vrijdag 28 oktober 2011

Rip Van Winkle


Ik zat in het middelbaar onderwijs in Keerbergen, en het was in ons leerboek van Engels dat het - in een bewerkte en sterk ingekorte versie - voorkwam : het verhaal van Rip Van Winkle, van de Amerikaanse, vroeg-negentiende-eeuwse auteur Washington Irving (1783-1859), voor het eerst verschenen in 1819.
Rip van Winkle leefde in een dorpje aan de voet van de Catskill Mountains, in de staat New York, in de late achttiende eeuw - ten tijde van de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783). Zoals zijn naam al laat vermoeden was Rip een settler - een kolonist - van Nederlandse afkomst.
Op een dag trekt Rip de heuvels in. Hij ontmoet er een stel ouderwets geklede mannen : de groep doet Rip denken aan "an old Flemish painting", een schilderij dat hij gezien heeft bij dominee Van Shaick, en dat uit Holland was meegebracht "at the time of the settlement". Eigenlijk - maar dat weet Rip niet - gaat het om de geesten van de ontdekkingsreiziger Hendrick Hudson en zijn bemanning, die vele jaren eerder voor het eerst in dit gebied doorgedrongen waren en later spoorloos verdwenen. Rip gaat met de mannen aan de drank. Uiteindelijk valt hij onder een boom in slaap. Hij ontwaakt… "He rubbed his eyes - it was a bright sunny morning. The birds were hopping and twittering among the bushes, and the eagle was wheeling aloft, and breasting the pure mountain breeze…".
Maar in dit ochtendzonnetje doet Rip enkele vreemde vaststellingen. Zijn hond blijkt verdwenen. Zijn baard is lang en grijs geworden. Zijn geweer is verroest… 
Rip keert terug naar zijn dorp. Daar blijkt alles veranderd. Zijn vrouw, zijn familie en vrienden zijn verdwenen, niemand kent hem nog… "The very village was altered; it was larger and more populous. There were rows of houses which he had never seen before, and those which had been his familiar haunts had disappeared. Strange names were over the doors - strange faces at the windows - every thing was strange. His mind now misgave him; he began to doubt whether both he and the world around him were not bewitched…".  
Op het uithangbord van de dorpsherberg blijkt de beeltenis van (de Britse) koning George III aangepast : ze moet nu generaal Washington voorstellen - de held van de Amerikaanse Revolutie. Voor alle zekerheid heeft men het er in grote letters onder geschilderd.
Rip ontmoet zijn dochter, ze herkent haar vader niet, maar ze heeft een kind op de arm, een jongetje, dat ook Rip heet. Haar vader? "Rip Van Winkle was his name, but it’s twenty years since he went away from home with his gun, and never has been heard of since - his dog came home without him".
Nu begint het Rip te dagen… "Ik ben je vader" roept hij uit. "Young Rip van Winkle once - old Rip Van Winkle now!".    
Ik voel mij soms zo'n Rip Van Winkle : in slaap gevallen als zorgeloos kind in de jaren vijftig, of als stormachtige jongeman in de jaren zestig-zeventig, of als vader van een jong gezin in de jaren tachtig-negentig… en nu, plots weer ontwaakt… vijftig, veertig, dertig, twintig jaar later… wakker geschoten… verrast… onthutst constaterend dat ik oud, grijzend en kalend ben geworden… Hogelijk verbaasd over wat de tijd met mij heeft gedaan. Me afvragend wat er in 's hemelsnaam gebeurd is, waar de huizen, de interieurs, de tuinen, de mensen van weleer… gebleven zijn.
De veilige, vriendelijke en zorgeloze wereld van mijn ouderlijk huis, ons tuintje met zijn struiken en bloemen, met het tuinpad, met het grasveldje en de door mijn vader aangelegde groentenbedjes, het statige huis van mijn grootmoeder met de oude familiefoto's aan de wand… onherkenbaar veranderd. De vrienden en vriendinnen van vroeger : oude lieden geworden, andere wegen gegaan, uit het oog verloren. Mijn kinderen volwassenen geworden - als kinderen zijn ze er niet meer - voorlezen uit De Boeren van Olen hoeft niet meer, die tijd is voorgoed voorbij.
Het hele gezelschap van mensen dat destijds mijn familiaal universum vormde is er niet meer : mijn ouders, mijn grootmoeder en meter, mijn grootouders-langs-moederskant, de tantes en nichten van mijn moeder (en hun echtgenoten), haar zus… Betrouwbare, behulpzame, onbaatzuchtige mensen die me zekerheid en geborgenheid boden…. Allemaal weg, verdwenen, ingehaald door de tijd, weggehaald door de dood. Ik zal ze nooit meer zien. Slechts in mijn herinneringen, in mijn geest, in mijn verhalen, in mijn geschriften, leiden ze nog een zeker bestaan - een wat schimmige aanwezigheid, waar ze zich zelf niet van bewust zijn, en die ze delen met de voorvaderen (en -moeders) die ik niet persoonlijk heb gekend, maar die mij, door de rijke of schaarse informatie die ik bij het schrijven van de familiegeschiedenis over hen wist te vergaren, toch vertrouwd zijn geworden. "Ik heb mijn doden om me heen genomen / tot mantel / ze staan daar - dag en nacht", schreef de Domburgse dichter J. C. Van Schagen. Zo'n mantel draag ik ook.  
Wie een zekere leeftijd heeft zal mij begrijpen (en de anderen zullen het mettertijd ervaren) : je doet (bij wijze van spreken) even een dutje… en oeps… je moet vaststellen : Young Rip Van Winkle once - old Rip Van Winkle now… en (nog eens) oeps… je draagt de mantel uit dat hallucinante gedicht van Van Schagen, de mantel van doden en herinneringen. 

De leuke oude prent die boven dit artikel staat werd vervaardigd door de Amerikaanse kunstenaar Tompkins Harrison Matteson (1813-1884). Ze toont Rip Van Winkle die door een oude vrouw wordt herkend. Naast Rip staat zijn dochter met Rip junior op de arm. De scène speelt zich af vóór de dorpsherberg (met op het uithangbord een portret dat George Washington moet voorstellen). Betrokken via Wikimedia Commons.
Het originele Rip van Winkle-verhaal is bijzonder goed geschreven en het lezen meer dan waard - het is te vinden op : internet (www), website Bartleby.com Great Books Online, http://www.bartleby.com/310/2/1.html, geraadpleegd oktober 2011. 
Washington Irving zou zijn Rip Van Winkle-mosterd gehaald hebben bij het oude Duitse volksverhaal over Peter Klaus, opgeschreven door Johann Karl Christoph Nachtigal (1753-1819).
Het (titelloze) "doden-gedicht" van J. C. Van Schagen is te vinden in het boek : J. C. VAN SCHAGEN, Ik ga maar en blijf, bloemlezing door I. Heytze, uitgeverij G. A. Van Oorschot, Amsterdam, 2008.
Over de dichter J. C. Van Schagen : zie mijn blogbericht van 3 juni 2011.

vrijdag 21 oktober 2011

Ulrike


Dit is ze dan : Ulrike. Nauwkeuriger uitgedrukt : mijn hoogstpersoonlijke fotografische ontmoeting met haar. Nog nauwkeuriger : mijn fotografische ontmoeting met haar portret, zoals het tentoongesteld wordt in het kleine maar leuke museum van het Tsjechische stadje Mariánské Lázne - achter glas, vandaar de weerkaatsing, waardoor het spiegelbeeld van de fotograaf in beeld verschijnt. Mariánské Lázne is buiten Tsjechië beter bekend onder zijn Duitse naam Mariënbad. Ulrike was Goethes laatste liefde - die letzte Liebe des deutschen Dichters. Liefde is overigens niet het juiste woord : verliefdheid, dat was het.
Goethe leerde Ulrike kennen toen hij in juli 1821 in Mariënbad verbleef. Het meisje bracht er samen met haar moeder en haar twee zussen de zomervakantie door. Haar volledige naam : Ulrike von Levetzow. Mariënbad was in die tijd ook al een kuuroord, maar het had op verre na nog niet de allures die het later in de negentiende eeuw zou aannemen.
Ulrike was de oudste dochter van Joachim Otto Ulrich von Levetzow en Amalie von Brösigke. Vader von Levetzow was kamerheer en vervolgens hofmaarschalk in het toenmalige groothertogdom Mecklenburg-Schwerin (in het noord-oosten van Duitsland). Als ik de historische feiten goed achterhaald heb (wat niet zo simpel was) moet het op een bepaald ogenblik tot een scheiding tussen Ulrikes ouders zijn gekomen (toch wel uitzonderlijk in die dagen), waarna haar moeder hertrouwde met de neef van haar vader. Ulrike werd opgevoed in een kostschool in Straatsburg, waar ze mettertijd het gezelschap kreeg van haar jongere zussen Amélie en Bertha (deze laatste voortgesproten uit het tweede huwelijk van haar moeder). 
Na de dood van haar tweede echtgenoot, zal Ulrikes moeder overigens - in 1843 - nog een derde keer trouwen, met de 69-jarige Franz Josef von Klebelsberg-Thumburg, eigenaar van het landgoed Trebivlice (ook bekend als Trieblitz, Trziblitz en Triblitz).
Is Goethe al in 1821 op Ulrike verliefd geworden? Dat is niet duidelijk (en was het misschien ook voor Goethe zelf niet). In de zomers van 1822 en 1823 verbleven zowel Goethe als Ulrike opnieuw in het mooie Mariënbad. Goethe werd vriend des huizes bij Ulrikes moeder en haar dochters. En ten laatste in 1823 was de romance een feit - tenminste van Goethes kant uit. Hij schreef brieven naar, en verzen voor Ulrike. Het hart van weduwnaar Goethe (zijn echtgenote Christiane Vulpius was in 1816 overleden) was ontvlamd…
Als Goethe-bewonderaar moest ik natuurlijk in Mariënbad, alias het Tsjechische Mariánské Lázne, geweest zijn, en dus reisden mijn vrouw (die Praag wou zien) en ik dit jaar (in de tweede helft van september - het was uitzonderlijk mooi weer) naar Tsjechië, meer bepaald naar het westelijk deel ervan, Bohemen. Met de auto - want ik vlieg niet graag.
De naam Mariënbad hoorde ik voor het eerst tijdens mijn studentenjaren aan de theater-, film- en televisieschool RITCS (1967-1971), waar we (door de toenmalige televisieberoemdheid Jo Röpcke, die er filmgeschiedenis doceerde) de Franse film L'année dernière à Mariënbad van Alain Resnais (uit 1961) voorgeschoteld kregen. De prent ging door voor een meesterwerk van de nouvelle vague-cinema - wij studenten vonden ze verschrikkelijk traag, vervelend en pseudo-diepzinnig. De film heeft overigens niks met het echte Mariënbad te maken, werd er ook niet gedraaid. "De titel van de film werd gekozen vanwege de 'literaire klank' en de aantrekkingskracht van Mariënbad" lees ik in de Trotter-reisgids.
In Mariënbad namen we onze intrek in het hotel St. Moritz, gelegen aan de rand van de stad (want trouwe lezers weten al dat ik niet met koffers wil zeulen en dus altijd uitkijk naar een hotel-met-parkeerplaats). Nu, dat bleek een schot in de roos, want niet enkel was het een opvallend smaakvol ingericht (kuur)hotel, en niet enkel sprak het-meisje-aan-de-balie prima Engels (terwijl, zoals we later zouden ervaren, vreemde talenkennis in Tsjechië nog niet vanzelfsprekend is, zelfs niet bij jonge mensen) - maar vooral : aan de overkant van de straat lagen het bos en het park waar… Goethe en Ulrike zo menig uur met elkaar hadden gewandeld, gepraat… en geminnekoosd, denkt u nu, maar ik moet u teleurstellen : Ulrike werd bij haar excursies, zoals in die dagen gebruikelijk, steevast gechaperonneerd door haar moeder en/of zussen - tenminste voor zover ik weet. 
Via dat wandelbos was het hooguit een kwartiertje stappen - langs een hoogstromantisch riviertje dan nog - tot in het stadscentrum.  En tussen al het groen prijkte ook nog eens een meer-dan-levensgroot beeld van Goethe "en zijn muze", van de hand van de Duitse beeldhouwer Heinrich Drake (1903-1994). Het werd in 1975 door het communistische Oost-Duitsland (de D.D.R.) aan Mariënbad geschonken. De officiële uitleg luidt dat het meisje dat naast Goethe staat niet Ulrike is, maar een symbool van de dichterlijke inspiratie - maar natuurlijk ziet iedereen er toch Ulrike in - waarom ook niet.
Ik heb het over het algemeen niet zo voor steden, maar het dient gezegd : het is aangenaam toeven in Mariënbad. Het is een stadje met veel open ruimte, weinig autoverkeer, en niet te druk (toch niet in het seizoen dat wij er waren). En met indrukwekkende - zij het pompeuze - negentiende en vroeg-twintigste-eeuwse gebouwen, met rijk versierde gevels. In het stadscentrum werden de meeste ervan sinds de grote Wende van 1989 (het verdwijnen van de communistische regimes in Midden- en Oost-Europa) mooi gerestaureerd, maar in de zijstraten en in de heuvels rond de stad staat veel vergane glorie te verkommeren.
Zoals gezegd stond Mariënbad in de tijd van Goethe als kuuroord nog in de kinderschoenen. Pas enkele jaren vóór de grote schrijver er in 1820 voor het eerst verpozing kwam zoeken had het nabijgelegen klooster van Teplá een paar badhuizen laten bouwen bij enkele van de (tientallen) geneeskrachtige bronnen die Mariënbad en zijn omgeving rijk zijn. Ongetwijfeld werd de toenmalige abt, Karl Kaspar Reitenberger (zijn standbeeld staat in het centrum van Mariënbad), daarbij geïnspireerd door de oudere Boheemse kuuroorden Karlovy Vary (Karlsbad) en Frantiskovy Làzné (Franzensbad).
Zijn legendarische kuuroord-dagen zou Mariënbad beleven nà Goethes tijd - in de late negentiende en de vroege twintigste eeuw, toen het uitgroeide tot één van de meest gereputeerde, chique en mondaine pleisterplaatsen van de Europese high society, waar niet alleen royals als de Britse kroonprins en latere koning Edward VII, de Oostenrijkse keizer Frans Jozef I en de Russische tsaar Nicolaas II gezondheid en vertier zochten, maar ook een indrukwekkende rij culturele iconen : Richard Wagner, Frédéric Chopin, Gustav Mahler, Hendrik Ibsen, Maxim Gorki, Franz Kafka, Sigmund Freud, Friedrich Nietzsche… De Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende communistische dictatuur maakten aan de grote dagen van Mariënbad een einde. Om iets van de (deels herstelde) grandeur van vroeger te beleven, en omdat het in dit decor meer dan gepast leek, maakten mijn vrouw en ik een rijtoer door de stad, in een statige koets, getrokken door twee paarden…
In het  stedelijk museum van Mariënbad heeft men - op één van de muren - een inventaris geschilderd van de in totaal vijftien uitstappen die Goethe van 1785 tot en met 1823 in Bohemen ondernam, en waarbij hij naast Mariënbad onder andere (en herhaaldelijk) ook Cheb, Karlovy Vary, As, Frantiskovy Làzné, Teplice en Hartenberg aandeed. De idylle met Ulrike speelde zich trouwens ook niet uitsluitend in Mariënbad af, want op 28 augustus 1823 vierde Goethe zijn verjaardag in de herberg Het Witte Paard in het wat verderop gelegen stadje Loket (Duits : Elbogen) - in aanwezigheid van Ulrike.
Korte tijd na dat feestje ging Goethe tot de actie over. Nu ja, hij liet zijn hoogedelgeboren vriend, groothertog Karl August van Saksen-Weimar de kastanjes uit het vuur halen. Die richtte zich tot Ulrikes moeder met een huwelijksaanzoek - in naam van Goethe. Als Ulrike Goethes bruid zou worden mocht ze rekenen op een jaargeld van tienduizend taler - voor haar mama werd een riante woning voorzien. Een genereus voorstel. 
Er was echter een klein probleem : Ulrike was op dat moment 19 jaar jong - Goethe 74 jaar oud.  "Das Fräulein hat noch gar keine Lust zu heiraten" was het droge antwoord van Ulrikes mama op het aanzoek. De grote Goethe liep een blauwtje. Hij was diep teleurgesteld. Spoorslags verliet hij Mariënbad. In de koets die hem naar zijn thuisstad Weimar terugvoerde, schreef hij liefde en smart van zich af in het treurdicht Marienbader Elegie. Goethe is nooit meer naar Mariënbad weergekeerd.
In haar latere leven heeft Ulrike von Levetzow zich steevast geërgerd als haar een liefdesaffaire met Goethe werd toegeschreven, en duidelijk gemaakt dat er van haar kant "keine Liebschaft" in het spel was. Ze heeft Goethe beschreven als een vriendelijke en beminnelijke heer, waar een jong wicht het wel mee kon vinden, omdat hij op een levendige en aangename manier over bloemen, stenen, sterren en literatuur wist te vertellen. Maar zin om met hem te trouwen? Daar was geen sprake van geweest. Van het bestaan van de Marienbader Elegie is ze pas na Goethes dood op de hoogte geraakt.
Ja, wat moet een mens daar nu van zeggen? Natuurlijk ben ik twee keer bevooroordeeld : als al wat oudere heer, en als Goethe-fan. Wat het grote leeftijdsverschil betreft ben ik geneigd te zeggen : et alors? Ware hartstocht overwint alle obstakels, leeftijdsverschillen en chaperonnerende moeders inbegrepen. Maar dat was het nu juist wat bij Ulrike ontbrak : ware hartstocht. Ze zag (de toch altijd zeer verzorgde) Goethe als een prettig gestoorde grootvader en niet als lover. Tussen ons gezegd en gezwegen : ik denk dat het eigenlijk nogal een ijsprinses was, die Ulrike - niet echt het romantische, fantasierijke, passionele type. Ze is uiteindelijk nooit getrouwd en overleed in 1899 op de gezegende leeftijd van 95 jaar op het landgoed Trebivlice (Trieblitz) dat ze had geërfd van haar tweede stiefvader (de derde echtgenoot van haar moeder - weet u nog). En als ik dat portret nog eens goed bekijk… omzeggens elk meisje van 19 heeft haar charmes natuurlijk, maar buitengewoon knap of verlokkelijk expressief kan ik die Ulrike toch niet noemen… Het ziet er een beetje een betweterige zuurpruim uit. Maar zoals gezegd : ik ben in deze aangelegenheid geen neutrale waarnemer. Want ik had mijn vriend Goethe de vervulling van seine letzte Liebe graag gegund.

Voornaamste geraadpleegde bronnen :
Tsjechië en Slowakije, in de reeks Trotter-reisgidsen, uitgeverij Lannoo, Tielt-Arnhem, 2010.
M. PERNAL e.a., Tsjechië en Slowakije, in de reeks Capitool-reisgidsen, uitgeverij Van Reemst, Houten, 2010.
M. MANDOS en R. VAN MAARLE, Tsjechië, in de reeks ANWB-reisgidsen, uitgeverij ANWB, Den Haag, 2005.
Internet (www), trefwoorden Ulrike von Levetzow, Mariánské Lázne, Loket e.a. in internet-encyclopedie Wikipedia (Duitstalige versie), de.wikipedia.org/, geraadpleegd oktober 2011.
Internet (www), website G. D'HAESE, J. W. von Goethe en de liefde,
users.telenet.be/gaston.d.haese/goethe_en_de_liefde/, geraadpleegd oktober 2011.
Artikel P. KRUG, Goethe en de Marienbader Elegie, in : Ahoj, maandblad van de Vereniging Vrienden Nederland-Tsjechië en Slowakije, via : internet (www), website ZBB, www.tsjechisch.nl/portret45.htm, geraadpleegd oktober 2011.

vrijdag 14 oktober 2011

Sint-Gummarus


Mijn grootmoeder-langs-vaderskant Maria Ceuleers was een zeer vrome vrouw. Ze had haar eigen bidstoel in de parochiekerk, op een vaste plaats, ongeveer ter hoogte van de preekstoel (de kansel). Een fraai meubelstuk was het, zwart geschilderd en bekleed met rode fluwelen kussens op de bidplank en de zitting. Toen ze in haar laatste levensjaren ziek te bed lag heeft ze de stoel door haar zoon (mijn vader) uit de kerk naar huis laten halen. Ik heb hem in die dagen in haar slaapkamer weten staan.
Als klein meisje kampte mijn grootmoeder (die geboren was in het jaar 1888) met een probleem aan haar linkerbeen. Ze kon moeilijk stappen, moest zich zelfs met krukken behelpen. Op zoek naar hulp trok haar vader, Jaak Ceuleers, met haar op bedevaart naar Lier, naar Sint-Gummarus - de heilige die geacht werd in zulke gevallen soelaas te brengen. In de Lierse Sint-Gummaruskerk deed mijn grootmoeder de belofte dat ze er, in geval van herstel, elk jaar op bedevaart zou komen.  
En jawel, terug thuisgekomen bleken haar stapproblemen verdwenen (al waren volgens mijn vader haar linkerbeen en -voet altijd een ietsje lichter en kleiner gebleven). Mijn grootmoeder kwam haar belofte na, en trok van dan af elk jaar naar Lier om haar dank te betuigen aan de heilige Gummarus. Eerst deed ze dat samen met haar vader, later samen met haar echtgenoot (mijn grootvader Frans Constant Wollebrants, die zich anno 1931 een motorfiets aanschafte). Na het overlijden van deze laatste (in 1948) bracht haar zoon (mijn vader) haar ieder jaar met de auto naar Lier.
Ik weet niet of die Lierse uitstap op een vast tijdstip in het jaar gebeurde, en dus ook niet of het op of rond de feestdag van de heilige Gummarus (11 oktober) was dat mijn grootmoeder hem ging begroeten. Maar dat ze bij zijn beeld in de Sint-Gummaruskerk gebeden heeft, daar valt niet aan te twijfelen.
Sint-Gummarus is één van die kleurrijke vroeg-middeleeuwse heiligen die ingebed zitten in een krans van verhalen waarbij Dichtung und Wahrheit in een onontwarbaar kluwen vermengd zijn geraakt. Hij zou geleefd hebben op het eilandje Nivesdunc, waarschijnlijk te situeren in het huidige Emblem en alleszins gelegen in het toen zeer waterrijke gebied waar de Grote en de Kleine Nete samenkwamen - en dat in de zevende-achtste eeuw. De mondelinge verhalen over Gummarus hebben hun eerste schriftelijke neerslag echter pas gekregen op het einde van de 10de of in de 11de eeuw. 
Gummarus was de zoon van welgestelde landeigenaars, zou carrière hebben gemaakt aan het Frankische hof, maar gedwongen zijn geweest om te huwen met een zekere Grimmara (of Grimaria). Die Grimmara moet een ware feeks zijn geweest, maar omdat Gummarus haar tirannie met engelengeduld doorstond werd hij mettertijd uitgeroepen tot de patroonheilige van alle mannen die met een onhandelbare vrouw zitten opgescheept. Een eerste - maar nog lang niet zijn laatste "patroonschap"!  
Het beroemdste en meest tot de verbeelding sprekende verhaal over Gummarus is zeker dat "van de boom", waar - zoals dat met zulke middeleeuwse heiligenhistories in de regel het geval is - uiteenlopende versies van in omloop zijn, de ene al verwarder en ongerijmder dan de andere. Om u overbodige hoofdbrekens te besparen, geef ik u meteen mijn hoogstpersoonlijke lezing van de feiten - die ongetwijfeld ook niet de juiste is, maar (in alle bescheidenheid gezegd) tenminste redelijk aannemelijk klinkt.
Gummarus zou besloten hebben een reis naar Rome te ondernemen - zogezegd als bedevaart, maar in werkelijkheid natuurlijk om aan de grillen van de verschrikkelijke Grimmara te ontsnappen : les pèlerinages sont faits pour s'en servir n'est-ce pas (hoeveel vrouwen van de Katholieke Landelijke Gilden zijn in de loop der tijden niet naar Lourdes gereisd gewoon om eens weg te zijn van hun man en hun huishouden?).  Het hotelwezen was in Gummarus' dagen natuurlijk nog niet sterk uitgebouwd (de op doorreis zo handige Ibis-keten stond bijvoorbeeld nog in haar kinderschoenen)… of misschien had Gummarus wel Hollandse vrienden… wat er ook van zij, hij besloot te kamperen en gaf zijn knechten de opdracht een tent te vervaardigen!  Helaas : het ging hier om domme knechten, en die hakten - met het oog op de productie van de tentstokken - de prachtigste boom om die op heel Nivesdunc en in de (wijde) omgeving te vinden was (en kennelijk dan ook nog eigendom van één van Gummarus' buren). Eerst bekeek Gummarus de aanmaak van het kampeergerief nog met welgevallen, tot hij het ecologisch vergrijp in het oog kreeg dat aan de basis lag van de - het dient gezegd - op zich best stevige en weerbestendige tent (die overigens van het bungalow-type was, maar ik geef toe dat dit nu weinig terzake doet). Gummarus ontstak in een Lierse koleire, hervond echter verbazend snel zijn koelbloedigheid (ongetwijfeld mede dankzij de jarenlange omgang met de tegendraadse Grimmara), liet zijn knechten het afgehakte hout weer op de stam zetten, bond, als een ware Natuurpunter-avant-la-lettre, met zijn gordel de stukken zorgvuldig weer aan mekaar… en zie, de boom groeide en bloeide als voorheen!
Nu, de precieze omstandigheden van het boom-exploot zullen we nooit meer kunnen achterhalen, en natuurlijk heb ik er hier, net als de middeleeuwse vertellers, een loopje mee genomen. Maar… de wezenlijke kern van het verhaal, de symbolische zeggingskracht van het gebeuren, vind ik schitterend : Gummarus die de gevolgen van rücksichtslose domheid en achteloze vernielzucht terugdraait. Ja, dat is de daad van een heilige - een heilige daad. Dàt, en natuurlijk ook de band die mijn geliefde grootmoeder al met hem had, maken mij tot Gummarus-fan.
Het wonder met de boom zorgde er voor dat Gummarus de religieuze pechverhelper werd voor gebroken of anderszins slecht functionerende benen. Kennelijk luidde de redenering dat wie kapotte bomen kon helen dat net zo goed bij menselijke botten kon bewerkstelligen. Vreemd genoeg maakte de truc-met-de-boom Gummarus ook tot patroon van de houthakkers - eigenlijk dus van het soort lieden dat nu net zijn toorn had gewekt! Tja, in zaken van patroonschap is de logica soms flink zoek. (Tussen haakjes : een vergelijkbare redeneerfout maakte Hubertus tot patroonheilige van de jagers, terwijl deze heilige man zich eigenlijk - op een teken van God - geheel had afgekeerd van de hatelijke praktijk om onschuldige dieren voor het plezier dood te schieten).
Terug naar Gummarus. Omdat hij toch al bevoegd was voor breuken in bomen en benen, en omdat hij zijn slechte huwelijk met de onuitstaanbare Grimmara zo moedig doorstond, groeide hij ook nog uit tot de steun en toeverlaat van echtparen die ongelukkig getrouwd zijn, op een huwelijksbreuk afstevenen, of die (preventief) hun relatie voor dergelijke onheilen willen behoeden. Maar ook hier moet ik weer een zekere fout tegen de logica signaleren, want volgens de overlevering zou Gummarus zijn vrouw uiteindelijk toch verlaten hebben, om resoluut over te schakelen op het kluizenaarschap. Tja, hoe vaak verstoort de loop der werkelijke feiten niet de vlotte gang van een mooie verhaallijn?
Op de eerste zondag na 10 oktober gaat in Lier de Sint-Gummarusprocessie uit. Na de Tweede Wereldoorlog raakte die beperkt tot een povere rondgang in de kerk, maar sinds de jaren zeventig werd ze (gelukkig maar) in haar vroegere glorie hersteld. Een imposant schrijn met de beenderen van de heilige wordt door de stad gedragen, en allerlei Lierse verenigingen dragen hun steentje bij tot de optocht.
Ter ere van en ter herinnering aan mijn in 1967 overleden grootmoeder (die ook mijn meter was en voor wie ik een bijzondere bewondering en affectie voel) ben ik vorig jaar (2010) met mijn vrouw op de eerste zondag na de 10de oktober (het was de 17de) naar Lier gereisd. We hebben er de plechtige bedevaartmis met heerlijke Gregoriaanse gezangen bijgewoond (zij het in nogal oncomfortabele omstandigheden, want de Sint-Gummaruskerk zat overvol) en hebben er ons vervolgens onderworpen aan het aloude ritueel van de "bandoplegging", waarbij men de gordel van Sint-Gummarus op de schouders gelegd krijgt (ja, die waarmee hij destijds die zo liefdeloos omgehakte boom had hersteld) en aldus voor een geheel jaar behoed wordt voor beenbreuken en echtscheidingen. 
Wat mij opviel : terwijl de mis opgedragen werd door de Antwerpse bisschop Bonny, geassisteerd door een stel priesters, liet de officiële kerk de "bandoplegging" na afloop van de mis, uitvoeren door een oud vrouwtje - geen bisschop of priester viel er op dat moment te bekennen. Minnetjes vond ik dat, want het was een mooi en zinvol stukje magie. En het wérkt, want mijn vrouw en ik zijn het afgelopen jaar van zowel beenbreuken als echtscheiding gespaard gebleven.  
Natuurlijk zijn we na de mis en de "bandoplegging" ook naar de Sint-Gummarusprocessie gaan kijken.  Ik had echt te doen met de dragers van de vele en soms grote vaandels, want er stond die dag een stevige wind, en ze hadden het niet onder de markt om hun wapperende banieren in toom te houden.
Na de dood van mijn grootmoeder, in december 1967, is haar stijlvolle bidstoel helaas uit familiebezit verdwenen, net als de twee prachtige Mechelse kasten (met van die leeuwenkoppen op) die in haar huis stonden. Had ik in één van mijn vorige blokberichten niet beloofd dat ik hier nog bij herhaling zou zeuren over dierbare dingen die ik kwijtgespeeld ben? En is het niet algemeen bekend dat mannen altijd hun woord houden? Minstens toch als het op zeuren aankomt.
Maar zie, niet alles is kommer en kwel. Want uit de nalatenschap van mijn grootmoeder bezit ik nog het aandoenlijke (plaasteren) Sint-Gummarusbeeldje (20,5 centimeter hoog), waar ik de foto van gemaakt heb die boven dit artikel prijkt, en waar ik natuurlijk erg blij mee ben! Zeer waarschijnlijk heeft mijn grootmoeder het in Lier gekocht. Het is wel wat gekneusd (een aantal onvolkomenheden heb ik digitaal weggewerkt) en de stok of staf die de heilige man traditioneel in zijn rechterhand houdt is verdwenen, maar het blijft een pareltje van volkskunst.  
Om de sokkel mooi op de foto te krijgen heb ik het beeldje op een stukje hout geplaatst (een kleine wig uit een boomstam, voortgekomen uit mijn eigen houtvestersactiviteiten) - dat verwijst dan ook nog lekker naar Gummarus' boomwonder. En omdat ik een donkerrode en niet-egale achtergrond wou heb ik er een kussen van mijn grootmoeder dat ik ook nog bezit, achter gezet.

Dit jaar (2011) trekt de Sint-Gummarusprocessie op zondag 16 oktober door Lier.  

vrijdag 7 oktober 2011

Gesneuveld


Op een zonnige augustusdag van het jaar 1993 liep ik op het kerkhof van Willebroek… op zoek naar het graf van iemand met dezelfde naam als ik : Frans Wollebrants. Als memento mori kon dat tellen natuurlijk, op zoek zijn naar een grafsteen met (bij wijze van spreken) je eigen naam op. Gelukkig waren daar de zomerzon en de blauwe hemel om al te zwaarmoedige gedachten op afstand te houden.
De Frans Wollebrants die ik zocht was gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog. Het was niet mijn grootvader, zoals men door de overeenkomst in naam zou kunnen denken, wel een verdere verwant. Na op het ereperk van de gesneuvelde militairen enkele rijtjes te hebben afgelopen vond ik de grafsteen waar ik naar op zoek was, en noteerde ik het opschrift : "Wollebrants, Franciscus, soldaat, 1e Regt Grenadiers, geboren te Haecht, den 13 augustus 1886, stierf voor België, den 6 oktober 1914". Ik maakte enkele dia's. (De foto boven deze tekst dateert echter van 2011).
"Geboren te Haacht"… ja, maar eigenlijk was deze Frans Wollebrants een telg van het Haachtse gehucht Sint-Adriaan - in de volksmond : "Sinterjaan". Nog nader bepaald : hij was van "den Hout" (de Houtheide), de uithoek van Sint-Adriaan die grenst aan de gemeente Boortmeerbeek.
Eigenlijk was die Sinterjaanse Frans Wollebrants een pechvogel. In 1906 werd hij twintig jaar, en, zoals toen gebruikelijk, opgeroepen voor de loting. Hij lootte zich "erin", en moest dus in militaire dienst. Een tegenslag, dat zeker - maar in feite met veel zwaardere gevolgen dan hij en zijn omgeving toen konden vermoeden… 
De Sinterjaanse Frans Wollebrants vervulde zijn verplichte legerdienst bij de grenadiers. Daarna trouwde hij met zijn leeftijdsgenote Louise Imbrechts. De toekomst zag er mooi uit. Op 20 november 1912 kreeg het jonge paar een zoontje, Jan. Het gezin woonde in de Damweg nummer 27. Frans verdiende de kost in "het arsenaal" (de centrale werkplaats van de Belgische spoorwegen) in Mechelen.
Toen in de zomer van 1914 de oorlog dreigde en, eind juli, België zijn leger mobiliseerde, wreekte de slechte loting van 1906 zich een tweede keer - en nu veel erger. Frans werd onder de wapens geroepen. Het waren de vroegere dienstplichtigen die opgevorderd werden (en vervolgens de oorlog zullen worden ingestuurd). Wie er zich destijds "uitgeloot" had, en geen soldaat was geworden, had immers geen militaire opleiding gekregen.
Op zaterdag 1 augustus 1914 vervoegde Frans het eerste regiment grenadiers, dat ingedeeld was bij de 6de divisie (of legerafdeling). Volgens de familiale overlevering zou hij met tegenzin vertrokken zijn - meer dan begrijpelijk uiteraard. Zijn echtgenote Louisa en zijn zoontje Jan zullen tijdens de oorlog een onderkomen vinden bij "Kobe" (Jacobus) Wollebrants en "Ziene" (Regina) De Wolf - de ouders van Frans.
De 6de legerafdeling had haar standplaats in Brussel, het eerste regiment grenadiers in de Prins Albert-kazerne in de Karmelietenstraat, aan de Kleine Zavel. “De grenadiers zagen er mooi uit. Alle soldaten waren opgewekt en enthousiast, de wederopgeroepen reservisten zagen hun vroegere officieren weer in wie ze vertrouwen stelden”, lezen we in het boek van Etienne en De Grox over de geschiedenis van de grenadiersregimenten. Een bewering die we allicht met een korrel zout moeten nemen. Beide auteurs waren zelf als officier verbonden aan respectievelijk het eerste (De Grox) en het tweede (Etienne) regiment grenadiers, en zullen in die functie de oorlog meemaken. In hun werk geven ze een uitgebreid relaas over de acties en het wedervaren van hun eenheden in de Eerste Wereldoorlog. Het is grotendeels dankzij dit (in het Frans geschreven) boek, en met name dankzij de bijdrage van kapitein Charles De Grox, dat ik de oorlogsbelevenissen van Frans Wollebrants en zijn medesoldaten van het eerste regiment grenadiers tot in de details heb kunnen reconstrueren.
In de nacht van 2 op 3 augustus ontving het eerste regiment grenadiers het bevel om tegen zes uur de kazerne te verlaten en plaats te nemen in de colonne van de 6de divisie, op de steenweg van Brussel naar Namen. Om twintig voor zes werd verzameling geblazen op de binnenkoer van de kazerne, die amper groot genoeg was om elk van de 2.300 mannen van het regiment een plaatsje te bieden. “Het was een plechtig moment : elkeen begreep dat ons leger nu in de oorlog trad. De indrukwekkende ceremonie van de groet aan de vlag greep plaats in een aangrijpende stilte : voor de heropgeroepen grenadiers was het de eerste keer dat ze de vlag terugzagen. Toen de plechtigheid ten einde liep, terwijl de tonen van het vaderlands lied weerklonken, zette de korpsoverste  - om zijn troepen aan te vuren en hun vaderlandsliefde te peilen -  zich recht in zijn stijgbeugels en riep, de sabel omhooggeheven : Grenadiers, nous allons combattre pour défendre nos foyers et nos libertés. Vive le roi. Vive la Belgique!  Een geweldig geroep steeg op uit alle borsten, en de kreten ‘vive le roi, vive la Belgique’ bewogen zich voort als onstuimige golven, tot op het moment dat het regimentsvaandel zijn plaats in de rangen hernomen had" - aldus het boek van Etienne en De Grox. Vervolgens verlieten de manschappen hun kazerne : met de muziekkapel voorop marcheerden ze via de Naamsestraat, de Troonstraat en het militaire oefenterrein van Etterbeek naar Oudergem, en zo naar de steenweg Brussel-Namen…  een frische, fröhliche Krieg tegemoet, zo leek het…
Op dezelfde dag, 3 augustus, om 11 uur in de voormiddag, besloot de generale staf hoe het Belgisch veldleger zou worden ontplooid : daarbij kreeg de 6de divisie posities in de omgeving van Waver (in Waals-Brabant) toegewezen. Het regiment van Frans Wollebrants trok dus voort in zuidoostelijke richting. Rond drie uur in de namiddag bereikte het Overijse en sloeg er zijn kamp op. De eerste dagmars zat er op! Het was het begin van een verschrikkelijke odysseia : een wekenlange, uitputtende aaneenschakeling van dag- en soms ook nachtmarsen, met een aantal hallucinante en - nadat de Duitsers op 4 augustus België waren binnengevallen - soms ook levensgevaarlijke momenten… 
Het verloop van die tot de verbeelding sprekende oorlogstocht heb ik elders uitvoerig uiteengezet (en misschien pak ik met dat relaas later ook op dit blog nog wel eens uit).  Nu maken we een sprong in de tijd… Begin oktober 1914 was onze Haachtse Wollebrants in Klein-Brabant beland - de streek van Bornem en Puurs - aan de Schelde.
In de nacht van 4 op 5 oktober besloot de leiding van de 6de legerdivisie dat één bataljon van het eerste regiment grenadiers, gesteund door machinegeweervuur, nog vòòr zonsopgang Duitse soldaten zou aanvallen die zich bevonden in Sint-Amands.  De aanvoerder van het regiment duidde het derde bataljon aan - dat van onze Frans Wollebrants!
Vòòr dag en dauw  - het is 4.25 uur, we zijn maandag 5 oktober -  bereikt het bataljon de "hoeve Kraaihof" (ook de Kraaihoeve genoemd), zo’n twee kilometer ten noordoosten van Mariekerke, waar een vooruitgeschoven Belgische wachtpost gevestigd is. Men rukt verder op : rond 6.30 uur trekt men door Heikant, een gehucht ten noorden van Sint-Amands. Even later openen Duitse infanteristen, opgesteld aan de noordkant van Sint-Amands, het vuur...  Duitse soldaten die zich in het dorp zelf bevinden, doen hetzelfde. Vanaf 8.35 uur bestoken Duitse kanonnen het gehucht Heikant en de boerderijen ten noorden van Sint-Amands. De Belgische aanvallers moeten achteruit...
Rond tien uur rukt het derde bataljon weer op : men probeert nu Sint-Amands te veroveren vanuit het oosten, te beginnen met het spoorwegstation. Om 12.15 uur moet het echter opnieuw wijken… in de richting van de Belgische stelling rond de hoeve Kraaihof. Vanaf 13.20 uur wordt die door de Duitse artillerie heftig onder vuur genomen. In het struikgewas rond de boerderij duiken bovendien Duitse soldaten op.
Het derde bataljon trekt zich verder terug op een landweg zo’n vijfhonderd meter ten noorden van Kraaihof. Belgisch geschut houdt de Duitsers op afstand. Om 17 uur is de strijd gestreden. De aanval op Sint-Amands is mislukt. Er zijn aan Belgische zijde vier gesneuvelden en 38 gewonden gevallen - en : er zijn ook nog 23 vermisten...
Officieel sneuvelde Frans Wollebrants op 6 oktober 1914 te Mariekerke (even ten noorden van Sint-Amands). Op dinsdag 6 oktober is het eerste regiment grenadiers echter bij geen gevechtsoperaties betrokken geweest : zijn rol bij de verdediging van de vesting Antwerpen was toen uitgespeeld.  Ik vermoed dus dat onze Sinterjaanse Wollebrants op maandag 5 oktober één van de slachtoffers van de Belgische operatie tegen Sint-Amands is geweest. Was hij één van de vermisten en werd zijn lichaam de 6de gevonden? Raakte hij bij de gevechten van 5 oktober zwaar gewond en overleed hij ‘s nachts of de volgende dag? Volgens de familie-overlevering stierf hij door een schotwonde in het hoofd.
Voor Frans Wollebrants van het Haachtse gehucht Sint-Adriaan was de oorlog voorbij. Voor hem had die "slechts" twee maanden geduurd. Weg van vrouw en kind, van ouders en familie, van het rustige, hem vertrouwde leven... zullen het, zo mogen we veronderstellen, erg lange maanden hebben geleken. Maanden waarin hij kilometers en kilometers had gemarcheerd, soms van zeer vroeg in de ochtend, soms tot laat in de nacht, soms dagen na elkaar... in alle mogelijke weersomstandigheden. Maanden waarin hij herhaaldelijk in de frontlinie, en zelfs volop in de vuurlijn was terechtgekomen.
Frans Wollebrants van "Sinterjaan" stierf op 28-jarige leeftijd in een oorlog die "de zijne" niet was, als pion op een schaakbord waarvan de stukken werd verschoven door machten hoog boven hem. Zijn zoontje Jan was nog geen twee jaar oud. Wanneer en hoe zijn weduwe Louisa en zijn ouders "Kobe" en "Ziene" het slechte nieuws vernamen weet ik niet...
Enkele jaren na de oorlog ontving Frans’ weduwe het "Oorlogskruis" ("Croix de guerre", "avec palme") dat haar gesneuvelde echtgenoot bij Koninklijk Besluit van 2 september 1922 posthuum was verleend - een schrale troost. Aan de oever van de Schelde in Mariekerke, bij het dorpskerkje, staat een monument ter herinnering aan de soldaten die daar in 1914 sneuvelden. De naam van Frans Wollebrants staat in de sokkel gebeiteld. We vinden zijn naam ook terug op het monument voor de gesneuvelde soldaten aan de Sint-Remigiuskerk in het dorpscentrum van Haacht, en op een gedenkplaat in het spoorwegstation van Mechelen. Zijn zoon Jan is erg oud geworden : hij overleed in juli 2007, op 94-jarige leeftijd.  

Deze tekst is geheel gebaseerd op : artikel F. WOLLEBRANTS, Een stukje familiegeschiedenis… Een kleine Haachtenaar in 'den Grooten Oorlog', in : HOGT (Haachts Oudheid- en Geschiedkundig Tijdschrift), jg. 26 (2011), nr. 2, blz. 145-165.
Foto : het graf van Frans Wollebrants (1886-1914) op het ereperk der gesneuvelde soldaten op het kerkhof van Willebroek - eigen foto, 15 april 2011.

vrijdag 30 september 2011

Cranach


Dromen der mensheid…  Al een hele tijd geleden viel mijn oog (in één of ander boek) op dit aandoenlijke en inhoudelijk zeer boeiende schilderij (zie afbeelding).  Het dateert uit 1546 en is een werk van Lucas Cranach de Oude, één van de bekendste Duitse kunstenaars uit de tijd van de Renaissance. Hij schilderde het op een lindehouten paneel van 1,86 bij 1,22 meter. Het werk staat bekend als "Der Jungbrunnen" - "The Fountain of Youth" - "De Fontein der Jeugd".
"Cranach's painting is about the human yearning for immortality and eternal youth", lees ik op de prachtige "Web Gallery of Art"-website. "Human beings dream of being young again, of leaving the worn outer shell and exchanging it for a new one". Precies! Voor altijd leven, en bij tijd en wijle (natuurlijk met behoud van je geestelijke identiteit en je intellectuele bagage) je oude en stramme lichaam vervangen door een nieuw en soepel gestel - dàt zou het zijn!  Waarom toch heeft de schepper van hemel en aarde en mens de zaken niet aldus geregeld?
Laten we het tafereel dat Cranach bij elkaar heeft geschilderd eens van naderbij bekijken. Aan de linkerkant zien we hoe oude vrouwen worden aangevoerd - op uiteenlopende wijzen : met karren, op een berrie, in een kruiwagen, op de rug van een paard of van een man (al dan niet met assistentie van een helper). Een ware staalkaart van de 16de-eeuwse transportmogelijkheden!
Centraal op het paneel staat natuurlijk de bron der jeugd : gestaag sijpelt het water uit dit kunstzinnig vorm gegeven fonteintje, nee niet in een schilderachtig meertje of vijvertje, maar in een zeer geometrisch en verbazend hedendaags aandoend zwembad! Wat me wel verontrust : nergens is een afvoer te zien, zodat ik mij (met de natte augustusmaand van deze zomer nog vers in het geheugen) toch afvraag of die constant sijpelende bron op termijn niet voor wateroverlast gaat zorgen? Houdt de natuurlijke verdamping het (weliswaar zuinig maar toch continu) toegevoegde water in evenwicht? Of moet ik voor een aannemelijke verklaring terug naar de zwembaden die wij destijds voor onze kinderen in de tuin installeerden en waarvan het waterpeil door het enthousiaste pletsen en plonzen en het voortdurend drijfnat in- en uit het bad lopen op zeer korte tijd een aanzienlijke daling vertoonde?
Pittige details : aan de linkerzijde van Cranachs zwembad worden de oude vrouwen uitgekleed (er is iets voor te zeggen dat wie de nieuwe jeugd wil vinden zich eerst tot het naturisme moet bekeren) en vervolgens door een dokter onderzocht, want ja, nogal wiedes dat men het jeugdschenkende water wou vrijwaren van vieze ziektes! Wat ik, by the way, wel vreemd vind : kennelijk is heel dit verjongings-fenomeen een louter vrouwelijke aangelegenheid. Even dacht ik : men heeft hier, bij wijze van pampering van bepaalde gezindten, het gescheiden verjongen ingevoerd, waarbij het bad op bepaalde uren uitsluitend voor vrouwen toegankelijk is - maar nee, met preutsheid kan het niet te maken hebben, daarvoor zijn er te veel mannen rond dit naakte vrouwen-gebeuren in de weer.
In het bad zelf zien we hoe het wonder van de verjonging zich gradueel voltrekt : oude tantes met hangboezems veranderen in jonge meisjes met stevige hoge borstjes. Aan de rechterzijde van het bad worden deze reeds zeer beminnelijke maar nog naakte creaturen door een galante heer verwezen naar een aankleedtent, waaruit ze na een poosje als modieus geklede jongedames naar buiten treden!  Een tweede wonder eigenlijk, want vergelijkt men de aankleding van de vrouwen vóór en na het toverbad, dan heeft zich warempel niet enkel een leeftijdsmirakel voltrokken, maar ook een vestimentaire en een sociale upgrading. Oude boerenbesjes zijn gracieuze ladies geworden.
Verderop zien we hoe deze herboren wonderwezens zich overgeven aan alle geneugten die het leven aan de jeugd te bieden heeft : eten, drinken, dansen… Onderaan rechts heeft een paartje zich zelfs teruggetrokken in het struikgewas, ongetwijfeld om een rustig gesprek te voeren. En dat allemaal in een paradijselijk landschap, dat scherp contrasteert met de knoestige rotsen aan de linkerkant van het werk.
Cranachs schilderij heet een allegorische voorstelling te zijn : verschillende hooggestemde interpretaties zijn mogelijk. Zo zou de fountain of youth eigenlijk een fountain of love zijn (er prijkt inderdaad een beeldje van Venus op de waterspuwende zuil) en zou de boodschap zijn dat enkel de liefde eeuwige jeugd schenkt. Ik hou het er echter op (desnoods tegen alle kunsthistorici in) dat de kunstenaar - die anno 1546 niet meer van de jongste was, hij was de zeventig al stevig voorbij - toch die diepmenselijke down to earth-aspiratie van een doodgewoon-wonderbaarlijke terugkomst der jeugd op het lindehout heeft gezet. En dat hij zich verkneukeld heeft in die heerlijke illusie (en natuurlijk ook in het wellustig schilderen van die naakte vrouwen, vooral dan die van de rechterbadzijde).
Lucas Cranach de Oude (in het Duits : Lucas Cranach der Altere) werd geboren in 1472 in Kronach (in Beieren) en overleed in Weimar op 16 oktober 1553. Vorig jaar, op dinsdag 28 september 2010 (om precies te zijn), hebben mijn vrouw en ik tijdens ons verblijf in Weimar even bij het graf van deze meester verwijld. Dat was op het kerkhof rond de Jakobskirche, waar we weliswaar niet uit interesse voor Cranach naartoe waren gegaan, maar omdat Goethes echtgenote Christiane Vulpius er begraven ligt - overigens in een veel bescheidener graf dan de indrukwekkende tombe van de heer Cranach, waarop een levensgroot bas-reliëf prijkt, de kunstenaar zelf voorstellend (die ons, naar mijn indruk, met een monkel-glimlach om de lippen aankijkt). Natuurlijk bezochten we ook de Jakobskirche zelf, want het was in de sakristie van deze kerk dat Goethe op 19 oktober 1806 met Christiane Vulpius huwde. We waren er in de vooravond : de invallende duisternis zorgde voor een bijzondere sfeer. Omdat ik het wel amusant vind de grote cultuur te mengen met de kleine, voeg ik hier nog aan toe dat we na ons bezoek aan de Jakobskirche de voeten onder tafel staken in het zeer nabijgelegen "Kartoffelhaus Weimar" - een genoeglijk restaurantje geheel gespecialiseerd in aardappelgerechten.
De droom van een bron der eeuwige jeugd werd natuurlijk niet door Lucas Cranach bedacht : hij is omzeggens zo oud als de mensheid zelf. De Griekse schrijver Herodotos (5de eeuw vóór Christus) had het al over een bron die levenskracht schonk, en Alexander de Grote (4de eeuw vóór Christus) zou naar het magische water op zoek zijn gegaan om zichzelf en zijn soldaten na het voeren van vele oorlogen weer op te lappen (als we tenminste de verhalen mogen geloven die later over Alexander werden geschreven - wat we natuurlijk maar zeer gedeeltelijk mogen doen). Het idee is vervolgens met een soort Ewige Wiederkunft-hardnekkigheid in onze cultuur blijven opduiken, tot en met het recente deel vier van de serie "Pirates of the Caribbean"-films (ondertitel : "On stranger Tides") waarin Johnny  Depp, alias piraat Jack Sparrow, naar het opwellende wonderwater op zoek gaat.
Een sterk aan de bron der jeugd verwant thema is dat van het levenselixir. Druïden, magiërs en alchemisten allerhande maakten bij hun zoektocht naar de "steen der wijzen" (waarmee onedele metalen in goud konden worden getransformeerd) met genoegen al eens een ommetje langs het elixer vitae of levenselixir, waarmee het menselijk bestaan (misschien wel onbeperkt) te rekken viel.
In het vroege werk van Marc Sleen (en ook bij andere stripverhalenmakers, maar daar ga ik niet over) treffen we dit legendarische levenselixir aan in het Nero-album "De bronnen van Sing Song Li", waar het kostbare goedje in een Chinese pagode zeer zuinig uit een rots druppelt. In "De Negen Peperbollen" is het dan weer het zaad van een onder de Kilimandjaro groeiende plant dat er voor zorgt dat de steenoude professor Zagemeel van zijn sterfbed opveert, vrolijk zijn broek aantrekt en met een ongehoorde young again-vitaliteit naar de voorzitter van de keuzecommissie voor de Olympische Spelen van Melbourne (1956!) holt.
In het latere werk van Sleen (waar ik minder vertrouwd mee ben) komt het thema van het eeuwige en jeugdige bestaan naar verluidt terug in "De Wallabieten" (waarin Nero een pil slikt die hem duizend jaar zal doen leven), "Zongo in de Kongo" (waar een toverdokter voor de onsterfelijkheid zorgt) en "De Nerobloemen" (waar Adhemar de uitvinder van het levenselixir is).  
Dromen der mensheid…  eeuwig leven, weer jong zijn… De harde waarheid horen we in een Duits volksliedje uit de 19de eeuw: Schön ist die Jugend, sie kommt nicht mehr… 

De afbeelding van Cranachs Jungbrunnen en de informatie over het werk haalde ik bij de Web Gallery of Art, http://www.wga.hu/index1.html.
Voor het overige ging ik te rade bij zowel de Duitstalige als de Nederlandstalige versie van de internet-encyclopedie Wikipedia.
De beroemde versie van Schön ist die Jugend(zeit) van Leni & Ludwig uit 1957 : 
http://www.youtube.com/watch?v=sDw_MFpaD0g&feature=related

vrijdag 23 september 2011

Bodensee


Tot de "legendarische" reizen die zich via verhalen en ansichtkaartjes in de jaren vijftig in mijn kinderlijke geest nestelden behoorde, naast de Luxemburg- en Duitsland-reizen van mijn ouders (zie mijn blogberichten Echternach en Rüdesheim uit augustus 2011), ook de "expeditie" die mijn suikertante Emma ("Maikke") Schoeters (°1898) in augustus 1959 ondernam naar de Bodensee (het Bodenmeer) in Zuid-Duitsland (eigenlijk op de grens van Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk). Het ging om een groepsreis per autobus, georganiseerd door het reisbureau Pam Vermeulen, waarbij mijn tante (eigenlijk was ze mijn groottante) vergezeld werd door Lena, één van haar schoonzussen.
Afgaande op de ansichten bezocht men aan de Bodensee de plaatsen Konstanz en Lindau, en "het bloemeneiland" Mainau - en in de wat wijdere omgeving Ravensburg en Heiligenberg. Ik meen me te herinneren dat mijn tante ook over Reichenau vertelde. Het traject liep niet enkel door Zuid-Duitsland, maar deed ook Zwitserland (Sankt-Gallen), Liechtenstein (Vaduz) en Oostenrijk (Dornbirn) aan. Mijn groottante bracht voor mij een stevige koeienbel mee (ca. 10 centimeter hoog, hangend aan een veelkleurig lint), en ook een jachthoorn (zo'n 20 centimeter lang). Die laatste kwam uit Sankt-Gallen.
En dus… wou ik, toen mijn vrouw en ik in 2009 (met de auto) door Zuid-Duitsland en Oostenrijk reisden, natuurlijk de Bodensee, die ik "kende" uit mijn kindertijd (weliswaar zonder ze ooit te hebben gezien), wel eens met eigen ogen aanschouwen. Puur toeval : deze recherche du temps perdu zou zich afspelen vijftig jaar nadat mijn tante "Maikke" (anno 1978 overleden) er had rondgelopen (en aan de basis had gelegen van het feit dat de notie "Bodensee" tot mijn geestelijke kinderbagage was gaan behoren).
En dus…  trokken we op dinsdag 22 september, nadat we in het Zwitserse Schaffhausen naar "de grootste waterval van Europa" waren gaan kijken (watervallen zijn één van mijn special interest-fenomenen), via Bodman-Radolfzell naar het Bodenmeer (dat plaatsje "Bodman" vermeld ik hier niet "zomaar" : de Bodensee ontleent er haar naam aan). We reden langs de noordzijde van het meer, van Lüdwigshafen in het westen tot Lindau in het oosten, op zoek naar een leuk hotelletje, met parkeermogelijkheid in de meest onmiddellijke omgeving (want als verwende pensionado zeul ik niet graag met valiezen, ook al staan er nu wieltjes onder), en liefst niet aan de grote weg.
Pas toen we het traject opnieuw, maar nu in omgekeerde richting aflegden, vonden we, ongeveer halverwege, precies wat we zochten : het zeer gemütliche Gasthof Grüner Baum in Stetten, een klein dorpje (987 inwoners volgens de Wikipedia), op wandelafstand (of laten we zeggen : op stap-afstand) van het mondaine en aan de oever van de Bodensee gelegen stadje Meersburg. Mijn vrouw weet ongetwijfeld nog wàt we die avond in de Grüner Baum gegeten hebben, ik herinner mij enkel nog dàt het erg lekker was - niet te verwonderen, want aan het hotel-restaurant was zowaar een Kochschule verbonden. We besloten 's anderendaags per boot naar "het bloemeneiland" Mainau te varen.
De volgende dag : zeer dichte mist op het meer! Het vrij grote passagiersschip van de BSB (de Bodensee Schiffstbetriebe), dat ik naar het haventje van Meersburg op zag stomen (een dichterlijke overdrijving, want het was natuurlijk geen stoomboot), deed me (ondanks dat gebrek aan stoom) toch denken aan de vaporetto waarmee Gustav von Aschenbach in Dood in Venetië, de geniale film van Visconti naar de novelle van Thomas Mann, in eveneens mistige omstandigheden de Venetiaanse lagune werd binnengevaren - begeleid door de ijle klanken van het adagietto uit Mahlers vijfde simfonie.
Wij kozen voor een kleiner bootje, de Frits van de Frey Meersburger Bootbetriebe, die vertrok van aan het Hotel zum Schiff. Zo waren we dichter bij het water. Al snel onttrok de mist de kade van Meersburg aan het oog… werden we volledig opgenomen in de nevelen die het meer in hun greep hielden… werd heel onze werkelijkheid herleid tot het water, de mist (die eigenlijk ook water is, zij het in sterk verdunde vorm), en het varen. Ik voelde me als een antieke held die in een door een veerman gevaren bootje de Lète overstak, op weg naar de schimmige onderwereld. Laten we zeggen : Orpheus - die keerde tenminste nog terug. Na een tijdje doemde het eiland uit de wazigheid op…
Het enige grote gebouw op Mainau is het 18de-eeuwse kasteel van de familie Bernadotte - want ja, het 45 hectare groot eiland is privé-bezit. In het kasteel zijn enkel een tentoonstellingszaal en het Schlosscafé voor het publiek toegankelijk, en ook de Schlosskirche, met haar barok-interieur (een voorproefje van de Beierse Wieskirche die we later op onze reis zouden bezoeken). Voor het overige is het hele eiland eigenlijk één groot park, waar je van de ene botanische bezienswaardigheid naar de volgende wandelt. Ik vermoed dat hier sinds het bezoek van mijn tante Emma een halve eeuw geleden wezenlijk niet veel veranderd was.
Naast de slotkapel staat een indrukwekkende Ginkgo-boom (geplant in 1872) : Goethe-fans weten natuurlijk dat de grote schrijver gefascineerd was door de Ginkgo Biloba, deze unieke, miljoenen jaren oude boomsoort - en er ook een beroemd gedicht aan gewijd heeft (maar daarover zal ik het, bij leven en welzijn natuurlijk, later nog eens uitgebreid hebben, als de Ginkgo die ik in mijn tuin heb geplant - in 2010 op de markt in Weimar gekocht - tot enig wasdom is gekomen). In een boomgaard bij het kasteel groeien de citroenbomen.
Een beetje Geschichte nu? Het zal u niet verbazen dat de onvermijdelijke Romeinen nog op Mainau hebben rondgelopen (ze bouwden er een vlootbasis). Na hen zwaaiden de machthebbers van de Alemannen en de Franken er de plak, nog wat later die van de (nabijgelegen) abdij van Reichenau, en vervolgens die van de Duitse Orde (een clubje van allerchristelijkste ridders). In 1827 kocht een zekere Nikolaas II Esterhazy (ja, een telg uit het weelderige geslacht dat in eerdere tijden Joseph Haydn in dienst had) het eiland : hij voerde er talrijke zeldzame planten in.
Groothertog Friedrich I von Baden, die Mainau in 1853 tot zijn zomerverblijf maakte, bouwde die botanische bestemming verder uit (hij was een tropische bomen-fanaat), en zo deed ook zijn Zweedse achterkleinzoon graaf Lennart Bernadotte (°1909), die het Bodensee-eiland in 1932 erfde.
Graaf Lennart was een fervent natuurliefhebber, fotograaf en cineast. Nadat hij zich van zijn eerste vrouw had laten scheiden hertrouwde hij in 1972, in zijn 63ste levensjaar, met zijn 28-jarige medewerkster Sonja Haunz uit Konstanz, die van dan af als gravin Sonja door het leven ging. Graaf Lennart had de reputatie een man met veel daadkracht te zijn, hetgeen "ergens ook" aangetoond wordt door de vijf nakomelingen die tussen 1974 en 1982 binnen dit tweede huwelijk het levenslicht zagen. Knap werk van Lennart - die overigens ook al vier kinderen had uit zijn eerste huwelijksbootje.
Inmiddels had de graaf zijn Insel uitgebouwd tot een waar paradijs voor wie van bomen, planten en bloemen houdt - maar ook tot het grootste toeristische bedrijf aan de Bodensee. Want je stapt als bezoeker natuurlijk niet gratis het eiland op, en her en der zijn er ook wat eet- en drinkgelegenheden en souvenirwinkels die zaad in het bakje moeten brengen - maar, het dient gezegd : ze zijn discreet ingebouwd en storen niet. Het blijft allemaal smaakvol, geciviliseerd en zeer genietbaar (al kan ik niet beoordelen of dit ook in het toeristisch hoogseizoen het geval is). Graaf Lennart Bernadotte overleed op zijn kasteel in Mainau in december 2004, op 95-jarige leeftijd. Gravin Sonja volgde hem in 2008 in de eeuwigheid.
Nog een historische boom op Mainau : de Viktoria-linde. Groothertog Friedrich I von Baden (dankzij mijn historisch overzichtje is hij voor u geen onbekende) plantte hem in 1862 ter gelegenheid van de geboorte van zijn gelijknamige dochtertje. Later huwde deze Viktoria met de Zweedse koning Gustav V - en nog later werd ze de grootmoeder van graaf Lennart (die u ook al goed kent). Ja, kleine meisjes worden groot(moeder)… zo gaat dat mettertijd.
September is de tijd bij uitstek voor het dahliapark : dan staan de meer dan twaalfduizend dahlia's op de zuidelijke oever van Mainau in volle bloei. Maar wat heb je aan bloemen op een mistig eiland? En dus breekt op het moment dat we aan de zuidkant van het eiland arriveren een schitterend stralende zon door het wolkendek! Ze schenkt de bloemen in het dahliapark hun prachtigste kleuren. Tot mijn verrassing bleek mijn vrouw een ware dahlia-expert : ze wees me op de verschillende soorten, en leerde me dat dahlia's zeer fragiele, koudegevoelige bloemen zijn, ongeschikt als snijbloemen, omdat ze in een vaas heel snel verwelken.
In de late namiddag keerden we met de Frits terug naar Meersburg, nu over een zonovergoten Bodensee. Meersburg is een fijn plaatsje. Hier is de uitdrukking "een gezellige drukte" nu eens écht van toepassing (naar mijn smaak wordt ze meestal oneigenlijk gebruikt, voor plaatsen waar het veel te druk is om gezellig te zijn). Ik heb mijn favoriete plekje snel gevonden : het is heerlijk rondhangen op de Seepromenade, aan de oever van het meer - er (als nog redelijk nieuwbakken pensionado, want dat was ik toen) op een bank zitten, in het lommer van de bomen, kijken naar het zachtjes kabbelende water van de Bodensee. Of, in het haventje aan het oostelijke uiteinde van de promenade, bij de Magische Säule van hedendaags kunstenaar Peter Lenk (°1947), mijmeren bij de zachtjes ondergaande zon… Maar dan snel opkrassen, om het avondmaal in ons Grüner Baum-Gasthof niet te missen…

Foto : de Seepromenade in Meersburg, gezien vanop de Bodensee, 23 september 2009 - eigen foto.
Geraadpleegde bronnen : brochure Inselführer, Wege über die Mainau, 2009 ; brochure 100 Jahre Lennart Bernadotte, 2009 ; internet-encyclopedie Wikipedia, september 2011.

vrijdag 16 september 2011

Mieke en Proo


In de door mijn ouders nagelaten fotocollectie vond ik deze opname van "Mieke" en "Proo"… Fotografisch valt er wel wat op aan te merken, maar toch vind ik het een prachtig beeld - dankzij de twee personages die hier levensecht vereeuwigd werden, en ook wel door de glimp die we kunnen opvangen van hun natuurlijke omgeving. Ik schat dat de foto gemaakt werd in de jaren vijftig.
Mieke en Proo... dat waren nog echte "boerenmensen" - de enigen eigenlijk in heel mijn familie, zowel van moeders- als van vaderskant, die landbouwers waren. Mieke heette officieel Maria Josepha Schoeters : ze was een tante van mijn moeder, en geboren in 1887, als het eerste van de elf kinderen van mijn overgrootouders-langs-moederskant Jozef Constant Schoeters (1865-1928) en Maria Theresia Kuypers (1866-1946).  
In 1908 huwde Mieke, op 21-jarige leeftijd, met de tien jaar oudere Jaak Edward Dejonghe, alias "Proo". Waarom werd iemand die Jaak Edward Dejonghe heette in 's hemelsnaam "Proo" genoemd, en wat was de betekenis van die roepnaam? Marcel Salu (°1929), de kleinzoon van Mieke en Proo, die ik in de dagen dat ik dit artikeltje schreef een bezoek bracht, wist het ook niet.
Een hypothese… Boortmeerbekenaar Felix Gijbels (1900-1993) maakt in zijn (onuitgegeven) memoires melding van de brouwersgast "Waar Proo", die "goed thuis was" in het café van Felix' pleegmoeder "Mieke Messaar" (Marie Gijbels, 1870-1957), destijds gelegen op de hoek van de Leuvensesteenweg en de Beringstraat. Was die Waar Proo onze Proo? Ik vermoed het. "Waar" zal de volkse vervorming van "Edward" zijn geweest. De toevoeging "Proo" zou dan (kunnen) betekenen dat Edwards vader ook al "Proo" werd genoemd, en dat we "Waar Proo" moeten lezen als : "Edward, de zoon van Proo". In dit scenario zou Proo zijn naam dus geërfd hebben van zijn vader. Zou die misschien Prosper hebben geheten? 
Kennelijk had Proo in zijn jonge jaren in de (ook aan de Leuvensesteenweg gelegen) brouwerij Het Sas gewerkt - Felix Gijbels vertelt hoe Waar Proo en enkele kompanen vrachten gerst moesten afhalen aan het Boortmeerbeeks spoorwegstation en naar de brouwerij brengen. En ook hoe ze in de herberg een soort volksspel opvoerden, dat het dorsen imiteerde.
In mijn kindertijd (de jaren vijftig) woonden Mieke en Proo aan de Leuvensesteenweg, op de plaats waar nu de lampen- en luchterszaak Lichtland is gevestigd. Daarmee is meteen gezegd dat hun woning inmiddels geheel verdwenen is - plaats heeft moeten maken voor de grote-oppervlakten-commercie. De Leuvensesteenweg vormde in mijn jeugdjaren natuurlijk ook al de belangrijkste verbinding tussen Mechelen en Leuven, maar het was toen nog een fraaie, aan weerszijden met bomen afgezoomde kasseiweg, en van het onophoudelijke autogeraas van nu, -dat het wonen aan deze straat eigenlijk onmogelijk maakt-, was nog geen sprake.
Het huis van Mieke en Proo was "iets speciaals". Het was een boerderij, maar niet van het traditionele, lage, langgevelige type. Volgens kleinzoon Marcel was het gebouwd kort na de Eerste Wereldoorlog, nadat het vroegere woonhuis van Mieke en Proo door het oorlogsgeweld verwoest was (dat moet in 1914 zijn gebeurd, toen Boortmeerbeek een tijdlang in de vuurlijn lag, en de Duitsers er zich, zoals elders, baldadig gedroegen). Het was een hoog huis, "met stijl" - er was duidelijk een architect aan te pas gekomen (wat in die tijd toch meer uitzondering dan regel was). Ik vermoed dat het nieuwe huis gebouwd was via één of andere vorm van schadeloosstelling, en dat men in het kader daarvan allicht aan bepaalde bouwkundige vereisten had moeten voldoen.
Van dat "speciale huis" bestaan helaas geen foto's (het werd afgebroken in of alleszins rond 1990). Gelukkig zat de structuur ervan nog in Marcels geheugen gegrift : de schuur (met grote poort), de stal (met daarboven een hooizolder die men vanuit de schuur beklom), een ruime woonplaats en daarachter een keuken. Boven de kelder was er een "kellekamer" (kelderkamer), en op de eerste verdieping twee slaapkamers. In de voorgevel was "een groot wit kruis" gemetseld. Als men langs de voordeur binnenging, kwam men eerst in een halletje : van daaruit kon men naar de woonkamer, maar ook naar de kelderkamer, of de trap op naar boven.  Vóór het huis, langs de straatkant, stond een gemetselde waterput. Naast, maar los en op een zekere afstand van de woning, was een bakhuis gebouwd, met een oven waar brood werd gebakken.
Achter het huis staken enkele hoge fruitbomen hun kruin in de lucht : een notelaar, een perelaar, een kerselaar… en verderop rijpten allerhande vruchten en bessen aan bomen en struiken. Achteraan in de hof had Mieke haar bloementuintje. Ik weet dat ze de reputatie genoot over "groene vingers" te beschikken (al bestond die uitdrukking toen nog niet). Wat ze ook aan scheut of zaad in de grond stopte, en hoe achteloos ze dat ook deed : het groeide en bloeide! Misschien kwam dat omdat ze zoveel van bloemen en planten hield, en al wat ze kweekte met gulle hand uitdeelde aan wie bij haar langskwam.
In mijn kinderjaren waren Mieke en Proo al oude mensen. Mijn moeder echter had ze in haar jeugd nog in volle (landbouw)activiteit meegemaakt. "Als ik mij thuis verveelde ging ik naar Mieke", schreef ze in haar memoires. "Irma (de dochter van Mieke) was toen al getrouwd, maar er kwamen daar toch regelmatig kinderen uit de buurt. Madeleine (Schoeters) was er ook dikwijls bij en wat wij daar graag deden was 'draf trappen'. Die draf haalden ze in de brouwerij en ik denk dat het voor de dieren was".
En verder : "Bij Mieke hadden ze een stal met daarin een koe en een paar geiten. Ze hadden ook een paard en een varken maar die stonden in een andere stal. In de voorplaats was er een klein raampje van waar ge in de stal kon kijken. Bij Mieke was er ook een grote hof : langs beide kanten van het huis een stuk, en dan het grootste stuk langs achter. Ze hadden daar alle soorten fruit, zoals krieken, rode en witte kersen, rode bessen, moerbessen, 'stekebezen' (kruisbessen), appelen, peren, perziken, pruimen, mispelen...
Proo die reed alle dagen naar Brussel om melk te verkopen. Dat waren twee grote stopen die hij met de fiets naar Kampenhout-Sas bracht : daar nam hij dan de tram. Hij had van Brussel een hond meegebracht en ons wijsgemaakt dat hij die in de vuilbak gevonden had. Dat was een middelgrote hond, wit en zwart gevlekt, die aan een kot gebonden stond met een ketting. Soms mochten wij die hond losmaken om daar achter in de hof mee te wandelen, maar dat was niet wandelen, want die hond - Marki (Marquis) heette hij - die trok zo hard dat wij op onze buik vielen en zo werden meegesleurd!
Vanuit Mieke haar hof kropen wij onder de 'pinnekensdraad' (prikkeldraad) door naar de weide waar de beek liep. In de beek had Proo een houten plankiertje gemaakt voor als ze daar de was gingen spoelen. In de zomer gingen wij dan mee in ons badpak om in de beek pootje te baden en zogezegd te zwemmen. Toen ik volwassen was heb ik daar van 'onze pa' mijn eerste zwemlessen gekregen.
Wat ik ook graag deed was met de kar meerijden. Aan het Kampenhout-Sas stond er toen een kasteel van baron de Fierlant en de boeren gingen daar gras maaien en hooien. Ik denk dat ze die weiden huurden. (Kleine) patatten rapen heb ik ook dikwijls gedaan, en ik heb ook veel 'varkenspatatten' gegeten : die werden gekookt in een grote 'koeketel'. Ge moest die dan pellen en er wat zout op strooien". Aldus de herinneringen van mijn moeder Maria Budts aan Mieke en Proo. Voor een goed begrip : met "onze pa" bedoelde ze niet haar vader, maar haar verloofde en echtgenoot (mijn vader) Oscar Wollebrants.
Proo was (in de tijd dat ik hem kende) "niet veel van zeggen" - een zeer stille man. Als kind viel het mij trouwens op dat oude mannen over het algemeen zo zwijgzaam waren. Toen vond ik dat vreemd. Nu ik zelf de zestig voorbij ben, kan ik moeiteloos redenen bedenken waarom de gevorderde leeftijd niet uitnodigt tot vrolijk snateren. Hoe ouder we worden, hoe dichter we bij het einde van ons leven komen, dat is zeker. Hoeveel tijd rest ons nog? Denkend aan de dood wordt iedereen stil - als willen we alvast wennen aan de eeuwige stilte die ons wacht. Want, zoals Shakespeare al besefte : the rest is silence!
Maar uiteraard lopen ook oude mannen niet voortdurend aan hun dood te denken, en dus moeten er nog andere redenen zijn waarom het lachen en de lichtvoetige praat hen is vergaan. Wie een aantal jaren (en dat hoeven er zelfs nog niet al te veel te zijn) in het leven heeft meegedraaid, heeft onvermijdelijk emotionele blutsen, builen, krassen en schrammen allerhande opgelopen. Niemand ontsnapt daar aan. Naast die kleinere kneuzingen loopt elk van ons mettertijd ook één, twee… misschien wel drie… ernstige kwetsuren op - een chronische ziekte of een lichamelijke handicap soms, maar zeker ook geestelijke wonden die niet of nauwelijks genezen, slepende pijnen die we meedragen tot in ons graf. Het voortschrijdend bestaan tekent ons - de lust tot lachen en babbelen kwijnt weg...
Mieke en Proo hadden één kind, hun dochter Irma (1911-1988) - net als haar moeder een schat van een vrouw. Ze huwde in 1929 met Jan Armand Salu. Het echtpaar kreeg één zoon, die uitgroeide tot een opvallend knappe man met een snorretje - de al genoemde Marcel. 
In 1958 vierden Mieke en Proo hun gouden huwelijksjubileum. Proo stierf in zijn woning aan de Leuvensesteenweg op 20 november 1962, op 85-jarige leeftijd. Mieke bracht haar laatste levensjaren door in het huis van haar dochter en schoonzoon in de Beringstraat - door een ongelukkige val aan haar stoel gekluisterd. Ze overleed er op 11 juni 1979. Ze was 92 jaar oud geworden. Boerenmensen moeten hard werken, zijn veel buiten, en leven lang.

Bronnen : de memoires van mijn moeder Maria Budts en van Felix Gijbels ; gesprek met Marcel Salu (kleinzoon van "Mieke" en "Proo"), Haacht, 13 september 2011 ; eigen herinneringen.

vrijdag 9 september 2011

Den Buurman


"Pak ik de zaken chronologisch aan, of thematisch... ?" : het is een dilemma waar eenieder die verhalen vertelt wel eens mee worstelt. Uiteraard hebben beide werkwijzen hun voor- en nadelen. De Nederlandse vertaalster en publiciste Margreet den Buurman (°1953) heeft voor haar vorig jaar verschenen biografie van Thomas Mann voor de chronologie gekozen. Natuurlijk vind ik dat een prima aanpak - al was het maar omdat tijd het centrale thema van mijn leven (en van dit blog) vormt. Maar aan het vertellen van je verhaal volgens de voortgang der jaren zit (dat weet ik uit eigen ervaring), het ongemak vast dat de diepere inhoud van je relaas versnipperd raakt over een veelheid van data en gebeurtenissen. Margreet den Buurman probeert in haar boek dit onoplosbare probleem op te lossen door, als ze op een constante in leven en loopbaan van Thomas Mann stoot, ons als lezer bij de hand te nemen en, hop, ons langs deze thematische lijn mee te voeren, een heel eind vooruit in de tijd. Zo'n flash forward is op zich best aardig, maar heeft wel het nadeel dat we vervolgens, in een soort processie-van-Echternach-beweging, op onze stappen moeten terugkeren, en de draad weer moeten oppakken waar we gebleven waren. Dit ten nadele van de vaart die er in het vertellen van het levensverhaal van zo'n boeiende persoonlijkheid toch zou moeten zitten. De kunst van het meeslepend vertellen : die mis ik een beetje in dit voor het overige zeer degelijke en lezenswaardige werk. Margreet den Buurman heeft de gegevens gewetensvol verzameld, maar ze is geen groot componist.
Als Mann-bewonderaar waren de feiten mij uiteraard al grotendeels bekend, maar wie "pas met Mann begint"… die moet natuurlijk minstens eerst De Toverberg en Dood in Venetië gelezen hebben… en kan dan kennis nemen van al de grote biografische topics rond de beroemde schrijver die door Den Buurman worden samengevat : de ambivalente band met zijn oudere broer Heinrich, de (min of meer onderdrukte) homo-erotische gevoelens, de zakelijke beslommeringen, de (problematische) relaties met zijn kinderen, Manns houding tegenover het nazisme, zijn jaren in de Verenigde Staten, de triomftochten in Duitsland na de oorlog…
Ik moet bekennen dat ik het boek van Den Buurman gelezen heb vanuit een nogal egocentrisch perspectief. Aangezien het werk van de schrijver Thomas Mann mij aanspreekt, vroeg ik me af of ik in zijn persoonlijkheid gelijkenissen met mezelf zou ontwaren. De inspiratie voor deze comparatieve leeswijze was er ook een beetje gekomen door het feit dat de grote Mann en ik dezelfde verjaardag hebben (6 juni). Tussen haakjes : het toeval maakt soms toch gekke sprongen. Zo was ik al jaren "fan" van zowel Goethe als Thomas Mann toen ik er achter kwam dat ik met de eerste mijn geboortejaar ('49 : hij 1749, ik 1949) en met de tweede mijn verjaardag deel (ere wie ere toekomt : het was mijn vrouw die me op beide analogieën attent maakte - met de getallenblindheid die mij eigen is had ik dit zelf nooit opgemerkt).  
Uiteraard was mijn vergelijkende benadering er één met veel methodische haken en ogen. Het beeld dat Den Buurman schetst is opgebouwd uit velerlei getuigenissen over de schrijver (omzeggens zijn hele familie heeft herinneringen aan, en typeringen van hem ten beste gegeven), en maar in kleine mate uit wat hij van zichzelf vond. Wat mijzelf betrof moest ik het grotendeels stellen met… mijn zelf-beeld, en dat is per definitie subjectief, en (zo mocht ik in het verleden al ervaren) bijvoorbeeld "niet zo heel erg" gelijkend op wat mijn vrouw en kinderen van mij vinden. Een troost : uiteraard zijn ook de beelden die anderen van ons hebben niet neutraal - al was het maar omdat objectiviteit nu eenmaal niet bestaat.
Los van die methodische problematiek is het vergelijken van jezelf met het personage over wie je leest een vorm van leuke Spielerei die het bestaan van een biografie-lezer verlevendigt (en ik u daarom van harte kan aanbevelen). Natuurlijk moet men (zoals ik mijn studenten altijd op het hart heb gedrukt) bij een historische vergelijking niet enkel oog hebben voor de gelijkenissen, maar zeker ook voor de verschillen, die in de regel, én ook in dit geval, aanzienlijk zijn. Thomas Mann was bijvoorbeeld zeer gefortuneerd, behoorde tot de hoge burgerij, en deed met zijn Nobelprijs nog een schepje op die maatschappelijke status bovenop : allemaal gegevenheden waar ik natuurlijk vierkant moet voor passen! Evenmin hoef ik in mijn leven een vergelijk te zoeken met homo-erotische verlangens, want die heb ik niet. Overigens is het taboe op homosexualiteit dat in Manns tijd nog torenhoog stond, nu, gelukkig maar, grotendeels gesloopt (al is de jongste decennia met de islam een nieuw en zeer agressief soort homohaat onze streken binnengewaaid).
Maar naast deze en andere verschillen kon ik (alle verhoudingen in acht genomen) toch heel wat gelijkenissen ontdekken! In de houding van Thomas Mann tegenover zijn (zes) kinderen bijvoorbeeld. Mann hield veel van zijn kinderen, maar die liefde was niet onvoorwaardelijk :  hij stond er op dat met sommige zaken die hem nauw aan het hart lagen, rekening werd gehouden (een standpunt dat hij overigens ook tegenover anderen innam). Over wat die zaken dan precies waren verschil ik (ten dele, maar eigenlijk niet al te veel) met mijn favoriete auteur, maar zijn uitgangspunt kan ik geheel onderschrijven. (Overigens is liefde, in tegenstelling tot wat men wel eens hoort uitkramen, nooit en bij niemand geheel onvoorwaardelijk).  
"De kinderen werden al jong beschouwd als volwaardige wezens, die met argumenten tot goed gedrag konden worden aangespoord", schrijft Den Buurman. Een hypothese die ook ik in de praktijk heb gebracht, om vervolgens  tot het inzicht te komen dat opvoeding er wat het latere reilen en zeilen van je nakomelingen betreft eigenlijk weinig toe doet. "Wat er in zit zal er (misschien) uitkomen, wat er niet inzit kan er niet uitkomen" werd mijn nieuw, op-eigen-ervaring-gestoeld pedagogisch adagio, en als ik lees wat er al dan niet van de kinderen van Mann is terechtgekomen, vermoed ik dat hij deze conclusie zou hebben onderschreven. Niet zozeer de nobele ambities en bedoelingen van hun ouders, dan wel het genetisch materiaal en het toeval bepalen wat je nazaten worden of niet worden.
De zonen en dochters van Mann waren verwende kinderen, net als de mijne (en net zoals Mann en ik zelf dat tot op zekere hoogte ook al waren). In het geval van Manns kroost hing dit nog samen met de sociaal-economische positie van het gezin, in onze tijd is deze verwenning een algemeen, ingeburgerd fenomeen geworden. Het precieze effect ervan valt moeilijk in te schatten, maar is naar het mij voorkomt niet onverdeeld gunstig. Er is niets op tegen dat jongeren veel krijgen, vooral dat ze veel kansen en veel vrijheid krijgen is niet slecht. Maar hoe maken we hen duidelijk dat met die kansen ook iets gedaan moet worden, en dat bij vrijheid het nemen van verantwoordelijkheid hoort? En dat er na veel krijgen een moment komt dat er gegeven moet worden?
Wat ik verder met Mann deel : zijn zin voor "ordelijkheid" ("in alles correct en precies") - zijn gevoeligheid en (dus) kwetsbaarheid (die natuurlijk altijd een beetje verscholen zitten) - zijn ijdelheid (al wil ik dat niet gezegd hebben) - en zeker ook het feit dat hij een "nogal onpraktische man" was, die "zo min mogelijk lastiggevallen wil worden met praktische beslommeringen of daar op zijn minst chagrijnig van wordt", en die het beredderen van dit (vaak weerbarstige en ondankbare) aspect van het bestaan grotendeels overliet aan zijn echtgenote (een vorm van vluchtgedrag, ja zelfs een soort lafheid waar ik geenszins fier op ben).   
Thomas Mann was een ernstig mens, maar zeker niet humor- of fantasieloos. Hij bediende zich vaak en graag van de stijlfiguur der ironie - de variant der zelf-ironie inbegrepen. Hm ja, van dit laken draag ik (naar ik bij tijd en wijle mocht horen) ook wel een pak. En natuurlijk deel ik ook Manns angst "om onverhoeds door ziekte en dood overvallen te worden" (wie deelt die niet, zeker als men op een wat gevorderde leeftijd gekomen is en een beetje nadenkt?). Dat brengt me tot het meest fundamentele wat de beroemde schrijver Thomas Mann en de kleine blogschrijvelaar die ik ben in common hebben…
Wat mij aan het werk van Margreet den Buurman het meest bevalt is namelijk de ondertitel : Schrijverschap tegen de vergankelijkheid! Die was trouwens de reden waarom mijn vrouw (naar eigen zeggen) het boek onder mijn aandacht bracht : zoals men het van een echtgenote verwachten mag, had zij zeer goed begrepen dat zo'n (onder)titel me recht naar het hart (en het verstand) zou gaan. "Tegen de vergankelijkheid" zo heet ook het laatste hoofdstuk, waarin Margreet Den Buurman probeert de essentiële aspecten van Manns schrijverschap aan te duiden. Zeer terecht komt ze daarbij uiteindelijk uit bij Thomas Manns worsteling met (dat had u al voelen aankomen)… de tijd, "de enige constante in het bestaan, maar niet vast te houden"! De tijd, die in omzeggens elk boek van Mann in de één of andere gedaante "meespeelt", of het nu gaat om de ondergang van een familie in Buddenbrooks, de confrontatie van professor Aschenbach met de jeugd en de schoonheid die niet meer terug te winnen zijn in Dood in Venetië, het uit-de-dagelijkse-tijd-stappen op De Toverberg, of de poging van verteller Zeitblom in Doctor Faustus om het levensverhaal van zijn personage veilig te stellen voor de vergetelheid…
Margreet Den Buurman heeft mij met haar boek, en vooral met haar laatste hoofdstuk, tenvolle laten inzien waarom ik een Mann-fan ben geworden. Het heeft alles te maken met "zijn opvatting over het leven, die hij altijd in acht zou nemen, namelijk een besef van in een traditie staan". In Doctor Faustus, maar ook in zijn essays en voordrachten, waarschuwde Thomas Mann voor (de onzalige gevolgen van) het breken met de traditie. Binnen de band met die traditie moest men "volgens hem besef hebben van tijd en vergankelijkheid, om het waardevolle voor de eeuwigheid te kunnen bewaren" (aldus Den Buurman). In de weer zijn om (onder andere door te schrijven) het waardevolle uit het verleden voor de toekomst te bewaren : ja, daar gaat het om, daar is het mij au fond ook om te doen! Is dat niet het enig zinvolle wat wij, in de tijd geworpen wezens, kunnen doen? Strijd voeren tegen de vergankelijkheid…

M. DEN BUURMAN, Thomas Mann, Schrijverschap tegen de vergankelijkheid, uitgeverij Aspekt, Soesterberg, 2010.
Foto boven dit artikel : Thomas Mann draait een fonoplaat in zijn werkkamer in München, 1932.  Bron : Deutsches Bundesarchiv, via Wikimedia Commons.
Thomas Mann (°1875) was een verstokt roker.  In 1946 werd hij, op 71-jarige leeftijd, in Chicago geopereerd aan een longtumor.  Hij overleed op 12 augustus 1955 in Zürich aan een trombose, veroorzaakt door arteriosclerose.