vrijdag 26 augustus 2011

Marc Sleen


Bewondering… ja, dit wordt een stukje vol bewondering… Aangezien ik mijn blogtekstjes telkens van een korte krachtige titel (en een foto) voorzie is het onderwerp van mijn adoratie u al bekend. Toch ga ik u nog verbazen (want dat doe ik graag), en wel met deze stelling : voor mij is Marc Sleen de grootste Vlaamse kunstenaar van de tweede helft van de twintigste eeuw! En dan heb ik het in de eerste plaats over de schitterende personages en verhalen die deze man heeft bedacht (die hem beslist tot een geniaal schrijver maken), en vervolgens over zijn talent als tekenaar (die hem tot een fantastisch beeldend kunstenaar maken)! Ja, voor mij is Marc Sleen de grootste levende kunstenaar in Vlaanderen! (We gaan die titel toch niet geven aan een harteloze charlatan die anderhalf miljoen échte kevers tegen een koninklijk plafond kleeft, of een universitair gebouw met ham besmeurt - mag ik hopen). 
Een prettige bijkomstigheid is dat met de bekroning van Sleen ook het genre van het stripverhaal in zijn geheel in het zonnetje komt te staan. Als we het zetten van muggenzifterige puntjes op de i-'s even achterwege laten, mogen we de strip, samen met de film, geredelijk uitroepen tot één van de twee nieuwe kunstvormen die de twintigste eeuw heeft voortgebracht.  
In mijn kinderjaren werd het tekenverhaal overigens nog helemaal niet als een vorm van kunst beschouwd. Plezier vinden in strips werd zelfs met een scheef oog bekeken : het zou "de jeugd" van het échte lezen afhouden (dat er in die "plaatjesboeken" ook tekst stond werd kennelijk over het hoofd gezien). Inmiddels worden strips wel au sérieux genomen (tot en met in het onderwijs), maar in de wereld van de hedendaagse kunst zal men een keverplakker of een soortgelijk gebakken lucht-verkoper toch nog altijd hoger aanslaan dan een striptekenaar. Geheel ten onrechte, want de meeste makers van beeldverhalen weten het banale kijken en denken veel grondiger en subtieler te doorbreken dan die pseudo-diepzinnigaards.
Zeker bij Marc Sleen is dit het geval. Op het eerste gezicht zijn de personages prozaïsche figuren die in een zeer gewone wereld met alledaagse zaken bezig zijn. Bijna ongemerkt worden de vastgeroeste patronen van de werkelijkheid doorbroken, de causale wetten omgebogen. De gebeurtenissen gaan zich gedragen als de subatomaire deeltjes in de kwantummechanica : onvoorspelbaar, en dus verrassend. Sleen neemt een loopje met de werkelijkheid, en wij lopen mee!
Marc Sleen werd geboren op 30 december 1922 (hij was dus van het jaar van wijlen mijn moeder) - en heet eigenlijk Marcel Neels. In vergelijking met, -bijvoorbeeld-, Hergé heeft hij een bijzonder omvangrijk oeuvre geproduceerd. En in tegenstelling tot, -bijvoorbeeld-, Willy Vandersteen heeft hij dat grotendeels op zijn eentje tot stand gebracht, zonder "studio". Sleen werkte met grote snelheid - moest ook wel, want de krant wachtte op zijn strookjes. Normaliter zou zoiets tot oppervlakkig, ongeïnspireerd, clichématig werk leiden. Geenszins echter bij Sleen. Integendeel : ik heb de indruk dat net die prestatiedruk veel meer spontane creativiteit en vindingrijkheid uit zijn onderbewuste deed opborrelen dan wanneer hij in ambtenaren-omstandigheden of met overheidssubsidie had zitten tekenen.  
Natuurlijk is mijn liefde voor Marc Sleen verbonden met persoonlijke herinneringen. In mijn kinderjaren verscheen (een deel van) zijn werk in de Gentse christelijke-arbeidersbeweging-krant Het Volk, met name in de wekelijkse kinderbijlage, die 't Kapoentje heette.  "De Lustige Kapoentjes" stonden op de voorpagina, "Piet Fluwijn en Bolleke" namen de achterbladzijde voor hun rekening - in beide gevallen ging het om een afgerond verhaaltje met een grappige pointe. Mijn ouders waren niet op Het Volk geabonneerd, die van mijn jeugdvriend Etienne wel. Ik kende de Kapoentjes en Bolleke echter vooral uit de verzamelalbums van 't Kapoentje : vrij dikke boeken, maar waarbij je dan ook al de andere inhoud van het wekelijkse kinderkrantje meekreeg, en dus relatief weinig bladzijden Lustige Kapoentjes- en Bollekes-avonturen. Naderhand zijn er wel (dunnere) albums verschenen met uitsluitend Kapoentjes of enkel Bollekes.  
Van die verzamelalbums van 't Kapoentje, die in de dagbladwinkels werden verkocht, bezit ik nog een aantal authentieke exemplaren uit de jaren 1955-1962. Aaah, alleen al die (krantenpapieren) geur! Spijtig dat ik de vergelijking met Prousts madeleinekoekje-in-kamillethee al in een eerder blogbericht heb gebruikt - ze zou ook hier uitstekend op haar plaats zijn geweest!
Piet Fluwijn en Bolleke, de perikelen van een vader en zijn (kale) zoontje (maar met een schattig zwart mutsje op het hoofd), was een eerder sobere strip : naast de (naamloze) moederfiguur waren er eigenlijk geen andere vaste nevenpersonages. Sommige pointes zouden moeiteloos uitgangspunten voor een college filosofie kunnen vormen. Een voorbeeld… Als Bolleke 's nachts verdachte geluiden hoort, stelt zijn vader hem gerust : nee, er is geen inbreker - dieven zijn wel zo slim zich niet te laten horen. Even later slaat Bolleke opnieuw alarm : er moét wel een inbreker zijn, want "ik hoor niets"! Ander voorbeeld. Aan het eind van de schooldag neemt Bolleke steevast afscheid met het foutieve "ik zijn naar huis"! De meester doet hem nablijven en vijfhonderd keer schrijven "Ik ben naar huis". Bolleke voert trouwhartig zijn straf uit. Als hij klaar is valt de meester nergens te bekennen. Onderaan zijn epistel met de vijfhonderd regels noteert hij : "Beste meester.  Ik heb gewacht tot zes uur.  Ik zijn naar huis"!
Bij de Lustige Kapoentjes was er een bont gezelschap aan personages. In de eerste plaats de vier Kapoentjes zelf natuurlijk : Fonske, Oscar, Bikini (het enige meisje van het kwartet) en Lange So (van wie ik aanvankelijk dacht dat hij "Lange 50" heette, een begrijpelijk misverstand, want Marc Sleens "S" leek sterk op een "5"). En dan waren er nog Flurk (die niet enkel naamsgewijs veel weg had van een schurk), de rondbuikige champetter, en moeder Stans, die altijd taarten bakte. En dat mooie houten clubhuisje van de Kapoentjes, daar was ik echt jaloers op (al was het in verhouding tot de figuren veel te klein : ik denk nooit dat het voldoende plaats kon bieden aan vier kinderen).
Het weekblad 't Kapoentje moet diepe indruk op mij hebben gemaakt, want in het najaar van 1958 en de eerste maanden van '59 (ik was negen jaar), schreef en tekende ik elke week een eigen imitatie ervan. Mijn handgemaakt, vier bladzijden tellende en op één exemplaar verschijnend jeugdkrantje heette 't Schavuitje. Op de voorpagina prijkte telkens een zelf bedacht stripverhaaltje over… een vader en zijn zoon, "Knolleke en Jef Koekoek". Net als in 't Kapoentje trof men in mijn Schavuitjes ook verhalen aan (onder andere met een zekere "ridder Frans" in de hoofdrol), prijsvragen, een "praatje met de lezer"… Helaas zijn van mijn Schavuitje slechts vier nummers bewaard, en dan nog net deze die van mindere kwaliteit waren (het betere werk is in nooit opgehelderde omstandigheden verdwenen).
Rond de tijd dat ik Bolleke en de Kapoentjes leerde kennen, moeten ook Nero en zijn entourage tot mij zijn gekomen. "De avonturen van Nero en Co" verschenen eveneens in Het Volk, zij het niet in het wekelijkse Kapoentje, maar in dagelijkse afleveringen in de krant zelf. Niet daar echter heb ik Nero's lotgevallen meebeleefd, wel via de albums die tegen een tempo van vier per jaar op de markt kwamen. Aaah (alweer!)… die oude Neroboeken, uitgegeven bij Het Volk, nog niet in kleuren, maar met van die vale bruine, rode, blauwe monochrome bladzijden… ik blijf ze kwalitatief nog altijd hoger schatten dan de veel fraaiere (maar ook dunnere) uitgaven in veelkleurendruk die later bij De Standaard verschenen, maar dat zal deels wel met jeugdsentiment te maken hebben zeker.
Mijn absolute Nero-favorieten zijn "Het Rattenkasteel" (het stond in Erps-Kwerps, maar het verhaal verplaatste zich ook naar de Leuvense universiteit), "De ark van Nero" (Sleens versie van de bijbelse Noach-historie), "De zoon van Nero" (de intrede van Nero's geniale zoontje Adhemar), "De hoed van Geeraard de Duivel" (Nero in het nachtelijke Gent), "De ring van Petatje" (met de griezelige tante Eusebie), "Beo de Verschrikkelijke (Nero in het oerwoud), enzovoort… 
Ook heel erg leuk vond ik Sleens één-bladzijde-verhaaltjes rond Octaaf Keunink, een brave burgerman met pijp en kantoorbaan - én met een bijzonder bazige vrouw, Beva genaamd.  Buurman (Jan) Balk maakte het trio vaste personages volledig. Maar ook hier een "helaas", want mijn oorspronkelijke Octaaf Keunink-albums ben ik kwijtgespeeld. Uitgeleend aan een vriend en nooit teruggekregen? Of behoorden ze tot het stapeltje strips (waaronder, vrees ik, zelfs enkele Nero's) dat ik anno 1967 gulhartig deelde met één van mijn eerste liefjes en dat ik, toen ik enkele maanden later op een knapper schatteboutje overstapte, vergat terug te vragen? Wijze raad : haal in een relatie altijd eerst je spullen weer binnen vooraleer je haar/hem de bons geeft. Eerlijkheidshalve dient gezegd dat verschillende vriendinnen mij naderhand dan toch ook weer flink hebben bijgestaan om de volledige verzameling van alle "oude" (bij Het Volk verschenen) Nero-strips bijeen te krijgen, zodat mijn eindoordeel over meisjes toch niet volkomen ongunstig is.
En ja, dan zijn er nog de amusante Ronde van Frankrijk-strookjes (met opvallend knappe karikaturen van renners en volgers) die Sleen jarenlang elke dag vanuit het Tour-gebeuren zelf de wereld instuurde  : een verhaal op zich (waar ik bij de Tour de France van volgend jaar, en bij leven en welzijn natuurlijk, nog eens een blogje zal aan wijden). En ook niet te vergeten : Marc Sleen als natuurliefhebber - als de man met een groot hart voor het wildlife, die prachtige natuurdocumentaires in Afrika draaide en her en der in Vlaanderen ging vertonen… (ze kwamen ook op de televisie).  Bewondering!  Bewondering!
In het najaar van 1965 (ik was zestien) schreef ik Sleen een brief om hem te melden dat ik fan was. Dat was allerminst gelogen, maar volledigheidshalve moet ik er aan toevoegen dat mijn schrijven niet geheel belangeloos was. Ik verzamelde in die tijd handtekeningen van beroemdheden en vroeg hem dus om een gehandtekende foto. Marc Sleen stuurde me zijn beeltenis, met nog een vriendelijk woordje er bovenop : "Hartelijk dank voor de mooie brief, François!" : zie de foto boven dit artikel. Sleen was korte tijd eerder overgestapt van de krant Het Volk naar de persgroep van De Standaard. Op de achterzijde van de foto schreef hij (ook niet geheel belangeloos) : "U kan me steeds nog 'volgen' in De Standaard / Het Nieuwsblad / Het Nieuws van den Dag / Het Handelsblad / De Gentenaar / Het Vrije Volksblad". Dat waren al de krantentitels van het toenmalige Standaard-concern. Prachtig allemaal - maar spijtig genoeg vergat Sleen zijn handtekening te zetten! Er staat wel een signatuur op de foto, dat is waar, maar het is een gedrukte, en voor een autogrammenjager is die natuurlijk niet authentiek genoeg. Maar ach, een groot artiest en een prachtmens als Marc Sleen kan ik veel vergeven.
En dus bleef de bewondering intact… to the end...  Want toen Sleen in 2002, op 80-jarige leeftijd nota bene, de tekenpen aan de wilgen hing, heeft hij meteen ook aan de avonturen van Nero en Co een definitief einde gemaakt.  Dat was de daad van een echte kunstenaar! Een commercie-man zou het succes via een "opvolger" blijven uitmelken zijn : ik mag er niet aan denken dat Nero, Adhemarke, madam en meneer Pheip, Petoetje en Petatje, detective Van Zwam, Jan Spier, Jef Pedal… zo'n zielig lot beschoren zou zijn geweest. Als de "geestelijke vader" het podium verlaat, horen zijn personages mét hem de geschiedenis in te treden : daar kunnen we ze altijd weer ontmoeten, met de rustige zekerheid dat ze niet meer in nieuwe lotgevallen verwikkeld zullen raken (en hen geen ongeluk zal overkomen, zoals dat de één of andere kwiet ze in een "hedendaags jasje" zou steken !).
Heeft Marc Sleen dan geen opvolgers ?  Naar de geest zeker wel, maar zij doen gelukkig hun eigen ding, en hoewel zij, zoals het opvolgers past, slechts tot de knieën van de meester reiken, hebben ook zij recht op een bewonderingsvolle vermelding (want tot de knieën : dat is al heel ver!). In het werk van Kamagurka (°1956 - iets jonger dan ik, maar ik maak mij sterk dat die als kind ook de Neroboeken heeft gelezen) vind ik dat lekkere anarchistische dollen met de realiteit en de logica terug. En de tekenverhalen van Urbanus (°1949 - net één dag na mij geboren) en Willy Linthout (°1953) smaken ook stevig naar het universum van de Nero-en Kapoentjes-verhalen, naar die typisch Vlaamse koddige jaren-vijftig sfeer.  
De hoogste tijd voor een besluit. Wat hebben wij vandaag geleerd? (1) Dat Marc Sleen de grootste Vlaamse kunstenaar is van de tweede helft der twintigste eeuw (hierover wordt niet gecorrespondeerd).  (2) Dat men toch zoveel dierbare dingen kwijtspeelt.  Kennelijk hoort dat bij het leven (bij het mijne alleszins). Maar ik blijf het jammer vinden (en ik zal er hier bij gelegenheid nog wel over zeuren).

Op het internet biedt de Wikipedia veel en degelijke informatie over Marc Sleen en zijn werk. In Brussel is er sinds 2009 een heus Sleen-museum ! Fernand Auwera en Jan Smet schreven het boek Marc Sleen (Standaard Uitgeverij en Uitgeverij Edicon, Antwerpen, 1985). Zelf ben ik erg in mijn nopjes met de vier rijkelijk geïllustreerde nummers van het in Breda uitgegeven tijdschrift CISO-Stripgids die in de late jaren zeventig aan Sleen en zijn oeuvre werden gewijd (de nummers 19, 21, 22 en 24). Onlangs ontdekt : op de website Geneanet kan men genealogische gegevens m.b.t. Marc Sleen vinden. Marc was de jongste van vier broers. Zijn broer Adolf was pastoor in het Oost-Vlaamse Munte (hij heeft een eigen bladzijde op Wikipedia). Marcs broers en ook zijn echtgenote zijn inmiddels allen overleden.

vrijdag 19 augustus 2011

Rüdesheim


In 1954 ondernamen mijn vader en moeder hun tweede buitenlandse vakantiereis. Nadat ze in 1953 het Groothertogdom Luxemburg hadden bezocht (zie mijn vorige blogbericht), togen ze nu, samen met hun vrienden "Jef" en "Mit", voor vijf dagen naar Duitsland - van woensdag 11 tot en met maandag 16 augustus 1954. De reisroute liep langs de Rijn en door het Zwarte Woud. Deze keer logeerde men elke avond in een ander hotel.  
De eerste etappe bracht het gezelschap tot in Euskirchen. Mijn vader reed op die 11de augustus 1954 met ons groene Renaultje over de bekende dam op de Gileppe in Verviers (met het grote leeuwenbeeld) - en langs Monschau : "een heel mooi stadje met van die typische huisjes met veel houten planken bekleed", schreef mijn moeder later in haar memoires. 
Dat men de eerste dag niet verder dan het relatief dicht bij de grens gelegen Euskirchen trok had alles te maken met het feit dat mijn moeder er een bevriend echtpaar wou bezoeken. Dat bracht er zijn vakantie door bij de dochter en de schoonzoon - laatstgenoemde was er als beroepsmilitair gekazerneerd. "Die woonden daar in een van de huizen die daar door het Belgisch leger ter beschikking werden gesteld van de beroepsmilitairen.  Ze leefden daar als grote heren. Zij hadden daar een meid, een heel jong Duits meisje, zij hadden verwarming en verlichting, alles op kosten van het Belgisch leger", noteerde mijn moeder in haar memoires. "Later in de avond zijn we daar dan allemaal uitgeweest naar de club Josephine-Charlotte. Dat was de club waar de soldaten ‘s avonds samenkwamen en waar ze tegen voordelige prijzen konden gaan drinken. Toen we terug naar ons hotel reden hadden we daar een Einbahnstrasse (een éénrichtingsstraat) genomen, om er vlugger te zijn. Ondanks het late uur was er een politieagent die ons gezien had en toen we bij het hotel stopten kwam die naar ons toe. Mit en ik waren vlug het hotel binnengelopen. Onze pa heeft dan aan die agent uitgelegd dat wij van het buitenland waren en niet wisten wat Einbahnstrasse betekende. Die begreep dat en heeft ons verder met rust gelaten". De tijd dat je bij de Duitse politie nog goed weg kwam door de argeloze en onwetende toerist uit te hangen zal inmiddels ook wel tot de Vergangenheit behoren, vrees ik.
Op donderdag 12 augustus 1954, -de tweede dag van de reis-, trok men naar en langs de Rijn. "De volgende dag zijn we na het ontbijt vertrokken naar Bonn, waar we de Rijn overgestoken zijn", aldus mijn moeder. "Dan zijn we door het Zevengebergte gereden naar Königswinter". Men bracht een bezoek aan de even buiten het stadje gelegen Drachenfels : de legendarische berg aan de oever van de Rijn, waar Siegfried, de held uit de aloude Nibelungensage de draak zou hebben gedood! "Op de Drachenfels kon je met een tandradspoor, maar wij hebben ons laten rijden in een koets met paarden. Dat was heel prettig en we voelden ons als koningen"!
De reis volgde de loop van de Rijn.  Men bezocht een middeleeuwse burcht (Arenfels, Gutenfels of Rheineck, dat heb ik niet met zekerheid kunnen achterhalen). "Dat kasteel was nog bemeubeld", aldus mijn moeder, "er stonden daar nog harnassen, en ook nog wapens uit die tijd. Er was daar een zaal met prachtige oude kasten en een heel lange tafel. Op die tafel lag er een tafelkleed dat in die tijd gemaakt was door de hofdames. Dat was zo fijn gestoken dat je bijna de steekjes niet kon zien. Die hofdames hadden daar verscheidene jaren aan gewerkt". De volgende bezienswaardigheid waar mijn ouders en hun vrienden halt hielden was de Lorelei-rots - u weet wel : die van het verhaal over de beeldschone nimf die er in het maanlicht haar gouden haren kamde en liedjes zong, en de schippers zo in haar ban bracht dat deze de gevaren van de stroom vergaten… (terwijl uitgerekend daar de Rijn op zijn smalst en zijn diepst is!). En u weet allicht ook dat de Duitse dichter Heinrich Heine dit verhaal anno 1822 verwerkt heeft in zijn onsterfelijk gedicht… Ich weiss nicht was soll es bedeuten, dass Ich so traurig bin… "Van boven op de Loreley had je een heel mooi zicht op de Rijn en de omgeving met bergen en kastelen", herinnerde mijn moeder zich.
De eindbestemming van die (tweede) reisdag was Rüdesheim. "We zijn daar dan tegen het avondmaal in het hotel aangekomen, een groot hotel met uitzicht op de Rijn". Het ging om het inderdaad zeer riante "Darmstädter Hof" (volgens informatie op het internet in recente tijden omgebouwd tot wooncomplex). "Het eten was er heel lekker en overvloedig. De kelner zei ons daar wat we er ‘s avonds moesten uitgaan naar de Drosselgasse. Die Drosselgasse was een heel smal straatje met langs beide kanten allemaal Weinstube (herbergen gespecialiseerd in wijn). Het zag daar zwart van het volk en wij hadden al hier en daar eens binnengeweest om te zien of er ergens plaats was want het zat er overal overvol.  
Wij zijn dan terechtgekomen in de Felsenkeller. Daar zat iedereen aan van die lange tafels en er speelde een bandje van twee of drie man. Wij hadden daar plaats gevonden naast een groepje Hollanders. Die hadden al verschillende lege wijnflessen voor zich staan en zongen uit volle borst. Wij zaten daar in het begin wat onwennig bij, maar na het drinken van enige glazen wijn kwamen wij ook volop in de stemming en hebben wij ook hard gezongen en gedanst.
Daarna hebben wij nog eens in dat straatje rondgelopen toen het al donker was en daar liep iedereen met zo een klein lantarentje op de revers of op de blouse. Later zijn we dan nog ergens anders binnengeweest en weer wijn gedronken en gedanst. Zelf weet ik niet meer hoe wij terug in dat hotel gekomen zijn om te gaan slapen. Het schijnt dat ik tussen onze pa en Jef in met slepende voeten naar het hotel gebracht werd. Mit die was niet zo goed gezond en die had niet veel gedronken.  
Dat moet daar dan een redelijk woelige nacht geweest zijn want toen ik ‘s morgens wakker werd lag ik met mijn hoofd aan het voeteinde van het bed. Bij het ontbijt zaten de anderen daar beneden in een soort veranda aan de voorkant van het hotel en ik lag daar boven door het venster te kijken want ik kon nog aan geen eten denken en zeker niet zien. Ik had daar door dat venster een prachtig zicht op de Rijn met al die witte boten en de bergen aan de overkant".
Natuurlijk hadden mijn ouders ook van die feestelijke lantarentjes gedragen. Eén ervan is bewaard gebleven : zie de foto boven dit artikel! Het is warempel een klein kunststukje : een mooi uitgesneden koperen lantaarn-mantel met daarin een lampje met een groen omhulsel. Een rode en een groene draad liepen naar de twee polen van een batterij, waardoor het lampje dus "echt" branden kon (ik weet dat ik dat als kind nog gedemonstreerd heb gezien). De mannen stopten die batterijen (die de vorm hadden van een plat doosje) in de bovenzak van hun jas - want ja, toeristen liepen er in de jaren vijftig nog deftig gekleed bij, dat bewijzen de foto's uit die tijd : een pak mét das! Maar waar bleven de dames met dat batterijtje dat het lampje deed branden, zo vroeg ik mij af? Ik vermoed dat bloezen toen, -meer dan nu-, voorzien waren van bovenzakjes - een beter antwoord weet ik niet te bedenken. Aan het bewaarde lantaarntje hangt een klein rond plaatje : "Rüdesheimer Schloss" staat er op - de naam van één van de wijnhuizen. Een heleboel van die "wandelende" (soms strompelende) rode en groene lampjes in dat smalle en donkere straatje : het moet een feeëriek schouwspel zijn geweest.  
Inmiddels hebben mijn echtgenote en ik al een paar keer het genoegen beleefd in die zeer gemütliche und fröhliche Weinstuben in de Drosselgasse "een roemer wijn" (en meer dan één…) tot ons te nemen - en ik kan u verzekeren : men vergeet er de kommer en kwel des levens (voor een nachtje dan toch). Willi Ostermann (1876-1936) had gelijk met zijn liedje "Einmal am Rhein" (uit 1931) - het bekendste van een hele reeks Rijn-meezingers : "Einmal am Rhein / Du glaubst die ganze Welt ist dein, / Es lacht der Mund, / Zu jeder Stund', / Das kranke Herz, / Es wird gesund …".
En ja, nergens sta ik zó in de traditie van het reizen, dan in dat kleine Rüdesheim aan de Rijn - want niet enkel de grote Goethe (in 1814), maar ook mijn eigen ouders zijn me daar voorgegaan! De aandoenlijke lantaarntjes uit de fifties heb ik er nooit gezien. De Felsenkeller wél (hij ligt op de hoek van de Drosselgasse en de Oberstrasse). En ook in het Drosselhof heb ik van de hartverwarmende Stimmung genoten.
De volgende dag, vrijdag 13 augustus 1954,  reden mijn ouders en hun vrienden het Zwarte Woud in… Maar dat is stof voor eens een ander blogverhaal.

Alle in dit artikel verwerkte informatie komt uit de door mij geschreven familiekroniek en uit de memoires van mijn moeder Maria Budts.
Over Goethe in Rüdesheim, zie artikel R. GOTTERT, Erinnerungen an Goethe (aflevering 100 van : Notizen aus dem Stadt-Archiv, Beiträge zur Rüdesheimer Stadtgeschichte), via internet (www),
Ga voor een prachtige oude versie (78-toeren-fonoplaat !) van Einmal am Rhein, en andere Rijn-liedjes gezongen door Willy Schneider, naar : http://www.youtube.com/watch?v=xqcXOrSu1mE

vrijdag 12 augustus 2011

Echternach


Mijn oudste reisherinneringen hebben eigenlijk niets te maken met tochten die ik zelf heb ondernomen… maar met de reizen die mijn ouders in de eerste helft van de jaren vijftig maakten. Vooral dan met hun eerste buitenlandse vakantiereizen : in 1953 naar het Groothertogdom Luxemburg en in 1954 naar Duitsland. De ansichtkaartjes die ze mij stuurden, de cadeautjes die ze voor mij en de souvenirs die ze voor zichzelf meebrachten, de foto's… maar vooral toch de verhalen en de anecdotes die ze achteraf vertelden… moeten zo'n diepe indruk hebben gemaakt op mijn "kinderlijk gemoed" (toen nagenoeg nog het white sheet of paper waar de filosoof Locke het over had) dat die ouderlijke excursies, -en de namen van de plaatsen die mijn papa en mama bezochten : Echternach, Rüdesheim, Heidelberg…-, in mijn geest uitgroeiden tot een soort archetypische betekenissen voor het begrip "op reis gaan".
In mijn latere jaren ben ik op omzeggens al die bestemmingen zelf geweest, en nog altijd vertoef ik graag aan "de Romantische Rijn" en in het Zwarte Woud - er is veel landschappelijke schoonheid en veel cultuur (en het zijn beschaafde en goed georganiseerde contreien, wat je van veel exotische bestemmingen niet kan zeggen). Ik ervaar er ook een stukje geschiedenis van het reizen, want het zijn natuurlijk streken die al van in de 18de en 19de eeuw druk door reizigers zijn bezocht. Sommige plaatsen in de wereld zijn door het toerisme platgelopen en stukgemaakt (de Vlaamse kust bijvoorbeeld, en delen van de Spaanse), andere echter hebben de toevloed van bezoekers niet alleen goed opgevangen - maar hebben er een meerwaarde door gekregen. Je staat er in een traditie - de traditie van het reizen.
Zelf heb ik dat heel sterk ervaren in het Griekse Delphi : als je daar de heuvelflank met de tempels opklautert voel je je opgenomen in een eeuwenlange stroom van pelgrims en reizigers die, vanuit velerlei achtergronden en invalshoeken, dezelfde gang zijn gegaan. Er is zo'n leer die zegt dat ons persoonlijk bewustzijn na onze dood deel gaat uitmaken van een universeel, kosmisch bewustzijn, een soort "wereldziel" : daar in Delphi kon ik me bij die theorie "iets" voorstellen.  (Wat overigens niet wil zeggen dat ik er ook maar een zier zou van geloven. Dat we ons van een bepaalde opvatting een voorstelling kunnen maken betekent natuurlijk niet dat ze ook waar moet zijn : in Nederland kan ik me bijvoorbeeld perfect voorstellen dat de aarde een plat vlak zou zijn - toch ben ik ervan overtuigd dat dit niet het geval is).
Mijn ouders ondernamen hun "legendarische" reizen in 1953 en 1954 met hun buren en vrienden "Jef" en "Mit". Het waren autoreizen, met mijn vader aan het stuur van onze toenmalige groene Renault 4CV. Mijn vader stelde vooraf het reisplan op, en maakte tijdens de reizen foto's met zijn "boxke" (zijn Kodak-boxcamera). Ik werd tijdens die ouderlijke uitstappen ondergebracht bij mijn suikertante "Maikke" (Emma) en haar echtgenoot André. Hoewel die er alles aan deden om het mij in hun huis in Mechelen naar de zin te maken, was ik er toch niet graag, en had ik heimwee naar mijn ouders en mijn thuis.
De Luxemburg-reis duurde slechts drie dagen : van zondag 9 tot en met dinsdag 11 augustus 1953. "Wij zijn ‘s morgens heel vroeg vertrokken en wij waren heel opgetogen met deze eerste uitstap", schreef mijn moeder later in haar memoires. De heenreis liep via Leuven, Namen, Marche en Bastogne, waar men de onvermijdelijke tank, het stervormige Amerikaanse oorlogsmonument (toen nog nieuw : het was in 1950 ingehuldigd), en het oorlogsmuseum bezocht. Vanuit Bastogne ging het via Esch-sur-Sûre, Ettelbruck en Diekirch tot in Echternach. Een traject van 239 kilometer. Het aan de Sûre en de Luxemburgs-Duitse grens gelegen Echternach was toen ook al een populaire reisbestemming. De streek rond het plaatsje stond bekend als "Klein Zwitserland".
De twee nachten van de reis bracht men door in het hotel "Chez Léon" in Echternach (in 1966 heb ik er, tijdens een fietstocht, ook nog eens mijn intrek genomen - later is het verdwenen). "Die meneer Leon was een heel vriendelijke man die onze pa aansprak met professor", aldus mijn moeder. "Onze kamers waren proper en gezellig, maar de eerste nacht heb ik wel niet goed geslapen in dat vreemd bed". 
Op de tweede dag van hun reis maakten mijn ouders en hun vrienden eerst een grote wandeling in de omgeving van Echternach, langs plaatsen die aan een spannend jongensboek doen denken : Trooskneppchen, de Wolvenkloof, de Duivelskloof, het Labyrinth, de Perekop. De voettocht was "heel vermoeiend, want dat was klimmen en dalen langs rotsblokken en kloven", aldus mijn moeder.
In de namiddag ondernam het gezelschap een autorit langs de Sauer en de Moezel. Via Wasserbillig, Grevenmacher en Wormeldange ging het naar Remich, Mondorf en Luxemburg (de hoofdstad). In Remich bezocht men de wijnkelders, de “Caves St. Martin”. "Het was toen heel warm en wij waren licht gekleed met korte broeken en bloezen zonder mouwen. In die kelders hebben we dan al bibberend van de kou rondgelopen". Mondorf : "dat was een kuuroord gelijk Spa, maar veel mooier. Daar kon je dan aan verschillende kraantjes van dat bronwater drinken, dat een slechte zoutachtige smaak had. Ik denk dat het voor leverziekten was". Wat de stad Luxemburg betrof : "eigenlijk was daar niet zoveel te zien". Dan ging het langs Junglinster opnieuw naar Echternach. 's Avonds liep men nog wat rond in het stadje. De volgende dag reed het reisgezelschap via Vianden ("waar we de puinen van een middeleeuwse burcht bezocht hebben") en Clervaux terug naar huis.
Als souvenirs brachten mijn ouders uit Echternach een polychroom houten beeldje mee (zo'n twintig centimeter hoog), een muzikant met een accordeon voorstellende - en ook een "hummeltje" : een sculptuurtje van een jongetje met een hoedje, zittend op een hek. Voor mij was er een houten treintje, en een zonnehoed. Het houten beeldje van de accordeonist vond ik prachtig : ik heb er een levenslange liefde voor de houtsnijkunst aan overgehouden.


Alle in dit artikel verwerkte informatie komt uit de door mij geschreven familiekroniek en uit de memoires van mijn moeder Maria Budts.
De afbeelding boven dit artikel laat de eerste ansichtkaart zien die mijn ouders vanuit Luxemburg naar mij stuurden.  Ik was dol op dergelijke kaarten met een leuke en kleurrijke tekening, en met een luikje in, dat je kon open peuteren en waar dan, in de vorm van een muizentrapje, een reeks foto's uit tevoorschijn kwamen (beelden van landschappen en bezienswaardigheden).



vrijdag 5 augustus 2011

Kwatta-soldaatjes


Deze week besloot ik wat orde te scheppen in de oudste regionen van mijn persoonlijke afdeling in het familie-archief. Ver ben ik daarmee (nog) niet gekomen, want natuurlijk ontdekte ik meteen allerhande "vergeten" schatten uit mijn meest verre kindertijd, die mij vertederden en inspireerden. Zo kreeg ik onder andere een heel pak "Kwatta-soldaatjes" in handen. Ze zaten in een voorgedrukte briefomslag "port betaald door bestemmeling", gericht "Aan de Heer Direkteur-Generaal van de ARNO Fabrieken / Avelgem". Kennelijk hadden mijn ouders geen behoefte gevoeld zich tot de heer directeur-generaal van de Arno-fabrieken te richten, want de envelop was bij mij beland. Tussen haakjes : de "Arno-fabrieken" waren dat niet de producenten van die destijds zeer nieuwerwetse synthetische mannenhemden "die niet gestreken moesten worden"? Wat er ook van zij, ik had de envelop gerecycleerd (een toepassing van de duurzaamheidsgedachte avant-la-lettre) en er met een kennelijk nogal losse hand "Kwatta soldaatjes" op gekrabbeld.  
Na wat voorzichtig gepeuter (want ik, of de tijd, hadden de omslag gedeeltelijk dichtgekleefd) kwam er een hele collectie identieke bedrukte papiertjes te voorschijn. Omdat een beeld (soms) meer zegt dan duizend woorden heb ik zes specimina ingescand. En omdat het dan toch al om soldaatjes ging, heb ik ze in een soort slagorde opgesteld (wat nog een zeker gedoe gaf bij het inscannen, want één ervan vertikte het tot drie keer toe netjes in het gelid te blijven staan). In het midden ziet u de voor- en de keerzijde van zo'n papiertje. Bij de vier exemplaren die aan de buitenkant opgesteld staan is het papiertje driedubbelgevouwen : ik vermoed dat het op die manier bevestigd zat aan de pot Kwatta-choco waar het, als een soort cadeau, bij verstrekt werd! Bovenaan (sommige van) de papiertjes vallen de sporen van nietjes te ontwaren.  
De benaming "Kwatta-soldaatjes" moet, zoals de smaak van het in de kamillethee gesopte Madeleine-koekje bij Marcel Proust, ergens in de diepe bewustzijnslagen van mijn hersenen hebben liggen slapen (wachtend op een prinsenkus om te ontwaken).  Ze klonk me plots weer zo vertrouwd in de oren, riep vervolgens de bokes met choco op die in lang vervlogen dagen mijn ontbijten en vieruurtjes opvrolijkten - want ja, ook in de jaren vijftig was het boke met choco al één van de toppers van de kindervoeding.  
Die choco, die was in de regel van het merk "Kwatta" - en werd die toen niet geleverd in van die ronde potten met donkerbruine en gele kleuren? Mijn Kwatta-Erlebnis voerde me ook terug naar de drank die ik 's morgens bij mijn bokes nuttigde : "Ovomaltine" - een soort cacao met mout (maar ook met flink wat suiker, vrees ik). Volgens de tekst op de doos werd je er sterk van : "Donne des forces - Geeft u kracht"! Het product werd aangeleverd in poedervorm, in eveneens ronde, maar vrij hoge, oranje dozen (oorspronkelijk in blik, later in hard karton). Enkele koffielepels van het poeder in een tas, oplossen met warme melk, flink roeren, en daar had je een lekkere kop Ovomaltine! 
Voor de volledigheid (en voor de latere geschiedschrijving van het dagelijkse leven) vermeld ik nog dat ik ook wel boterhammen at met Du Vrai Sirop de Liège (uit blauwgroene potten), met smeerkaas van Franco-Suisse, met kriekenconfituur, met "Hollandse kaas" en met "boterhammekensvlees" (een onbestemde soort charcuterie). De wigvormige kaasblokjes van La Vache Qui Rit smeerde ik niet uit - ik sneed er fijne reepjes af en at die uit het vuistje bij een boterham met jam.
Terug zu den Soldaten Sachen selbst ! Wat waren zo'n Kwatta-soldaatjes nu precies? Allereerst waren het, zoals men op de papiertjes lezen kan : "premiebonnen". Bon prime stond op de voorzijde, want die was in het Frans gesteld. Het ging dus om "punten", waar men iets in ruil kon voor krijgen - om een soort Kwatta-assignaten. De Franse voorkant meende ik te mogen verklaren door het feit dat de firma Kwatta, zoals men op het papiertje lezen kan, gelegen was in Henegouwen, met name in Bois d'Haine (nu deel van de gemeente Manage).  
Op elke waardebon werd tot drie keer toe een soldaat afgebeeld : een piot met het geweer op de schouder en de muts op het hoofd. "Waarde 3 soldaatjes" stond er op elk papiertje : dan zou je denken dat je voor zo'n drie papieren nep-militairen drie échte speelgoed-soldaatjes cadeau kreeg (zeker wanneer je als kind nog niet van de slechtheid van de wereld en de gewiekstheid van de commercie op de hoogte bent). Nadere research heeft me echter tot grondige bijstelling  van dat sympathieke en dus naïeve uitgangspunt gedwongen - maar hoe de vork werkelijk aan de steel zat onthul ik straks nog (u merkt dat ik, zoals het een goed schrijver past, enige spanning opbouw).
De uitnodiging "Vraag de volledige lijst aan" laat verhopen dat Kwatta, in tegenstelling tot dat eindeloos herhaalde figuurtje op de bons,  niet één type soldaat in petto had, maar een bont leger. Zat de variatie in de uniformen? Ging het om infanteristen, artilleristen, huzaren, dragonders, sergeanten, luitenanten, kolonels… en wat er nog zo nog allemaal aan militaria bedacht kon worden…? Ging het om variante poses (van aanvallend, via defensief, tot strategisch terugtrekkend, te paard of niet te paard)? Ook op dit punt zal blijken dat de werkelijkheid het nooit haalt op onze voorstelling ervan.
Het werd tijd voor enige wetenschappelijke research. In pre-internetiaanse tijden zou dat onbegonnen werk zijn geweest, want zeg nu zelf : zou er één encyclopedie, het weze de Winkler Prins, de Oosthoek, de Standaard of de Larousse, voldoende democratische gezindheid hebben bezeten om de term "Kwatta-soldaatjes" nader te verklaren ? Ik denk het niet. Dankzij het fantastische world-wide-web vond ik nu in enkele muisklikken een schat aan informatie! Allereerst in de digitale encyclopedie Wikipedia, want ja hoor : dààrin zijn de Kwatta-soldaatjes wél present (1)! En dan was er (onder andere) nog de website van Dik Nas en Ton Damen, met mooi fotomateriaal (2).  
Zoals hier eerder al geconstateerd (zie mijn blogbericht "Ronde van Frankrijk") : het confronteren van mistige kindertijd-herinneringen met de precisie  van hedendaagse informatie heft de mystiek van de heugenis op. Als je het licht laat schijnen in de nacht, verdwijnt de duisternis : daarmee verdwijnt echter ook de charme van de nacht. De creatie van Unverborgenheit (onverborgenheid) gebeurt niet ongestraft : altijd houdt ze Entzauberung (onttovering) in! Maar tegelijkertijd is die confrontatie van de vage herinnering met de cold light of day-gegevens toch ook ongemeen boeiend en verrijkend. In het geval van mijn Kwatta-soldaatjes leidde ze tot enkele onthutsende vaststellingen, waarover ik hier nu bondig en samenvattend rapporteer.
Allereerst bleek Kwatta een cacao- en chocoladefabriek van Nederlandse nationaliteit - opgericht in 1883 in Breda, door een zekere P. De Bondt en een zekere Gustaaf Van Embden, en genoemd naar de cacaoplantage die deze laatste in Suriname bezat. De namen van de twee stichters hoeft u overigens niet te memoriseren, want ze verdwenen vrij snel van het toneel. Het soldaatje deed zijn intrede rond 1907, toen de grondstofprijzen sterk stegen en veel cacao- en chocoladefabrieken over de kop gingen : Kwatta overleefde deze crisis door zijn chocolade in repen te verpakken en op de wikkel een soldaatje af te beelden. Dat laatste moet te maken hebben gehad met het feit dat de Kwatta-chocolade erg populair was in de Nederlandse kazernes.  
Verder bleek het historische Kwatta-verhaal, naarmate het zich op mijn computerscherm ontrolde, een zeer Nederlandse aangelegenheid, en bijna uitsluitend over chocolade te gaan.  Van 1913 kwam België er dan toch (een beetje) aan te pas : in dat jaar ging Kwatta een fusie aan met La Compagnie Internationale d'Alimentation uit het Waalse Bois d'Haine, maar kennelijk functioneerden de twee bedrijven vooral naast elkaar. En waar bleef in 's hemelsnaam de choco? Eindelijk : sinds 1935 was de Kwatta chocopasta "op de Belgische markt te verkrijgen", lees ik in de Wikipedia.
Aan het op de chocoladewikkel afgebeelde soldaatje werd (ik vermoed : mettertijd) een soort inruilwaarde verbonden. "Men kon destijds deze soldaatjes uitknippen en sparen". Bij de choco zal men (zo vermoed ik) de soldaatjes op hun driedubbel-gevouwen papiertjes aan de pot hebben vastgeniet. "Vijf soldaatjes gaven recht op een gratis reep of een tinnen soldaatje en in de vijftiger jaren van de vorige eeuw kon men voor 100 uitgeknipte soldaatjes het flexibele Kwatta soldaatje krijgen, welke destijds zeer geliefd was bij kinderen. Hiermee zorgde Kwatta voor de allereerste spaaractie", aldus nog de Wikipedia. De uitdrukking "waarde 3 soldaatjes" op mijn "premiebonnen" moest dus met véél korrels zout worden genomen : drie papieren soldaatjes ja dat wel, maar daar had je er in de jaren vijftig dan niet minder dan 100 (honderd!) van nodig om één echt speelgoed-krijgertje binnen te rijven! Er moest met andere woorden al een stevige laag pasta op heel wat bokes worden gesmeerd voor men aan dat flexibele figuurtje toe was! 
Nu, dat rubberen Kwatta-soldaatje uit de jaren vijftig ben ik ook nog (veelvuldig zelfs) op het internet tegengekomen, onder andere beschreven als een "dun en slungelig figuurtje met buigbare ledematen, blauw uniformjasje, witte broek en rode sjako", en met een witte sjerp schuin over het bovenlichaam met daarop de merknaam "Kwatta" (3). Blijkbaar bestond het slechts in één uitvoering. Ik kan me niet herinneren in mijn kinderjaren ooit zo'n "echt" Kwatta-soldaatje in mijn bezit te hebben gehad. Het oer-beeld van het Kwatta-soldaatje blijft voor mij dus toch dat wat zielige, stereotiepe papieren piotje dat op elk van die waardebons in drievoud stond afgedrukt.  
Mét mijn kinderjaren vergleed kennelijk ook de glorietijd van de Kwatta-choco. In 1972 werd geprobeerd het product te "herlanceren", nu in "een karakteristieke gele pot". Het kon niet beletten dat het met de oorspronkelijke Kwatta-fabriek in de jaren zeventig bergaf ging. De merknaam "Kwatta" zou evenwel in een lange reeks doorverkopingen tussen allerlei voedingswarenconcerns, blijven bestaan - tot op heden zelfs! Anno 2011 is hij in handen van het Amerikaanse "Heinz" (u weet wel : van de tomato ketschup) en verbonden aan drie producten : chocopasta, hagelslag en cacaopoeder. In Breda is er inmiddels echter niets meer dat aan het vroegere Kwatta herinnert.
Een afbeelding van de Kwatta-chocopotten uit mijn kinderjaren heb ik op het internet niet kunnen vinden. Maar wél een foto van de wikkel die er in die tijd rond zat, en inderdaad : bruin en geel - zij het in een iets andere combinatie dan ik het mij voorgesteld had, maar zéér herkenbaar. Net als de tekst : "Chocopasta Kwatta is licht verteerbaar en bijzonder aanbevolen voor boterham, gebak, tussengerechten, enz." (4). De (door mij ingescande en boven dit artikel afgebeelde) premiebonnen stonden kennelijk nog niet op het internet. Wat dat betreft voeg ik "bij deze" dus iets origineels aan het www toe - en dat zonder over auteursrechten en dat soort poenpakkerspraktijken te zeuren (leve het vrije, kosteloze internet-voor-iedereen!).
Wat valt er uit mijn intellectueel avontuur met de Kwatta-soldaatjes nog te leren? Dat onze persoonlijke beleving van de geschiedenis, onze histoire vécue, toch wel grondig kan verschillen, -vooral dan : zeer onvolledig is-, ten opzichte van de officiële geschiedenis, zoals die geschreven staat in boeken en op het internet. Onze herinnering wordt beperkt door onze vroegere Sitz im Leben (die ons maar een gedeeltelijk zicht op de dingen verschafte) en natuurlijk ook door een zekere vergetelheid die inmiddels haar werk heeft gedaan.
Maar, in tegenstelling tot de algemene beschrijving van de historische feiten, is onze particuliere memorie van de dingen bijzonder, uniek, onvervangbaar. "Zolang men zich met het algemene bezighoudt kan iedereen het ons nadoen, maar het bijzondere kan niemand ons nadoen. Waarom ? Omdat de anderen het niet beleefd hebben", zo wist de geniale Goethe al. "Het waarnemen en het beschrijven van het bijzondere" was voor hem zelfs "het eigenlijke leven van de kunst".  
Maar is die persoonlijke, particuliere ervaring van de dingen interessant genoeg voor "de anderen", voor mogelijke lezers? Loont het de moeite ze neer te schrijven? Dat  vroeg ik me bij het opstellen van mijn Kwatta-verhaal angstvallig af. Zeker en vast, zegt de grote man : "alles wat beschreven kan worden, van een steen tot aan de mens toe, heeft iets algemeens ; want alles herhaalt zich en er bestaat geen ding in de wereld dat er maar één keer is".  Woorden van Goethe! (Tussen haakjes : volgens Boudewijn Büch was Goethe al vanuit àlle mogelijke oogpunten bekeken - maar was hij ook al in verband gebracht met Kwatta-soldaatjes?) (5).


(1) Internet (www), trefwoord "Kwatta (merk)" in internet-encyclopedie Wikipedia, http://nl.wikipedia.org/wiki/Kwatta_(merk), geraadpleegd juli 2011.
(2) Internet (www), website Kwatta (website van Dik Nas en Tom Damen), http://www.oranjeboompleinbuurt.nl/web%20content/geschiedenis/bedrijven-vorige-eeuw/kwatta.html, geraadpleegd juli 2011.
(3) Internet (www), website Museum Rotterdam, http://collectie.museumrotterdam.nl/objecten/74132, geraadpleegd juli 2011.
(4) Internet (www), website Erfgoedcentrum Achterhoek Liemers,
(5) J. P. ECKERMANN, Gesprekken met Goethe, vertaling G. Meijerink, reeks Privé-Domein nr. 167, uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 1990, blz. 56 ; B. BUCH, Goethe en geen einde, uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 1990 ; B. BUCH, De Goethe industrie,  uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam, 2002.

De muzikale achtergrond die bij dit artikel hoort is natuurlijk de Parade der Zinnsoldaten (ook bekend als de Parade of the wooden Soldiers of de March of the tin Soldiers), in 1905 geschreven door de Duitse componist Leon Jessel (1871-1942) - een muziekje dat ook tot mijn jeugdherinneringen behoort.  Het moet mijn moeder zijn geweest die het me leerde kennen :

vrijdag 29 juli 2011

Een beetje balorig


Ik hou van de mensen. Maar niet van allemaal, dat moet ik toegeven. Niet als het criminelen zijn, niet als ze (letterlijk of figuurlijk) tegen mijn kar rijden, niet als ze arrogant zijn, niet als ze onbeleefd zijn, niet als ze zich agressief gedragen, niet als hun hond mijn kinderen bijt, niet als ze hun huur niet betalen, niet als ze bumperkleven of andere gevaarlijke toeren uithalen in het verkeer, niet als ze ons met torenhoge belastingen uitzuigen en vervolgens ons geld langs deuren en vensters te grabbel gooien… Dan kan ik wel eens een beetje onsympathiek uit de hoek komen. Mijn vrouw heeft dit talent van mij jaren geleden al ontdekt. In de gloriedagen van Jean-Marie Pfaff, toen deze bekende Vlaming naar eigen zeggen in Spanje bekend stond als "el sympatico", heeft ze ooit eens fijntjes opgemerkt dat zoiets mij allicht nooit zou overkomen. Ik ging er toen van uit dat ze wou zeggen dat ik op het Iberisch Schiereland nooit de bekendheid van onze grote doelman zou verwerven, hetgeen mij een meer dan correcte inschatting leek, waar ik dan ook mijn volle instemming mee betuigde. Pas later is het mij gaan dagen… en bedacht ik dat ze misschien iets anders bedoelde.  
Nochtans : meestal ben ik heel sympathiek (vind ik). Maar goed, ik geef toe : soms, heel soms, kan ik inderdaad een beetje balorig doen - lichtjes tegendraads, ja zelfs enigszins giftig zijn. Maar dat is dan geheel met recht en reden (vind ik eveneens).
Als bijvoorbeeld de één of andere tele-verkoper van-wat-voor-brol-dan-ook, -niet zelden zo'n pippo van Belgacom of Telenet of één van die andere geldwolverige providers-, mij out of the blue opbelt om mij weer eens een nieuw opzienbarend product in de maag te splitsen - het weze een helemaal-op-mijn-maat-geknipte formule voor een zich interactief resettende ha-dee digibox, of een onvoorstelbaar voordelig contract voor handsfree essemmessen, waar je dan voor de rest van je dagen aan vastgeketend zit, tenzij je een halve hoofdprijs van de Euromillions betaalt om er weer van af te raken… U kent dat, ik twijfel er niet aan, want u bent ook al door dit soort kleverige praatjesmakers telefonisch geterroriseerd.
Ik heb a priori al een hekel aan het irritante gerinkel van een telefoon (u kan mij echt beter e-mailen dan opbellen), maar als men dan voor zulk soort commerciële onzin gestoord wordt, ja dan kan ik wel eens pisnijdig worden. "Geachte heer", zeg ik dan (of desgevallend : "geachte mevrouw" natuurlijk),  want ik begin altijd poeslief (dat vergroot de contrastwerking met wat daarna volgt)… "mag ik u allereerst gelukwensen dat u door eigen inspanning uw brood verdient, en niet via een uitkering of leefloon van de samenleving profiteert. Dat siert u. Maar ik beklaag u wel hartsgrondig, dat u dit helaas doen moet door dag-in, dag-uit zo onbeleefd te zijn om mensen die u van haar noch pluim kent, ongevraagd lastig te vallen, en te proberen ze op een linke manier rommel aan te smeren waar ze in het geheel niet om gevraagd hebben".  
Ik kan u verzekeren : dan valt er aan de andere kant van de lijn een pijnlijke stilte, en verzinken al de aangeleerde en ingeoefende handige-verkopers-en-mensen-beetneem-kunstjes plots in het niet. Aangezien ik mijn gram gehaald heb, kan ik de ongenode beller vervolgens opgelucht en in alle oprechtheid nog een prettige dag wensen en het gesprek aldus in schoonheid afsluiten. Probeert u het ook maar eens, de volgende keer dat u in uw drukke activiteiten of uw opperste concentratie gestoord wordt door zo'n irritante mercantiele stalker - u mag gerust mijn quote overnemen, ik hoef zelfs geen halve euro voor het copyright!
Zoals gezegd : ik hou van de mensen. Maar niet van allemaal. Niet van die francophones de Bruxelles bijvoorbeeld, die, nadat ze hun stad hebben laten verloederen, hun villa's in de Vlaamse rand rond Brussel neerpoten, en er vervolgens in al hun zelfingenomenheid  van uitgaan dat de omgeving zich aan hen moet aanpassen - in plaats van omgekeerd. Eerst "faciliteiten" - dan de boel overnemen. De kiezers van monsieur Olivier Maingain dus, de FDF-ers, die bedoel ik. De imperialistjes die stukje bij beetje Vlaams-Brabant inpalmen en verfransen, met als einddoel zoveel mogelijk Vlaams grondgebied bij Le grand Bruxelles in te lijven.  
Toen ik een tijdje geleden aan de straatkant van mijn tuin wat gezapig stond te schoffelen, -zoals men dat van een degelijke pensionado mag verwachten-, hield er plots zo eentje halt. Hij leek zelfs wat op Maingain. Vanuit zijn voiture richtte hij het woord tot mij : "Bonjour monsieur, vous parlez le Français?".
Nee, natuurlijk niet. U bent hier in Vlaanderen. Hier spreekt men Nederlands. En aangezien ik geen kruiperige kruidenier, maar een zelfbewuste en onafhankelijke pensionado ben, verstond ik die dag geen Frans en deed ik bovendien geen enkele moeite om het te spreken. Frans ken ik enkel in Frankrijk en in Wallonië (en ja, noodgedwongen soms, als ik iets nodig heb, ook in het zogenaamd tweetalige Brussel).  
"Oui, oui… mais… Roodveld… vous connaissez?  Roodveld… je cherche le Roodveld…". Ha, meneer was wat dur-de-comprenure. Ik ook dan. "Roodveld...?", herhaalde ik vertwijfeld, alsof ik een mystieke, en misschien zelfs enigszins obscene term uit de Kamasutra (of zoiets) te horen kreeg. 
"Oui… oui… le Roodveld… Rrrrroodveld!". Voor alle zekerheid keek hij nog eens op het papiertje dat hij bij zich had : "Rrrrroodveld", ja, dat stond er kennelijk op.
Maar nee, mij niet bekend, nooit van gehoord. "Hier Bredepleinstraat, daar Beringstraat", wees ik met nadrukkelijke gebaren, alsof ik Winnetou de eerste beginselen van de westerse geografie aan het diets maken was.
"Oui, oui, mais… Rrrrroodveld?". Ik zag hem denken : is dat Vlaams boerke nu zo dom of is hier iemand met mijn voeten aan het spelen? Nee hoor, niks Roodveld hier, schudde ik wanhopig het hoofd. Geen Roodveld in Boortmeerbeek.
"Pas de Roodveld?". Hij haalde de schouders op, liet het open raampje van zijn auto naar boven glijden en reed verder. Zonder een bedankje, hoe onbeleefd toch. En dat terwijl ik hem nog wel naar best vermogen geholpen had. Want ja, als er geen Roodveld is, kan ik er met de beste wil van de wereld de weg niet naar wijzen. Zelfs het mooiste meisje kan niet geven wat ze niet heeft, luidt een aloud gezegde (waar ik eigenlijk nooit de precieze strekking van begrepen heb, want een mooi meisje heeft volgens mij alles waar vraag naar is).  
En jaaah, twee straten verder ligt hier wel de wijk het Grootveld, het Gggggrootveld, maar dat is toch iets heel anders dan het Rrrrroodveld, zou ik denken. Je kan iemand die in het Rrrrroodveld moet zijn toch niet het Gggggrootveld insturen! Zeker niet als je geen Frans kent, en degene die in het Grootveld moet zijn, niet de minste moeite wil doen om de taal van de streek te spreken.


Foto : ook de grote Mozes kon al eens balorig zijn.  Hij gooide dan zelfs de Tafelen met de Tien Geboden stuk, iets wat ik nog nooit gedaan heb en nooit zou doen.  Uit het feit dat God later nieuwe Tafelen voor Mozes schreef leid ik af dat Onze Schepper wel begrip kan opbrengen voor een beetje balorigheid.  In één van de Tien Geboden staat trouwens : "… geef geen ergernis" (gebod nummer 5).  Welaan dan, ik ken maar weinig lieden die meer ergernis geven dan die schaamteloze televerkopers en die francofone landbezetters !  Oh ja : houtsnede van de Duitse kunstenaar Julius Schnorr von Carolsfeld (1794-1872), uit het boek Die Bibel in Bildern, 1860, via Wikimedia Commons.


vrijdag 22 juli 2011

Duinpark


Zomers van weleer… In juli 1961, vijftig jaar geleden dus, beleefde ik mijn eerste vakantie in Oostduinkerke. In "Oostduinkerke-Bad", zoals dat toen heette, om het te onderscheiden van het wat meer landinwaarts gelegen dorp van Oostduinkerke. In eerdere jaren hadden papa, mama en ik wel eens voor enkele dagen bij vrienden gelogeerd, in Heist en in Nieuwpoort, maar in 1961 huurden mijn ouders zelf een appartement, en bracht ik voor het eerst twee weken ononderbroken aan zee door :  de twee laatste weken van juli. Het was de eerste keer dat ik zo lang van huis was. Ik was twaalf jaar.
Mijn ouders zelf waren maar zeer gedeeltelijk van de partij. Mijn moeder werkte als bediende bij de Boortmeerbeekse firma Hydrocoton en had slechts één week jaarlijkse vakantie (!) : zij was enkel de eerste week in Oostduinkerke. Tussen haakjes : de n.v. Hydrocoton werd in de volksmond "het watfabriek" genoemd, omdat men er watten produceerde. "Hydrofiele watten" meen ik me te herinneren, voor de medische sector - maar ook wel watten die in de auto-industrie werden gebruikt, voor de zetels en voor de binnenbekleding van de autodeuren.  
Mijn vader bracht ons naar ons vakantieverblijf, kwam ons aan het eind van de vakantie ophalen, kwam tussentijds al eens op bezoek, maar bleef voor het overige thuis, omdat de gezondheidstoestand van zijn moeder (mijn grootmoeder en meter) in die tijd te wensen overliet, en er dagelijks naar haar moest worden omgekeken. Mijn vader was onderwijzer en genoot, in tegenstelling tot mijn moeder, van een twee maanden lange zomervakantie. De afwezigheid van mijn papa wierp voor mij wel een schaduw op het verblijf aan zee, want ik was erg aan hem gehecht. Ik schreef hem bijna dagelijks een brief, en hij deed hetzelfde : die correspondentie is geheel bewaard gebleven, en geeft een gedetailleerde inkijk in mijn leven in Oostduinkerke en in zijn dagelijkse bezigheden thuis. "Er gaan nu veel koloniën voorbij", schreef ik op donderdagmorgen 20 juli : ik bedoelde natuurlijk dat kinderen van de verderop gevestigde vakantiekolonies in groep naar zee stapten. Die arme schapen bekeek ik met hetzelfde afgrijzen dat ik voelde voor het zoontje van een bevriend echtpaar toen die in "de Chabotté" terechtkwam (de vakantiekolonie "Le Chat Botté" in De Haan).    
Mijn ouders hadden een appartement gehuurd in de "residentie Duinpark", een toen nog nieuw, naast het strand en geheel in de duinen gelegen complex. Het was een mooi gebouw : compact, niet te hoog (vier verdiepingen, het gelijkvloers meegerekend), en met  frisse gele, rode en blauwe kleurvlakken tussen de ramen - zie de foto boven dit artikel! De benedenverdieping lag vrij hoog, omdat er onder het gebouw garages waren. Dat laatste is op de foto niet te zien, evenmin als het kruidenierswinkeltje dat op één van de hoeken gevestigd was en uitgebaat werd door de echtgenote van de conciërge van het gebouw. Daar ben ik voor het eerst in mijn leven live met het mooie West-Vlaamse dialect in contact gekomen (en er niks van begrepen natuurlijk).  
Tot de bevoorrading van de vakantiegasten droeg ook het autootje bij dat elke dag, kort voor het middaguur, zijn opwachting maakte op het asfaltje vóór het gebouw, en waar men zich de soep van de dag kon aanschaffen. Die werd rechtstreeks in de kookpot geschept. Dat asfaltstraatje, dat naast het gebouw liep en dan afdaalde naar het strand, is op de foto wél te zien. Hoe vaak heb ik daar niet gestapt! Op sommige zonnige dagen was het zo heetgeblakerd dat je er niet met je blote voeten op lopen kon zonder in een soort indianendans te vervallen. De zon op het zand en op het helmgras - én op dat asfaltje : dat werd voor altijd mijn beeld van zomer en zee.
Ons appartement moet op de eerste of tweede verdieping hebben gelegen. 's Nachts zagen we de vuurtoren van Nieuwpoort aan het werk. De plattegrond van het Duinpark-gebouw was rechthoekig, aan de binnenzijde van het complex was een grote open ruimte, een binnenplaats waar de achtergevels van de appartementen op uitkeken - ik vond dat redelijk spectaculair. Hier gaven de in de achtergevel van het gebouw ingemetselde schachten op uit waar men in elke flat via een luikje op het balkon het huisvuil in kieperde - ook dat vond ik redelijk spectaculair. De conciërge zorgde dan voor de verdere verwijdering van al de troep die onderaan de afvalkokers terechtkwam. De brave man bezorgde ook de post die voor de vakantiegangers op het Duinpark-adres aankwam. Dienstverlening was toen nog geen ijdel woord.
Mijn ouders hadden het appartement gehuurd via een kantoor, maar dat heette toen een agence. In 1961 was het "Essor", in die tijd gevestigd aan de Albert I - laan, onderdeel van de Route Royale ofte "Koninklijke Baan" die langs heel de kust liep (het daaropvolgende jaar huurden we via "Angelo"). Aan die drukke hoofdweg lagen ook "de Venise" (aan de hoek met het Astridplein), waar we al eens een ijsje gingen eten, en het krantenwinkeltje "Chez Bob", waar we onze fotofilmpjes lieten ontwikkelen.  
"Residentie Duinpark" was genoemd naar zijn omgeving : "Duinpark" was (is) de naam van het gebied gelegen ten oosten van de zeedijk van Oostduinkerke-Bad. Het moet in de jaren dertig zijn geweest dat de eerste wegen door dit duinenlandschap werden getrokken en de eerste villa's er verschenen. Zoals op oude ansichtkaarten is te zien, lagen die een eind van het strand verwijderd en tastten ze de duinengordel nog maar gedeeltelijk aan. Eén van die huizen was de villa "Laagland", waar Felix Timmermans in de jaren dertig enkele zomervakanties doorbracht. Hij schreef er (een beetje) aan zijn "Boerenpsalm" en ontving er onder andere Ernest Claes. Timmermans was echter geen "zeemens" : naar verluidt zat hij uren op een duintop naar het landschap te kijken - met zijn rug naar de zee (1). 
Tijdens de afwezigheid van mijn papa en mama werd ik toevertrouwd aan de (het dient gezegd : zeer goede) zorgen van mijn moeders tante Emma, "Maikke" genoemd, en van haar echtgenoot André. Maikke was meestal binnenshuis in de weer, met koken en schoonmaken. André was mijn compagnon de route, die met mij op pad ging, en bij de vele andere activiteiten die ik aan de zee ontplooide, -het rijden met diverse modellen "go-karts" (trapauto's) bijvoorbeeld-, een oogje in het zeil hield.  
Mijn favoriete speelterrein was het uitgestrekte duinengebied langs de zee, van de residentie Duinpark tot aan Nieuwpoort. Ongeveer halfweg tussen beide in lag het "Koningin Elisabeth Instituut" - dat allicht toen ook al een hersteloord moet zijn geweest, maar waar nooit veel "leven" te bespeuren viel. Op een villaatje na, bestond heel die strook achter het strand in het begin van de jaren zestig nog uit een ongerept duinenlandschap.  (Het enige wat daar nu nog van overblijft is het relatief kleine natuurreservaat de Zeebermduinen :  in de omgeving van residentie Duinpark, en vanaf het revalidatieziekenhuis tot aan de oude Nieuwpoortse zeedijk, hebben de duinen plaats moeten maken voor vakantieverblijven). Als een soort reality-speeltuigen lagen in de omgeving van het Elisabethinstituut destijds nog enkele relicten van de Tweede Wereldoorlog, waaronder een imposante, in het zand scheefgezakte bunker, en de restanten van een gemetselde gang.  
Dat toen nog maagdelijke natuurgebied tussen residentie Duinpark en Nieuwpoort, en vooral dan het gedeelte tussen onze verblijfplaats en het Elisabethinstituut, heb ik eindeloos doorkruist, vaak in mijn eentje : duin-op en duin-af, of langs de smalle en bochtige valleitjes tussen de zandheuvels in. Staande op de hoge duintoppen genoot ik er van het weidse uitzicht op strand en zee, en van de verkoelende zeebries, om me dan weer naar beneden te storten, op naar een volgende beklimming. Vrijheid, natuur, de vreugde van het bewegen…
Voor het appartement dat we huurden was de komst van Maikke en André een zegen : zonder enige twijfel was dit sinds zijn oplevering nog nooit zo grondig gepoetst als de eerste dagen dat wij er onze intrek in namen en Maikke er met zeemvel, spons, borstel… aan de slag ging. Het grote raam, dat uitkeek op de duinen en de zee, kreeg bijna dagelijks een beurt (vensterglas pleegt aan zee snel te vervuilen). André was meubelmaker en timmerman, een échte "stielman", met een bewonderenswaardige zin voor precisie en perfectie. Hij zorgde er en passant voor dat, na onze doortocht, geen raam, lade of deur in het appartement nog klemde of piepte.  
Aan het begin van de jaren zestig was zo'n vakantieverblijf-aan-zee nog speciaal, en we kregen dan ook nogal wat bezoek van familie en vrienden, deels aangevoerd door mijn vader wanneer die met de auto, -onze nieuwe Renault Dauphine, gekocht in mei 1960-, naar ons toekwam. In de tweede week kwamen mijn moeders nichtjes Jeanine en Annie logeren. Ze waren enkele jaren ouder dan ik en introduceerden me in het plaatselijke "Luna Park". Ze namen me ook (samen met Maikke en André) mee naar de gereputeerde amusementszaal "Het Witte Paard" in Oostende (niet te verwarren met het gelijkaardige "Witte Paard" in Blankenberge !). Dat Oostendse "Witte Paard" lag destijds  in de Van Iseghemlaan - zo leert enige internet-research me : "Tiroler avonden, bierfeesten, en puur Oostendse revue's werden er opgevoerd. Ook de typetjes Gaston en Leo stonden daar van het prille begin op de planken, en de knaap Will Tura was daar een vaste gast". De zaak viel vooral ook bij Britse toeristen erg in de smaak. Ze is later afgebrand en behoort inmiddels tot de "lang vervlogen tijd" (2). In een brief aan mijn ouders, geschreven op vrijdagmorgen 28 juli, bracht ik kort verslag uit van ons bezoek aan deze amusementstempel : "Gisteren zijn wij naar 'Het Witte Paard' geweest in Oostende en wij hebben zeer hard gelachen. De man van 't orkest deed Maria Callas achterna en Unkel Satchmo (sic). Ze dansten ook in een zak. En er was een clown ook". En, wat verder in dezelfde brief : "Jeanine heeft in 't Witte Paard een bierpint gepikt"!
We zijn nu een halve eeuw later… Het appartementencomplex "Duinpark" bestaat nog, maar het is natuurlijk niet meer wat het geweest is. Het gezellige kruidenierswinkeltje is het eerst verdwenen, lang geleden al. Later werden de leuke jaren vijftig-zestig kleuren (nu weer helemaal trendy) op de gevelvlakken wit geschilderd. De prachtige duinen in de omgeving werden grotendeels volgebouwd en zodoende vernield. Sic transit gloria mundi…

Foto : Oostduinkerke, juli 1961, opname door mij gemaakt met de Kodak "box"-camera van mijn vader, waar voor het eerst een kleurenfilm op stond.  Van links naar rechts : mijn vader, mijn moeder, "Maikke" (Emma Schoeters), André (Cauwenberghs).  Het appartementsgebouw "Duinpark" op de achtergrond, toen nog met vrolijke kleuren.  Ik stond met mijn rug naar strand en zee.  Typische amateur-foto's-fouten : te veel lucht, voeten afgesneden !
(1) Internet (www), trefwoord "Oostduinkerke" in internet-encyclopedie Wikipedia, http://nl.wikipedia.org/wiki/Oostduinkerke, geraadpleegd juli 2011 ; internet (www), website Felix Timmermans, http://blog.seniorennet.be/timmermans_fan/archief.php?ID=120, geraadpleegd juli 2011.  Op laatstgenoemd blog : interessante informatie over de aanwezigheid van Felix Timmermans en andere Vlaamse intellectuelen in het Oostduinkerke van de jaren dertig !  De Wikipedia omschrijft het huidige Duinpark als : "Exclusieve wijk grenzend aan het natuurgebied Zeebermduinen. Bestaande uit kleine straatjes en pleintjes, waaronder het Rodenbachplein. Wordt ook wel eens 'Klein Knokke' of de 'miljonairswijk' genoemd, verwijzend naar de mix van charmante villa's en de peperdure villa-appartementen vlakbij het strand, waar tal van West-Vlaamse ondernemers en vrije beroepers uit vooral de streek rond Kortrijk en Roeselare hun vakantieresidentie hebben". 
(2) Internet (www), website Roy's Oostends Fotoblog, http://roys-fotoblog.skynetblogs.be/archive/2007/12/30/2-oud-naar-nieuw-in-oostendse-foto-s.html, geraadpleegd juli 2011.

vrijdag 15 juli 2011

De tweede dag


Kennelijk is het een oude gewoonte om grote feestdagen de daaropvolgende dag nog een beetje voort te zetten : dat is bijvoorbeeld jaarlijks het geval met Kerstmis ("tweede kerstdag") en Pasen ("tweede Paasdag"). De voornaamste kermissen namen destijds zelfs drie dagen (van zondag tot dinsdag) in beslag. Zulke vervolgdagen lieten toe wat uit te blazen van het feestvertier, één en ander op te ruimen, restanten van de feestmaaltijd op te dienen… 
Ook het huwelijksjubileum dat mijn overgrootouders Pieter Aloïs Wollebrants en Rosalia Huybrechts op zaterdag 4 juli 1931 in Boortmeerbeek vierden (zie mijn blogbericht "Jubileum" van 1 juli jl.) werd gevolgd door zo'n "tweede dag" (uiteraard was dat dan zondag 5 juli 1931). De familieleden uit Mechelen (zoon Emiel en zijn gezin), uit Rijmenam (de oudste zoon Jozef met vrouw en kinderen) en uit Tildonk (de jongste zoon Alfons met zijn gezin) waren naar hun respectieve "haardsteden" teruggekeerd. De oudste dochter, Marie (Maria Rosalia) Wollebrants en haar echtgenoot Alfons Louwaege, -die toen op een appartement in Schaarbeek woonden-, waren echter in Boortmeerbeek blijven logeren. Ook mijn grootouders Frans Constant Wollebrants en Maria Ceuleers en hun zoontje (mijn vader) Oscar waren nog van de partij, en natuurlijk ook het gezin van Juul en Ida Mommens-Wollebrants, want zijn huis vormde immers het centrum van de feestelijkheden.
Met zoon Emiel, zijn vrouw Louisa en hun dochter Germaine was natuurlijk ook het Zeiss Ikon-fototoestel, waarmee 's zaterdags zulke interessante groepsfoto's waren gemaakt, naar Mechelen "teruggekeerd" - maar geen nood : er was "vervanging"! Een zekere “madame Philippine”, een goede vriendin van Marie Wollebrants (ze moet ook min of meer van dezelfde leeftijd zijn geweest) was die zondag uit het Brusselse naar Boortmeerbeek gekomen. Zij was weduwe : haar echtgenoot was in de “grote oorlog” (1914-1918) gesneuveld. En… “madame Philippine” bezat een fototoestel! Zo zijn er ook op die “tweede dag” een hele reeks foto’s gemaakt…  werden (onder andere) het gezin van Frans Constant Wollebrants en dat van Ida Wollebrants "op de gevoelige plaat vastgelegd"… poseerde de tienjarige Oscar Wollebrants hand in hand met zijn nichtje Agnes Mommens - beiden met zonnehoed. Op verschillende opnamen ziet men op de achtergrond een deel van de hoge bakstenen muur die de tuin van de toenmalige pastorij omheinde.
Op die “tweede dag” moest er ook wat opgeruimd worden. Zo had men voor de feestmaaltijd van de vorige dag één en ander geleend bij “peet Stien”, de moeder van Juul Mommens : bestek met name, en vooral ook een grote “kasrol” (kasserol, kookpot). “Peet Stien” bezat veel keuken- en eetgerei : samen met haar echtgenoot “Pinneke” Mommens baatte ze immers, naast een herberg, ook een feest- en balzaal uit, waar onder andere de teerfeesten van de fanfare "De Moedige Vrienden" en van de plaatselijke oudstrijdersvereniging werden gehouden (en waar men trouwens ook voor privé-feesten terecht kon, waarbij “peet Stien” en haar dochters dan kookten). Op een bepaald ogenblik kreeg de tienjarige Agnes Mommens van haar moeder de opdracht om, samen met neefje Oscar, de grote “kasrol” terug te brengen naar “peet Stien”, die in de onmiddellijke omgeving woonde.  
Agnes droeg een “marinekostummeke” : “zo’n lange witte bloes op een donkerblauw rokske”. IJverig en plichtsbewust zoals kinderen op jonge leeftijd zijn,  drukte zij de “kasrol” stevig tegen zich aan, om ze zeker niet te laten vallen. De grote pot was natuurlijk grondig schoongemaakt. Aan de binnenzijde alleszins. Aan de buitenzijde echter iets minder… Het effect op de hagelwitte kleding laat zich raden... Op de foto waar Agnes en haar neefje Oscar hand in hand op voorkomen, doet zij een vertwijfelde poging om de vlek met haar hand te bedekken.  
Ook Yvonne, het zesjarige zusje van Agnes, had zo haar problemen : net als haar oudere zus had ze voor het feest van haar grootouders nieuwe schoenen gekregen, en die bezorgden haar “zeer voeten” (pijnlijke voeten)... “En ik had daar al misschien wat over geklaagd... maar ja, alleman had zijn handen vol en die dachten laat die jong maar zagen en doen natuurlijk eh", aldus Yvonne (vele jaren later). "Dan hadde kik al gauw stillekes bij ons achter naar ‘t kot getrokken en hadde kik daar een paar heel ouw’ schoenen die gereed waren voor weg te smijten uit ‘t schap ieverans gaan halen... waar dat mijn tenen bijkan doorstaken... en als dan de goeie foto genomen werd... later zagen ze dan... stond ik met die kapotte schoenen op die foto!”.
Het moet die zondag 5 juli 1931 een zomerse dag zijn geweest, want een deel van de familie trok de natuur in... Men maakte een (lange) wandeling : over de spoorlijn Mechelen-Leuven, door het bos “het Broek”, tot aan "den Hooiberg". "Den Hooiberg" lag op het Haachtse gehucht Sint-Adriaan, en was destijds een geliefkoosd doel voor uitstapjes van de Boortmeerbekenaren : ook in mijn eigen kinderjaren lag daar nog, midden in het bos, een hoge heuvel van zand, waarin de kinderen heerlijk konden stoeien. Dit kleine vakantieparadijs vlakbij huis is inmiddels verdwenen - net als de zandheuvels, de dennenbossen, het heidelandschap in de nabijgelegen plaatsen Rijmenam en Keerbergen. Ja, er is nog een beetje natuur in "het Broek" en aan "den Hooiberg" de dag van vandaag, er loopt daar zelfs een officieel wandelpad,  maar veel stelt het, vergeleken met vroeger, allemaal niet meer voor : overal waar nog wat groen is deinen bewoning en bestrating steeds verder uit… palmen allerhande economische activiteiten (tot het "trainen" van renpaarden toe) stukje bij beetje het natuurlijke landschap ongenadig in…  Welke duivelse krachten zijn het toch die maken dat de natuur, de groene ruimte, steeds verder vernield wordt? Overbevolking, inpalmingsdrift, geldzucht, domheid? Een combinatie van dat alles? In elk geval zijn het krachten waar geen bos of zandheuvel tegen bestand is.
Terug naar onze "tweede dag"! Ook tijdens de wandeling werden enkele foto's gemaakt - ongetwijfeld met het toestel van "madame Philippine" (op twee opnamen komt ze zelf voor, bij de andere zal zij de fotografe zijn geweest). En zo kan ik boven deze tekst dus een mooie foto plaatsen van "Wollebrantsen in de natuur" anno 1931 - een beeld van "een zomer van weleer"!
De foto’s leren ons wie de wandelaars precies waren. Als volwassenen waren er : (mijn overgrootmoeder) Rosalia Huybrechts, (mijn grootouders) Frans Constant Wollebrants en Maria Ceuleers, Marie Wollebrants met haar echtgenoot Alfons Louwaege, Marie's vriendin “madame Philippine”, en Ida Wollebrants. Als kinderen : (mijn vader) Oscar Wollebrants en (zijn nichtjes) de zusjes Agnes en Yvonne Mommens. Dat de 73-jarige Rosalia Huybrechts van de partij was, is wel verbazingwekkend én bewonderenswaardig! Onze wandelaars legden immers een bijzonder stevige afstand af! Vanuit Sint-Adriaan keerden ze terug via de weg van Haacht naar Rijmenam (toen nog een bescheiden "kasseiwegske") en via de Rijmenamsebaan (de weg van Rijmenam naar Boortmeerbeek).  


Alle in dit artikel verwerkte informatie komt uit de door mij geschreven familiekroniek.
Foto : "Wollebrantsen in de natuur", Boortmeerbeek, 5 juli 1931.  
De volwassenen zijn (van links naar rechts) : Maria Ceuleers (°1888), Frans Constant Wollebrants (°1889), Rosalia Huybrechts (°1858), Alfons Louwaege (°1882), Maria Rosalia Wollebrants (°1881), Ida Wollebrants (°1892).
De kinderen zijn (van links naar rechts) : Agnes Mommens (°1920), Yvonne Mommens (°1925), Oscar Wollebrants (°1921).

vrijdag 8 juli 2011

Ronde van Frankrijk


Olympische Spelen, wereldbekers voetbal, Wimbledon-tornooien en alle mogelijke andere sportmanifestaties... ze zijn zonder veel indruk te maken aan mij voorbijgegaan. Maar de Tour de France... dat kleurrijke peleton dat zich door de woeste landschappen van de Alpen en de Pyreneeën slingert... dat heeft al heel vroeg tot mijn verbeelding gesproken. Ik heb de strijd tussen Poulidor en Anquetil, "meegemaakt", de overwinningen van Merckx en Van Impe, het secondenduel tussen Lemond en Fignon, de wanhopige pogingen van Ulrich om de superieure Armstrong te verslaan...  
Vandaag echter wil ik schrijven over de "duistere" rondes uit mijn zeer vroege kinderjaren - de jaren vijftig. Teruggaan naar de verste uithoeken, naar de schemerzone van mijn geheugen, naar het vage grensgebied tussen de herinnering en het vergeten-zijn.  In die mistige zone valt veel op te rakelen, te ontsluieren, te (her)ontdekken - daarin rondwaren vind ik in de regel spannender dan te verblijven in de heldere zones van de voorhanden zijnde kennis. 
Er was nog geen televisie, ik luisterde nog niet naar de radio(reportages), las nog geen krant (hoewel we die wel in huis hadden). Mijn oudste Tour-herinneringen zijn een soort mythologische verhalen, die tot mij kwamen door mondelinge overlevering : ik hoorde ze van mijn ouders. Ze werden meer terloops, nagenoeg achteloos, aangehaald, dan dat ze bewust en in geuren en kleuren werden verteld, maar ze zetten zich vast in mijn jonge hersenen.
Mythes zijn verhalen over goden. Hun namen waren in dit geval : Abdel-Kader Zaaf, Wim Van Est, Roger Hassenforder en André Darrigade. Het waren "coureurs" in de Ronde van Frankrijk. Door enige research heb ik, voor het schrijven van dit artikel, de wazige contouren van weleer omgezet in concrete informatie. Ik heb licht laten schijnen in het duistere verleden. De verhalen zijn langer geworden, hebben gewonnen aan inhoud, aan precisie en detail - maar verliezen daarbij, zo stel ik vast, wel iets van hun magische geheimzinnigheid en aantrekkingskracht : zo gaat het nu eenmaal altijd als men van mythologie overstapt op geschiedschrijving, en ook wel als men van het gesproken en beluisterde woord overstapt op het schrijven en lezen.
Het verhaal van Abdel-Kader Zaaf speelde zich af in de ronde van 1950 - ik was toen nog een baby : het kan dus niet anders dan dat ik het pas jaren later heb gehoord. Het was op de dertiende (!) dag van de Tour, 28 juli 1950, en het was 35 graden heet. De Algerijnse renner Abdel-Kader Zaaf (1916-1986) ging in de aanval, samen met een ploegmaat. Met nog ruim tweehonderd kilometer voor de boeg, geloofde niemand in de goede afloop van de vlucht. De andere renners waren er slechts op uit om in de verzengende hitte aan de nodige drank te geraken.  
Zaaf en zijn compagnon bouwden een ruime voorsprong uit. Ze zijn op zo’n twintig kilometer van de aankomst... plots begint Zaaf zigzaggend over de weg te rijden... hij valt van zijn fiets ! Barmhartige toeschouwers leggen hem in de schaduw van een boom. Na enkele minuten komt hij weer op zijn positieven... klimt op zijn fiets, en rijdt... in de verkeerde richting, het achtervolgende peleton tegemoet! Zaafs maat uit de Frans-Noord-Afrikaanse ploeg, -Frankrijk bezat toen nog een groot koloniaal gebied in Noord-Afrika-, won de rit. Een formidabele prestatie - maar zijn naam heb ik nooit gehoord. Zaaf zelf bereikte de aankomstplaats in een ambulance : hij werd een legendarisch figuur.
Een ander Tour-de-France-verhaal dat ik van mijn vader en moeder hoorde, was dat van de val van Wim Van Est, en met name van de geniale publicitaire benutting daarvan. De valpartij deed zich voor in de ronde van 1951, op de 17de juli : toevallig ook de dag waarop in België de "koninklijke prins" Boudewijn, die de in opspraak gekomen koning Leopold III een jaar eerder was opgevolgd, de eed aflegde als "koning der Belgen" (maar dat samenvallen heb ik pas bij mijn research vernomen). In de Tour werd de dertiende (!) etappe gereden. De Nederlander Wim Van Est (1923-2003) had daags tevoren de rit gewonnen en tevens, als eerste Nederlander ooit, de gele trui veroverd. Bij de afdaling van de Aubisque raakte hij van de weg en viel zo'n zeventig à tachtig meter diep in een ravijn!  
Met behulp van aaneengeknoopte fietsbanden werd de onfortuinlijke renner naar boven gehaald. Wonder boven wonder kwam hij er met een paar schrammen van af! De uurwerkenfabriek Pontiac, -die de hele Nederlandse ploeg eerder een horloge cadeau had gedaan-, pakte achteraf uit met de publicitaire slogan : "Zeventig meter viel ik diep, m'n hart stond stil, maar m'n Pontiac liep" (zie foto boven dit artikel) ! Die rijmelarij dreef de val van Wim Van Est het collectieve geheugen in.
De firma "Pontiac" zou overigens nog meer reclame via het wielrennen maken : ik herinner me dat ze in wedstrijden (zoals het jaarlijkse criterium in mijn dorp) een auto liet meerijden met een luidspreker waaruit in een eindeloze herhaling de woorden "Pontiac tic-tac" galmden. Later werd die rol overgenomen door de uurwerkenfabrikant Rodania ("Ro-da-niaaa").
Een derde figuur over wie ik mijn ouders hoorde vertellen was de Franse renner Roger Hassenforder. Toen die op een bepaald moment in de algemene rangschikking van de Tour op de laatste plaats prijkte hing hij een rode lantaarn aan zijn fiets. Daarmee verwees hij naar een vorm van beeldspraak die al vele jaren bestond, en waarbij de renner die aan de staart van het klassement voor de gele trui bengelde als "de rode lantaarn" werd bestempeld (een symbool ontleend aan de rode lamp achter op de treinen).
Roger Hassenforder (°1930) stond in zijn tijd, -hij was profwielrenner van 1952 tot 1965-, bekend als de grapjas van het peleton.  Van de zes rondes waar hij van 1953 tot 1959 aan deelnam, heeft hij er slechts één uitgereden (die van 1956 : hij eindigde toen, neen, niet op de laatste, maar op de vijftigste plaats). Toch was deze "plezante" Elzasser geen sukkelaar want hij won in totaal acht ritten en reed in 1953 vier dagen in de gele trui. Na zijn wielercarrière opende hij een succesvol restaurant.
In 1958 kreeg ik de Tour zowaar live te zien! Ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in Brussel ("expo '58") vertrok de Ronde van Frankrijk dat jaar vanuit de Belgische hoofdstad.  Het parcours van de eerste rit, -gereden op donderdag 26 juni-, liep van Brussel naar Gent, via (onder andere) Mechelen… en mijn woonplaats Boortmeerbeek! De Tour kwam op de Leuvensesteenweg voorbij en ik ging er met mijn vader naar kijken. Ik was negen jaar. We stonden langs de kant van "de vaart" (het kanaal Leuven-Dijle), op de plaats waar de Kallebeekstraat de Leuvensesteenweg kruist. De renners kwamen (zo vermoed ik tenminste) van Leuven en reden in de richting van Mechelen. De hele groep was samen : één groot peleton, dat in een oogwenk voorbij raasde!
Toevallig kregen we in die dagen op school (ik zat in het derde leerjaar, bij meester Verhoeven) de opdracht als "huiswerk" een brief te schrijven aan een klasgenoot, “Polleke” Horckmans, die wegens gezondheidsproblemen tijdelijk in een hersteloord verbleef. In mijn “opstel” was een echo van de Tour-doortocht terug te vinden...  “Beste Pol,  /  Met veel plezier schrijf ik U dit briefje om U te vertellen hoe het hier gaat.  /  Ik heb uw schoon kaartje ontvangen.  Hebt gij het mijne ook al gekregen?  /   De prijskampen zijn nu gedaan.  De grote vakantie is in aantocht.  Dat zal plezierig zijn !  /  Vandaag zijn wij naar de ronde van Frankrijk gaan kijken.  Die reden op de steenweg Leuven-Mechelen voorbij.  Enkele van de 120 renners heb ik gekend, namelijk : Brankart, Anquetil, Bobet en Adriaenssens.  Er was ook een grote reklaamstoet bij.  /  Wij moeten nog alle dagen huiswerk en dat is erg vervelend, daarom wou ik dat het al vakantie was.  /  De beste groeten van,  /  Uw vriendje  /  François Wollebrants”. Dat van dat huiswerk (zo dicht tegen de zomervakantie aan) was natuurlijk een flinke steek onder water naar de meester toe!
De rit van Brussel naar Gent, die langs Boortmeerbeek was gekomen, werd gewonnen door de snelle Fransman André Darrigade, vòòr de Belgen Jos Hoevenaars en Jef Planckaert.  André Darrigade (°1929) : de vierde naam op mijn lijstje van renners waar ik hier mijn vroegste Tour-herinneringen aan ophang. Darrigade, zo vernam ik van mijn ouders (ik denk : in dit geval van mijn moeder) was de renner die "altijd de eerste rit won". Inderdaad : in 1956, 1957, 1958, 1959 en 1961 was dit telkens het geval! In totaal won de blonde sprinter uit het Zuid-Franse Dax (die beroepsrenner was van 1951 tot 1966) niet minder dan 22 ritten in de Ronde van Frankrijk. Twee keer (1959, 1961) won hij het puntenklassement en in 1959 werd hij in het Nederlandse Zandvoort wereldkampioen op de weg.
Die Tour van 1958, die in Boortmeerbeek voorbijkwam, werd tenslotte gewonnen door de Luxemburger Charly Gaul. Wat me altijd is bijgebleven, is dat mijn buurjongen François Bordo (1944-1984), die enkele jaren ouder was dan ik, naar een rechtstreekse televisiereportage over de aankomst van de laatste rit van die ronde op de wielerbaan van het Prinsenpark in Parijs ging kijken in de herberg van Achiel Schellens, in de Pastorijstraat. Dat was op zaterdag 19 juli 1958.  


Foto boven dit artikel : met toestemming overgenomen van de website van Marcel Beerthuizen (http://www.marcelbeerthuizen.com/).  Reclame-deskundige Beerthuizen geeft de Pontiac-reclame die inspeelde op de val van Wim Van Est een "buitengewone vermelding" in zijn lijstje van "gouden inhaakcampagnes". 
Op het internet is een verbazend omvangrijke en gedetailleerde schat over de geschiedenis van het wielrennen te vinden, met name op de websites De Wielersite (http://www.dewielersite.net/db2/wielersite/index.php) en Mémoire du Cyclisme (http://www.memoire-du-cyclisme.net/).