeningen, Stadsarchief Mechelen, blz. 85.
(4) AZEVEDO-RIJMENANS, Handschriftelijke aantekeningen, Stadsarchief Mechelen, blz. 93.
(5) AZEVEDO-RIJMENANS, Handschriftelijke aantekeningen, Stadsarchief Mechelen, blz. 52.
(6) AZEVEDO-RIJMENANS, Handscrhiftelijke Aantekeningen, Stadsarchief Mechelen, blz. 94.

vrijdag 18 maart 2011

Oscar


Vrijdag 18 maart 2011… als mijn vader Aloïs Jozef Oscar Wollebrants nog had geleefd zou hij op deze dag negentig jaar zijn geworden.  Hij overleed echter in 1989.  Klein toeval : ook in mijn vaders geboortejaar 1921 viel de 18de maart op een vrijdag.  Het was om acht uur 's avonds dat hij ter wereld kwam, thuis, in de woning aan het Boortmeerbeekse dorpsplein die zijn ouders Frans Wollebrants en Maria Ceuleers vanaf eind 1913 betrokken : ze hadden er in 1914 de oorlog "van heel dichtbij" gezien.  Het dorp droeg anno 1921 trouwens nog de littekens van het oorlogsgeweld : het gemeentehuis en de door de Duitsers uit baldadigheid in brand gestoken kerk waren nog niet heropgebouwd.
Mijn vader kreeg drie voornamen.  De eerste voornaam, Aloïs, verwees naar degene die peter van de nieuwgeborene mocht zijn : zijn grootvader-langs-vaderskant.  De eer om meter te zijn ging naar de grootmoeder-langs-moederskant, Coletha Crols, die op het (relatief) afgelegen gehucht "de Donk" woonde (en later voor mijn vader "peet van de Donk" zal zijn, al stond ze in familiekring ook als "peet Let" bekend).  De tweede voornaam, "Jozef", werd, zo vertelde mijn vader, gegeven omdat de geboorte plaatshad net voor de feestdag van de heilige Jozef (op 19 maart) - ik vermoed dat dit een idee was van moeder Maria, die een zeer godsdienstige vrouw was.  De derde voornaam tenslotte, het Angelsaksische Oscar, zal, -zo vermoed ik-, door de ouders gekozen zijn omdat ze het mooi vonden klinken.  Het was in elk geval deze derde naam die de roepnaam van mijn vader werd.
De geboorte van de kleine Oscar werd de volgende dag, om twee uur 's namiddags, op het gemeentehuis aangegeven door de vader, "oud twee-en-dertig jaren, beroep kleermaker, geboren te Rijmenam, wonende alhier" - zo vermeldt de geboorte-akte.  De moeder, die een jaartje ouder was dan haar echtgenoot, wordt in de akte "naaister" genoemd : naar mijn vader mij later meedeelde hielp zijn moeder wel eens in de kleermakerij, maar dan "enkel als er zeer veel werk was, dus heel uitzonderlijk, en dan eenvoudige werkjes : knopen aannaaien, driegdraden verwijderen".  Ook bracht ze vaak "de afgewerkte klederen bij de klanten thuis, als die er zelf niet om kwamen", en ging ze geregeld in de namiddag "helpen op de boerderij bij haar ouders op de Donk, vooral 's zomers".  Maar eigenlijk was ze, volgens mijn vader, toch vooral "altijd huishoudster geweest".  De in de akte vermelde getuigen waren August Stevens, "oud zes-en-dertig jaren, beroep herbergier, wonende alhier", en Prosper Vanderhulst, "oud acht-en-zestig jaren, beroep gemeentesekretaris, wonende alhier".  Vader Frans Wollebrants plaatste een opvallend fraaie handtekening onder de akte, samen met de twee getuigen en met de toenmalige Boortmeerbeekse schepen Lodewijk De Keyser.
Een goeie maand na mijn vaders geboorte werden, op zondag 24 april,  de eerste naoorlogse gemeenteraadsverkiezingen in België gehouden - met, als primeur, en nog alleen maar op gemeentelijk niveau, stemrecht voor mannen én vrouwen.  In Boortmeerbeek werd "de kiezing" van 1921 een succes voor de oppositie, de lijst van "Pinneke" Mommens, die zes van de negen zetels in de wacht sleepte.  Deze lijst werd aangevoerd door schepen Lodewijk De Keyser, de man die mijn vaders geboorte-akte had ondertekend : kennelijk was hij tijdens de legislatuur overgelopen naar de oppositie (zonder zijn schepenzetel af te staan).  Lodewijk De Keyser, in de volksmond “Lowieke Benoehes” genoemd (in een pamflet uit die tijd schreef men “Benoys”),  zal de nieuwe burgemeester worden.  Het nieuwe gemeentebestuur ging van start op 20 juni 1921.
Het geboortehuis van mijn vader was het middenste van drie aan elkaar gebouwde (nog bestaande) woningen, gelegen in het dorpscentrum van Boortmeerbeek, naast het nieuwe gemeentehuis, dat anno 1923 tot stand kwam (op dezelfde plaats waar zijn in 1914 vernielde 'voorganger' had gestaan). Dat "nieuwe" gemeentehuis van toen is het huidige politiebureau, want sinds 1987 beschikt de gemeente enkele tientallen meter verder voor haar steeds maar uitbreidende bureaucratie over een nóg nieuwer gemeentehuis. 
Mijn vaders ouders huurden hun woning : de drie huizen waren het eigendom van de in de Dorpsstraat wonende bakker Alfons en zijn bazige vrouw "Merie van Soeheke", die een kruidenierswinkel uitbaatte en van haar huurders eiste dat ze al hun inkopen bij haar deden !  De woning aan het dorpsplein had geen tuin.  "Mijn moeder kweekte er geraniums in potten op de vensterdorpel" herinnerde mijn vader zich.   Wel was er achter het huis een binnenkoertje met een stenen vloer, en vervolgens een bouwvallig "kot" (bergplaats), waar hout en steenkolen werden opgeslagen.  Aan één kant werd het huis geflankeerd door de herberg “van Marie van Saluke”, die een voor die tijd erg ruime gelagzaal had.
Het Boortmeerbeekse dorpscentrum, met zijn huizen in een cirkel rond de kerk, was het eerste stukje “buitenwereld” dat de kleine Oscar leerde kennen...   In december 1987 haalde hij, in een door mij op een cassettebandje opgenomen gesprek over "Boortmeerbeek zoals het vroeger was", voor de vuist weg herinneringen op aan zijn vroegste kindertijd.  Zo vertelde hij (onder andere) hoe hij het "als kleine kadee" ooit aan de stok had gekregen met een kwade haan - want in die tijd was er op het dorpsplein nog een boerderij, en liepen er dieren vrij rond.  De kleine Oscar had die haan, die de reputatie genoot een opvliegend beest te zijn, wat "getempteerd" (gepest), door er met steentjes naar te gooien enzo…  Plots kwam de in toorn ontstoken haan op hem afgestoven…  Oscar vluchtte het portaal van het café van "Marie van Saluke" in… : "maar vòòr dat ik binnen was... als ik de deur nog... de klink van de deur in mijn hand had... was die haan al van boven op mijn kop gevlogen en was hij in mijn kop aan ‘t pikken !  Dan heb ik nogal gekrijst en geroepen tot als ze me kwamen verlossen van die haan..." !
Naast de herberg van “Marie van Saluke” liep er een smal straatje, dat enkel voor voetgangers en fietsers toegankelijk was.  De "borduurs" (boordstenen) van de weg rond de kerk liepen er ononderbroken aan voorbij, en dat waren in die tijd "maar borduurkens van dertig, vijfendertig centimeters” lang, aldus mijn vader.  Net ter hoogte van het smalle straatje lag één van die boordstenen wat lager dan de rest, en iedereen die met zijn fiets in of uit het straatje reed, mikte natuurlijk op die lager liggende steen van de stoeprand om zijn weg 'ongeschokt' te kunnen voortzetten.  "Nu had ik een kameraad", zo vertelde mijn vader, "die woonde daar efkens verder... En die zijn vader was een fietsenmaker : dat was... Haesaerts heette die... Doreken Haesaerts... en die had een zoon en die noemden ze... dat was Tore... en alleman noemde die Tore Boebbel... omdat die altijd zo een grappig liedje zong van 'Tore heeft nen boebbel op zijn been'.  Dat was zo een onnozel liedje feitelijk... en daarom noemden ze die Tore Boebbel".  ("Boebbel" is een dialectwoord voor bobbel, knobbel, bult, puist…).
Op zekere dag vonden Oscar en zijn vriend Tore Boebbel er niets beter op dan, ter hoogte van het smalle straatje, op de lager liggende boordsteen, "allemaal bloknagelen" te zetten, "met de punten naar omhoog" !  Het gevolg laat zich raden : "al de fietsers die die dag door dat smal straatje reden... hadden allemaal een platte band... en veel daarvan gingen bij mijn kameraad zijn vader, de fietsenmaker, die band laten maken... En Doreke Haesaerts die zei : ik weet niet wat dat is, ik heb vandaag al meer banden moeten plakken dan anders in een heel maand" !
Mijn vaders ouders bleven in het Boortmeerbeekse dorpscentrum wonen tot eind januari 1928.  Toen verhuisde het gezin naar de Beringstraat, waar Oscars ouders, ongeveer halverwege de Lierenhoek en het kruispunt met de Bredepleinstraat, een eigen woning hadden laten bouwen.  Op 18 maart 1928 werd mijn vader zeven jaar.  Ik vermoed dat het portret dat ik boven dit artikel heb gezet, van rond die tijd dateert.  Op dezelfde 18de maart 1928 stierf in een sanatorium in Anthée (bij Namen) de Vlaamse dichter Paul Van Ostayen op 32-jarige leeftijd aan tuberculose. 
Donderdag 5 april 1928 moet de dag zijn geweest dat Oscar in de nieuwe (in de zomer van 1926 ingewijde) kerk van Sint-Antonius-abt in Boortmeerbeek zijn Eerste Communie deed.  Anders dan nu werd daar toen weinig drukte rond gemaakt : het plechtige moment had plaats op Witte Donderdag (de donderdag vòòr Pasen - een weekdag dus), in schoolverband (jongens en meisjes afzonderlijk met hun respectievelijke school), en na het gebeuren in de kerk ging alles verder zijn gang als op een gewone schooldag.  Wel ontving de kleine Oscar een mooie stichtelijke prent, “Gedachtenis der Eerste Communie" (gevolgd door zijn naam).  Onder een afbeelding van het “Laatste Avondmaal” staat in sierlijke letters de volgende Bijbeltekst : “Terwijl zij aten, nam Jesus het brood ; en het gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het aan zijne Leerlingen, en zeide : Neemt, en eet : dat is mijn Lichaam.  En den kelk genomen hebbende, dankte Hij, en gaf hem hun, zeggende : Drinkt allen daaruit ; want dat is mijn Bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden”.
Op 18 juni 1928 overleed de Noorse ontdekkingsreiziger Roald Amundsen, de eerste mens die voet had gezet op de zuidpool, en op 6 juli 1928 werd in New York de eerste geluidsfilm vertoond ("The Singing Fool").  De van 17 juni tot 15 juli gereden Ronde van Frankrijk werd voor het tweede opeenvolgende jaar gewonnen door de Luxemburger Nicolas Frantz, vóór de Franse favoriet André Leducq.  Op 15 juli 1928 puften onze streken onder een hittegolf.  In Haacht liep de temperatuur op tot 37,6 °C.
Eind juli 1928 voltooide Oscar met (groot) succes het eerste leerjaar van de lagere school : bij de “wedstrijden” behaalde hij de eerste plaats “op 34 mededingers”, zoals het in een document uit die tijd geformuleerd staat !  Het bewijsstuk is gedateerd 31 juli : schooljaren liepen in die tijd inderdaad tot het einde der maand juli.  Dat Oscars’ ouders fier zullen zijn geweest op de prestatie van hun zoontje spreekt vanzelf : bovenaan het briefje zijn er sporen van een punaise, hetgeen laat veronderstellen dat het puike resultaat aan de wand heeft gehangen…

Alle in dit artikel verwerkte informatie komt uit de door mij geschreven familiekroniek.

vrijdag 11 maart 2011

Dood


Alles wel beschouwd... is er slechts één werkelijk ernstig probleem in het leven -  en dat is de dood.  De dood van een geliefd persoon : het definitieve einde van elke communicatie met hem/haar.  En, nóg gruwelijker : de eigen dood.  Het verschrikkelijke weten dat eens "de stekker uitgetrokken wordt", en mijn bewustzijn, mijn persoonlijke bewuste zijn, voor altijd verdwijnt…  Dit weten, eens in onze gedachten geslopen, tempert elk geluk en elke vreugde.  De dood werpt haar schaduw op het leven. 
"De doodsgedachte is een bitter kruid dat in elks leven wast", dichtte Karel Van den Oever (1879-1926).  Als de mens "één ogenblik zijn gelaat betast dan voelt hij het doodshoofd achter zijn vlees".  Zo is het.  En ik kan ook de bekentenis van de dichter J. C. Bloem (1887-1966) onderschrijven : "Denkend aan de dood kan ik niet slapen, / En niet slapende denk ik aan de dood".
Men kan het vreselijke vooruitzicht van het niet-zijn (proberen te) bezweren door in een voortbestaan na de dood te geloven.  De populariteit van zowel religies als van allerhande spiritistische leerstelsels is op het aanbod van een ontsnappen aan de ondraaglijke zwaarte van de doodsgedachte gebaseerd.  Ik kan ook best begrijpen dat (en hoe) men, zelfs "redelijkerwijze", tot geloof in een leven na de dood komt.  Het uitgangspunt ligt voor de hand : het behoort tot onze dagelijkse ervaring dat we als menselijk individu "bestaan" uit een lichamelijke en een geestelijke component.  Ieder van ons heeft een lichaam en een geest - of beter : is een lichaam en is een geest.   Dat met de dood ons lichaam ontbindt en mettertijd verdwijnt : daar kunnen we niet omheen.  Maar onze geest… zou die niet "onverwoestbaar" zijn ?  Socrates en Plato dachten dat - daarom zette de eerstgenoemde (volgens het verhaal van de tweede genoemde), als een soort apotheose van het Phaedo-gesprek, de gifbeker zonder verpinken aan zijn lippen.  De christelijke traditie borduurde op dit Platoonse dualisme voort.  Descartes goot het in een modern filosofisch jasje, met  zijn "res extensa" (het lichaam : stoffelijk en tijdelijk) en zijn "res cogitans" (de geest : onstoffelijk en eeuwig).  
Op het punt waar de vraag naar de mogelijke onvergankelijkheid van de geestelijke component in de mens opduikt,  ligt volgens mij echter de grootste en meest gevaarlijke valstrik voor ons redelijk denken wagenwijd open : die van het wensdenken, ook in het Nederlands beter bekend als wishful thinking !  Wat een prettige gedachte toch : vader en moeder zijn niet écht door de dood van mij weggerukt : zij, -hun geest, of ziel, of hoe je het noemen wil-, leven voort in een andere wereld.  En ook ik zal niet geheel en al verdwijnen, maar na mijn dood door één of andere Charon één of andere Styx worden overgevaren, naar een andere wereld, waar ik zal doorgaan met ik te zijn - behalve dan dat ik geen last meer zal hebben van de pijn en de kwalen die mijn lichaam mij bezorgde.  En waar ik de dierbaren die mij in mijn wereldse bestaan door de dood werden ontnomen, terug zal vinden… in - zullen we het "de hemel" noemen ?  Menschliches, allzumenschliches…  En mooi, want geruststellend, en troostvol … 
Het vervelende is : ik zie geen ernstige aanwijzing(en) dat dit scenario met de werkelijkheid zou overeenstemmen (en dan heb ik het nog niet eens over bewijzen).  Het dualisme waar we van vertrokken zijn (de mens is een lichaam en is een geest) mag niet verkeerd begrepen worden.  We kunnen lichaam en geest wel (taalkundig) onderscheiden - maar niet (ontologisch) scheiden : het zijn géén afzonderlijke entiteiten.  Ons bewustzijn is niet "the ghost in the machine", om het beeld te gebruiken waar de Britse filosoof Gilbert Ryle het Cartesiaanse dualisme zo treffend mee typeerde én torpedeerde - in zijn beroemde The Concept of Mind uit 1949, mijn geboortejaar nota bene, maar ik heb het pas later gelezen… 
De problematiek van de lichaam/geest verhouding heeft de afgelopen decennia in (vooral de Angelsaksische) "wereld van het denken" een soort come-back gemaakt, in de gedaante van de brain/mind-problematiek en het consciousness-debat.  Eenvoudig gezegd kwam de vraagstelling hierop neer : is de geest of het bewustzijn "slechts" een epi-fenomeen, een (neven)verschijnsel van, -veroorzaakt door-, het brein (de hersenen) ?  Of zijn onze hersenen "slechts" een instrument dat door een (minstens deels) van het lichaam onafhankelijke geest, -als een soort "muzikant"-,  wordt bespeeld ?  Ik heb de filosofische/wetenschappelijke discussie, in alle bescheidenheid gezegd, de afgelopen jaren "een beetje" gevolgd - ik ben bekend met de leading thinkers ervan (Eccles, Chalmers, Dennett…).  Ik heb ook de recente ontwikkelingen in de neurowetenschap(pen) aan enige nadere studie onderworpen.  Ik deed dit alles sine ira et studio (Tacitus) - zonder enige ideologische vooringenomenheid.  Om maar te zeggen : ik ga in heel deze aangelegenheid niet over één nacht ijs - pretendeer natuurlijk niet de waarheid in pacht te hebben, maar wil mij niet onttrekken aan het uitspreken van een eigen mening.
Na heel wat lezen en heel wat denken, moet (vrees ik) mijn conclusie in alle eerlijkheid en in the cold light of day (and reason) toch zijn, dat, wat we "geest" of "bewustzijn" noemen, inderdaad geheel terug te voeren is op, en dus te definiëren valt als de werking van : onze hersenen (of, iets ruimer : van ons neurologisch systeem).  Om het brutaal (maar allicht werkelijkheidsgetrouw) te formuleren : zoals onze nieren urine produceren, zo brengt ons zenuwstelsel gedachten, gevoelens, strevingen - bewustzijn voort.  Het is goed mogelijk dat de hersenen daarbij functioneren als een hologram, zoals gesteld door de Oostenrijkse neurofysioloog Karl Pribam (°1919) - hetgeen meteen een verklaring levert voor de enorme capaciteit van de hersenen om informatie op te slaan, maar ook voor sommige verschijnselen die vroeger met een "afzonderlijke" geest in verband werden gebracht. 
Aannemen dat bewustzijn en geest terug te brengen zijn tot de werking van het brein houdt (uiteraard, en helaas) in dat, met het sterven van onze hersenen, ook ons bewustzijn definitief verdwijnt : de hersendood als het volledige einde van de individuele menselijke persoon - geen "onverwoestbare geest" dus…  Het bewustzijn vormt in deze gedachtengang géén entiteit op zich, maar komt voort uit de werking van ons lichaam.  En dat lichaam, dat verslijt, loopt uiteindelijk "stuk"… dan valt zijn "werking" stil en verdwijnt onze geest in het niet.  Nobis cum semel occidit brevis lux, nox est perpetua una dormienda, schreef Catullus in zijn beroemde Carpe diem-gedicht.  Vrij vertaald : "Als ons korte licht eenmaal uitgaat, moeten we een eeuwige nacht lang slapen". 
Daarom vind ik de dood dus zo onbeschrijfelijk verschrikkelijk.  Omdat zij betekent (betekenen zal) : het abrupte, definitieve einde van mijn bewuste zijn.  En is dat bewustzijn niet het meest wonderlijke en veruit interessantste geschenk dat de mens van het leven heeft meegekregen ?  Eten, drinken, vrijen… vele aspecten van ons bestaan zijn óf noodzakelijk óf leuk (of beide tegelijk), maar het bewustzijn - het wetend in de kosmos, bij de wereld, de mensen en de dingen aanwezig zijn, dat unieke avontuur - is dat niet het hoogste goed van de mens ?  Daar zou ik voor altijd mee door willen gaan. 
In de slaap wordt ons bewustzijn tijdelijk op een laag pitje gezet - een soort voorafspiegeling van de dood…  Wellicht daarom worstel ik zowat elke avond met het inslapen (ik ben een nachtmens !).  Als baby al vocht ik instinctief tegen dit loslaten van het bewustzijn : ik viel, -tot wanhoop van mijn ouders-, maar niet in slaap te wiegen !  Gelukkig loopt de slaap (behoudens angstaanjagende uitzonderingen) in de regel uit op een ontwaken, op een nieuwe morgen - een soort verrijzenis.  Maar als eens onze dode ogen dichtgedrukt zijn, dan is het slapen eeuwig.  Dan komt er een volledig einde aan ons bewuste zijn - niet tijdelijk, maar in alle eeuwigheid, en onomkeerbaar.  Ik zal "er nooit meer bij zijn" - van al die onnoemelijk vele miljarden en miljarden eeuwen dat de kosmos nog zal bestaan, zal ik géén momentje weet hebben !  Ik vind dat een onvoorstelbaar onverdraaglijk vooruitzicht ! 
 
Foto : lijdende Christus, bas-reliëf in grijze arduin op het graf van mijn grootouders-langs-vaderskant.  Mijn grootvader overleed op 24 december 1948, op 59-jarige leeftijd.  Het bas-reliëf moet uit 1949 dateren.  Zes maanden na de dood van mijn grootvader ben ik, -zijn enige kleinkind-, geboren.


vrijdag 4 maart 2011

Karnaval


Februari 1956 was een uitzonderlijk koude maand.  Later bleek het niet alleen de koudste februari-maand van de twintigste eeuw te zijn geweest, maar gewoonweg de koudste van àlle maanden van de eeuw !  De gemiddelde temperatuur lag met -6,1 °C ver onder het normale februari-gemiddelde van 3 °C.  Net als in 1942 vroor het de hele maand onafgebroken.  Niet minder dan 21 keer zakte de minimumtemperatuur onder de -10 °C.  De sneeuw en de lage temperaturen veroorzaakten ernstige problemen voor het trein-, weg- en scheepvaartverkeer (1).
Maar op dinsdag 14 februari 1956 was het vastenavond, en dat werd in de jaren vijftig in Boortmeerbeek ("onze gemeente" - die toen de reputatie genoot heel "plezant" te zijn) duchtig gevierd !  De gangmakers daarbij waren de twee fanfares die destijds het plaatselijk amusement, en eigenlijk het hele sociale leven, tot en met de gemeentepolitiek, beheersten.  Ze hadden prachtige namen : "Onder Ons" en "De Moedige Vrienden" !  "Onder Ons" stond in de jaren vijftig het sterkst, want zij was verbonden met de toen zeer succesvolle brouwerij "Het Sas" - haar aanhangers werden dan ook wel "de mannen van 't Sas" genoemd.  Ooit hadden de "Moedige Vrienden" ook op zo'n stevige economische poot kunnen steunen, maar de brouwerij waar zij gelieerd mee waren was in de late jaren twintig, -door wat we nu "gebrek aan goed management" zouden noemen-, teloor gegaan.  "Onder Ons" en "De Moedige Vrienden" waren natuurlijk rivalen, en dat kwam het scherpst tot uiting in de plaatselijke politiek, waar elke fanfare met haar eigen partij uitpakte (of : elke partij met haar eigen fanfare, zo zou men het ook kunnen zien).   
Ter gelegenheid van karnaval trok elke fanfare, op dinsdagnamiddag, met een eigen stoet door de gemeente !  Op maandag- en/of dinsdagavond werden karnavalbals georganiseerd in de danszalen die (op hun beurt) met één van de beide fanfares verbonden waren.  "De mannen van 't Sas" hadden hun thuishaven in "de bovenzaal" - zoals de naam het al laat vermoeden was dit een ruime dans- en concertzaal die zich uitstrekte boven twee herbergen ("Het Brouwershuis"  en "Café Perfect"), met, tussen beide in, nog een winkeltje in ijzerwaren.  "De Moedige Vrienden" beschikten sinds mei 1950 over hun gloednieuwe zaal "Movri" : de naam was een afkorting van "Moedige Vrienden" (vóór die tijd hadden ze hun vaste stek in de zaal van de familie Mommens, -vervolgens Schellens-, waar sinds 1933 ook "Cinema Flora" in gevestigd was).  Mijn (in 1948 overleden) grootvader-langs-vaderskant Frans Constant Wollebrants was muzikant, bestuurslid en tenslotte zelfs ondervoorzitter van "Onder Ons" geweest - en dus behoorden mijn ouders tot de "Onder Ons"-clan. 
De karnavalstoeten van mijn dorp waren in de jaren vijftig een relatief befaamd evenement, waar ook toeschouwers uit de omliggende gemeenten op af kwamen.  Mijn moeder had kort na de oorlog al met een nichtje aan het Boortmeerbeeks karnaval meegedaan, en, vermoedelijk in 1951, ook eens samen met mijn vader.  Maar hun topjaren als karnavalvierders beleefden mijn ouders toch wel toen ze zich, van 1953 tot en met 1959, met een groepje goede vrienden en bekenden in het karnavalvermaak stortten !  Het gezelschap varieerde in aantal van minimum zes tot maximum tien. 
Aan het bedenken en realiseren van de karnavalsuitrusting werd veel zorg besteed.  Er werd op geen moeite gekeken : zo liet men zich ooit, -ik denk dat het "de mannen" waren-, door de Mechelse grimeur Van Lil op professionele wijze schminken.  Ik vermoed dat dit in 1953 was, toen het ouderlijke gezelschap zijn karnavaldebuut maakte met het uitbeelden van "negers" (zoals dat toen argeloos werd gezegd, het schrikbewind van de politieke correctheid was nog niet over het land neergedaald).  De vrouwen droegen kleren vervaardigd uit een stof met een bloemmotief (toen mijn moeder thuis aan de karnavalskledij aan het werken was, nam ik zelf, -ik was toen een kleuter van drie jaar-, ook de schaar ter hand, zegde "knip knip", en zorgde voor twee winkelhaken in het textiel - maar dit geheel terzijde).  De mannen waren voorzien van een rok in raffia, en van een grote speer.  Afgezien van het schminken, was de hele uitrusting, -toen en alle andere keren-, geheel home-made.  Karnavalskledij huren deed men niet.
Er zijn dat jaar (helaas) geen foto's gemaakt, maar de speer herinner ik me nog goed, want zij vormde achteraf natuurlijk een prachtig stuk speelgoed (en staat als zodanig dan toch ergens op een foto - met mij).  De staak van de speer was zwart geschilderd, en er waren geheimzinnige witte tekens op aangebracht.  Aan het uiteinde zat een indrukwekkende speerpunt.  Overigens hielden wij als kinderen elk jaar wel één of meer onderdelen van de karnavalsuitrusting van onze ouders als (prachtig) speelgoed over.  (Want kinderen zijn uiteraard het meest tuk op speelgoed dat niet als zodanig bedoeld is).
Op basis van verschillende bronnen heb ik een poging gedaan om het karnaval-verleden van mijn ouders en hun vrienden in de jaren vijftig te reconstrueren : ze moeten achtereenvolgens verkleed zijn geweest in "negers" (1953), (wit-blauwe) Delftste beeldjes (1954), piraten (1955), indianen (1956), kunstschilders (1958) en eskimo's (1959).  (Vermoedelijk werd in 1957 niet deelgenomen omdat één van de bevriende echtparen toen een geboorte omhanden had). 
Bij het Boortmeerbeekse karnaval van 1956 was het ouderlijk gezelschap vermomd als indianen.  Er werden foto’s gemaakt op het voetpad in onze straat (de Beringstraat) : één ervan staat boven dit artikeltje.  Op de achtergrond zien we links de garage van mijn toenmalig ouderlijk huis, in het midden een zij- en de voorgevel van de woning van de familie Vermeulen (enkele jaren geleden afgebroken en vervangen door een appartementsgebouw), en helemaal rechts het villaatje van "Willy Well", die in zijn vrije tijd fotograaf was, en bij wie mijn vader zijn foto's liet ontwikkelen.  Op de foto’s merkt men dat er een flink pak sneeuw lag. 
Ook aan deze ouderlijke verkleedpartij hielden wij als kinderen enkele dingen over die ons bijzonder goed van pas kwamen : het met kleurrijke veren bezette hoofddeksel (voor de meisjes : een prachtige "squaw"-pruik met lange vlechten), en de houten bijl die onze vaders op de foto in de hand hebben.  Ik was in die tijd trouwens erg "in de indianen" - had van de Sint ook een indianenpakje gekregen.  Het enige wat nog ontbrak was een indianentent, een "wigwam".  Maar ja, het kind wikt, de Sint beschikt… en dus werd ik door de heilige man bedacht met een pracht van een… riddertent !  Mét, het dient gezegd, alle nodige bijbehoren : bepluimde helm, borstharnas, schild...  Fantastisch, maar daardoor verzeilde ik wel in een soort tweespalt tussen de indiaanse en de ridderlijke cultuur.
Ter geruststelling : de ingebusselde baby op de foto is een pop (maar dat had u al begrepen).  Het dient overigens gezegd dat, in vergelijking met de televisiebeelden die ik nu soms van het Aalsterse karnaval zie, het Boortmeerbeekse karnaval van destijds, en zeker de "aankleding" van het vriendengroepje waar mijn ouders toe behoorden, een stijlvolle en een allerminst vulgaire bedoening was. 
Naar mijn moeder mij verzekerde had het grote karnavalbal van "Onder Ons" telkenjare op maandagavond plaats (op de vooravond van "de stoet" dus).  "Wij zijn nooit op dinsdag naar een gemaskerd bal geweest", verzekerde ze mij, "dinsdag was de stoet en dan waren wij te moe om nog naar het bal te gaan".  Toch vond ik in het regionale weekblad "De Haechtenaar" van 1956 aankondigingen voor Boortmeerbeekse bals op dinsdagavond.  Misschien waren de bals op maandagavond enkel voor de leden van de fanfares en werd daar geen 'reclame' voor gemaakt ?  Wat er ook van zij... op het "Gemaskerd-Bal" in zaal "Brouwershuis" speelde het orkest "Pit Storms en zijn Zwervers".  "Tijdens het bal zullen er prachtige prijzen verlot worden onder de gemaskerden.  De prijzen zullen tentoongesteld worden in de zaal.  Het Bal zal geopend worden door de Fanfare 'Onder Ons'. - Begin te 7 uur", zo lees ik in "De Haechtenaar".  Ook in zaal "Movri" was het "Groot Karnavalfeest", met een "prachtig orkest" en met "prijsloting onder de verkleden" en "verloting van een nieuwe fiets en andere kostbare prijzen onder al de aanwezigen" (2).
Wat voor muziek zal er op die bals ten gehore zijn gebracht ?  Wat zullen de grote karnaval-schlagers van 1956 zijn geweest ?  Zonder twijfel waren dat de lekkere meezingers van de toenmalige Nederlandse super-ster Johnny Jordaan, de Amsterdamse volkszanger die vanaf het najaar van 1955 ook in Vlaanderen volop doorgebroken was.  Zijn  grote successen waren "Bij ons in de Jordaan", "Johnny's potpourri", "Geef mij maar Amsterdam" en de "Jordaanwals" (zijnde de B-kant van de "Geef mij maar Amsterdam"-plaat).  "Hits" (populaire muziek-successen) gingen in die tijd maandenlang mee, en zodoende bepaalden die Johnny Jordaan-toppers uit 1955, -met de meeslepende begeleiding van de accordeonist Jan Hillegers-, ook het muzikale beeld van het karnaval van 1956.
Maar… de grote sensatie van die tijd was natuurlijk de rock 'n roll !  Met name the mother of all rock 'n roll-songs, "Rock around the Clock" van Bill Haley and the Comets, maakte sedert de laatste maanden van '55 in Vlaanderen furore !  Mijn moeder vertelde me ooit hoe zij in die dagen, toen Haley's "Rock around the Clock" voor het eerst op de Vlaamse radio te horen viel, door mijn vader uit de tuin naar binnen geroepen werd : "kom gauw luisteren, ze spelen de rock 'n roll op de radio" !  Als ik het me goed herinner werd de term rock 'n roll in die dagen overigens vooral geassocieerd met de nieuwe, ophefmakende dans, meer nog dan met de er bij horende muziek.  Zelf zag ik als kind de rock 'n roll ooit, in zijn oorspronkelijke, "wilde" gedaante, uitgevoerd in een café op de Leuvensesteenweg (aan het begin van de Vosweg, op de hoek langs de kant van Leuven).  In Boortmeerbeek genoot echter vooral de herberg "van Roekens", -nota bene gelegen naast "het zusterschool"-, de volgens sommigen bedenkelijke reputatie de plaats te zijn waar duchtig "gerokkenrold" werd ! 
Ook heel populair in februari 1956 waren de Vlaamse humoristische liedjes "Charel" en "O wat zijde schoon" van Tony Bell (blijkbaar de A- en de B-kant van een zelfde fonoplaat), en "In 't stamcafé" van Romain De Coninck (3).  Tony Bell (1913-2006) was een Antwerpenaar, die zich later vooral als "moppentapper" zou ontplooien.  Romain Deconinck (1915-1994) was een bijzonder veelzijdig artiest : auteur, acteur, regisseur… een Gentenaar, die anno 1956 vooral in het theater, -de Minardschouwburg-, en op de radio actief was.  Hij bracht een hele reeks grappen rond de figuur van “nonkel Miele”.  Ook in het liedje “In 't stamcafé” dook die "nonkel Miele” op  : “Santé, santé, santé / Geef ons nog nen tournée / Voor mij en nonkel Miele / En voor gans ‘t café ...”.  Tony Bell en Romain Deconinck waren echte volkskunstenaars, die in hun late levensjaren ook wel de waardering hebben gekregen die ze zeker verdienden (4). 
Allicht zullen op die bals van februari '56 ook klassieke karnaval-schlagers als "Wie zal dat betalen" en "Wij komen allen in de hemel" ten gehore zijn gebracht.  Pas onlangs ben ik er (toevallig) achtergekomen dat dit geen "traditionals" waren (zoals ik dacht), maar composities uit respectievelijk 1949 en 1952 van de Duitse (Keulse) zanger, pianist, orkestleider en liedjesmaker Jupp Schmitz (1901-1991 - een man met een imposante snor).  Naar het einde van de vastenavondbals toe zal (zo stel ik het me voor) ook wel het prachtige "Am Aschermittwoch" van dezelfde Jupp Schmitz (uit 1950) weerklonken hebben : een weemoedige meezinger die aswoensdag en het einde van de karnavalpret aankondigde… "Am Aschermittwoch ist alles vorbei.  Die Schwüre von Treue, sie brechen entzwei.  Von all deinen Küssen, darf ich nichts mehr wissen.  Wie schön es auch sei, dann ist alles vorbei..." (5).
Op aswoensdag gingen mijn vader en ik 's morgens naar de mis.  De priester zegde : "stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren".  Daarna kregen we een kruisje van as op ons voorhoofd, en gingen we naar school - naar de gemeentelijke jongensschool, waar mijn vader onderwijzer en ik leerling was.  Mijn vader "deed" toen het tweede leerjaar.  Ik zat in februari '56 in het eerste leerjaar.

(1) F. BROUYAUX e.a., Weer of geen weer, Een eeuw natuurgeweld in België, Leuven, 2004, blz. 111-113. 
(2) Weekblad De Haechtenaar, jg. 66, nr. 5, 4 februari 1956, blz. 6 (de aankondiging verscheen ook in het nr. 7 van de jaargang 1955).
(3) R. COLLIN, Het Belgisch Hitboek, 45 jaar hits in Vlaanderen, 1954-1999, 3de uitgave, Lier, 1999, blz. 274-275.  Voor de periode december 1954 - maart 1956 geeft dit boek de hitparades weer van het maandblad "Songparade" (het genoemde boek, blz. 4).  De hitparade van februari 1956 moet verschenen zijn in "Song Parade" van maart 1956.
(4) Internet (www), trefwoorden "Tony Bell" en "Romain Deconinck" in internet-encyclopedie Wikipedia (Nederlandstalige versie), http:://nl.wikipedia.org/, geraadpleegd februari 2011.
(5) Een uitvoering van dit liedje door Jupp Schmitz en zijn orkest uit 1964, -en meteen een fraai staaltje van authentieke karnaval-stimmung-, is te vinden op You Tube :
http://www.youtube.com/watch?v=CBG7GtQnPtI
De voornaamste bronnen voor dit artikel waren uiteraard gesprekken met mijn ouders (vooral met mijn moeder), foto's uit het familie-archief, en mijn eigen herinneringen.